Part 16
Op de volgende wijze had het zich toegedragen, dat het zoontje van Clinias gedwongen was zijne naakte leden sidderend in den mantel van Socrates te verbergen.
Toen deze zich opnieuw met Aspasia in het gesprek verdiepte, waren de oefeningen der jongelingen en knapen in de daarvoor bepaalde ruimten van het Lyceüm begonnen.
Pericles en zijn gevolg stonden met vele anderen rondom de worstelplaats der knapen.
Het was een schoon gezicht, vol bekoorlijkheid, deze flinke, knappe, teedere en toch reeds door de oefeningen der palaestra krachtige, bloeiende gestalten, na zich ontdaan te hebben van de chlamys [190], in het zand der worstelschool te zien wedijveren.
Onder alle muntte de jonge Alcibiades uit: hoewel een van de jongsten, was hij toch reeds stevig op de beenen en had iets fiers, iets overmoedigs in zijn gezicht. Maar dit fiere en overmoedige werd getemperd door zijne bekoorlijke schoonheid. De beeldhouwers drongen naar hem toe, om die nog onontwikkelde, maar zich reeds vertoonende spieren, die bloeiende, welgemaakte gestalte, die kleinere, doch harmonische vormen te bewonderen.
Naast den jongen Alcibiades bevonden zich onder de knapen ook zijne beide kameraden, de zonen van Pericles, Xantippus en Paralus; voorts de kleine Callias, de zoon van den rijken Hipponicus, met wien Alcibiades reeds vriendschap had gesloten; en ook het zoontje van den rijken Pyrilampes, Demus, was daar tegenwoordig.
De knapen, vurig en levendig, konden het begin der oefening nauwelijks afwachten.
Met den wedloop begon nu onder leiding der paedotriben [191] de kampstrijd.
De paedotriben onderwezen hun kweekelingen, hoe zij in den loop hun adem en hunne krachten moesten sparen, hoe zij de bovenste en onderste ledematen gelijkmatig moesten bewegen, hoe zij met opgelichten haast zwevenden voet met groote passen voort moesten snellen, om met het kleinst aantal schreden de grootste ruimte af te leggen; ook leerden zij de knapen zekere regelmatige bewegingen der armen, die, naar hunne meening, met de passen in overeenstemming, de snelheid der bewegingen bevorderden.
Maar zie, de kleine Alcibiades wilde van deze leer niets weten: hij meende, dat de beweging der armen waartoe men hem noodzaken wilde, leelijk waren en geraakte met de paedotriben daaromtrent in hevigen strijd.
Een der opzichters, die de oefeningen leidde, mengde zich bemiddelend in het geschil, streek den knaap over de wangen en prees zijne begeerte om de bevallige schoonheid in beweging en houding steeds in acht te nemen, maar wees hem, om de doelmatigheid dier bewegingen aan te toonen, op het voorbeeld der Mauretanische [192] struisvogels, die door het slaan met hunne kleine vleugels, die zij als zeilen gebruiken, hun vluggen loop versnelden.
De naakte knapen liepen onder vroolijk geschreeuw, dat des te luider werd, naarmate zij meer den eindpaal naderden, naar hun wit. Meermalen werd de wedloop herhaald—steeds was de jonge Alcibiades het eerst bij den eindpaal.
Hierna kwamen de oefeningen in het springen aan de beurt: het springen in de hoogte, in de breedte en in de diepte.
De paedotriben gaven de jongens gewichten in de hand en leerden hen die zoo te gebruiken, dat zij verre van de vlugheid in het springen te belemmeren, integendeel de vaart des lichaams bevorderden. Ook deze gewichten mishaagden den eigenzinnigen Alcibiades en het scheelde weinig of hij had ze een van hen, die over het gedrag der knapen moesten waken en hem zijne weerbarstigheid in vrij scherpe woorden verweet, naar het hoofd geworpen. Toorn en schaamte maakte zich van Pericles meester, toen hij onder zoovele vrienden en toeschouwers getuigen moest zijn van de ongezeggelijkheid van den jongen. Maar zijn toorn verdween en hij lachte weder minzaam, toen onder de bijvalskreten der toeschouwers de zoon van Clinias ook in den sprong al zijne makkers overtrof.
Thans werden de knapen door de alipten [193] met olie ingesmeerd voor den worstelkamp. Dat liet de kleine Alcibiades zich nog doen, maar toen men hem het lichaam met stof wilde bestrooien, om de glibberigheid der gladde leden te verminderen, verzette hij zich met kracht tegen die bezoedeling. Maar hier schikte men zich niet, als in de palaestra, naar de grillen van den knaap: hier gold de strenge wet van het gymnasium, het zoontje van Clinias moest zich daarnaar voegen.
Twee aan twee traden de knapen tot het worstelen vooruit. Met een zachte buiging der knie den rechtervoet een weinig naar voren te brengen, den arm tot den aanval zoowel als tot verdediging uit te strekken, hals en hoofd niet voorover te buigen, het onderlijf in te trekken, de borst vooruit te steken en de welven, des tegenstanders beweging vooraf te bespieden, bij den aanval en bij de verdediging steeds naar de regelen der kunst te werk te gaan, dit alles onderwezen de paedotriben aan de knapen.
Hoe men verder zijn tegenstander meer door vlugheid dan door kracht op den grond moest werpen, den gevallene met handen en voeten zoo omslingeren, dat hij bewegingloos op den grond moest blijven liggen en alle pogingen opgeven weder op te staan, dat werd benevens andere kunstgrepen den jeugdigen worstelaar telkens ingeprent. Maar ook op de schoonheid en bevalligheid in bewegingen stelden de leeraars en opzichters der oefeningen grooten prijs. Niet op krachtsontwikkeling en vlugheid alleen doelden de regels, die zij gaven, maar ook op het ten toon stellen der goedgebouwde gestalte, waardoor de Atheners zich van de Barbaren en zelfs van menigen Griek onderscheidden.
De jonge Alcibiades worstelde met den oudsten onder de knapen en wierp hem door een kunstgreep, dien hij niet aan de paedotriben te danken had, maar in het beslissende oogenblik zelf had uitgedacht, in het zand.
Nu werd den knapen het schaafijzer ter hand gesteld, om zich het stof van de ledematen af te schrapen, en nadat dit geschied was, kreeg ieder van hen een discus en eene kleine stang in plaats van eene speer, beide voor de oefeningen in het werpen. De discus van de knapen was niet, als anders, van metaal, maar van eene soort van hard hout gesneden. De discusworp was lang niet gemakkelijk, wanneer hij naar de regels der kunst werd uitgevoerd. Bij den worp den rechten stand des lichaams aan te nemen, voorts de werpschijf, die met zand stroef was gemaakt, om een beter houvast te verschaffen, de beste ligging in de hand te geven, dan de hand in eene draaiende beweging te brengen, om als ’t ware de kracht, die men aanwenden moest, evenredig te maken met het gewicht, den discus recht en de spieren van den arm gespannen te houden, eindelijk de schijf in een halven cirkelboog te slingeren en dan uit de laagte zoover mogelijk te werpen—dat alles werd Alcibiades, evenals den anderen knapen, ingeprent; deze echter sloeg al die regels in den wind en toen de knapen, de een na den anderen, naar voren traden om den discus te slingeren en de afstand, die ieder bereikte, op den grond door een teeken kenbaar gemaakt werd, wierp de telg van Clinias, toen hij aan de beurt kwam, zijn discus, zooals hem goed dacht. Toen vloog zijne schijf verre die der anderen voorbij.
Toen trad een nog sterkere knaap voor, die in het werpen met den discus eene bijzondere handigheid had. Deze beproefde nu zijn geluk en zorgvuldig, met inachtneming van alle regels der paedotriben, wierp hij den discus en overtrof wel is waar den worp van Alcibiades niet, maar bleef ook niet daarachter. Zijne schijf en die van Alcibiades lagen evenver van die der anderen.
Alcibiades verbleekte. Voor de eerste maal zou hij zijne overwinning met een ander moeten deelen. Sprakeloos en van gramschap ziedend, wierp hij toornige blikken op zijn mededinger. Deze echter durfde beweren, dat zijne schijf, nauwkeurig beschouwd, nog iets verder lag dan die van Alcibiades.
Door deze bewering werd de jonge Alcibiades door eene onbegrijpelijke woede aangegrepen, hief de rechterhand op en slingerde met alle macht den discus, die hij in de hand had, naar het hoofd zijns tegenstanders. Maar al te goed trof de worp; bezwijmd en bloedend zonk de knaap ter aarde.
Eene groote verwarring ontstond er. De bijna doodelijk gewonde moest weggedragen worden. Bij dit gezicht verbleekte en sidderde Alcibiades een oogenblik; toen echter de verwanten en vrienden van zijn gewonden tegenstander met verwijtingen en bedreigingen op hem aandrongen, herkreeg hij aanstonds zijne bedaardheid en fierheid.
Thans echter zag hij Pericles, hevig vertoornd, met den eerwaardigen gymnasiarch [194] naderen en daar hij begreep, dat men hem wilde aangrijpen, wegvoeren, wellicht op eene smadelijke wijze kastijden, keerde hij zich eensklaps om, brak door den kring der omstanders heen, waar die het minst dicht was en ontvluchtte met die snelheid, waardoor hij straks bij den wedloop de zegepraal had verworven.
Men trachtte hem te achterhalen, maar weldra was hij uit de oogen zijner achtervolgers verdwenen.
In het afgelegenste deel van het Lyceüm had hij Socrates getroffen en was, zooals reeds verhaald is, op hem toegesneld en had hulp smeekend zich in zijn mantel verscholen.
„Dus zijt gij de zoon van Clinias?” zeide Socrates op zachten en kalmen toon, nadat de knaap hem op zijne vragen de aanleiding zijner vlucht had verteld. „Vraagt gij in uw doen en laten niet naar lof of berisping? Bekommert gij u niet om het verlangen en den wil van de voortreffelijke en aanzienlijke mannen, van wie gij afstamt of aan wie gij door geboorte verwant zijt?”
„Ik wil niet altijd doen, wat de anderen willen,” zeide de knaap fier. „Ik wil doen, wat mij goeddunkt en wat ik zelf wil en mij voorneem.”—
„Gij hebt groot gelijk,” hernam Socrates, steeds kalm, „de mensch moet kunnen doen, wat hij zelf wil en zich voorgenomen heeft. Maar wat hebt gij toch gewild en wat hadt gij u voorgenomen, toen gij dezen morgen met de andere jongens in het Lyceüm kwaamt?”
„De eerste te zijn in alles!” riep de kleine Alcibiades levendig uit. „De eerste te zijn, mij te onderscheiden en de grootste eer onder allen weg te dragen! Dat had ik mij voorgenomen.”
„Dan hebt ge dus niet gedaan, wat ge eigenlijk wildet en u voorgenomen had. Gij wildet u onderscheiden, gij wildet met roem overladen het Lyceüm verlaten en inderdaad zijt gij met smaad en schande bedekt weggejaagd en hebt misschien nog bovendien, als gij aan de uwen wordt teruggegeven, eene geduchte kastijding te wachten. Waarom zijt ge toch niet rechtstreeks op uw doelwit afgegaan en hebt uw tijd met bijzaken, die u van dat doel afvoerden, verloren? Gij zijt niet hierheen gekomen, om uw makker een gat in het hoofd te werpen, maar, zooals gij zegt, om roem en eer te behalen. Uw fout was, dat gij een oogenblik geheel en al vergeten hebt, wat gij hier eigenlijk wildet en u met bijzaken hebt afgegeven, die ten gevolge hadden, dat gij in plaats van met roem overdekt met smaad en schande uit het gymnasium moest vluchten.”
Voor de eerste maal werd het Alcibiades duidelijk, dat de wet eener doelmatige orde niet als iets willekeurigs noch als eene bedreiging van buiten hem voorkwam, maar als eene macht in hem zelven, die met zijn eigen wezen innig verbonden was.
Bovendien lag er in de woorden van Socrates en in den toon, waarop zij gesproken werden iets, wat den knaap vertrouwen inboezemde. Hij zag den man ernstig en zwijgend in het gelaat, hij zag hem in die vriendelijke, bruine oogen en zijn vertrouwen ging in dat zelfde oogenblik bijna onbewust in eene genegenheid over, zooals hij tot nu toe nog voor geen mensch gevoeld had.
Intusschen naderden de menschen, die Alcibiades zochten, met Pericles en den gymnasiarch.
Opnieuw begon de knaap te sidderen.
„Vrees niets,” zeide Socrates, „ik zal met de hulp der Goden trachten u met al deze grimmige vijanden en vervolgers te verzoenen.
De aankomenden herkenden Socrates en aan zijn boezem, in zijn himation gewikkeld, den knaap, dien zij zochten. Het was als zag men Achilles [195], in tegenwoordigheid van zijn leermeester en opvoeder, den goedigen Centaur.
Toen Pericles en de gymnasiarch met de overige genaderd waren en recht op Socrates toetraden, zeide deze:
„Ik weet wien gij zoekt, gij mannen; maar hij, dien gij zoekt is mijn smeekeling, zooals gij ziet en ik zal hem niet uitleveren, maar volgens mijn plicht, naar mijne beste krachten verdedigen. Hij is, gelijk hij mij zegt, in het Lyceüm gekomen om zich te onderscheiden, wat hem daarom niet ten volle gelukt is omdat hij onbedachtzaam zich met bijzaken inliet, daar hij namelijk den discus een zijner makkers naar het hoofd wierp wat hem schande aanbracht, in plaats van de eer, die hij eigenlijk gezocht had. Wat de wonde van dien knaap betreft, bedenkt, gij mannen, dat een dergelijk ongeluk of vergrijp, zooals gij het noemen wilt, ook door Goden en heroën is gepleegd; want, zooals gij weet, heeft Apollo zelf zijn lieveling Hyacinthus [196] en de held Perseus zijn grootvader Acrisius [197] met een discus-worp gedood. Het is waarschijnlijk, dat deze donkergelokte knaap, met zijne vurige oogen, ook in andere opzichten aan Goden en heroën gelijk kan worden.
De toorn van Pericles bedaarde bij het gezicht van den wedergevonden knaap, op wiens gelaat ieder spoor van trots was verdwenen. Hij richtte tot zijn beschermer eenige vriendelijke woorden, die tevens den knaap, welke nog steeds eene tuchtiging vreesde, konden geruststellen en beval daarop den paedagoog den jongen aan te kleeden en uit het Lyceüm naar huis te brengen.
Socrates voegde zich bij Pericles en den gymnasiarch, en de mannen spraken nog eene poos over de zeldzame mengeling van heerlijke en gevaarlijke eigenschappen, die in het karakter van het zoontje van Clinias zich vertoonden.
Deze echter verliet aan de hand van den paedagoog de plaats niet eerder, voor hij met een warmen blik uit zijn donkere, fonkelende oogen van zijn beschermer en pleitbezorger had afscheid genomen.
Op deze wijze werd de zeldzame band des harten gelegd tusschen Socrates, dien zij den leelijke noemden, en den schoonste van alle Hellenen-zonen, den jongen Alcibiades, op dien dag, toen den „waarheids-zoeker” eene duif uit de hand vloog en op hetzelfde oogenblik eene jonge zwaluw aan zijne borst een schuilplaats kwam zoeken...
VIII.
HET OFFER AAN DE CHARITEN.
Geen scheppende en werkende geest gaat zoo geheel en al in zijn werk op, als die des beeldhouwers. Geen anderen weg betrad Phidias, dan die tusschen de Acropolis en zijne werkplaats liep. Hij zag zelfs in zijne nachtelijke droomen niets anders dan zijne godenbeelden, zijne groepen, zijne friezen en niet zelden vond hij, omdat zijn rustelooze geest en in den slaap evenals overdag werkzaam was, niet zonder verwondering bij zijn ontwaken zijne plannen verder gevorderd en gerijpt. Verscheidene zijner beelden waren oorspronkelijk droomgezichten geweest en hij kon beweren, dat hem Goden in den droom verschenen waren, evenals aan de helden van Homerus. De geheele wereld had slechts waarde voor hem, in zoover zij betrekking had op zijne kunstenaarsziel. Hij deed afstand van de genietingen des levens; hij was eenzaam en ongehuwd.
Zijne ziel was vervuld met allerlei ontwerpen en zijn helder oog was de klare spiegel van zijn geest.
Het was een bont gewemel van menschen en dingen in de zalen en pleinen van de werkplaatsen van Phidias. Steeds waren er ontwerpen te bedenken, te onderzoeken, te verwerpen, steeds opnieuw modellen in klei te vormen en de verhoudingen te berekenen. Naar de kleimodellen werd ook menig kunstwerk eerst door de steenhouwers uit het ruwe blok gehouwen en later aan de fijnere hand des kunstenaars ter volledige afwerking toevertrouwd. Een puinhoop kon Phidias’ werkplaats genoemd worden, maar een puinhoop der wording, niet der vernietiging. Het was de chaos, doch niet de chaos van den ondergang, maar de chaos waaruit de schepping geboren werd. Brokken lagen overal verspreid maar niet als deelen van een geheel, dat bestaan had, maar als deelen, die op weg waren, om een geheel te worden.
En over dien bajert zweefde de geest van Phidias. Deze geest bestuurde alles. Hij hield den vurigen Alcamenes en den strengen Agoracritus in bedwang en dreef hen tot eendrachtig samenwerken.
Deze beide waren zijne machtigste armen; de eerste verleende hem bovendien zijne hulp door zijne welbespraaktheid. Wat Phidias eens had gezegd, in korte, wellicht raadselachtige woorden zich had laten ontvallen, dat herhaalde en verduidelijkte Alcamenes, prentte het in zijn geheugen en deelde het later weder mede.
Juist liet hij zijn oog gaan over die jongeren en kunstenaars, wier arbeid bijzonder aan zijne zorgen was toevertrouwd. Overal berispte hij, vermaande hij, spoorde hij aan met de vurigheid, die hem eigen was, terwijl hij de bestanddeelen der gevelgroepen, friezen en metopenbeelden nauwkeurig beschouwde.
„Wat doet gij daar, Dracyllus? Te zwak gewelfd om op een afstand uitwerking te doen is die borst; het veld van het onderlijf te weinig geleed, de kuiten te onduidelijk geteekend. De hoofdspieren te weinig, de mindere spieren te veel op den voorgrond geplaatst!—Charicles, gij spant hier de huid te strak, daar te slap over de spieren. Hier is zij niet los genoeg, bijna niet te verschuiven. Het moet schijnen, alsof men zelfs bij bronzen of marmeren beelden het vel tusschen zijne twee vingers kan nemen en een weinig naar boven kan trekken!—Uw God, Lycius, is schier niet te herkennen uit de plooien van zijn gewaad. Behoort gij soms ook tot die beeldhouwers, wier Heracles [198] alleen aan de knots kenbaar is?—Ook uw bronnimf, Crinagoras, schijnt aan haar kruik gekend te moeten worden, in plaats dat gij het zachte, als ’t ware vloeibare harer leden over het diepst van haar wezen hadt uitgespreid.”
Thans kwam hij bij eene groep van Parthenon-fries: jongelingen, die steigerende rossen optoomden.
„Bij welke merrie, Lycius, hebt gij dien dikken kop, die stompe ooren gezien? Ook het geheel is te stijf, te houterig, te ouderwetsch! Zijt gij bij de Aegineten ter schole gegaan? Zulk ouderwetsch prulwerk zou zelfs Argeladas [199] niet goedgekeurd hebben!”—Zoo ging Alcamenes te werk, berispte nog dit en dat in het bijzonder en scheen in zijn vuur geneigd, om het beeld van den leerling stuk te slaan, hetgeen hem dikwijls overkwam, wanneer de toorn zich van hem meester maakte.
Agoracritus naderde en nam, naar zijne gewoonte, den armen leerling tegen den driftigen Alcamenes in bescherming. Dezen steeg het bloed naar het hoofd en gaf hem een scherp antwoord.
Op dit oogenblik echter naderde Phidias en onder zijne geleide een paar menschen, die in ’t geheel geen vreemdelingen waren in deze werkplaats.
Hoe hadden Pericles en Aspasia zich het genot kunnen ontzeggen nu en dan een blik te gaan werpen op de rustige vorderingen van die grootsche ontwerpen?
Zij waren gekomen en hadden den meester midden onder de schare zijner leerlingen gevonden, tusschen zijne kleimodellen, nog onvoltooide werken en half gehouwen marmerblokken; zij vonden hem minder spraakzaam, strenger, ingetrokkener, meer in zich zelven verdiept dan ooit te voren.
Toen Alcamenes de Milesische zag, deed hij zijn best onverschillig en opgeruimd te schijnen, en de nog niet geheel verkropte spijt te verbergen, die hij bij de vluchtige ontmoeting op de Agora had laten doorschemeren. De sombere Agoracritus echter deed volstrekt geen moeite om den wrok te verhelen, dien hij nog steeds tegen Aspasia koesterde. Hij ging op zij en sprak geen enkel woord tot de beide aanzienlijke bezoekers.
Daar dezen bij hun binnentreden in de zaal nog iets van den woordenstrijd tusschen Alcamenes en Agoracritus hadden opgevangen, viel het gesprek terstond op dat zelfde onderwerp en de levendige Aspasia sprak het onverholen uit, dat zij het volkomen met Alcamenes eens was, als hij de laatste sporen der overlevering van het ouderwetsche uit de kunst wilde weggenomen zien. Bij de beschouwing der ontwerpen en kleimodellen voor de kolossale gevelgroepen, voor de friezen en metopenbeelden, vond zij menig pronkstuk nog te hard en streng en zelfs de hoogste bloeitijd der kunsten scheen haar toe te langzaam te komen.
Onverholen sprak zij haar meening uit.
„De schoone Aspasia,” zei Phidias met een ernstigen lach, „zou willen, dat alles wat wij maken, zoo sierlijk, weelderig en bekoorlijk is, als zij zelve. Maar vergeet niet, Aspasia, dat wij beeldhouwers verplicht zijn in onze scheppingen niet het bloot menschelijke, niet het alledaagsch schoone en bekoorlijke, maar het bovenmenschelijke, het goddelijke voor te stellen en te belichamen.”
„Phidias heeft misschien gelijk,” zei Pericles, „wanneer hij zich datgene, wat Aspasia streng, stijf, ouderwetsch noemt, niet geheel wil laten ontnemen. Wie weet of het ideaal van het schoone in de beeldende kunst niet op de smalle grens ligt, die de kuische, jonkvrouwelijke schoonheid van de weelderige, vol ontwikkelde scheidt. De hoogste en laatste trap der ontwikkeling is toch ook de eerste der daling; datgene, wat het gemoed met de reinste, edelste betoovering genoegelijk aandoet en verkwikt, moet dus een weinig aan deze zijde van dien hoogsten trap, niet daarop liggen.”
„Ook al dat ik u, Phidias,” zei Aspasia, „nog zoo zeer tot het sierlijke, bekoorlijke en weelderige wilde aansporen en dat gij van uw kant de uwen tot dat zelfde doelwit opwektet, geloof ik toch, dat de juiste grens nog in langen tijd niet zou overschreden worden. Want zoover schijnen mij uwe leerlingen nog van het al te sierlijke en al te weeke verwijderd, dat zelfs, wanneer zij met alle krachten er zich op toelegden, zij het bezwaarlijk zouden bereiken. Ik zeg niet, dat gij langzaam zijt, maar de weg is lang.”
„Wanneer ik de beelden van Phidias beschouw,” zei Pericles, het gesprek eene andere wending gevende, daar hij vreesde dat Phidias zich beleedigd mocht achten door Aspasia’s woorden, „of de zangen van Homerus hoor, dan vind ik, dat zij verheven zijn in hun bekoorlijkheid en bekoorlijk in hun verhevenheid. Zij zijn verheven, zooals ieder weet, en zij zijn bekoorlijk, zooals niemand loochent, en schoon noemen wij ze misschien juist hierom, omdat ze beide zaken in zich bevatten.”
„Daar kan ik mij mede vereenigen,” zeide de steenhouwer Socrates, van zijn werk opziende, daar hij tot dusverre vlijtig aan een marmerblok, dat hem aangewezen was, had zitten beitelen. „Lang heb ik bij mij zelven nagedacht, wat toch de schoonheid is; nu zijn mij Pericles’ woorden als eene lichtstraal in mijne ziel gevallen.—Als het verhevene met het bekoorlijke verbonden, als eene liefelijke verhevenheid en eene verhevene liefelijkheid zou men alzoo het schoone kunnen beschrijven. En wanneer Aspasia en Pericles weder eens over de juiste grenzen der ontwikkeling in de kunsten spreken, zoo behoeven zij slechts te zeggen, dat het schoone om schoon te blijven, nooit alleen bekoorlijk en nooit alleen verheven, maar steeds beide te gelijk moet zijn. Gaven mij toch de Goden bij elken beitelslag, dien ik hier in Phidias’ werkplaats zal slaan, deze les gedachtig te zijn, in ’t bijzonder als ik de hand leg aan het wijgeschenk, dat ik voornemens ben aan de Godin van Phidias op den dag, dat haar feestgebouw op Acropolis zal ingewijd worden, op te dragen.”
„Hoe?” riep Aspasia uit, „de nadenkende steenhouwer zal nu ook als vrij scheppend beeldhouwer zijne krachten beproeven?”