Part 17
„Ja zeker,” hernam Socrates. „Wel is waar hebben Phidias en Alcamenes mij niets van het beeldwerk voor het nieuwe Parthenon opgedragen, om het zelfstandig uit te voeren, en toen ik verzocht mij zulken verhevener arbeid toe te vertrouwen, ben ik door Alcamenes met dien spottenden lach afgewezen, dien hij zoo meesterlijk verstaat. Bij Zeus, ik heb zoo goed als iemand van Phidias geleerd, den volkomen eironden vorm van het gelaat te teekenen, het hoofd klein, maar fijn en schoon geëvenredigd te vormen, voorhoofd en neus op bijna gelijke lijn te plaatsen, de wenkbrauwen in scherpe trekken te doen uitkomen, het oog rond en diep uit te hollen, de neusvleugels zacht af te doen loopen, de kin mollig te ronden, haar en baard golvend voor te stellen. Niet altijd wil ik ruwe marmerblokken houwen en gedachten van anderen, als een machinaal werkman helpen belichamen. Ik wil een wijgeschenk scheppen en trachten met kunstvaardige hand een zelfopgevat, helder, rein begrip in den steen door de beeldende kunst voor te stellen.”
„Welk zelfopgevat, rein begrip is het dan, dat gij, zooals ge zegt, in het marmer wilt belichamen?” vroeg Aspasia.
„Daar zult gij wel van hooren,” hernam Socrates, „het betaamt immers niet over den arbeid van een leerling te spreken, alvorens gij van het werk des meesters, van de Goddelijke Pallas Athene, zooveel gezien hebt, als heden daarvan te zien is.”
Pericles en Aspasia verlangden zeer datgene van Phidias’ werk te zien, wat gereed was. Phidias echter zeide:
„Gij zult thans slechts brokstukken daarvan zien, want zooeven werd het kleimodel stuk gezaagd, zooals dat vereischt wordt voor kunstwerk in goud en ivoor.”
Pericles en Aspasia echter zouden voorloopig voldaan zijn, als zij dit mochten zien en op hun verlangen geleidde Phidias hen met Socrates en Alcamenes naar eene der ruime zalen. Daar wees hij hun een houten voorwerp, waaromheen de gedaante der Godin uit goud en ivoor, evenals vleesch en vel, moest worden aangebracht. Naast de arbeiders, die bezig waren het kleimodel van het grootsche werk in stukken te zagen, zag men anderen, die olifantstanden, van uitnemende schoonheid en grootte, zooals Indië die voortbrengt, in dunne platen te zagen, waarvan elk weder zorgvuldig bewerkt moest worden om een der deelen van het model uit te maken.
Pericles en Aspasia beschouwden met aandacht de geweldige brokstukken van den doorgezaagden Colossus.
Ook deze brokstukken gaven aanleiding tot nadenken en gelukkigerwijze was juist het hoofd der Godin nog geheel en ongedeerd. Dit konden zij dus naar hartelust beschouwen en zich laten medeslepen door de hooge gedachtenvlucht des meesters, die zich in de heerlijke, diepzinnige trekken dezer nieuwe „Pallas Athene des vredes” openbaarde...
Wat in dat beeld zich afspiegelde, was de geestelijke kracht, het was het licht van het heldere verstand, dat opstijgt uit de diepten.
„Zoo schoon en diepzinnig, als het gelaat der Godin ons daar tegenstraalt,” zei Pericles, „schijnt zij ons waarlijk als eene die niet uit eene vrouw is geboren, maar voortgekomen is uit het hoofd van haar vader Zeus.”
„In het hoofd echter,” viel Socrates in, die naar het rechte begrip der dingen steeds zocht en onmiddellijk van die opmerking partij trok, „in het hoofd zetelen, zooals bekend is, de gedachten. Wat is dus Pallas, die uit het hoofd haars vaders voortgekomen is, anders dan de bezielde en belichaamde gedachte van Zeus? O, gij gelukkige, door de Goden rijk gezegende Phidias, die geroepen zijt het hoogste, dat er bestaat, de gedachte voor te stellen!—Ik arme stumpert, ik zoek naar haar mijn leven lang, de reine gedachte en zou haar gaarne door mijn peinzen uit het hoofd van Zeus in het mijne overbrengen, evenals eene spattende vonk, maar ik kan haar maar nooit vatten. En Phidias hier neemt slechts een beetje leem, een beetje klei en kneedt ze, en onder zijne handen ontstaat uit het leem een beeld, dat mij de oogen verblindt, wanneer ik het aanschouw en mij dwingt uit te roepen: „Dat is de gedachte—de gedachte van Zeus!”—Dat echter Phidias gelijk heeft, wanneer hij de gedachte, zooals hij die daar belichaamd heeft, Pallas Athene noemt, de schitterende schutsgodin van alle Grieken, vindt duidelijk zijne verklaring in de meeningen der wijzen over de gedachte en der dichters over Pallas Athene. Afgezien van de bekende geboorte uit het hoofd van Zeus, verzekeren de dichters aangaande Pallas Athene, dat zij maagdelijk, voorts ook dat zij van eene mannelijke en vrouwelijke natuur tevens is, geheel in tegenstelling met de Godin der liefde, die niets met de gedachte gemeen heeft, maar geheel opgaat in de schoone gewaarwordingen en in de onbewust voortbrengende werken der liefde. Wie echter zal loochenen, dat ook de gedachte maagdelijk en mannelijk en vrouwelijk te gelijk is? De gedachte is koel, als het licht der sterren, en blijft zelfgenoegzaam in hare reine, heldere sfeer; slechts haar tegenhanger, het gevoel, is enkel gloed en brengt voort en gaat op in de werken der liefde. En het ontzetting verspreidende Gorgonenhoofd, ’t welk de dichters en de beeldhouwers op het schild der Godin Pallas Athene plaatsen, wat is het toch anders, dan de afschuw van den overwonnen nacht, welke de zegevierende gedachte als tropee in haar schild voert? Zoo is het dan aan geen twijfel onderhevig, dat Phidias de gedachte heeft willen voorstellen, opdat wij echter ook steeds mogen zeggen als het ons beter voorkomt, dat het hoofd daar vóór ons het hoofd is van de Godin Pallas Athene...”
De ernstige Phidias glimlachte bij deze woorden; Alcamenes echter viel den spreker in de rede en klopte hem met goedkeurenden blik op de schouders en prees zijne woorden. Aspasia zei:
„Wanneer Phidias, zooals gij beweert, Socrates, de macht der ijle gedachten heeft willen belichamen, heeft hij wellicht, terwijl hij ze schiep, niet eens aan die gedachte gedacht”—
„Dat wedervaart andere vaders ook wel eens,” hernam Socrates.
„U overkomt dat zeker nooit!” riep Alcamenes met schalkschen lach den denker aanziende.
„Neen,” hernam Socrates, „maar waarom maakt gij u ten mijnen koste vroolijk? Denken is beter dan niet te denken. Mogen de Goden al hun lievelingen het beste in den droom beschikken, wij moeten steeds trachten ons met wakkere zinnen te behelpen. Gij hebt u ongetwijfeld er over verwonderd, Aspasia, dat ik u zoo dikwijls naar het wezen der liefde heb gevraagd. En toch kon ik niet anders. Evenals Phidias het zegevierend licht der gedachte in het beeld van Pallas Athene heeft belichaamd, zoo zou ik in een beeld van Eros de liefde willen teruggeven. Gij zult toch zeker niet beweren dat Eros een verachtelijke God is; vele wijzen noemen hem zelfs den oudsten en eersten van alle, en wanneer de liefde, naar het schijnt, boven alles een streven, een zoeken, een verlangen is, dan mag ik toch wel zeggen, dat die God eigenlijk de mijne is. Om echter nauwkeuriger met hem bekend te worden, ben ik, gelijk gij weet, dikwijls vragend en onderzoekend bij de menschen rondgegaan.”—
„Dat is waar,” viel Alcamenes lachend in, „gij zijt meer op de Agora en op de zuilengaanderijen en andere openbare plaatsen te zien geweest, dan hier in Phidias’ werkplaats. Deze man schijnt waarlijk door eene bijzondere onrust gedreven te worden. Eerst hakt hij een halven dag als een dolleman op zijne marmerblokken, dan laat hij eensklaps zijne gereedschappen vallen en staart peinzend een uur lang voor zich uit. Dan springt hij op en loopt weg en komt in een halven dag niet terug. Gij wilt een Eros beitelen? Nu, zeg dan toch wanneer? Weet gij wel, mijn waarde, dat onze meester Phidias u den traagsten zijner leerlingen noemt?”
„Ik weet het,” hernam Socrates, „maar ik herinner mij ook, dat gij ook niet zelden den beitel wegwerpt en wegijlt, met of zonder voorwendsel, en, evenals ik, de liefde naloopt, naar men zegt, zonder toch eigenlijk veel naar haar begrip en karakter te vragen.”—
„Gij hebt gelijk,” hernam Alcamenes lachend, „ik vraag in ’t geheel niet naar haar begrip. Maar wie zegt u, dat ik altijd de liefde naloop, als ik mij uit de werkplaats verwijder?”
„Niet altijd gaat gij zelf weg,” zei Socrates, „soms zendt gij slechts een handlanger of zelfs den dollen Meno, als hij hier juist rondslentert, met briefjes aan de schoone Corinthische Theodota.”—
Wederom lachte Alcamenes en Socrates vervolgde:
„Mijn vriend Anaxagoras heeft den hartstocht der liefde eene ziekte genoemd: ik weet echter niet of zij eene gewone ziekte is en met artsenijen moet behandeld worden, of eene goddelijke, zooals de geestvervoering der dichters of de verrukking der Delphische priesteres. Dat de God der liefde vleugels moet hebben en eene knapengestalte, weet ik: hoe ik hem overigens moet voorstellen, ernstig of vroolijk, met de oogen naar boven of naar beneden gericht,—waarlijk, ik zou gaarne willen weten, Aspasia, hoe gij het zoudt aanleggen de liefde voor te stellen, als gij een der onzen waart in deze werkplaats van Phidias.”
„Ik zou het niet gaarne beproeven haar voor te stellen,” zei Aspasia. „De liefde is een gevoel, en een gevoel heeft geene gestalte. Waarom wilt gij voorstellen, wat geene gedaante heeft? Stel in de plaats van de liefde, datgene wat de liefde opwekt, het beminnenswaardige, het schoone. Want dit heeft eene gestalte en is vleeschelijk zichtbaar en tastbaar en met alle zintuigen waarneembaar. En gij behoeft niet eerst lang te peinzen en rond te gaan bij de menschen, om er naar te vragen, maar slechts eenvoudig na te maken wat uw oog het schoonst en bekoorlijkst aandoet.”
Socrates dacht eenige oogenblikken zwijgend na en sprak toen:
„Niets is juister, dan wat gij zegt, Aspasia. Ik zal Eros laten varen en trachten de Chariten te beitelen. Want dezen zijn het toch ook nu weder, waarop gij al zoo dikwerf mijne aandacht vestigt, als op de eigenlijke Godinnen der schoonheid en bekoorlijkheid. Aphrodite is wel is waar schoon, maar zij is niet alleen de Godin der schoonheid, ook en veel meer de Godin der liefde: in haar wezen is de schoonheid reeds met de liefde gemengd; bij de Chariten echter is zij nog rein en vrij op zich zelve en, om mij zoo uit te drukken, zelfgenoegzaam in hare goddelijkheid. Ik zal dus de Chariten beeldhouwen en als wijgeschenk aan de Godin van Phidias op de burg plaatsen. Maar evenals vroeger de liefde, moet ik nu op alle mogelijke wijze de schoonheid onderzoeken. Waar vind ik nu het schoonste en bekoorlijkste te gelijk, om het „eenvoudig na te maken,” zooals Aspasia straks zeide?”
„Wanneer gij het bekoorlijkste, dat men slechts zien kan, zoekt,” zei Alcamenes glimlachend, „dan kan ik u een goeden raad geven. Tracht de schoone Corinthische, van wie gij zooeven spraakt, te zien dansen.”
„De Corinthische Theodota?” vroeg Socrates. „Ik heb de bevalligheid harer dansen meermalen hooren roemen. Maar wie zou ons het genoegen de Corinthische danseres te zien en te bewonderen, beter kunnen verschaffen, dan gij zelf, Alcamenes, haar welsprekendste lofredenaar en vriend?”
„Waarom niet?” hernam Alcamenes opgeruimd. „Wie de hoogste bekoorlijkheid, die de gestalte eener vrouw in dansen, vol uitdrukking, kan ten toon spreiden, wil genieten, die moet naar Theodota gaan zien en ik zal een ieder, die het wenscht, zonder afgunst den toegang tot dit genot openstellen.”
Deze woorden van Alcamenes waren niet zonder geheime boosaardigheid tegen Aspasia. Met opzet roemde hij in tegenwoordigheid van Pericles’ vrienden en Pericles zelven de bevalligheid en bekoorlijkheid van eene andere vrouw.
De schoone danseres en hetaere Theodota was door toedoen van Alcamenes van Corinthe naar Athene overgekomen.
De aanleiding daartoe was zeer eigenaardig geweest.
Toen namelijk Alcamenes gemerkt had, dat hij van het bezit van Aspasia, waarvan hij zich vroeger zeker geloofde, moest afzien, was hij door eene heimelijke spijt en ergernis tegen de preutsche Aspasia aangegrepen. Maar hij was te jong, te opgeruimd, te luchthartig, dan dat om dit verlies het heimwee knagen zou aan zijn gemoed; zijn streven was slechts hierop gericht een werkelijk geluk, een werkelijk liefdegenot voor datgene, wat hij zich te vergeefs had voorgespiegeld, in de plaats te stellen.
Een zeer rijk Corinthiër had hem een klein beeldwerk in marmer opgedragen. Alcamenes had zich van die opdracht gekweten en het voltooide werk naar Corinthe gezonden. De Corinthiër was verrukt over de bekoorlijkheid en zeldzame bewerking van dit stuk en schreef Alcamenes dat hij voor dit meesterwerk elke belooning, die hij maar wilde, kon ontvangen; wat ooit de wensch zijns harten geweest was, zou hem gegeven worden.
Daarop schreef de jonge beeldhouwer met zijn gewonen overmoed aan den Corinthiër het volgende terug:
„Het is bekend, dat gij in uw rijk en weelderig Corinthe sedert lange tijden de schoonste „vriendinnen” hebt, die in geheel Hellas te vinden zijn. Daar gij mij voor mijne marmeren groep elken wensch wilt bevredigen, verzoek ik u mij die schoone, welke tegenwoordig te Corinthe den grootsten roep heeft, op uw kosten voor eene maand naar Athene te zenden en haar mede te deelen, dat zij voor die maand mij uitsluitend als model moet dienen voor mijne beeldwerken.”
De rijke Corinthiër lachte, toen hij deze regels las en weinige dagen later bevond zich de schoonste hetaere van Corinthe, de danseres Theodota, te Athene bij Alcamenes.
Alcamenes was er zeer mede in zijn schik en heugde zich een maand lang in het bezit van de geroemde schoone, op kosten van den rijken Corinthiër.
Toen de maand verstreken was en de verplichtingen der schoone Theodota ophielden, gevoelde zij weinig lust naar Corinthe terug te keeren, zij had Athene lief gekregen en besloot daar te blijven.
Alcamenes bleef voor haar eene bestendige vriendschap koesteren en roemde haar bij allen, die het hooren wilde, als de schoonste vrouw van Hellas.
Hij verzuimde nooit er bij te voegen, dat zij bekoorlijker was, dan de alom geprezene Milesische Aspasia, die meer door sluwheid dan door schoonheid Pericles in hare netten had gevangen.
Toen nu Alcamenes in tegenwoordigheid van Aspasia die woorden tot lof van Theodota tot Socrates sprak, begreep zij aanstonds de bedoeling van den gekrenkten jongen man. Zij bemerkte, dat hij heimelijk hare ergernis wilde opwekken door eene andere schoone te prijzen, vooral in de tegenwoordigheid van haar zelve en Pericles. Met de snelheid en gevatheid van den vrouwelijken geest had zij oogenblikkelijk hare gedachten geregeld en haar besluit genomen.
Onder de overwegingen, die snel als de bliksem door haar geest gegaan waren, was ook deze geweest, welken indruk wel de door Alcamenes gesproken woorden op het ontvankelijk gemoed van Pericles hadden gemaakt. Zij overdacht, dat Pericles op de gedachte kon komen, de schoone Corinthische te gaan zien en aan deze begeerte zou voldoen zonder het gezelschap zijner vriendin. Dat Pericles in hare afwezigheid Theodota zou ontmoeten, kwam haar niet wenschelijk voor; minder beducht was zij, als zij zelve bij die ontmoeting tegenwoordig ware. Zij wist wat zij tegenover alle andere vrouwen in de weegschaal kon leggen. Wat Alcamenes betrof, meende zij zijne booze handelwijze niet beter te kunnen straffen, dan door hem te toonen, hoe weinig zij om dergelijke plagerijen gaf.
Bij deze afdoende gronden voor haar besluit kwam nog een laatste; zij zelve verlangde vurig de door Alcamenes zoo hoog geprezene Corinthische schoone te zien.
Zoo was het tot geene geringe verbazing van Alcamenes, dat zij zelve zijn aanbod om ieder, die het verlangde tot haar te voeren, aannam.
Opgeruimd en onbeschroomd sprak zij:
„Als gij, Alcamenes, in staat zijt, ons den weg te openen tot het schoonste en bekoorlijkste, wat gij kent, tot de danseres Theodota, dan ware het dwaasheid van Pericles, Socrates, mij zelve en iedereen, die u hoort, u niet aanstonds aan uw woord te houden, en u niet uit te noodigen zonder dralen eene zoo aanlokkende belofte te vervullen.”
„Ik onderstel,” hernam Alcamenes gevat, „dat gij, schoone Aspasia, zoowel uit uw eigen naam, als ook uit dien van Pericles en Socrates, hebt gesproken.”
Pericles bedacht zich een oogenblik, doch verklaarde toen, dat hij geene bezwaren had tegen het verlangen der schoone Aspasia. „Wij gaan,” zeide hij, „dezen weg alleen in gezelschap van Socrates en om zijnentwil: een wijze te volgen, kon toch nooit iemand tot schande strekken.”
„Onze vurige Alcamenes,” zei Socrates, „is een vriend van rassche en koene besluiten. Zie, hoe hij zich reeds verheugd de handen wrijft en naar zijn Thessalischen hoed grijpt. Ik wed, dat hij ons nu geen rust meer laat, maar zich vast voorgenomen heeft, oogenblikkelijk langs den kortsten weg uit Phidias’ werkplaats naar de woning der schoone Theodota te voeren.”
„Juist zoo,” antwoordde Alcamenes levendig. „Onze meester Phidias is onder ons laatste gesprek reeds weggeslopen. Ik raad u hem niet door uw afscheid te storen in zijne berekeningen en overpeinzingen. Hier in de nabijheid is een uitgang, de deur is open, de straat vrij, de woning van Theodota niet ver—laat ons gaan!”
Het huis van Theodota was weldra bereikt.
Men behoefde niet te vreezen, dat men de schoone ongelegen kwam. Alcamenes ging even binnen, om het gezelschap aan te kondigen. Hij keerde aanstonds terug en verzocht zijnen vrienden hem te volgen.
Hij voerde hen in de binnenvertrekken van Theodota. Deze waren met overdadige weelderigheid ingericht. Overal bevonden zich zachte aanligbedden met purperen kussens, de grond was met mollige tapijten bedekt; welriekende geuren stegen uit sierlijke schalen omhoog. Een bed met purperen behang werd door de bevallige liefdegoden gedragen. Sieraden en gewaad lagen in schilderachtige wanorde rondom verspreid. Zachte sandalen, haarbanden, kostbare gordels, blanketdoozen, zalfdoozen, ringvormige spiegels van blank gepolijst metaal met rijk versierde handvatsels, bekoorlijk schoone zonneschermen en veelkleurige, bladvormige waaiers, Cypria’s geheele tuighuis; te midden daarvan kleine kunstwerken uit brons of marmer, deels geschenken van Alcamenes, aarden werktuigen met goud en ivoor ingelegd, verwelkte en frissche kransen van allerlei soort: dat alles maakte in zijne bonte mengeling bij den eersten aanblik een overweldigenden indruk op de binnenkomenden, een indruk, die door de welriekende geuren van het vertrek werd versterkt, terwijl van een der mollige bedden de schoon versierde hetaere zelve opstond, om haar gasten welkom te heeten.
Theodota was schoon. Het haar was ravenzwart, het oog donker en vurig. De trekken waren fijn. Zij was sterk geblanket, de wenkbrauwen kunstig afgerond, de lippen rooskleuriger, dan zij in werkelijkheid waren. Zij droeg een gewaad met bloemen geborduurd en met rijken tooi beladen. Haar gewaad werd om het midden van haar lijf te zamen gehouden door een vergulden gordel met rijk versierden gesp en van allerlei smaakvolle en kunstige kostbaarheden voorzien. Haar hals, haar boezem, hare armen, ja zelfs hare voeten boven de enkels waren versierd met tooiselen, flonkerend van granaat of barnsteen. Ook het kleine, welgevormde oor prijkte met bellen van eene bekoorlijke schoonheid. Om het hoofd had zij een met paarlen bezaaiden metalen band.
„Ik heb,” zei Alcamenes tot zijne bezoekers, „Theodota reeds verteld, waarom gij hierheen gekomen zijt en wat gij van haar verlangt.”
„Alcamenes is wel dwaas,” zei Theodota glimlachend, „dat hij zoo opeens zulke aanzienlijke onverwachte gasten bij mij binnenleidt en mij geen tijd gunt om ze waardig te ontvangen.”
„Gij hebt geen tijd daarvoor noodig,” zei Alcamenes, „gij zijt immers steeds dezelfde, en niet uwe woning geldt ons bezoek, maar u en uwe bekoorlijkheid en uwe kunst.—Een wijs en ernstig man ziet gij hier voor u,” vervolgde hij op Socrates wijzende, „en hij brandt van verlangen u te zien en uw dans te bewonderen. En meer nog aan dezen wijzen man, Theodota, hebt gij het te danken, dan aan mijne vurige woorden, dat heden zelfs de groote Pericles en de gevierde, kunstlievende Aspasia uit Milete over uw drempel gekomen zijn, om zich met eigen oogen van uwe beroemde kunst te overtuigen.”
„Wat?” riep Theodota uit, „voor een wijze, voor een groot en vermaard staatsman en voor eene uitverkorene mijner kunne, die, naar het schijnt alle andere vrouwen van dezen tijd in schoonheid overtreft, moet ik het wagen mij te vertoonen en het weinige, wat ik vermag aan het oordeel van zulke rechters onderwerpen?”
„Maak u niet ongerust, Theodota,” zei Pericles, „Alcamenes heeft u geprezen en Alcamenes weet het schoone op te sporen.”
„Inderdaad,” voegde Socrates er schalks lachend aan toe, met een zijdelingschen blik op Aspasia, „hem ontmoet het schoonste altijd het eerst.”—
„Dan moge hij het verantwoorden,” zei Theodota. „Preutsch te zijn voor wien dan ook ter wereld en te weigeren mijne kunst ten toon te spreiden, mag mij niet in de gedachte komen. Gij wilt mij zien dansen, gelijk honderden voor u wenschten, en ik wil dat verlangen bevredigen. Beschouwt u als mijne meesters. Wat wilt gij dat ik dansen en u daarin zal voorstellen? Welke Godin? welke heldin? welke mythe of geschiedenis?” Zij wendde zich met deze vraag vooral tot Pericles. Deze echter antwoordde:
„Vraag dat aan dezen wijze, want deze is opzettelijk hier gekomen met bepaalde bedoelingen, zoodat het hem zeker zeer gewenscht zal zijn de voorstelling van uw dans te mogen kiezen. Zeg het dus openhartig, Socrates, wat gij wenscht dat Theodota zal dansen.”
„Wanneer gij en Theodota zelve,” hernam Socrates na eenige oogenblikken nagedacht te hebben, „de keuze aan mij overlaat, dan weet ik niets beter dan Theodota te verzoeken den strijd der drie Godinnen [200] om den prijs der schoonheid op den Ida te dansen.”
„Wat een heerlijk genot als gij beurtelings als Aphrodite, Hera, en Pallas Athene verschijnt en ons toont, hoe ieder van haar met dezelfde en toch naar ieders karakter fijn veranderde middelen den herder op den Ida zocht te betooveren en den prijs der schoonheid uit zijne hand trachtte machtig te worden. Alcamenes heeft mij beloofd dat ik hier zou ervaren, wat bekoorlijkheid is, en daarom willen wij Theodota noodzaken, zoo bevallig en bekoorlijk mogelijk te zijn en op zooveel verschillende wijzen, als maar denkbaar is.”—
Nadat Theodota zich uit het vertrek had verwijderd, om aan haar gewaad en uiterlijk die verandering aan te brengen, die overeenkwam met den dans, dien zij zou voorstellen, zeide Socrates:
„Wij zullen ons doel bereiken: want Theodota is niet als de meeste schoonen, die slechts terughoudend en droppelsgewijs afmeten, wat zij ons geven willen; maar zij zal ons, wat zij aan te bieden heeft, ruimschoots schenken en alles op eens als uit den hoorn van Amalthea [201] over ons uitstorten. Dan is de zaak afgedaan en kunnen wij naar huis terugkeeren. Ik zie wel, dat Theodota lief en zacht is, maar niet verstandig. Hoe zou Aspasia dansen, als zij wilde! Maar wie van ons, behalve de Olympiër Pericles, heeft haar ooit zien dansen?”—
Nu kwam Theodota terug, korter gekleed en in een gewaad dat haar in de meest ongedwongen bewegingen niet belemmeren kon. Met haar trad een knaap binnen met eene lier en eene fluitspeelster. Deze begon te spelen en de knaap begeleidde haar met zijn snareninstrument. Onder die klanken echter begonnen zacht de bewegingen van Theodota zich te mengen en het was onmogelijk te zeggen, op welk oogenblik zij begonnen was te dansen.