Part 13
Pericles en Aspasia volgden den dichter. Hij voerde hen naar beneden, tot waar, zooals reeds vermeld is, de Cephissus een bocht maakt en den hof ook van den anderen kant omstroomde. De bodem glooide hier naar de beek af, die in eene ietwat diepere bedding vloeide. Evenwel liep de oever niet steil naar beneden; integendeel tusschen de beek en de oploopende vlakte was eene bekoorlijke ruimte gelaten, die juist breed genoeg was, dat twee menschen, vertrouwelijk naast elkander, onder het groene loof, waar de stralen der zon heerlijk door speelden, konden wandelen.
De dichter voerde zijne gasten langs dit bekoorlijke pad. Daar ruischte het geklater en gemurmel van de beek, daar kweelden en sloegen de vogels het liefelijkst, daar speelden als dartele geesten schaduw en licht op de golfjes en tusschen de takken. Hier en daar lag een weelderig grasperk, waar men zich op kon uitstrekken en de verfrisschende koeltjes van de schaduw rustig en droomend genieten. Hier trof men ook eene rotsgrot aan, van buiten schier omringd door bloemen en twijgen, van binnen met zitplaatsen en kussens versierd die tot binnentreden op de heetste uren van den dag noodden.
Aspasia was bij het zien van deze bekoorlijke rustplaats verrukt en voldeed gaarne aan het verzoek van haar vriend zich hier neder te zetten. Pericles en de dichter zelf volgden haar voorbeeld. Men zag op de heldere wateren der beek neder, die hier in een natuurlijke kom uitliep. Bonte, schitterende libellen zweefden en dansten in de stralen der zon over de bloemen aan den oever en een paar prachtige onschadelijke wateradders beschreef, zich onbespied wanende, in den kristalhelderen vloed zacht zich wendend, zijne vlugge, bevallige kringen. Weldra echter schoten zij, toen hunne beschouwers door een zacht geritsel zich deden hooren, onder de dichte planten, die weelderig woekerend van den oever in het water afhingen.
„Een lief bruidspaartje,” zeide Sophocles; „ik beluister ze hier dikwijls. Zij zijn onafscheidelijk.”
„Moeilijk is het,” begon Pericles na eene korte pauze, waarin allen zich aan de zaligheid der natuur hadden overgegeven—„moeilijk is het, uit deze vreedzame wereld zich in den geest wederom te verplaatsen bij die menschen en beslommeringen, die men zooeven ontvloden is. En toch zou het doel aan dezen tocht, Aspasia, slechts half bereikt zijn, wanneer wij niet over die menschen en zaken, die wij hier ontvlucht zijn, spraken. Integendeel, wij moeten in de eerste plaats ons daarmede bezighouden; want niet slechts gij hebt mij aangaande de gebeurtenissen der laatste dagen veel te vertellen, maar ook ik zelf heb u veel raadselachtigs op te helderen. Hier zweven over het water bekoorlijke libellen, en aalgladde, vlugge slangetjes trekken in den vloed hunne bekoorlijke kringen, maar niet daarover hebben we ons te onderhouden, maar van dieren van eene geheel andere soort heb ik u te spreken, van rampzalige vogels, die mij en u gisteren noodlottig zijn geworden: van de vervloekte pauwen van Pyrilampes. Door de ontrouw van Hipponicus werd een dier vogels, die tot een geschenk voor u bestemd was, in mijn huis gebracht en viel in de handen van mijne gebiedster Telesippe.”
„En wat was het lot van den vreemdeling?” vroeg Aspasia.
„O vraag mij niet naar mijn lot en het zijne op dien dag,” riep Pericles lachende uit. „Stel u den man voor, wien men, zooals de sage meldt, zijne kinderen lekker toebereidt, als een maal voorzette; thans eerst kan ik mij de verwondering en ontzetting van mijn gemoed voorstellen, nu mij het wel is waar niet zoo afschuwelijke, maar toch haast even treffende wedervoer, den prachtigen vogel, die, naar ik geloofde, zijn prachtigen vederdos voor de verrukte Aspasia ontplooide, dien zij als een nieuwen Argus [162] beschouwde, haar door haar geliefde toegezonden, om als in zijne plaats met honderd liefdesoogen de wacht te houden—dat ik dien vogel dood, geplukt, tot eene vormelooze, gebraden massa op mijn bord heb gezien!”
Vroolijk lachte Sophocles bij dit verhaal.
„Gij hebt zwaar gezondigd,” zeide hij, „dat gij dezen vogel, aan Hera, de Godin van den echt, gewijd, in den dienst van hare vijandin, de gouden Aphrodite hebt gebruikt.”—
„Veel erger dan over u en uw pauw, o Pericles,” zeide Aspasia, „is de toorn der Godin op denzelfden dag over mijn hoofd losgebroken. Weet, dat ik op denzelfden morgen verkleed u in uw huis opzocht, dat ik ook, evenals die pauw, in de handen van Telesippe ben gevallen en dat ik, zoo al niet geslacht, toch nauwelijks eene minder onaangename en wreede behandeling heb ondergaan. Bij de Goden, Telesippe wenschte slechts, dat ik evenals de pauw honderd oogen had gehad, om mij ze allen te kunnen uitkrabben! In gezelschap van uwe razende echtgenoote was eene bedaagde, belachelijke vrouw, Elpinice geheeten. Deze dame ontbrandde in warme liefde voor den jongen citherspeler en verviel in een onbeschrijfelijken toorn, toen zij ontdekte, dat het eene vrouw was. Ik werd door deze beide Harpyen [163] uitgescholden, met smaadwoorden overstelpt, uit het huis gejaagd. „Ik sta als meesteres aan den haard van dit huis,” riep Telesippe uit. „Gij echter zijt eene vreemdelinge, eene boeleerster, ik beveel u van hier te gaan.” Zij voegde er bij dat zij van uw hart afstand wilde doen, maar dat zij nooit uw haard zou prijsgeven. Volgaarne gunde ik haar uw haard, Pericles; maar denkt gij de vrouw, die aan uw haard gebiedt, het recht toe te kennen, de vrouw, die uw hart bezit, met smaadwoorden en woeste bedreigingen lastig te vallen?”
„Wat kan ik daaraan doen?” hernam Pericles. „De rechten der Atheensche vrouwen zijn gering. Diegene echter, welke zij hebben, moeten wij eerbiedigen. Zij reiken niet verder dan den drempel van het huis...”
„Het schijnt derhalve,” hernam Aspasia, „dat gij Atheensche mannen geen heeren in huis zijt, maar alleen daarbuiten... Hoe zonderling! Gij maakt de vrouw tot uwe slavin en dan verklaart gij u zelven weder tot slaven van die slavinnen.”
„Dat is het huwelijk!” zeide Pericles de schouders ophalend.
„Wanneer dit het huwelijk is,” hervatte Aspasia, „dan ware het wellicht beter, dat er volstrekt geen huwelijken in de wereld bestonden.”—
„Den zaligen band der harten sluit de liefde,” zeide Pericles; „echtgenoote echter en meesteres des huizes wordt de vrouw door de wet.”—
„Door de wet?” vroeg Aspasia; „ik dacht altijd, dat het eigenlijk alleen het moederschap was, waardoor de geliefde vrouw gade werd en dat de echt, om zoo te zeggen, eerst met het kind begon.”—
„Niet volgens de Atheensche burgerlijke wet,” wierp Pericles haar tegen.
„Verander dan uwe burgerlijke wet,” riep Aspasia uit, „want zij deugt niets.”
„Vrome lieveling der Goden, Sophocles,” sprak Pericles zich tot zijn vriend wendende, „help mij toch deze vertoornde schoone tot rede brengen, opdat zij niet met hare kleine blanke hand het geheele staatsgebouw der Atheners omver moge werpen.”
„Hoe zou ik kunnen gelooven,” zei de dichter, „dat onze verstandige Aspasia het beste en heerlijkste deel van den mensch, de rede, zou kunnen verliezen?—Zij weet het zoo goed en zou het ons, als wij het ooit vergaten, weder kunnen leeren, dat een leven zonder genot geen leven is, dat men echter, om het genot des levens in de hoogste mate te kunnen genieten, zich boven alles moet wachten, om de sombere Ate, de Godin der verblinding en der hartstochtelijke onberadenheid, tegen zich op te zetten; dat we ons nooit tot iets ten strijde, moeten aangorden, voordat we nauwkeurig onze krachten hebben gewogen, dat vroolijk genot onmogelijk is zonder zelfbeheersching, dat wij de menschen moeten liefhebben, want zij zijn de gezellen van ons genoegen, en de Goden eeren, want het zijn geen ijdele namen, maar zij wijzen ons de perken onzer kracht aan en staan machtig en gebiedend tusschen onzen eigen wil en het noodlot tusschen de vrijheid en de eeuwige noodzakelijkheid, dat wij...”—
„Genoeg,” viel hier Aspasia lachende in de rede, „ik vrees anders, dat wij uit den helderen Aether van het reine denken, waarin ons uwe verstandige en schoone woorden hebben verplaatst, den weg niet zullen kunnen terugvinden, naar de onbeduidende, maar tastbare zaken, waarvan we in ons gesprek zijn uitgegaan. Wanneer het mij vrijstaat, het algemeene op het bijzondere toe te passen, dan komt het mij voor, Sophocles, dat gij hebt willen zeggen, dat de uitheemsche vrouwen en de uitheemsche vogels te Athene goed moeten vinden, geplukt en mishandeld te worden en dat ze zich, uit vromen eerbied, niet tegen de wetten van het land mogen verzetten, die haar geen rechten toekennen.”
„Onze vriend hier,” voegde Pericles bij hetgeen Aspasia gesproken had, „valt het natuurlijk gemakkelijk, voor het menschelijk doen en laten, vooral met betrekking tot echtgenooten, wijze regels op te stellen en even gemakkelijk die op te volgen. Zijn leven vliedt zonder strijd daarheen, want hij is ongehuwd en geene Telesippe treed zijne Aspasia dreigend met een brandhout te gemoet...”
„Zoo gaat het altijd met de bemiddelaars,” hernam Sophocles lachend, „en met allen, die zelfs wanneer het hun verzocht wordt, zich in de aangelegenheden van minnenden te mengen. Ik word nu bespot en bijna met verwijtingen overladen, omdat ik, de rede predikende zelf zoo onredelijk was, aan verliefden raad te willen geven. Daarvoor wil ik nu mij zelven straffen, daar ik u aanstonds aan uw eigen wijsheid overlaat. Voor een korten tijd neem ik van u afscheid, opdat gij uwe zaken alleen in het reine kunt brengen. Ik ga zorgen, dat gij niet den geheelen dag zonder lafenis van spijs en drank moogt doorbrengen. En wanneer ik soms, terwijl gij uwe zaken bespreekt, wat lang in gindsche laurierboschjes vertoef, weet dat mij daar geene Aspasia wacht, maar dat ik in die schaduwschemering, met mijne wastafeltjes op de knie en de stift in de hand, de klaagtonen van de edele dochter van Oedipus [164] beluister...”
„Gij hebt dus dat dichterlijke plan, waarvan gij op de Acropolis spraakt, niet laten varen?” vroeg Aspasia.
„De helft van het werk is reeds gereed,” hernam Sophocles, „en een slaaf zit dag aan dag met een zwart riet om het voltooide en afgewerkte van de wastafeltjes op de papyrus over te brengen.”
„Zult gij ons daarvan geene voorproef geven?” vroeg Pericles.
„Uw tijd is te kostbaar,” antwoordde de dichter en verwijderde zich.
Toen dus Pericles en Aspasia alleen waren kwamen zij op hun onderhoud terug, dat zij in tegenwoordigheid van hun trouwen vriend reeds aangeroerd hadden.
Maar het ging zooals bij gesprekken van minnenden gewoonlijk het geval is, zij dwaalden telkens van hun onderwerp af. Zij trachtten niet naar een gestrengen gedachtenloop, daar tal van andere denkbeelden hunne ziel vervulden, die den draad der redeneering afbraken. Zij luisterden bovendien naar het gezang van een vogel in de takken, ademden de geurige lucht der weiden in met volle teugen, plukten hier en daar een bekoorlijke druif van een zwaar beladen wijnwinde of een rozenroode, sappige vrucht van den boom.
Aspasia beet in een appel en gaf hem toen aan Pericles. Deze bedankte haar met een gelukkig lachje, want het was hem niet onbekend, wat een aangebeten appel in de taal der liefde beteekende. Ook bleef de aangeboden gelegenheid liefdesorakelen te raadplegen niet ongebruikt. Aspasia vlocht onder het gesprek een krans, reikte hem toen aan Pericles over en lachte, toen daar bladeren afvielen; want dit was voor de ingewijden een teeken van den heftigen liefdegloed van hem, die den krans droeg. Pericles daarentegen plukte die bloemen wier kelken de eigenschap hadden met een kleine knal te barsten, zoo men ze tusschen de vingers plat drukte en hij achtte het zijner niet onwaardig uit de kracht van dien knal de innigheid van de liefde der beminde af te leiden.
Maar hoezeer ook de liefdegloed van Pericles den krans, dien hij in de hand droeg, deed verwelken en ontbladerde en de vurige genegenheid in het hart van Aspasia het knallende bloemenorakel eer mocht aandoen, beiden trachtten toch telkens op een ernstig gesprek terug te komen. Vele vragen werden ter sprake gebracht, maar natuurlijk weinige ten volle beantwoord. Men overwoog, hoe Aspasia met behulp van Pericles haar nieuw huishouden het best zou inrichten, vervolgens hoe zij hun omgang het ongestoordst zouden voortzetten en, daar verliefden over niets liever keuvelen, dan over de geschiedenis hunner eerste ontmoeting, kwamen ook Pericles en Aspasia op de hunne in het huis van Phidias terug en Pericles verhaalde wat de gevolgen van die eerste kennismaking waren geweest, hoe sedert dien dag zoo menig grootsch plan was ontworpen, hoe hij sinds zich tegen de verwijten zijner vrienden had moeten verdedigen, hoe ten laatste allen zich voldaan hadden verwijderd, behalven de zoon van Sophroniscus, de waarheidszoeker, die nog steeds de vraag beantwoord wilde zien of de beoefening van het schoone die van het zedelijke overbodig maakte. Die vraag had men toen laten rusten en was sedert in vergetelheid geraakt, nu Aspasia echter aan haar lievelingsdenkbeeld herinnerd werd, beweerde zij weder zeer beslist, dat de aankweeking van het schoone in de wereld evenveel recht van bestaan had, als de beoefening van het zedelijke en dat een pauw evenveel waard was, als een eend hoewel deze beter geschikt was om gemest te worden. Toen Pericles niet aanstonds wist of hij haar dit mocht toegeven, werd het minnende paar juist ter goeder ure door de komst van Sophocles in zijn gesprek gestoord.
Hij kwam hen tot een eenvoudig ontbijt uitnoodigen. Hij geleidde hen naar het tuinhuisje, dat midden in den hof gelegen was. Zij vonden dat van binnen netjes versierd, bijkans weelderig ingericht voor weldadige ontspanning, en in eene sierlijke spijszaal herschapen. Aanligbedden voor twee personen stonden gereed, waarop men, het bovenlijf op de linkerhand gesteund, gewoon was het maal te gebruiken. Voor die aanligbedden stonden de tafels, met spijzen beladen en wel voor ieder aanligbed een afzonderlijke.
Pericles en Aspasia namen op uitnoodiging van Sophocles plaats en strekten de handen uit naar de aangeboden ververschingen. Op tafel was aanwezig: gevogelte, koeken, Siciliaansche kaas, vijgen, amandelen, noten, druiven en bovendien kostelijke, vurige wijn van de eilanden [165].
„Ik hoop, vrome Sophocles,” sprak Aspasia schertsend, „dat gij ons geen gebraden nachtegalen voorzet, hoewel men in eene stad, waar men zich niet ontziet pauwen op te zetten, evengoed nachtegalen zou kunnen braden.”
„Smaal toch niet om ééne goddelooze op het geheele Atheensche volk,” smeekte Sophocles.
„Eene vrouw,” riep Aspasia uit, op nieuw ziedend van toorn, „die in staat was een pauw te slachten, hem zijn schoonen vederdos uit te plukken en hem in eene pan te doen, verdiende met roeden uit Hellas gegeeseld te worden. Zoo ooit over iemand, moet over haar de toorn der Grieksche Goden losbarsten, want zij heeft zich vergrepen aan het heiligste wat er bestaat, aan het schoone!”
„Als wij onze schoone en verstandige Aspasia mogen gelooven,” zeide Pericles tot Sophocles, „dan is schoonheid de hoogste wet des levens en daar zij ziel en lichaam doordringt, van alle deugden de eerste en de laatste.”
„Die gedachte lacht mij zeer toe,” hervatte de dichter, „ofschoon ik niet weet, hoe Anaxagoras en die bekende steenhouwer van Phidias en de overige wijzen er over zouden oordeelen. Maar ook van hen zal niemand de geweldige macht der schoonheid en van datgene, dat zij in het hart der menschen verwekt, van de liefde durven bestrijden. Ik heb juist van morgen, geheel naar uw verlangen, Aspasia, om de onoverwinnelijke macht der liefde te toonen, in mijn drama een tooneel ingelascht, waarin ik de Haemon, de zoon van koning Creon [166] vrijwillig in den Hades [167] doe nederdalen, om zijne geliefde bruid Antigone daarheen te volgen...”
„Dat is overdreven, Sophocles,” sprak Aspasia tot den dichter, die eenigermate verwonderd was, daar hij toch meende in haar geest te hebben gehandeld. „Van zulk eene treurige zijde moet de stift der dichters de liefde niet teekenen. De liefde is opgewekt en vroolijk en moet liever zich zelve prijs geven dan hare vroolijkheid. Zij moet eene menschelijke ziel niet naar den Hades voeren. Zij moet de menschen alleen met het leven niet met den dood verzoenen. Sombere, dweepzieke hartstocht moet onder de Grieken niet met den naam van liefde bestempeld worden. Dat is ziekelijkheid, dat is slavernij...”
„Gij hebt gelijk, Aspasia,” antwoordde Sophocles. „De leer, die gij daar verkondigt, is opwekkend en duidelijk; gij en Pericles en ik zullen voorzeker alleen de schoone, vrije, opgewekte liefde huldigen en wij willen, als het uwe goedkeuring wegdraagt, nog heden den Goden een offer brengen, opdat zij nooit in onzen boezem het vriendelijk liefdevuur tot een doodelijken en verderfelijken gloed mogen aanblazen. Maar in de dicht- en beeldende kunst drijft de geest de dichters en beeldhouwers, om datgene wat zij uit willen drukken op eene scherpe en overdreven wijze te doen. Ik wilde aantoonen, dat Eros een machtige God is; maar ik wensch van harte, dat hij zijne geheele macht nooit weder op eene dergelijke wijze de Grieken zal doen ondervinden. Mocht hij slechts boven alles de harten der schoonen zacht en goedgunstig stemmen, want wat anders dan de schoonheid is de schuld van al den jammer en ellende der liefde op de wereld? Inderdaad, de schoonheid is eene noodlottige, dikwerf beslissende macht in het leven der stervelingen. Zij zit, wanneer ik het zoo mag uitdrukken, mede besturend in den raad der hoogste machten.”
„Schoonheid zit medebesturend in den raad der hoogste machten!” herhaalde Aspasia. „Deze uitspraak verdiende, mijns inziens, aan de spreuken van Hellas’ wijzen toegevoegd te worden.”
„Wanneer die uitspraak u zoo bevalt,” hernam de dichter, „dan zal ik die luide voor geheel Hellas herhalen en haar in een reizang op Eros in mijn treurspel invlechten. Wanneer zou ik dien reizang op Eros onder gunstiger voorteekenen kunnen voltooien, dan zoolang uw voet nog in dezen lusthof wandelt? Gij moogt van hier niet gaan, vóór ik den hymne opgeschreven en aan uw oordeel onderworpen heb.”
„Geen schooner gastgeschenk kunt gij ons geven,” hernam Pericles.
„Vergeeft mij thans,” ving Sophocles weder aan, „dat ik u niets aanbied, waarmede men anders een onthaal pleegt te kruiden. Ik vertoon u noch eene danseres noch eene fluitspeelster; want heden, dunkt mij, hebben mijne gasten aan zich zelven genoeg; en bovendien, wie zou zich op de cither durven meten met den schoonen „citherspeler uit Milete” en met zulk een kunstenaar een wedstrijd durven aangaan?”
„In de eerste plaats—gij zelf,” riep Pericles; „gij zijt ons zelfs de wedstrijd schuldig, want gij hebt ons toch op de Acropolis iets dergelijks beloofd. Haal slechts uw snareninstrument, Sophocles, en breng er ook een voor Aspasia mede; en begint dan op de wijze van Siciliaansche herders in zang en spel te wedijveren, terwijl ik als onpartijdig scheidsrechter uitspraak zal doen—want dat gij mij tot kamprechter aanstelt, spreekt wel van zelf, daar gij buiten mij geen toehoorders meer hebt.”—
„Het genoegen Aspasia’s gezang en snarenspel te hooren,” hernam Sophocles, „zal voor eene nederlaag niet te duur gekocht zijn.”
Hij verwijderde zich en keerde weldra met twee schoon versierde cithers terug en verzocht Aspasia daar eene van te kiezen.
Met kennersoog tokkelde de schoone de snaren en liefelijke tonen ontlokte zij aanstonds aan het bezielde instrument als vonken aan den vuursteen.
En thans begonnen de dichter en de schoone Milesische, ontgloeid door den zoeten, vurigen wijn, bij den klank der snaren liederen van Anacreon en Sappho te zingen en gevleugelde disticha [168] en daaronder ook iets nieuws van eigen vinding.
Een der kleine liederen van Sophocles luidde als volgt:
„Wat heet leven en lust, zonder Cypria’s lachenden aanblik? Dan toch wilde ik sterven, zoodra ’t zoete liefdegenot Nimmer mij het hart meer verheugt met gloed en teedere omarming: Bloesems der jeugd, o, hoe snel maait u de zeis van den tijd!”
Bezield antwoordde Aspasia:
„Kort ja, is hij, de tijd, voor de sterv’lingen, maar toch noodigt ons Bacchus, bekoort ons de dans en de bloeiende krans van de liefde! Dit, slechts dit, heet leven; slechts lust is leven.—Vliedt dan Gij zorgen! Geniet van het heden, want een sluier onthult ons het morgen!”
Met een stralenden blik op Aspasia zong nu de dichter:
„Zoet is, zoet ja, bij Pan, den Arcadische, wat gij bij uw luite Zingt, o Aspasia! zoet klinkt uw liefelijk gezang! Kon ik ontvlieden? Omlegert mij niet de macht der Eroten In der Sirenen gestalt’, die mijne ziel houdt geboeid?”
Met een betooverenden glimlach op de rozenroode lippen zong nu Aspasia:
„Schertsend vermeide zich laatst met Neäera haar vriend. Om de heupen Wond haar Cypris een band, bont en met bloemen doorweefd. Goud was het opschrift, dat luidde: bemin mij voor eeuwig, Maar geef niet toe aan uw smart, als mij een ander bezit!”
„Hoe lang draalt gij nog, Pericles, den krans der overwinning aan Aspasia toe te kennen,” zeide de dichter.
„Geef hem den dichter, Pericles,” hernam Aspasia; „maar stelt hem vooraf nog ééne voorwaarde; hij moet ons nog een distichon op de schoone Philaenion zingen.”
„Hoort gij, wat Aspasia verlangt?” zeide Pericles tot den dichter; „gij moet Philaenion bezingen, de schoone Ephesische, die thans, naar men verhaalt, de deelgenoote is uwer zaligste uren en welke wij, vreemde gasten, misschien van daag, tot uwe heimelijke smart uit dit bekoorlijk oord hebben verjaagd.”
„De voorwaarde is niet zonder heimelijke boosheid en wreedheid,” hernam Sophocles glimlachend, „maar ik wil ze niet onvervuld laten.”
En hij zong:
„Klein ja is en donker Philaenion, echter niet slanker Is de klimop en niet molliger ’t bloempje des velds. Meer dan Cypria’s gordel bekoort haar lieflijk gesnap mij; Al wat zij schenkt, dat schenkt zij met vriendelijken glimlach. Waarlijk, Philaenion min ik, de heerlijke, tot de godlijke Cypris Mij een andere schenkt, die nog bekoorlijker is!”
„Gij zijt tevreden, Aspasia?” vroeg Pericles, en toen deze toestemmend knikte, wendde hij zich tot Sophocles en reikte hem den kampprijs met de woorden:
„Ontvang den krans, vriendelijke zanger”.
„Dat zou ik niet zijn,” hernam Sophocles, „zoo ik niet sloot met een loflied op de schoonste:
„Cypria’s schoonheid hebt ge, de lippen van Pitho, der Horen Lentebloesem daarbij en Calliope’s stem, Themis’ wrekende maat, Pallas’ wijsheid en Charis’ Vriendelijken lach met den ernst der strenge Muze vereend.” [169]
„Dat noem ik ons verlegen maken,” zeide Aspasia, „en ons een plicht der dankbaarheid opleggen, die wij nooit vergelden kunnen.”
Zoo eindigde de wedstrijd. De dichter en Milesische spraken toen nog veel over de toonkunst en Aspasia legde daarbij eene zoo groote kennis aan den dag van Dorische, Phrygische, Lydische, Hypodorische [170] en Hypophrygische melodieën, van fijne schakeeringen daartusschen en van de voortreffelijkheid van de eene boven de andere, dat Pericles in verbazing ten laatste uitriep:
„Zeg mij toch, Aspasia, hoe heet de man, die zich beroemen mag u in uwe prille jeugd in die moeilijke kunst te hebben onderwezen en ingewijd?”
„Dat zult ge vernemen,” hernam Aspasia, „wanneer ik u eens de geschiedenis mijner eerste jeugd vertel.”
„Waarom hebt ge dat nog nooit gedaan?” vroeg Pericles. „Hoe lang zult gij het nog uitstellen? Doe het nog heden. De gelegenheid is gunstig en Sophocles is zulk een vertrouwd vriend en zoo gesloten, dat gij u niet behoeft te ontzien, hem mededeelgenoot van uw verhaal te maken.”