Part 12
„Hebt gij nu uwe scherpste, uwe in gift gedoopte pijlen afgeschoten? Ik heb dien dichten hagel van schimpschoten rustig over mij heen laten gaan, want ik had mij nu eenmaal in het gevaar begeven, ik waagde mij in de nabijheid van die toornige huisgoden en ik heb, ofschoon ge mij ondanks mijn gewaad hebt herkend, toch zooveel mannelijks in mij, om mij in ’t onvermijdelijke te schikken. Maar ook gij, meesteres van dit huis, Telesippe en gij, eerwaardige Elpinice, zult het begrijpen en dulden, dat ik op zooveel smaadwoorden, zij ’t ook op een toon, die niets gemeen heeft met den uwen, iets zal antwoorden.—Wat is het dan Telesippe, wettige gade van den grooten Pericles, waarom gij mij zoo harde woorden toevoegt en met smaad en schimp overlaadt? Zeg, wat heb ik u ontroofd? Uwe huisgoden? Uwe kinderen? Uw onbesproken naam? Den roep uwer deugden? Uw geld? Uwe kostbaarheden? Uwe zalf en blanketdoozen? Niets van dat alles. Slechts eene kleinigheid kan ik schijnen u ontnomen te hebben: dat wat u het onbeduidendst van alles was, wat gij zelve hebt prijs gegeven, wat gij eigenlijk nooit waarachtig hebt bezeten, waar gij nooit ernstig u op toegelegd hebt om het te verwerven en te behouden: de liefde van uw man! En wanneer het nu eens werkelijk zoo was, wanneer uw echtgenoot mij lief had en niet u, zou dat dan mijne schuld zijn? Neen! Het zou de uwe zijn. Ben ik naar Athene gekomen om de Atheners te dwingen hunne vrouwen lief te hebben? Beter past het en gemakkelijker valt het mij, de Atheensche vrouwen te leeren, hoe zij het moeten aanleggen, om door hare mannen bemind te worden. Gij Atheensche vrouwen, kinderbarende slavinnen, verstaat niet de kunst het hart eens mans te onderwerpen en gij wordt boos op ons, Ionische vrouwen, omdat wij ze wel verstaan. Is het dan een misdaad haar te kennen? Neen, het is een misdaad ze niet te verstaan. Wat beteekent het bemind te worden? Het beteekent behagen. Wilt ge bemind worden, weet te behagen. Daar baat geen echtband, geen dure eed, geen beroep op goddelijke en menschelijke rechten, daar geldt alleen deze wet: weet te behagen!—En wanneer behaagt de vrouw? Boven alles als zij het wil. En waarmede moet zij trachten te behagen? Met alles wat behagelijk is. Niet lang wordt de man geboeid, wanneer zij alleen de zinnen streelt, niet lang wanneer zij slechts de verbeeldingskracht betoovert, of den geest bekoort of het gemoed roert—dat alles moet zij weten te vereenigen, in één woord, zij moet beminnelijk zijn.—Maar om de zegepraal der beminnelijkheid volledig te maken en te zekerder hartstocht op te wekken, moet zij haar eigen liefde met meer zorg trachten te verbergen dan te openbaren. Verkoelend werkt te groote gloed der vrouw op den vurigen man, afstootend op den onverschilligen. Ze begint met den man ijdel te maken en eindigt met hem te vervelen. De verveling des mans echter is het zekere graf van het huwelijksgeluk en van de vrouwelijke heerschappij. Minnekoozen of knorren, schertsen of vloeken mag de man, om ’t even, alleen geeuwen, geeuwen mag hij nooit.—Gij, o Telesippe, deedt te weinig en te veel: te weinig, want ge boodt uw man alleen uw lichaam en uwe trouw; te veel, want gij boodt hem, wat ge te geven hadt, als zijn eten op een bord! De vrouw moet echter geen eten op een bord zijn, noch een meubel in huis, noch eene slavin, zelfs niet de „echtgenoote,” zooals men het noemt, want Hymen [153] is de verraderlijke vijand van Eros. Dagelijks op nieuw moet zij hare gunst doen verwerven en de zeldzame kunst verstaan, des avonds als bruid zijn leger te beklimmen en ’s morgens als maagd weder op te staan! Dat zijn de regels van die kunst: volg die op, als ge wilt en kunt. Zoo niet, doe dan afstand van datgene, wat door deze kunst wordt verkregen, en gun zonder jaloezie aan anderen hare vruchten in te oogsten!”
Zoo sprak Aspasia.
Trotsch echter zag de vrouw van Pericles op haar neer en vertrok haar mond in een verachtelijken plooi.
„Behoud de wijsheid uwer boeleerkunst voor u zelve,” zeide zij, „gij zult ze noodig hebben. Gij behoeft mij niet te leeren, hoe men de liefde en hoogachting van een man moet zoeken te winnen, mij, die de Archon Basileus tot vrouw wilde hebben. Wat meent gij toch met uwe kunsten te zullen bereiken, gij de vreemdelinge, de boeleerster? Gij kunt mijn echtgenoot door uwe aanloksels verleiden, maar zijn huis, zijn haard blijft gij vreemd. En zelfs, wanneer hij mij verstiet, kunt ge toch zijne wettige gade nooit worden, gij kunt hem geen wettigen erfgenaam baren, want gij zijt eene vreemdelinge, gij zijt geen Atheensche burgeres! Of mijn man naar mij, door vurige liefde gedreven smacht of niet, om ’t even, ik heersch hier aan zijn huiselijken haard; ik ben de meesteres des huizes. Ik zeg u: „ga!” en gij moet gehoorzamen.”
„Ik gehoorzaam en ga,” hernam Aspasia—„Wij hebben eerlijk gedeeld,” voegde zij er scherp bij. „U zijn huis en haard, mij zijn hart!—Laat ieder het hare behouden!—Vaarwel, Telesippe.”
Met deze woorden verwijderde zich Aspasia.
Telesippe en Elpinice waren weder alleen. Elpinice billijkte de fierheid harer vriendin en prees het antwoord, dat zij de vreemdelinge had gegeven.
Na een lang gesprek ging ook Elpinice heen, terwijl de vrouw van Pericles aan hare huiselijke bezigheden ging.
De kleine Alcibiades sprak den heelen dag veel over zijn „Spartaanschen vriend”, tot ergernis van de eerlijke Amycle, die het hoofd schudde en zeide:
„Die knaap heeft nooit door den Eurotas gezwommen.”
Telesippe verbood beiden een woord van dien vreemdeling te reppen in tegenwoordigheid van Pericles.
De dag ging voorbij, het etensuur was gekomen.
Pericles was in huis teruggekeerd en zette zich met de zijnen aan tafel.
Hij at van de spijzen, die opgedragen werden, beantwoordde de vragen van den kleinen Alcibiades en der beide andere jongens en sprak soms ook een woord tot Telesippe, die echter in een half somber, half hoonend stilzwijgen verzonken bleef.
Pericles zag de menschen om zich heen gaarne opgeruimd.
Het strakke, norsche gelaat zijner vrouw maakte hem ongerust.
Nu werd een nieuw gerecht opgedragen. Het was de gebraden pauw.
„Wat is dat?” vroeg hij.
„Dat is de pauw,” antwoordde Telesippe, „die hedenmorgen op uw last hier is gebracht.”
Pericles zweeg stil. Na eenige oogenblikken, waarin hij zich den samenloop der omstandigheden zocht helder te maken, vroeg hij op een toon, die voor den heldhaftigen man vrij benauwd klonk:
„Wie zeide u, dat ik den vogel gebraden wilde hebben?”
„Wat anders?” hernam Telesippe. „Om een zoo groot dier te houden en vrij te laten rondloopen, is onze hoenderhof veel te klein. Ik dacht dus, dat gij den pauw op de markt gekocht hadt, om hem vandaag op tafel te hebben. En waarom niet? Hij is smakelijk en lekker gebraden. Proef maar eens!”
Daarop leide ze een mooi, bruin gebraden stuk op het bord van haar echtgenoot.
Pericles, dien men den Olympiër noemde, Pericles, de met zege gekroonde veldheer, de machtige redenaar, de bestuurder van Athene’s lot, die met waardige standvastigheid de opgeruide schare der Atheners, evenals de legerbenden der aanrukkende vijanden op het slagveld onder de oogen durfde zien—hij sloeg de oogen neer voor het stukje pauw, dat zijn wettige echtgenoote op zijn bord legde.
Maar weldra wist hij zichzelven te beheerschen. Hij stond op met de verontschuldiging, dat hij verzadigd was en zich in zijne vertrekken wilde begeven.
Op dit oogenblik vroeg de kleine Alcibiades:
„Hebben de zwanen in den Eurotas ook zulke prachtige veeren als deze pauw?”
En zonder het antwoord af te wachten, vervolgde hij:
„Amycle is eene oude zottin, wanneer zij beweert, dat mijn Spartaansche vriend nooit door den Eurotas heeft gezwommen.”
Toen Pericles van een Spartaanschen vriend hoorde spreken, zag hij eerst den knaap en vervolgens Telesippe met een vragenden blik aan.
„Van welken Spartaanschen vriend spreekt ge?” vroeg hij eindelijk.
Noch de knaap, noch Telesippe gaf hem antwoord.
Pericles verliet de eetzaal. Telesippe volgde hem.
Op den drempel der binnenvertrekken zeide zij zacht, doch op scherpen toon tot haar man:
„Verbied uwe Milesische boeleerster u hier in uw huis op te zoeken, opdat zij ook niet de knapen moge verleiden. Geef haar uw hart, aan die boeleerster, o Pericles, als gij wilt; maar uw huis, uw haard zal zij niet ontwijden. Volg haar, waarheen gij wilt; hier echter in dit huis, aan dezen haard, handhaaf ik mijn recht. Hier ben ik meesteres, ik alleen.”
Diep werd Pericles getroffen door den toon dezer woorden. Het was niet de stem van een gekrenkt vrouwenhart, het was de beleedigde koele trots van de meesteres van het huis, de wettige gade.
Koel beantwoordde hij den koelen blik van den spreekster en zeide kalm:
„Het zij zooals gij zegt, Telesippe!”
Denzelfden dag nog kwam er een vreemde slaaf tot Pericles met eene schriftelijke boodschap.
Pericles opende het briefje en las de volgende regels van Aspasia’s hand:
„Ik heb het huis van Hipponicus verlaten. Veel heb ik u te vertellen. Bezoek mij, als ge kunt, in het huis van de Milesische Agariste.”
Pericles antwoordde als volgt:
„Kom morgen op het buitengoed van den dichter Sophocles aan den Cephissus-oever. Daar zult gij mij vinden. Kom verkleed of laat u in uw gewone gewaad in een draagstoel daarheen brengen.”
VI.
IN HET CEPHISSUS-DAL.
Wanneer men in zuidelijke richting de oude stad Athene verliet en een weinig links zich wendende den buiten-Ceramicus doorliep en onder de tuinen en de lanen met platanen beplant van de Academie [154] zijn weg vervolgde, dan nog een eind weegs zuidelijk langs een zonnig pad aflegde, bereikte men het bekoorlijke, liefelijk omschaduwde Cephissus-dal.
Zoodra men dit dal binnentrad, vertoonde zich aan den linker kant een ruischend, weelderig groen olijvenbosch. Het strekte zich als een groene wal langs den weg uit. Forsch wond daartusschen de kuischboom zijne takken, welks blauwe bloesem aangenaam tegen het zachte groen der smalle bladeren afstak. Klimopranken hingen van de takken neer; ook taxusboomen groeiden langs de helling en bedekten haar zoo, dat men niets dan een groen tapijt zag.
Aan den anderen kant van den weg, ter rechterzijde klaterden de kristalheldere beekjes van den Cephissus, uit het dal over schitterend witte kiezelsteentjes den wandelaar te gemoet vlietend, hier en daar in de rozen- en laurierboschjes zich verschuilend.
Aan gene zijde van den Cephissus zag men op geen grooten afstand den niet minder liefelijk omgroeiden, door sagen en zangen beroemden heuvel Colonos.
Ging men, als men het dal betreden had, een kort eind tusschen het olijvenbosch en het stroomend water, dan zag men aan genen oever van den Cephissus op grasrijken, zacht glooienden bodem eene bekoorlijke landhoeve in de stralen der zon schitteren, door enkele overoude, hoog gekruinde cypressen, platanen en pijnboomen omgeven en een tuin, die bijna tot aan den Cephissus reikte. Maar niet alleen aan deze zijde strekte zich die tuin tot aan den oever van den Cephissus uit, deze toch zijn loop uit het diepst van het dal naar den ingang vervolgende, maakte eene kromming ter rechter zijde en besproeide dan ook de velden, waarin de vrucht- en bloemtuinen, rondom het landgoed, aan dien kant uitliepen. Daar verhief zich de bodem aan den tuin iets meer glooiend, en de beek vlood zacht kabbelend tusschen heestergewassen door, waarin de stralen der zon flikkerden en de nachtegalen kweelden.
In het midden van de groote ruimte tusschen dezen glooienden Cephissus-oever en het woonhuis stond een tuinhuisje, door rozen omgeven. Aan de uiteinden van den tuin verschaften laurier, myrthen- en rozenboschjes, met hun dicht gebladerte, eene schaduwrijke plaats. Ook de donkerroode bloesem van den granaatboom ontbrak niet. Dubbele rijen van olijven-, vijgen- en andere vruchtboomen, van het eene priëel naar het andere voerende, omzoomden dezen tuin.
Waar de grond naar den Colonos-heuvel zacht glooide, daar hingen de donkere druiventrossen, in de warme stralen der zon. De landelijke woning zelve was door wijnranken omslingerd, ja zelfs om de boomen wonden zij zich in weelderige volheid en kracht. Met hen wedijverde woekerend het klimop, welks groote, zwarte trossen van muren en boomstammen neerhingen en welks weelderig gebladerte zich voortslingerend, zelfs het bedauwde weiland omzoomde.
Tusschen de bloeiende perken waren kleine bloembedden aangelegd. Weinig was er overgebleven van de schoon getroste narcissen, van den geurigen crocus, de leliën, irissen en viooltjes wegens het ver gevorderde jaargetijde, en de liefde der Atheners tot het vlechten van kransen, maar talloos bloeide alom de rozen, door viooltjes omzoomd, in purperen bedden langs den grond zich uitstrekkende, of op hooge heesters prijkend, nooit door ruwe winden geteisterd en iederen morgen verfrischt door den reinsten hemeldauw.
Gemakkelijk schijnt het van de voorwerpen, die hier te zien waren, de namen en het uiterlijk in woorden weder te geven; onmogelijk echter is het den blijmoedigen en gelukkigen vrede te schilderen, die over dit weelderig groene dal, door wouden omzoomd, door de wateren van den Cephissus besproeid, door nachtegalen bezocht, verspreid lag. Men was zoo nabij de woelige stad en toch gevoelde men zich ver van de drukke wereld. Het was, alsof de landelijke God Pan uit die schaduwrijke boschjes te voorschijn moest treden of eene Najade [155] uit de wateren van den Cephissus onder het schitterend loof zou opstijgen. Verder in de geheimzinnige diepten van het woud stoeiden zeker Satyrs met bokspooten en kon men het gelach van schoone, bevallige Hamadryaden [156] hooren, die rustten op het groene loof. Soms ging er eene ritseling door de kruinen der boomen, die in het zuiverste blauw van den Griekschen hemel trilden, als eene aangename koelte, die daar ruiste voor den tred van den God der vreugde, Dionysus.
Maar ook de zang van de gezellen van Apollo, de vriendelijke Muzen, was niet vreemd aan dit heerlijk oord. Hier woonde toch de lieveling der Muzen, de groote dichter Sophocles. Dit was zijne geboorteplaats, die hij op de hoogte van de Acropolis geprezen had en aan Pericles en Aspasia uit de verte had getoond. Hier was hij geboren en hier leefde hij. Onder de witte zerken, met klimop begroeid, die hier en daar uit het groen van den tuin en der boschjes uitstaken, sliepen zijne vaderen den eeuwigen slaap.
Juist zat hij in een rozenpriëel, terwijl de aangename morgenlucht hem verkwikte, en had het wastafeltje op zijne knieën liggen, op welker oppervlakte hij van tijd tot tijd met eene scherpe stift eenige verzen griffelde; zeer dikwijls echter wischte hij het geschrevene met het stompe eind der stift weder uit, wanneer de eerste ingeving zijner Muze hem niet ten volle bevredigde.
Terwijl hij een blik wierp op den weg in het dal, zag hij een statig man met lichten en vluggen tred door het dal aankomen.
„Wie is die vroege wandelaar,” dacht hij bij zich zelf, „die daar schier gevleugeld als Hermes, de bode der Goden, nadert?”
Weldra was de wandelaar naderbij gekomen en de dichter herkende den liefsten zijner vrienden. Verheugd ging hij hem te gemoet tot aan den ingang van den tuin.
Pericles schudde hem de hand. „Ik voldoe aan uwe uitnoodiging,” zeide hij, „ik ben heden uw gast en heb het woelig en drukke stadsleven en alle staatsaangelegenheden ontvloden. Ook de citherspeler uit Milete—gij herinnert u dien ongetwijfeld—zal den dag met ons komen doorbrengen, als gij het goedvindt. Ik heb veel met hem te bespreken en weet geene plaats, waar ik het zoo ongestoord zou kunnen doen.”
„Zal de schoone citherspeler uit Milete ook komen?” riep Sophocles verheugd uit. „Dacht ik het niet dat u iets heerlijks bezielde, toen ik u zoo vurig en opgewekt zag naderen. Daar was niet veel te zien van de rustige waardigheid van den redenaar op de Pnyx; ik herkende u ternauwernood, zoo schuddet ge het hoofd en de schouders heen en weder en deed mij denken aan dat edele krijgsros, waarvan Homerus zegt, dat het den halster in zijn stal heeft losgerukt en met fieren kop en vliegende manen naar buiten naar de weide rent...” [157]
„Stil,” zeide Pericles en lei zijne hand op den mond zijns vriends. „Het waren de geurige luchten van het Cephissus-dal, die zoo bezielend in de morgenkoelte op mij werkten.”
„Waarom ook niet het verlangen, om de schoone Milesische te zien?” zeide Sophocles, „is zij niet de bekoorlijkste aller vrouwen?”
„Zij is teeder als eene Lydische, waardig als eene Atheensche, sterk als eene Laconische,” hernam Pericles.
„Gij behoeft Ion zijne blonde, lelieblanke Chrysilla niet meer te benijden,” merkte Sophocles op met een schalkschen lach.
„Spreek niet van Chrysilla,” zeide Pericles. „Aspasia is onvergelijkelijk. Moeilijk is het te zeggen of zij meer van een Muze dan van eene Charis heeft.”
„Wellicht is zij voor u eene Parce [158],” zeide Sophocles, „zij kan u goeds en kwaads in uwe levensdraden spinnen.”
„Waarom ook niet Lamia [159] en Empusa?” riep Pericles uit. „En al ware het zoo—wij hebben bloed genoeg in de aderen en een zwaard aan onze zijde, om het evenals held Odysseus, tegenover ieder Circe [160] te rechter tijd uit de schede te kunnen trekken.”—
„Ik kom tot u als een moede, opgejaagde vervolgde,” ging Pericles voort, terwijl hij zich het zweet van het verhitte voorhoofd wischte, „ik heb mij aan de tallooze zorgen en bemoeiingen mijner veelvuldige ambten en waardigheden onttrokken, om een dag aan de schoone Muze en haar liefste pleegkind, de liefde, te wijden.”—
„Daar doet gij wèl aan,” hernam Sophocles, „wanneer gij de rust zoekt, om te beminnen. Op den heeten zomerdag moet men òf niet beminnen òf niets anders doen dan beminnen.”
„Ik geloof, dat gij zelf met deze uitspraak in strijd handelt,” merkte Pericles op; „die wastafeltjes daar in uwe hand bewijzen, dat gij ijverig vers aan vers rijgt. Dat verhindert u echter niet, naar men vertelt, uwe schoone Ephesische vriendin Philaenion in die stille myrthen- en rozengaarden te herbergen.”—
„Is poëzie arbeid?” vroeg Sophocles; „dat wist ik niet. Wanneer het heete voorhoofd den dichter maakt, dan is wel de poëzie een welluidend uitademen van al het schoone licht en al het goddelijk vuur, dat men met zijn aardsche zinnen uit den hemelschen aether inzuigt. Licht gaat over in geluid. En zoo zou ik ook de liefde op een zomerdag niet gaarne willen missen, want daar is zij het vurigst en het zoetst en het goddelijkst. De eene gloed stroomt in den anderen; door het vuur van Apollo ontgloeid, zoekt gij verfrissching in den zaligen adem der liefde en keert gij met eene bevredigde, harmonisch gestemde ziel tot de Muze terug. Ten laatste verwisselen Eros en de Muze van rollen; de Muze wakkert den liefdegloed aan en de oogen of boezem van de geliefde overstelpen u met dichterlijke gedachten.”
„Zoo moede is men, geloof ik, nooit,” hernam Pericles, „dat de liefde geen verkwikking zou zijn. Wij allen, die door den drang om te werken en te scheppen gedreven worden, weten dat.”
Zoo onderhielden zich de vurige mannen, beiden in den rijpen bloei hunner jaren.
Thans hield eene draagbaar voor het huis van Sophocles stil.
Daaruit steeg Aspasia. Zij was in vrouwengewaad.
Sophocles begroette haar en geleidde haar naar Pericles, in de lommerrijke, geurige boschjes.
Voor onbescheiden blikken beveiligd, sloeg zij den sluier op, liet het himation, dat over haar hoofd geslagen was, van hoofd en schouders glijden en stond daar in een bonten chiton, met sierlijke randen, het krullend, rosbruine haar in golvende lijnen langs de slapen en op het hoofd, als eenig sieraad een breeden, purperen haarband die van de kruin naar achteren rondom haar prachtige lokken gewoeld was. In de hand droeg zij een kleinen, bevalligen zonnescherm en in den gordel, die haar gewaad midden om haar lichaam omsloot, stak een niet minder bekoorlijke, bladvormige, bont beschilderde waaier.
Sophocles zag Aspasia voor het eerst in vrouwengewaad. Een kreet van verwondering ontvoer hem. De Milesische was in de idylle van het Cephissus-dal schier als een verblindend wonder neergedaald. Hare verschijning stak af bij deze landelijke stilte. Een bedwelmende droom bracht zij met zich van schoonheid en jeugd, die alle heerlijke geuren van haag en bloemen verre overtrof.
Sophocles voerde de schoone met haar vriend door dichte en lommerrijke lanen en zeide:
„Moogt gij behagen vinden, Aspasia, in hetgeen de natuur voor dit oord heeft gedaan. Weinig reden zult gij hebben om de kunst der Atheners in het aanleggen van tuinen te bewonderen. Ik weet zeer goed, dat gij Aziatische Grieken dat veel beter verstaat: bekoorlijke lusttuinen aan te leggen, met doolhoven, hermitages en grotten, kunt gij voortreffelijk. Gij hebt immers daar de uitgestrekte, grootsch aangelegde paradijzen van den Pers tot voorbeeld. Wij Atheners, gelooven, dat de schoone natuur, evenals eene schoone vrouw, ook zonder opschik schoon is.”
„Laat Aspasia slechts een korten tijd in deze oorden wandelen,” zeide Pericles, „en gij zult weldra met de onopgeschikte natuur niet meer tevreden zijn. Zij zal u weldra met uw tuin betooveren en veranderen. Dat is zoo hare manier. Waar zij gaat, daar ontspruiten bloemen onder hare voeten. Ongemerkt weet zij iemand te ontvonken en wanneer zij zich een paar woorden over uw tuin laat ontvallen, zult gij geen rust meer hebben, voor gij hem tot iets gemaakt hebt, dat zich kan meten met den lusthof der Hesperiden [161] of met den tuin van Phoebus aan de uiterste einden der zee, of met den Cyrenaeïschen hof van Zeus en Aphrodite, of den tuin van Midas met haar honderdbladige rozen of ten minste met den lusthof van een Homerischen Alcinoös, den vorst der Phaeken op het eiland Scheria.”
„Wel weet ik,” hernam Sophocles, „dat dit vrouwelijk wezen onrust zaait in de gemoederen der menschen. Heb medelijden, o schoone toovenares, en laat mij en mijn tuin onveranderd! Ik was tot nu toe hier zoo tevreden en gelukkig. Wanneer Phoebus aan het hemelgewelf schitterde dan verheugde ik mij, dat mijne olijven, vijgen en granaatappels door zijne stralen werden gestoofd; regende Zeus, dan dankte ik hem, dat mijne weilanden groen werden. Ik was tevreden, met hetgeen mijn hof mij opleverde; bloemen in de lente, schaduw in den zomer, rijpe vruchten in den herfst, verfrisschende koelte en stilte, door de Muzen zoo geliefd, in den winter. Boven alles echter, Aspasia, bezweer en verander toch niet door een tooverformulier datgene wat mij door de gewoonte het liefst is geworden, en wat voor minnaar en dichter beiden het meest gewenscht is: de vertrouwelijke gezelligheid dezer laurierboschjes, dezer myrthen- en rozenpriëelen.”
„Zou werkelijk,” vroeg Aspasia, „die eenzaamheid, in de laurierboschjes voor den dichter zoo begeerlijk zijn? Moet hij niet veel liever, om tot volle rijpheid te geraken, de stille schaduw verlaten en in het heldere licht der wereld en des levens treden?”
„Men gelooft zoo lang,” hernam Sophocles, „dat het de zon is en niets anders dan de zon, die de wijndruiven doet rijpen, totdat men ontdekt, dat juist de grootste, de weelderigste, de donkerste druiven verborgen hangen onder de schaduw der dichtste bladeren. En al mocht gij in twijfel trekken, dat deze eenzaamheid den dichter nuttig is, zeer zeker zult gij erkennen, dat zij den minnaar welkom is. Hier kunt gij, zoo ge wilt, u dagen lang verlustigen, alleen gestoord door het getjilp der vogels of het murmelen der beken. Geen slaaf betreedt ooit ongeroepen dezen tuin. Wilt ge echter het vertrouwelijkste en door de Muzen en Chariten het meest gezegende plekje leeren kennen, zoo komt met mij mede.”