Aspasia

Part 15

Chapter 153,867 wordsPublic domain

„Wel zeker,” antwoordde Anaxagoras lachend. „En ook gij zoudt hetzelfde hebben kunnen doen, zonder magische of mantieke kunst, wanneer u, evenals mij, een Arcadisch herder inlichtingen had gegeven over de huif van den Erymanthus.”

„Wat wilt gij zeggen met die huif van den Erymanthus?” vroeg de Athener.

„De Erymanthus,” hernam Anaxagoras „staat daar als een hooge berg op de grenzen van Arcadië, Achaje en Elis [182]. Ziet men nu van Olympia uit eene zekere kruin van dien berg bij groote hitte en Noordoostenwind met een dichten wolkensluier bedekt, dan ontlast zich binnen een uur een onweder, dat frissche koelte brengt en geweldige regenbuien uitgiet over de Pisatische [183] velden.”

En toen daarop door de omstanders het gesprek gebracht werd op het ontstaan en de oorzaken van het onweder, verzekerde Anaxagoras lachend dat de bliksem ontstond, door eene zekere wrijving der wolken tegen elkander. Hij gaat tot andere natuurverschijnselen over en draagt geheel nieuwe, ongewone stellingen voor. Zoo beweert hij bij voorbeeld, dat de zon eene gloeiende massa is en grooter oppervlakte heeft dan de Peloponnesus. De maan, meent hij, is bewoond en bevat heuvels en dalen.

Terwijl de wijze op zulke wijze sprekende met zijne toehoorders rondwandelt en elders levendige groepen zich om den staatkundige en nieuwtjesventer vormen, zit in een ledigen hoek van de verst gelegene, zuidelijke galerij van het Lyceüm op een gladde, marmeren bank een paar, dat in zijne afzondering zich druk over gewichtige zaken schijnt te onderhouden.

Het is een jongeling van buitengewone schoonheid en een jonge man, wiens gelaatstrekken een scherp contrast opleveren met die van zijn makker.

Er was onder de enkele voorbijgangers nauwelijks één, die niet bleef staan of in het voorbijgaan ten minste niet even omkeek, om de in het oog loopende schoonheid van den jongeling nauwkeurig gade te slaan.

Eenigen zelfs kwamen weder terug of bleven in de nabijheid en hielden den jongen man in het oog, het oogenblik afwachtende, dat hij bij de gymnastische oefeningen—want met dit doel was hij toch zeker gekomen—zijne geheele welgemaakte gestalte aan hunne blikken zou toonen.

Maar zij die dit verwachtten, bedrogen zich deerlijk. Want de betooverde jongeling was de schoone vriendin van Pericles, die besloten had heden nogmaals van de verkleeding gebruik te maken, om een der lievelingsscheppingen van haar vriend, het nu voltooide Lyceüm te bezichtigen. Zij had voor ditmaal haar ouden vriend Socrates tot leidsman genomen. Openlijk durfde zij zich toch niet in dit gewaad met Pericles vertoonen, daar het geheim van den citherspeler reeds door al te velen ontdekt was. Socrates had volgaarne datgene op zich genomen, wat Pericles zelf zijn vriendin moest weigeren.

Reeds vroeg in den morgen had hij haar daar aangetroffen, om haar de worstelschool geheel te laten zien, voordat de oefeningen der knapen en jongelingen een aanvang hadden genomen. Hij volbracht met lust en ijver zijn plicht, terwijl hij Aspasia in het gymnasium rondleidde en door de ontzettend groote tuinen, met zuilengaanderijen omsloten, waarachter zich de ruime zalen uitstrekten; ook vergat hij de baden niet, noch de jonge lanen, die naast het gymnasium eene welkome verkwikking aan de wandelaars aanboden, welke uitliepen op de groene weilanden van den Ilissus-oever.

Den „waarheidszoeker,” den „wijsheidsvriend,” den peinzer uit Phidias’ werkplaats tot begeleider te hebben, zonder een offer te worden van zijne onophoudelijke vragen was onmogelijk. Zoo had hij dan ook vooreerst op zijne manier gesproken, hoe verstandig Pericles het Odeon met het Lyceüm had aangevuld, daar het wellicht Pericles’ meening was, dat de geesten- en lichaamsoefeningen steeds nauw verbonden moeten blijven en dat zij vereenigd de harmonische volkomenheid van lichaam en ziel konden tot standbrengen en dat de Grieken niet alleen in ijzer en steen het schoone wilden zien en genieten, maar in hun eigen wezen, geestelijk en lichamelijk, door eene sterke aandrift zich gedreven gevoelden, dat te verwezenlijken.

En nadat hij reeds zijn plicht had vervuld, wist hij Aspasia nog steeds te boeien, door haar al dieper en dieper in een gesprek te wikkelen. Hij zette zich met haar neder op een sierlijk marmeren bank in eene der minst bezochte gaanderijen en weldra was hij op zijn lievelingsonderwerp terug gekomen, dat hij nooit naliet op het tapijt te brengen, zoo dikwijls hij zich met de schoone Milesische mocht onderhouden. Ongelukkigerwijze vielen ook thans, ondanks al zijne inspanning, om van haar de lang gewenschte verklaring over het begrip en het wezen der liefde te verkrijgen, Aspasia’s antwoorden zoo uit, dat Socrates steeds meende te moeten tegenwerpen:

„Wat gij daar beschrijft, Aspasia, dat is toch geen liefde voor anderen—dat is immers alles slechts liefde voor zich zelve.”

Hij wilde namelijk weten, wat het toch eigenlijk beteekende, als men bij voorbeeld zeide: Pericles bemint Aspasia of Aspasia bemint Pericles.

Maar welke schoone wendingen de Milesische ook aan de zaak mocht geven, Socrates draaide en wrong zich nog veel behendiger en haalde uit Aspasia’s woorden, zij mocht zeggen wat zij wilde, altijd weder de verklaring, dat wie een ander scheen te beminnen, in den grond toch alleen zich zelven en zijn eigen ik beminde en op het oog had. Hem zweefde, zij het ook nog niet helder, de gedachte eener liefde voor den geest, die werkelijk liefde tot den naaste, geen eigenliefde was. En handelende op zijne eigenaardige wijze, hield hij zich alsof hij in de verklaringen van Aspasia niet het geringste spoor van eene zoodanige liefde kon vinden. Hij ontdekte daarin steeds egoïsme—een egoïsme onder twee.

De waarheidszoeker en de schoone hadden reeds geruimen tijd over dit onderwerp gesproken, toen zij den wijzen Anaxagoras met eenige volgelingen langzaam de gaanderij zagen op wandelen.

„De Goden zenden ons ongetwijfeld dezen man,” zeide Socrates, „om ons uit de verlegenheid te redden.”

„Meent gij niet,” hernam Aspasia lachende, „dat de jeugd zich moest schamen, wanneer zij over de liefde bij den ouderdom inlichtingen vraagt?”

Anaxagoras was, terwijl hij langzaam de gaanderij opwandelde en soms een oogenblik stil bleef staan, juist bezig zijnen toehoorders uiteen te zetten, dat het begin van alle dingen kleine, onderling geheel gelijke, deeltjes waren; want evenals het goud uit goudstof bestond, zoo bestond het heelal uit de kleinst mogelijke stofdeeltjes, die door de overal heerschende rede den eersten stoot tot vorm en harmonie erlangden. Deze rede die hij den „nous” [184], dat is den geest noemde, was niet alleen in den bewusten mensch aanwezig, maar ook in de schijnbaar donkerste diepte der natuur doorgedrongen en alles was vol zielen.

Toen de wijsgeer met zijne volgelingen vlak bij de plaats gekomen was, waar Socrates zich met Aspasia onderhield, wendde hij zich van zelf, zonder een groet van den jongen man af te wachten, met een vriendelijken blik tot hem; want hij was zeer met hem ingenomen. Socrates stond op en zeide:

„Hoezeer benijd ik deze uwe vrienden, Anaxagoras, die u den ganschen dag vergezellen, en ieder oogenblik hun dorst naar kennis aan uwe bron kunnen laven. Wij anderen die u slechts zelden ontmoeten, dragen de twijfelingen dagen lang in ons om, zonder die weggenomen te zien en kwellen ons en onze weetgierige vrienden met vragen, die geene uitkomst opleveren. Ik plaag hier nu den zoon van Axiochus reeds een uur lang en wil van hem weten wat liefde is; want hij heeft kennis van zulke zaken. Maar hij houdt, naar het schijnt, met opzet zijne wijsheid voor zich zelven en geeft mij met ondeugende plagerij slechts zulke antwoorden, waardoor ik nog minder van de zaak begrijp, dan straks. Heb gij medelijden met mij, Anaxagoras, en zeg mij: wat is liefde?”

„In den beginne,” hernam de wijsgeer, die de vraag uit een verkeerd oogpunt opvatte en het onderwerp van bovennatuurlijke zijde beschouwde, „in den beginne waren de grondstoffen en zaden der dingen in blinde wanorde dooreen gemengd. Toen was alles chaos [185], nacht en „erebos” [186]. Noch hemel, noch aarde, noch licht was er tot de duistere nacht, door den wind bevrucht, het moederei voortbracht, waaruit de liefde ter wereld kwam of de gevleugelde Eros, zooals de dichters zeggen, door wiens alles beheerschende macht de inwendige strijd en tweedracht der dingen werd te niet gedaan en het een met het ander in liefde samensmolt, tot water, en aarde, en hemel, en menschen, en Goden, in afzonderlijke gestalten en vormen uit den schoot der alles bevruchtende natuur, als kinderen der liefde, te voorschijn traden...”

„Dan zou Eros het eerst geboren wezen zijn,” zeide Socrates, den wijsgeer, die naar het gebied der geestelijke wereld was afgedwaald, voor een oogenblik volgend, „maar ik heb door u, Anaxagoras, ook den Nous als eerste en hoogste wezen hooren noemen. Zouden Nous en Eros, de overal heerschende rede en de alles voortbrengende liefde dan hetzelfde zijn?”

„Wel mogelijk,” hernam Anaxagoras, „dat zij in den innigsten grond een zijn, en dat zij naar hetzelfde doel jagen—de een met bewustzijn, de andere blind...”

„Dan zou het in eens verklaard zijn,” riep Socrates uit, „wat het zeggen wil, als men van de blindheid der liefde, van de geblinddoekte oogen van Eros spreekt. Wanneer ik u goed begrepen heb, Anaxagoras, dan is Eros niets anders dan de geblinddoekte Nous—”

„Gij kunt dat zoo opnemen, als u dat bevalt,” hernam Anaxagoras lachende.

„Maar zie nu eens Anaxagoras,” vervolgde Socrates, „hoe gij mij en dezen jongeling, den zoon van den Milesiër Axiochus, van ons eigenlijk onderwerp hebt afgebracht, terwijl gij ons in de hoogste sferen uwer wijsheid hebt opgevoerd. Want deze jongeling en ik, wij hadden bij ons gesprek eene andere soort van liefde op het oog, dan die, waarop gij ons in uw betoog over den strijd der dingen en erebos en het moederei zooeven gewezen hebt. Wij vroegen namelijk—en ook dit is onze aandacht wel waard—wat toch de eigenlijke natuur, het wezen en het doel van die gewaarwording is, krachtens welke de eene mensch den anderen, maar vooral deze man die vrouw of deze vrouw dien man beweert lief te hebben?”

„Een verlangen van deze soort,” hernam Anaxagoras „waardoor de man tot eene vrouw, en niet tot de vrouw in het algemeen, maar tot eene bepaalde vrouw en wederom niet tot den man in het algemeen, maar tot een bepaalden man in hartstochtelijken en onbedwongen liefde zich getrokken gevoelt, is een soort van krankheid der ziel en als zoodanig zeer beklagenswaardig. Want eene ziekelijke begeerte en eene hartstochtelijke neiging van dien aard stort niet alleen dengene, wiens verlangen door het voorwerp zijner liefde onbevredigd blijft, in de meest beklagenswaardige en jammerlijkste ellende, maar zij brengt, ook wanneer zij hoop heeft bevredigd te worden of werkelijk ten deele bevredigd wordt, hem in eene afhankelijkheid van de geliefde vrouw die hij reeds aanstonds als zijner onwaardig en als smadelijk moet erkennen, maar ook daarom moet de wijze haar geheel en al vermijden, omdat hij, ten einde de kalmte en innerlijke tevredenheid zijner ziel te bewaren nooit aan iets met hartstochtelijke liefde zich mag vasthechten. Want alles, waaraan wij ons in die mate door de gewoonte doen boeien kan ons weder ontrukt worden en zijn verlies berokkent ons dan ondragelijke smarten. Zulk eene ziekelijke, hartstochtelijke liefde verstoort de kalmte van het gemoed, vervult het met bestendige angst en ijverzucht, doet den koensten versagen, maakt den sterksten zwak, den besten onverschillig voor eer en schande, en den spaarzaamsten tot een verkwister. Zij verbittert de menschen en maakt hen tot elkanders heftigste vijanden en brengt jammer en ellende over gansche volkeren en steden, zooals dan ook om der wille van ééne vrouw Illium verwoest is en de Grieken tien jaren lang alle moeiten, gevaren en rampen hebben doorstaan en het bloed hunner uitnemendsten hadden te betreuren.”

Anaxagoras had nauwelijks opgehouden met spreken, toen Pericles met een vriend al sprekende de gaanderij kwam opwandelen. Hij zag Anaxagoras met Socrates redeneeren. Hij herkende ook Aspasia in hare verkleeding aan de zijde van Socrates en wierp haar verwonderd een vragenden blik toe, dien zij met een ongedwongen lachje beantwoordde.

Pericles bleef staan en daar hij de laatste woorden van Anaxagoras had opgevangen, vroeg hij, na wederzijdsche begroeting, over welk onderwerp zij zooeven met gespannen aandacht naar Anaxagoras hadden geluisterd.

„Laat dit, Pericles,” zeide Socrates met schalkschen lach, „deze jonge man hier, de zoon van den Milesiër Axiochus, u uiteen zetten; hij toch is de schuld, dat Anaxagoras gedwongen is zich op deze plaats op te houden en het een en ander over een der moeilijkste vraagpunten van het menschelijk weten, naar het mij voorkomt, in het midden te brengen.”

„Het betoog van den wijzen Clazomeniër,” zeide Aspasia, „was een uitvloeisel van de vraag van Socrates, wat men te denken heeft van de liefde.”

„En wat heeft de wijze Clazomeniër betreffende dit punt geantwoord?” vroeg Pericles.

„Hij zeide,” hernam Aspasia, „wanneer ik ten minste zijn gedachtengang en niet alleen zijne woorden goed heb begrepen, dat de liefde, hoe vurig zij ook wezen moge, steeds toch eene zaak van het vroolijke levensgenot moet blijven en nooit in ziekelijke, sombere dweeperij mag ontaarden, en evenmin in tyrannie of hartverterende ijverzucht...”

„Hij zeide,” viel Socrates met een veelbeteekenend lachje in, „dat wanneer iemand den jongeling, die hem dierbaar is, of de schoone, die hij bemint, aan de zijde van een anderen, schoonen of leelijken man mocht zien zitten, hij het daarom volstrekt niet voor noodig moet houden de Olympische [187] wenkbrauwen te fronsen of eene Grieksche vloot in Aulis [188] te verzamelen, om in woesten wraakdorst volkeren te verdelgen en steden te verwoesten...”

Pericles glimlachte. Hij vond de Silenus-gestalte [189] van den waarheidszoeker bijna koddig naast de overweldigende bekoorlijkheid van de verkleede Aspasia, die aan zijne zijde zat. Het had hem voorzeker in het eerst bevreemd Aspasia hier te vinden en zijne Olympische wenkbrauwen hadden zich werkelijk een weinig gefronst; maar nu schaamde hij zich bijna over deze eerste opwelling. Hij twijfelde niet aan de bedoeling zijner schoone vriendin, zich, zooals het aan hare kunne voegde, vóór den aanvang der lichaamsoefeningen, uit de worstelschool te verwijderen. Hij hield het echter voor raadzaam haar door eene zijdelingsche vermaning er aan te herinneren, dat die tijd naderde en dat zij er aan denken moest zich gereed te maken tot vertrekken. Hij liet zich ontvallen, dat de oefeningen weldra zouden beginnen. Hij voegde er bij, dat het voor heden voor hem eene noodzakelijkheid was, hier aanwezig te zijn, daar zijne beide zonen Xantippus en Paralus, benevens zijn pleegzoon Alcibiades, nadat zij eerst de gymnastische voorbereiding in de palaestra hadden doorloopen, voor het eerst aan de openbare oefeningen in de worstelschool zouden deelnemen. De kleine Alcibiades was niet langer te houden geweest: hij wilde niets meer van de kinderachtige palaestra hooren en brandde van begeerte zich op het open veld van eer, in het Lyceüm, met zijne tijdgenooten te meten.

Anaxagoras en zijne volgelingen vernamen dit bericht met levendige belangstelling en sloten zich bij Pericles aan, om getuigen te zijn van den wedstrijd van den kleinen Alcibiades van wien de Atheners, hoe jong hij ook was, reeds begonnen te spreken.

Aspasia stond eveneens met Socrates op, om de overigen te volgen en verzocht stil den waarheidszoeker haar uit het Lyceüm te willen wegbrengen.

Maar de peinzende jonge steenhouwer uit Phidias’ werkplaats wandelde, nadat hij met de verkleede schoone het gedrang voorbij was, als droomende naast haar en zonder het te willen of te weten, voerde hij haar in plaats van uit de worstelschool, naar de verst afgelegen en juist geheel ledige gaanderij, verre van de plaats, waar de jongelingen en knapen wedijverden.

Zijn binnenste was geheel vervuld met de belangrijke woorden, die Anaxagoras over den hartstocht der liefde had gesproken. De taal van den wijze was tot in het diepst zijner ziel doorgedrongen.

Aspasia vroeg hem ten laatste naar de oorzaak van zijn peinzend zwijgen.

In den beginne antwoordde hij niet, toen echter, als uit een droom ontwakende, begon hij, nadat hij zijne gezellin had uitgenoodigd zich naast hem op eene marmeren bank in de zedige zuilengang neder te zetten, als volgt:

„Weet gij, Aspasia, wanneer voor ’t eerst in mijn leven mijn daemon zijne stem in mij heeft doen hooren?”

„Wat noemt gij uw daemon?” vroeg Aspasia.

„Mijn daemon,” hernam hij, „is een tusschenwezen, half van eene goddelijke, half van een menschelijke natuur. Het is geen droombeeld, geene hersenschim; want ik hoor soms heel duidelijk, zoo duidelijk als men iets hooren kan, zijne stem in mijn binnenste. Maar hij verwaardigt zich, helaas, niet, mij de diepten der wijsheid heimelijk te openbaren. Wat kennis betreft, schijnt het toch niets krachtiger of wijzer te zijn dan ik zelf. Het is hem voldoende, mij in enkele gevallen, kort en zonder eenige reden, met zijne inwendig hoorbare stem te zeggen wat ik doen of wat ik laten moet. Voor de eerste maal in mijn leven vernam ik die stem, toen ik u, Aspasia, voor het eerst ontmoette.”

Aspasia gevoelde zich wonderlijk bewogen, toen zij den jongen denker zoo ernstig over zijn daemon hoorde spreken, alsof deze eene werkelijke persoon en de natuurlijkste zaak van de wereld was.

„En wat gebood u uw daemon in dat oogenblik?” vroeg zij lachende.

„Toen ik u zag en de gedachte zich aanstonds van mij meester maakte, u naar het wezen der liefde te vragen toen klonk het zacht, maar duidelijk in mijne ziel; „doe dat niet!” Maar ik dacht: wat wil toch die vreemdeling? Wat gaan hem mijne zaken aan?—Ik luisterde niet naar hem en vroeg u, vroeg u telkens naar het wezen der liefde. Maar nu ben ik besloten hem in het vervolg te zullen gehoorzamen in alles, wat hij mij gebieden of verbieden mag; want de overtuiging is in mij levend geworden, dat hij de zaken goed inziet en mijn vriend is en mijn volkomen vertrouwen verdient.”

„Gij zijt een dweeper, mijn vriend,” zeide Aspasia, „hoewel gij voorgeeft naar het heldere begrip der zaken te streven. Uw karakter is te veel in zich zelven gekeerd, o zoon van Sophroniscus. Zie rondom u en merk het reine, rustige, gezonde leven op, dat met opwekkende schoonheid u overal omgeeft. Offer aan de Chariten Socrates, offer aan de Chariten en vergeet niet, dat gij een Griek zijt.”

„Een Griek?” hernam Socrates lachende. „Ben ik niet te leelijk om een Griek te zijn? Mijn stompe neus reeds maakt eene scherpe tegenstelling met de schoonheid der Grieken. Ik maak van den nood eene deugd en zoek een levensideaal, dat bestaanbaar is met leelijkheid.”—

Aspasia zag na deze woorden Socrates aan, met eene mengeling van verbaasdheid en medelijden.

Die arme zoon van Sophroniscus! Hij wandelde onder de opgeruimde en tevreden stervelingen als de eenige ontevredene. Men begon hem reeds onder de wijzen te rekenen. Maar niemand had hem ooit zich zelven aldus hooren betitelen. Hij vroeg maar altijd. Hij wandelde onder zijne medemenschen als een levend, schier onaangenaam vraagteeken. Was hij de belichaamde behoefte aan eene nieuwe openbaring, aan eene nieuwe gedachte, aan een nieuwen tijd? ...

Daar de werkelijkheid, zelfs in hare volste openbaring zijne vragen niet geheel en al beantwoordde, klom hij op tot het gebied van de reine gedachte. Hij jaagde „heldere begrippen” na. Maar niets grenst nader aan het streven naar zulke diepzinnige gedachten dan zijn schijnbaar contrast, de dweeperij. En daarom sprak hij van zijn „daemon”.

Het was hem daarmede ernst. Het oog van den Griek was gewoon helder en open naar buiten te zien. Socrates richtte het zijne naar binnen. Hij dacht na, hij ontdekte het inwendige en schrikte daarvoor zoozeer, dat het hem als eene daemonische macht toescheen. Die noemde hij zijn daemon.

Veel werd over zijn „ironie” gesproken. Ach, de ironie, waarmede hij de onwetendheid van anderen in zijne gesprekken aantoonde, zij was slechts een zwakke nagalm van die ironie, welker scherpte hij zich zelven, tegen zijn vergeefs naar kennis dorstend worstelen in eigen boezem richtte.—

Het was een pijnlijke ernst, wanneer hij aangaande zich zelven de verklaring gaf: „dit weet ik, dat ik niets weet.”—

En toch gistte het in hem en was zijne ziel vol van gedachten over de toekomst.

Hij zocht, zooals hij zooeven aan Aspasia had gezegd, een levensideaal, dat niet als het Grieksche, met leelijkheid bestaanbaar was.——

Hij zocht, hij had een voorgevoel van een ernstiger, een verhevener ideaal tegenover dat van het „alverwinnende schoone”, ’t welk over zijne tijdgenooten eene schitterende aureool verspreidde...

Zoodanig was het wezen van dezen, nog jeugdigen denker. En toch—hij was een Griek. Leelijk van uiterlijk, peinzend in zijn binnenste, was hij toch ook aangeblazen door de liefelijkheid en bevalligheid van den Griekschen geest. Een somber dweeper was hij niet en kon hij nooit worden. De adem van Aspasia was ook over zijn hoofd heen gegaan; nooit kon hij door sombere machten geheel beheerscht worden. Hoe langer zoo meer moest zijn karakter tot blijde opgeruimdheid gestemd worden en ook tot de blijmoedigheid van den wijze, die met gelatenheid den giftbeker drinkt, als zijne ure is gekomen...

Nu echter bruischte de jeugd nog in hem en eene heimelijke, hem zelven schier onbewuste jeugdige hartstocht. Nog was hij niet de man, noch de grijsaard, van wien de boeken der Ouden gewagen—nog was hij de steenhouwer uit Phidias’ werkplaats...

Hij beminde in stilte de schoone en wijze Aspasia.

Hij beminde haar en wist dat hij een stompen neus had en het gezicht van een Sileen en dat zij hem nooit kon beminnen.

Hij wist het, maar hij was nog jong en kende zelf slechts ten halve de macht van het vuur, dat heimelijk in zijn boezem smeulde.

„Ik weet het, Aspasia,” zeide hij, „ik schijn u toe, als eene rups op den bloesem van het Helleensche leven rond te kruipen, daaraan heimelijk te knagen en hem met het sceptisch venijn der gedachte te bezoedelen en gij zoudt lust hebben mij daarvan weg te knippen met de toppen uwer roozenroode vingers. Maar zie, Aspasia, ik zou toch liever schoon dan wijs zijn. Zeg mij, hoe ik het aanleggen moet, om schoon te zijn?”

„Wees altijd blijde en opgeruimd,” hernam Aspasia, „en tracht aan de Chariten te offeren.”

„Bestraal mij met den glans uwer oogen!” riep de anders zoo kalme waarheidszoeker uit, door de ontroering van zijn hart overweldigd. „Dan zal ik steeds,” voegde hij er bij, „blijde en opgeruimd zijn.”

Hij sprak deze woorden in hartstochtelijke opgewondenheid en boog het hoofd nader tot Aspasia’s gelaat, alsof hij den schitterenden straal uit haar oog wilde opvangen.

Daarbij kwam het Silenus-gezicht van den wijsheidsvriend zoo dicht bij het bekoorlijke gelaat der Milesische dat zijne dikke lippen den bevalligen, rozenrooden mond der schoone bijna beroerden.

„Offer aan de Chariten!” riep Aspasia, sprong op en snelde weg...

Op dat zelfde oogenblik kwam een naakte knaap bijna buiten adem, den zuilengang instuiven, snelde, toen hij Socrates zag, op hem toe en verborg in zijn mantel zijne naakte leden.

De waarheidszoeker wist niet of hij zijne blikken op de voortvluchtige Aspasia, dan wel op den knaap zou vestigen, die bij hem eene schuilplaats zocht.

Hij zag er uit als een man, wien een duif uit de hand vliegt en die op hetzelfde oogenblik eene zwaluw aan zijn boezem ziet verschuilen...

De jongen in den mantel gewikkeld, vleide zich vertrouwelijk tegen hem aan en smeekte dringend, terwijl hij beefde van angst, dat hij hem zou verbergen en beschermen.

„Wiens zoon zijt gij en wat is de oorzaak van uwe angstige vlucht?” vroeg Socrates den knaap.

„Ik ben de zoon van Clinias, de pleegzoon van Pericles en heet Alcibiades,” antwoordde hij.