Part 14
„Neen,” zeide Sophocles, „hoe bekoorlijk ik mij ook de geschiedenis van Aspasia’s jeugd voorstel, moet ik toch vreezen, dat wanneer gij het genoegen ze te hooren met een ander moest deelen, ze niet half zoo lang zal uitvallen, als wanneer gij alleen ze verneemt. Bovendien herinner ik mij de belofte, dat ik u niet eerder zou laten heengaan, vóór ik Aspasia door een reizang op Eros ten volle weder zal verzoend hebben en zoo moet ik wel andermaal de eenzaamheid opzoeken en aan de uwe, die gij wel niet minder wenscht, overlaten. Terwijl ik op denzelfden dag, waarop ik voor mijn treurspel een loflied op Eros dicht, een minnend paar als gij, in mijne afzondering heb ontvangen, geloof ik mij zoo verdienstelijk jegens den God te hebben gemaakt, dat het mij niet verwonderen zou, wanneer mij het schoonste lied, als dank daarvoor, van hem ten deel viel.”
Met deze woorden verwijderde zich de dichter.
Schertsend riep Aspasia hem achterna, dat hij niet moest terugkeeren zonder de bekoorlijke, schoon gelokte Philaenion.
Pericles en Aspasia waren nu weder in de stille, kalme geurige lanen alleen aan zich zelven overgelaten.
Nog opgewekt door het levendige gesprek onder het genot van den wijn en het snarenspel en toch in eene soort van zachte ontspanning, brachten zij, nu eens wandelend, dan weer rustend, den eersten tijd in dien zoeten, droomerigen toestand door, welke vooral in een bosch of in geurige, schaduwrijke tuinen in de uren van den middag zich van den geest meester maakt, wanneer Pan slaapt en zijne geesten, onbedwongen, in de eenzame dreven hun dartel spel drijven.—
De vette olijf glinsterde in de middagzon. Geen leeuwerik, met weligen kuif, huppelde meer rond, de hagedissen lagen sluimerend in de weiden. Slechts de boomkrekel liet hier en daar zijn zacht en melodisch gepiep op de takken hooren.
In zulke oogenblikken, bij eene bekoorlijke natuur is men zoo verhit, zoo opgewekt van den zonneschijn en de heerlijke geuren, geniet men zoo, dat, wanneer men zich ter ruste vleit op lommerrijke weiden onder ritselende boomen, de levensgeesten niet weten of het eene zoete afmatting is, wat hen doortrilt, dan wel eene overbodige inspanning hunner veerkracht.
De beiden gelieven vertoefden ten laatste bij dat oord, waar de klimop zich slingerde, waar de golven van den Cephissus onder de zonnige twijgen klaterden en waar in de zwoele middagstilte het onschadelijk paar wateradders in de kristallen gloed zijne kringen placht te beschrijven, terwijl gonzende libellen over de watervlakte zweefden.
Uit dien half droomerigen toestand eener verrukkelijke siesta ontwakend, herhaalde Pericles zijn verzoek aan Aspasia, om hun vertrouwelijk te zamen zijn op dezen dag door het lang beloofde verhaal der lotgevallen van hare jeugd de kroon op te zetten.
Doch het is een zonderling iets, wanneer de lippen der vertelster fijn en zacht en heerlijk zijn als Attische honig. Pericles bekende, dat hij niet wist of hij begeeriger was naar de kussen zijner vriendin dan naar haar verhaal.
Eindelijk kwam zij aan het woord:
„Gij weet,” zeide zij glimlachend, „ik ben niet oud genoeg om u op een lang, avontuurlijk en bont verhaal te kunnen vergasten. Maar gij hebt het recht, naar mijne afkomst te mogen vragen en te vernemen, van welken aard mijn lot geweest is, vóór het met het uwe was verbonden. Philammon heette de man, naar wien gij zooeven hebt gevraagd, aan wien ik mijne kennis in de toonkunst en andere kunsten en in één woord alles te danken heb, wat een mensch den anderen te danken kan hebben, en ’t geen eigenlijk, naar ik meen niet zoo heel veel is; want het meest beslist toch bij den mensch, vooral bij de vrouw, de grond, waarop hij is geboren, de lucht, die hij inademt en de gedaante der dingen, die hij van zijne jeugd af om zich heeft gezien, boven alles echter de ingeboren aanleg en het lot en het gesternte, waaronder hij het levenslicht heeft aanschouwd.
„Die goede Philammon! Ik geloof niet, dat ik ooit weder met een man in zoo’n gelukkigen vrede zal leven als met hem; want hij koesterde geene verwachtingen meer van mijne kunne en ik nog geene van de zijne. Hij telde tachtig jaar en ik tien. ’t Is waar, hij scheen wel een vierde jonger dan hij werkelijk was en ik een vierde ouder dan mijne jaren.
„Na den dood van mijn vader Axiochus en van mijne moeder te Milete werd ik door hem als een vriend des huizes in zijn familiekring opgenomen. Hij was de geleerdste, verstandigste, spraakzaamste en tevens vroolijkste grijsaard in het levenslustige Milete, de beminnelijkste grijsaard misschien, die de aarde sinds Anacreon had gedragen. Ik weet niet, of er ergens een schooner liefdeband bestaat, dan dit van een jeugdig grijsaard en een vroegrijp meisje. De scherpste tegenstellingen des levens zoeken en vinden elkaar in die vereeniging.
„Ik was schier hartstochtelijk verliefd op Philammon’s sneeuwwitten, lang afgolvenden baard, op zijne heldere oogen, waaruit mij al het licht der wetenschap scheen tegen te schitteren, op zijne lyren en cithers, op zijne boekrollen, op de bronzen en marmeren beelden van zijn huis en op het heerlijke bloemtapeet van zijn tuin. Wat hem betreft, hij scheen niet minder behagen in mij te scheppen; van het oogenblik af, waarop ik zijn huis betrad, speelde een glimlach om zijne lippen, zooals ik er nooit meer een heb gezien bij een gelukkig sterveling en dien ten laatste zelfs de dood niet geheel kon doen verdwijnen. Vijf jaren lang leefde ik in den geur der rozen, waarmede deze goddelijke grijsaard zijne bekers bekranste, dronk de wijsheid in uit zijne heldere oogen en zijne lippen, die overvloeiden van welsprekendheid, speelde op zijn lyren en cithers, ontrolde met gloeiende wangen zijne boekrollen, beschouwde zijne bronzen en marmeren beelden en verzorgde de bloemen van zijn tuin. De wereld der poëzie, der tonen en der lente, was voor hem zelven op nieuw ontwaakt en bezield, toen hij ze nog eens met het kind genoot. Hij zeide, dat hij tachtig jaar oud geworden was en nu eerst vele zijner boekrollen verstond, nu ik, het kind, ze hem had voorgelezen.
„Toen hij gestorven was, noemden de Milesiërs mij het schoonste meisje van het Ionische strand en ik zag voor de eerste maal in den spiegel. Het leven der rijke stad, waar vroegtijdig de Grieksche geest in de Aziatische zon tot weelderige volheid zich ontwikkelde, begon mij met verleidelijke bekoorlijkheid aan te grijpen.
„En toch was ik niet gelukkig.
„Bij Philammon’s boekrollen en marmeren beelden was ik vroolijk geweest; in den bedwelmenden roes der vreugde, door hulde en wierook omgeven, werd ik ernstig, nadenkend, luimig, aanmatigend.
„Ik miste iets.
„De mannen van Milete schenen mij dwaas toe. Zij dongen om mijne gunst, ik verachtte hen.
„Ik stond na den dood van Philammon als eene wees, jong, arm, onervaren in de wijde wereld.
„Toen zag mij een Perzisch satraap [171] en aanstonds vatte hij het plan op het zoo geroemde Ionische meisje naar Persepolis [172] te voeren, naar den grooten koning [173]. Mijne dwaze meisjesziel werd ontvlamd. Ik dacht aan Rhodopis [174], die den koning van Aegypte, aan mijne landgenoote Thargelia, die den koning der Thessaliërs tot echtgenooten hadden gekregen. De koning der Perzen echter, de machtigste der aarde, zweefde voor mijn geest als het ideaal van alle mannelijke schoonheid, al het verhevene, beminnelijke en geestkrachtige. Als kind bij Philammon was ik verstandig geweest voor mijne jaren thans als rijpende jonkvrouw werd ik gekkelijk. Te Persepolis aangekomen, werd ik rijkelijk opgesierd en toen naar den koningsburg gevoerd, die in verblindende pracht prijkte. Te midden van deze heerlijkheid zat de koning der Perzen, niet minder schitterend uitgedost, maar met het uiterlijk van een gewoon mensch. Hij lonkte mij met zijn doffe, despotische oogen toe. Eindelijk begon hij slaperig de hand naar mij uit te strekken, als naar eene koopwaar, die hij betasten wilde. Dat prikkelde mij; tranen van spijt ontsprongen aan mijne oogen. Dat beviel den Pers echter en een lach plooide zijne matte trekken. Hij spaarde mij zelfs sedert dat oogenblik en zeide dat de fierheid der Grieksche vrouwen hem beter beviel, dan de slaafsche karakterloosheid der andere vrouwen. Na weinige weken was het hart van den despoot voor mij in liefde ontbrand. Mij echter overviel een angst; ik verzonk in zwaarmoedigheid. Vreemd, eentonig, koud scheen het leven om mij heen. De menschen waren niet vatbaar voor eenigen hartstocht. In zich zelven gekeerd leven zij voort in pronkvertrekken van bedwelmende aromen doortrokken. Zonderling en beangstigend scheen mij die pracht van het Oosten toe en snel was de betoovering geweken, waarmede zij in den beginne mijne verbeeldingskracht had verstrikt. Een koude huivering overviel mij, als ik de tempels en afgodsbeelden in den vreemde beschouwde; een heimwee greep mij aan naar de Goden van Hellas.
„Ik ontvluchtte na korten tijd. Vrij ademde ik weder, toen ik het Ionische strand weder betrad, toen ik de Grieksche zee, voorbode van eene nieuwe en betere toekomst, tegen de kust zag aanklotsen. Onder begeleiding van eene enkele trouwe slavin zocht ik in de haven van Milete een schip, dat mij naar Griekenland zou voeren. Ik vond een koopvaarder uit Megara, die bereid was mij naar die stad te brengen. Van daar kon ik spoedig het naburige, fiere, bloeiende Athene bereiken, waarnaar mijne ziel zoo vurig had verlangd. Te Megara met mijne slavin aangekomen, stond ik voorloopig alleen en hulpeloos. De bedaagde scheepskapitein, die mij van Milete had medegenomen, noodig mij in zijne woning en beloofde mij eerstdaags naar Athene te doen voeren. Ik nam zijne uitnoodiging aan. Hij echter vertraagde van dag tot dag de voorbereidselen tot mijn vertrek, totdat ik ten laatste bemerkte, dat hij voornemens was mij in zijn huis te houden. Weldra zag ik ook zijn opgeschoten zoon in hartstocht voor mij ontbrand en in huis, als eene gevangene bewaakt, werd ik door beider liefdesbetuigingen vervolgd. Voor hen, meenden die dwazen, zou ik ongerept den Perzischen koning zijn ontvloden en voor hen mij hebben gespaard. Toen ik nu koel bleef en alles deed, om de boeien, die men mij wreed had aangeslagen, te verbreken, barstte beider gramschap in hevige woede over mij los. De vrouw van den scheepskapitein had echter van den beginne afaan de jeugdige vreemdelinge met argwanenden blik beschouwd en toen zij nu, terwijl deze beide mannen op mij vertoornd waren en om mijnentwil geweldig met elkaar twisten, door eene razende ijverzucht werd aangegrepen, zag ik mij als door Furiën omringd en geweldig bedreigd door de hartstochten dezer razende menschen. De vrouw kwam op de gedachte de Megarensers tegen mij als eene vreemde toovenares en verstoorster van den huiselijken vrede op te hitsen en daar de beide mannen door mijne koelheid en de onmogelijkheid mij langer in huis te houden vreeselijk verbitterd waren, ondersteunden zij uit wraakzucht de pogingen der vrouw. Hun streven was niet zonder gevolg. Ik was toch in Megara, onder menschen van den Dorischen stam, onder menschen, die, losgerukt van hunne stamgenooten in de Peloponnesus, zoo dicht bij het machtige, dreigende Athene, daarom te sterker zich hunne Dorische afkomst bewust waren, en des te slaafscher de Spartaansche zeden meenden te moeten handhaven. Streng en mannelijk in hun doen willen zij schijnen, maar zij zijn dubbel teugelloos, wanneer de hartstocht zich van hen meester maakt; want hun gemoed is ruw, hun geest gemeen. Hun heftig gevoel is vreemd aan elke zachte aandoening, die over de gemoederen van andere menschen door den adem der bekoorlijkheid en vriendelijkheid is uitgespreid.
„Op mijn dringend verlangen deed men het eindelijk voorkomen, dat men mij rustig zou laten vertrekken. Een muildier stond gereed voor mijn goed, een draagstoel voor mij en mijne slavin. Toen ik echter uit het huis van den Megarenser trad, vond ik het tegen mij opgehitste volk op straat verzameld en werd ik met spottende en hoonende woorden begroet.
„Voor het volk van Megara was het voldoende te hooren, dat ik eene Milesische was, om mij te haten en in blinde woede te vervolgen. Ik weet niet, wat mij met zulk een moed, met zulk een fierheid bezielde, toen ik dit Dorische gepeupel, grijnzend, schreeuwend, dreigend rondom mij gedrongen zag. Met opgerichten hoofde ging ik door de menigte, achter mij mijne sidderende slavin. De voorsten, die een weinig voor mij teruggeweken waren, werden door hen, die achter hen stonden, opnieuw tegen mij aangedrongen; ik zag mij in een maalstroom van verwarring vastgeklemd, gestomt en toen ik ziedend van toorn een woord tot de menigte sprak, grepen eenigen onder smadelijke bedreiging mij bij de armen en het gewaad.
„Op dat oogenblik kwam een reiswagen met paarden bespannen den weg langs. In den wagen zat, naar het scheen, een aanzienlijk en rijk man, door slaven gevolgd.
„Toen deze man mij zag, te midden van dat dreigend gevaar, daar de vermetelsten reeds de hand aan mij sloegen, liet hij den wagen stilhouden en gaf den zijnen last, mij en mijne slavin in den ruimen reiswagen te helpen en, toen dit geschied was, bracht het vurige span mij in weinige oogenblikken voor altijd uit het vervloekte Megara en onttrok mij aan de smadelijke bejegening, die mij dreigde.”
„Nu begrijp ik, Aspasia,” viel Pericles in, „waarom gij geheel in strijd met uw kalm karakter, zoo vijandig en hartstochtelijk opvliegt wanneer er sprake is van de Doriërs en het Dorische karakter.”
„Ik ontken het niet,” hernam Aspasia, „ik heb sedert dien dag te Megara aan alle Doriërs onverzoenlijken haat en wraak gezworen.”
„En de man, die u redde,” zeide Pericles, „was zeker niemand anders dan Hipponicus?”
„Dezelfde,” antwoordde Aspasia.
„Gij hebt,” vervolgde Pericles, „een weelderigsten bloei van Ionische karakter te Milete en de plompe overdrijving van het Dorische te Megara leeren kennen. Thans op den bodem van Athene gekomen, zult gij, hoop ik, u in dat schoone en gelukkige midden gevoelen, dat het gevolg is van de verzoening en de harmonie der uitersten.”
„Het was mij aanstonds een goed teeken,” antwoordde Aspasia, „dat het toeval mij, zoodra ik den Atheenschen bodem had betreden, naar die plaats voerde, waar de levendigste vonken van den nieuwen Atheenschen geest rondspatten—naar de werkplaats van Phidias.”—
„En daar,” viel Pericles in, „vondt gij de mannen, die gij aan het hof van den Perzischen koning miste, de gevoelige ontvankelijke mannen, waarop gij invloed kondt oefenen—daar vondt gij den krachtigen, vurigen Alcamenes...”
„En den peinzenden, niet vurigen, niet innemenden zoon van Sophroniscus,” hernam Aspasia; „en ik trachtte aan beiden datgene te geven, ’t welk zij mij naar hun eigenaardig karakter schenen noodig te hebben. Den beeldhouwer toonde ik, dat hij niet alleen van den meester Phidias kan leeren en het gelukte mij de valsche bescheidenheid van den waarheidszoeker, die de geheele wereld met zijne vorschende vragen vervolgt, voor een deel althans in een ware te veranderen. Maar nog ontbrak mij de man, wien ik niet alleen dit of dat, wien ik alles, wien ik mijn geheele persoonlijkheid niet zou aarzelen toe te vertrouwen. Eindelijk vond ik hem. Sedert dien tijd ben ik der smidse, waar de echte vonken van den nieuwen Helleenschen geest opspatten, nog nader gekomen, dan in de werkplaats van Phidias.”
„En waar was dat?” vroeg Pericles.
„Aan het hart van den gemaal der pauwenslachtende Telesippe!” hernam Aspasia glimlachend en vlijde haar schoon gelokt hoofd met smeltenden blik aan de borst van den geliefden man.
Hij boog zich over haar en drukte haar een kus op de lippen. Daarna sprak hij:
„Menige van die levensvonken van den Helleenschen geest zou wellicht nog sluimeren in deze borst, Aspasia, wanneer gij uw schoon hoofd daar nooit tegen had gedrukt!”—
Zoo verliep de dag voor het gelukkige paar in den tuin van Sophocles.
De avond begon te vallen, de boschjes geurden sterker, de nachtegalen hieven hun lied aan in de twijgen en als wilden zij met hen wedijveren, lieten de krekels in het gras hunne schelle tonen hooren. Glimwormen glinsterden uit het donker der boschjes en Hesperus [175] spreidde zijn glans uit aan den hemel.
Thans verscheen de dichter weder, om zijne gasten tot den maaltijd uit te noodigen. Hij voerde hen wederom naar dat gezellige, liefelijk versierde tuinhuis.
„Gij hebt mij,” zeide Sophocles, zich tot Aspasia wendende, „toen ik van u heen ging, een bevel nagezonden. En wie zou het durven wagen u niet te gehoorzamen in alles wat gij zoudt kunnen wenschen?”
Daarbij wees hij naar den achtergrond van het vertrek, waaruit Philaenion lachend te voorschijn trad.
Pericles en Aspasia waren aangenaam verrast. Philaenion was klein, maar van een betooverende, evenredige gestalte; daarbij was zij krachtig van leden en toch vol bekoorlijkheid in hare bewegingen. Zij had de zwartste oogen en boven het ietwat lage voorhoofd viel het donkerste haar in krullende lokken.
Aspasia dankte den dichter in vriendelijke woorden voor zijne bereidwilligheid en kuste Philaenion op het voorhoofd. Vroolijk schaarde men zich om den disch. Vele heerlijke gaven werden er aangeboden en wederom stroomde de vurige Chiërwijn [176] onder opgeruimden, geestigen kout en gelach.
Toen las Sophocles zijn gasten den beloofden lofzang op Eros voor, den onsterfelijken reizang op den „Alverwinnaar in den strijd.”
In verrukking hieven Aspasia en de dichter aanstonds bij het getokkel der snaren het schoone lied aan. De melodie stroomde als van zelf van hunne lippen. Zij vonden ze gelijkelijk uit.—
Philaenion in dezelfde geestverrukking viel in, en zoowel door het lied als door den gloeienden wijn bezield, begeleidde zij weldra den zang met de bekoorlijkste, innemendste dansen.
Wie zou het geluk dezer gelukkige menschen vermogen te schilderen?
Zij waren gelukzalig, als de Olympische Goden.
Toen Pericles met Aspasia laat in den avond den lusthof doorwandelde, om naar huis terug te keeren, geurden de rozen bedwelmend; de scharlakenroode, geheimzinnig vlammende anjelierbloesem schitterde in de duisternis.
En nooit kweelden de nachtegalen in het Cephissus-dal bekoorlijker dan in dien nacht.
„Weet gij, wat zij zingen,” zeide Pericles tot Aspasia, die met een blijden glimlach aan zijne zijde wandelde. „Zij zingen allen den reizang van Sophocles op Eros; zij zingen allen:
„God der liefde, nooit bedwongen, Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed, Waar uw pijl is ingedrongen, Voor uw almagt buigen doet; Die uw zetel hebt gekozen Op het liefelijk gelaat Van de teedre maagd, wier bloozen Wat haar harte wenscht verraadt!” [177]
Zij zingen allen:
„Alle wezens kunt gij dwingen, Land en zee is uw gebied; ’t Broos geslacht der stervelingen, De eeuwige Goôn zelfs vreest gij niet. Ach, met onbegrensd vermogen Heerscht de teedre, zwakke maagd, Als de gloed der schitterende oogen Zoete drift in ’t harte jaagt, Onverwinbaar neemt de min Spelend aller zielen in.”— —
VII
DE DISCUS-WORP.
Sedert het prachtige gebouw, dat door Pericles voor muzikale uitvoeringen was bestemd, met een wedstrijd van toonkunstenaars ingewijd en geopend was, stroomden de Atheners onophoudelijk naar den zuidelijken voet van de Acropolis, om het eigenaardige gebouw, met zijn kegelvormig dak, uit de masten van buitgemaakte Perzische schepen vervaardigd, te bewonderen.
Maar weldra volgde op de voltooiing van het Odeon die van het Lyceüm [178] en evenals vroeger naar het eerste, zoo vloeide de schare der Atheners ook oostwaarts naar den Ilissus, om de nieuwe prachtige worstelschool, die haar wedergade niet had, te bezichtigen.
Ofschoon nog nieuw, zijn de wanden en zuilen toch reeds hier en daar met vleiende opschriften bekrast, die den lof van den een of anderen knaap verkondigen. Want niet de scheppende beeldhouwers alleen, voor wie de welgemaakte gestalte der jongelingen, die bij de vele lichaamsoefeningen zich hier onbedekt vertoonde, eene onmisbare school is voor het natuurlijke en schoone in hunne scheppingen, ook de kunstliefhebbers komen hier, om aan het gezicht van zuiver ontwikkelde jeugdige kracht hun hart op te halen. Met hun vurigen kennersblik wedijvert het oog van liefhebbende en eerzuchtige vader, die met fieren trots de oefeningen en wedstrijden hunner zonen volgen en hunne krachtsinspanning en ijver met levendige gebaren, met luide kreten aansporen. Overigens zijn er nog dweepende liefhebbers der gymnastische kunsten, voor wie zoo’n schouwspel eene verkwikking is en die, met hunne stramme ledematen, als verjongd door het vuur, de bewegingen en oefeningen der jeugd in hun geest de vertoonde toeren medemaken. Ja zelfs tot op zulk eene hoogte stijgt bij deze hartstochtelijke liefhebbers hun ingeschapen lust, dat zij zich niet tevreden stellen met als ledige toeschouwers dagen lang in het Lyceüm en de Palaestren [179] zich op te houden, maar onmiddellijk, wanneer de geest hen drijft, zich onder de jongelingen begeven, om aan hunne oefeningen deel te nemen of een hunner tijdgenooten tot een kleinen worstelstrijd in het gymnasium uit te dagen. „Hei daar Charisius,” luidt het, „willen wij het eens tegen elkaar opnemen, zooals we zoo dikwijls in onzen gelukkigen ephebentijd [180] plachten te doen? Wat jonge Herculessen waren wij toch in vergelijking met de hedendaagsche jongens!” Zoo klinkt het, en de beide mannen herinneren zich de dagen hunner bloeiende jeugd en vatten elkaar aan en worstelen naar de nog niet verleerde regels der kunst ten aanschouwe van een menigte, die hen aanmoedigt.
Maar niet alleen voor lichamelijke oefeningen dient deze plaats: het is eene reusachtige gezelschapszaal. Ja zelfs zoozeer is dit het geval, dat alle eigenlijke worstelperken op de zuidzijde van het Peristylium achter de dubbele zuilenrij zich bevinden, terwijl de drie overige gangen, alsook de lanen, die aan de worstelschool grenzen, uitsluitend aan het gezellig verkeer der Atheners gewijd zijn. Hier ontmoeten elkaar de beroemde mannen, hunne vereerders, vrienden en leerlingen. Men kan zich hier immers ongestoorder met elkander onderhouden, dan in die zuilengangen op de woelige Agora. Wat de nakomelingschap met geestdrift op bestoven boekrollen zal lezen, dat vloeit hier in levende taal van de lippen der denkers. Bij den meester en zijne nog niet talrijke leerlingen, die hier vol aandacht aan zijne zijde wandelen, kan zich een ieder, wie ook, uit de menigte aansluiten. Slechts weinige dagen pas heeft de zaal van het Lyceüm hare deuren geopend en reeds kunt gij den stouten vleugelslag van den Helleenschen geest daarin hooren ruischen. In dien grijsaard daar, met zijne heldere oogen, herkent gij den vriend van Pericles, den edelen Anaxagoras.
Van hem heeft reeds menig Athener geleerd de wetten der natuur op te sporen en met terzijdestelling van het bijgeloof aan de Olympische Goden de eeuwige wetten van het natuurlijk ontstaan der dingen na te vorschen. Maar velen zijn er nog, die in hem een godloochenaar en Magiër [181] meenen te zien.
„Is dit niet de wijze van Clazomenae?” vroeg een Athener, zich wendend tot een der leerlingen en toehoorders uit de schare, die den wijsgeer omstuwt, „is hij niet dezelfde, van wien men vertelt, dat hij eens bij de spelen te Olympia in een dikken mantel plaats nam, terwijl de zon helder aan den hemel scheen en tot hen die hem uitlachten, zeide dat vóór er nog één uur verloopen was, een onweder zou losbarsten, ’t geen dan ook werkelijk tot verbazing van anderen geschiedde. Waaruit putte toch dien man kennis van de toekomst zoo hij niet meer dan iemand anders wetenschap heeft van de bovennatuurlijke dingen en de mantiek verstaat?”
„Vraag het hem zelf!” antwoordde de leerling.
De Athener volgde den raad en herhaalt zijne vraag aan Anaxagoras. „Zijt gij,” zoo spreekt hij, „de man, die te Olympia in een dikken mantel gehuld, plaats naamt en een onweder voorspeldet bij helderen hemel en zonneschijn?”