Part 11
De trekken van Elpinice vertoonden ditmaal een buitengewonen ernst. Zij was opgewonden, hare bewegingen haastig en gejaagd, hare oogen rolden heen en weder en hare lippen trilden als van ongeduld om iets te zeggen, om zich van een gewichtig geheim te ontlasten.
„Telesippe,” zeide zij, „verwijder alle getuigen of begeef u met mij in een uwer binnenvertrekken.”
De gade van Pericles was het niet vreemd hare vriendin in zulk een opgewonden toestand bij zich te zien binnenstuiven. Zij had toch veel verkeering en vormde, om zoo te zeggen, het middelpunt van de vrouwenpraatjes in de stad. Ze wist veel en hare nieuwtjes brachten groote opschudding in menig vrouwenvertrek. Toen zij beiden in een binnenvertrek alleen waren, zonder gestoord te kunnen worden, begon de zuster van Cimon op een plechtigen toon:
„Telesippe, wat denkt ge van de trouw van uw echtgenoot?”
Telesippe wist op ’t oogenblik niet wat zij zeggen zou.
„Wat denkt ge van de genegenheid van uw man voor ons geslacht in het algemeen?” vervolgde Elpinice.
„Ach,” antwoordde zij: „zijn hoofd is zoo overvol van staatszaken...”
„Dat hij aan vrouwen in het geheel niet meer denkt, meent ge?” viel de zuster van Cimon in en vertrok haar mond tot een medelijdend, spottenden glimlach. „Natuurlijk!” ging zij vorschend voort, „gij moet het vóór allen weten, als zijne echte gade en wettige bedgenoote.”
„Ja zeker,” hernam de vrouw van Pericles argeloos.
Elpinice greep hare hand, glimlachte nog eens medelijdend en zeide toen:
„Telesippe, is het gedrag en karakter van uw man u dan onbekend? Denk toch eens even na. Herinner u de schoone Chrysilla—de geliefde van den treurspeldichter Ion, aan wie uw man, zooals iedereen weet, een geruimen tijd het hof heeft gemaakt.”
„Maar dat is nu al lang geleden,” antwoordde Telesippe.
„Wel mogelijk, maar is in den laatsten tijd nooit een vermoeden bij u opgekomen? Heeft niets in het gedrag van uw man u bijzonder getroffen? Niets uwe ziel met booze voorgevoelens vervuld?”
Zij bezon zich een oogenblik en schudde ontkennend het hoofd.
„Arme vriendin!” riep Elpinice uit. „Zoo treft u de slag dan onvoorbereid en verneemt ge alles op eens.”
„Spreek,” zeide de vrouw van Pericles.
„Is de naam van Aspasia nog niet tot uwe ooren doorgedrongen?” vroeg Elpinice.
„Die naam is mij niet bekend,” antwoordde zij.
„Nu, hoor dan,” zeide de zuster van Cimon. „Aspasia is de naam van eene jonge Milesische vrouw, die, de Goden mogen weten na welke zwerftochten en avonturen, te Megara aangeland en van daar door uw voormaligen echtgenoot Hipponicus naar Athene is gebracht. Ik denk, dat het u niet ten eenenmale onbekend is van welk soort en van welke waarde zij zijn, die Milesische vrouwen, de Ionische over ’t algemeen, die vrouwen van de overzeesche kusten? Het zijn Bacchanten [148], die zich over Griekenland verspreiden en met brandende fakkels de harten der mannen in vuur en vlam zetten. Aspasia is van al deze Bacchanten de gevaarlijkste, de doortraptste, de sluwste, de vermetelste! ... In de strikken van deze vrouw is uw man gevallen!”
„Wat zegt ge?” riep de vrouw van Pericles getroffen uit. „Waar ontmoet hij die vreemde vrouw dan?”
„In het huis van Hipponicus,” hernam Elpinice. „Want zij woont in het huis van Hipponicus. Daar hebben die hetaeren hare samenkomsten. Daar worden orgiën [149] gevierd, orgiën, Telesippe—het is verschrikkelijk wat er gefluisterd wordt van de orgiën in het huis van Hipponicus! En uw echtgenoot te midden daarvan!—Maar dat is nog niet het ergste. Let wel, hij verkwist zijn bezittingen met die Milesische boeleerster! Hij vereert haar slaven, huisraad, tapijten, duiven, sprekende spreeuwen en alles wat ge maar denken kunt! Sedert gisteren is dat alles in de geheele stad bekend! Tot heden geschiedde alles zoo geheim mogelijk. Nu verbreidt het zich in de stad als een loopend vuurtje, want gisteren heeft Pericles de kroon op zijn schandelijk werk gezet. Gisteren heeft hij bij Pyrilampes een vreemden vogel, een pauw, gekocht voor de Milesische Aspasia! De geheele wereld spreekt heden van dien pauw. En van morgen is de vogel door een slaaf van Pyrilampes naar het huis van Hipponicus gebracht. Ik zelf heb onder weg menschen gesproken, die den slaaf den pauw op de armen hadden zien dragen. Maar denk eens! Diezelfde lieden vertelden mij, dat Hipponicus den pauw niet heeft aangenomen, omdat de Milesische niet meer bij hem woont! Vat ge, hoe dat samenhangt? Zij is van Hipponicus weggegaan naar een ander huis. En wie heeft dat andere huis voor haar gekocht of gehuurd? Uw man Pericles!—Wat staart ge me zoo peinzend aan?”
„Ik denk na,” zeide Telesippe, „over dien vreemden vogel, waarvan ge mij vertelt. Weinige oogenblikken, voordat gij kwaamt, is een vreemde vogel door een slaaf hier aan huis gebracht, met de boodschap, dat Pericles hem gekocht had.”
„Waar is de vogel?” riep Elpinice. Telesippe bracht hare vriendin naar den hoenderhof, waar de jonge pauw jammerlijk op den grond lag te spartelen; want men had hem de pooten nog niet losgemaakt.
„Dat is de pauw!” zeide Elpinice; „juist zoo heb ik de pauwen van Pyrilampes hooren beschrijven. De zaak is zonneklaar. De pauw is ten huize van Hipponicus niet aangenomen geworden; de slaaf wilde of konde de Milesische zelve niet verder zoeken en bracht den vogel gemakshalve naar den kooper. Dat is eene beschikking der Goden, Telesippe. Breng toch Hera een offer, de beschermgodin en wreekster van den huwelijksband!”
„Rampzalige vogel!” riep Telesippe en wierp een toornigen blik op het dier, „ge zult niet te vergeefs in mijne handen gevallen zijn!”
„Slacht hem!” riep de zuster van Cimon, „slacht hem en braad hem op het vuur en bereid uw trouweloozen echtgenoot daarmede een Thyestes-maal [150]!”
„Dat zal ik,” hernam Telesippe, „en Pericles kan er mij geen verwijt van maken. Om een vogel als deze vrij rond te laten loopen, daar is onze hoenderhof veel te klein voor. Wanneer hij hem dus gekocht heeft, zoo mag ik vooronderstellen dat hij geplukt en gebraden en opgegeten moet worden. Pericles moet daar het zwijgen toe doen. Hij kan tegen deze verontschuldiging niets inbrengen. Hij moet zwijgen en in stilte bersten van spijt, wanneer ik hem den gebraden vogel voorzet. En eerst als hij de vervloekte spijs mokkend genuttigd heeft, zal ik mijn mond open doen, om hem zijne openbare schande geducht voor de voeten te werpen.”
„Daar doet ge wel aan,” zeide Elpinice en wreef zich lachend de handen. „Ziet ge nu wel,” ging zij voort, „van welken aard de staatsbezigheden zijn, die uw gemaal van zijne rechtmatige, wettige bedgenoote vervreemden?”
„Zijne vrienden zijn het, die hem in het verderf hebben gestort,” zeide Telesippe. „Zijn hart is toch licht ontvlambaar en open voor iederen indruk. De omgang met godloochenaars heeft hem goddeloos gemaakt. Ja, hij is goddeloos geworden, den huiselijken eeredienst verricht hij met een lauw gemoed en doet of duldt vele van deze dingen om mijnentwil. Gij herinnert u, hoe hij kort geleden aan de koorts ziek lag. Gij riedt mij een amulet om zijn hals te hangen, een ring met ingesneden magische teekens of een stuk perkament met wonderkrachtige spreuken beschreven, in leer genaaid. Ik zorgde voor zulk een amulet en hing het den zieke om den hals. Hij lag in een lichten sluimer en lette er niet op. Weldra echter kwam een zijner vrienden hem een bezoek brengen. Toen deze het amulet op de borst van Pericles zag, nam hij het weg en wierp het ter zijde. Pericles ontwaakte uit zijn sluimer; toen zeide zijn vriend tot hem, zooals mij een slaaf verhaalde, die juist in het vertrek was: „De vrouwen hebben u een amulet om den hals gehangen; ik ben een verlicht man en heb het ding weggenomen!”—„Het is goed,” hernam Pericles, „maar ik zou u voor een nog verlichter man gehouden hebben, wanneer gij het hadt laten hangen.”
„Dat was zeker een van die nieuwerwetsche beeldhouwers,” zeide Elpinice. „Ik heb nooit veel van Pericles gehouden—hoe had ik ook met den tegenstander van mijn voortreffelijken en onvergelijkelijken broeder op kunnen hebben? Maar hij is mij bijna gehaat geworden, sedert hij geheel en al een speel- en werktuig in de handen van Phidias, Ictinus, Callicrates en al die menschen geworden is, die nu met hun eerzuchtig streven zoo veel alarm maken en die iedere ware verdienste op den achtergrond dringen. Weet ge wel, dat, terwijl al deze mannen met beitel en troffel zich op de Acropolis zoo druk maken, de edele Polygnotus, de voortreffelijke meester, dien mijn broeder Cimon zoo hoog schatte, ledig moet loopen?”
Elpinice gaf nog eenigen tijd lucht aan hare klachten, doch stond ten laatste op, om te gaan. Telesippe deed haar uitgeleide tot aan het Peristylium. Daar onderhielden de beide vrouwen, naar de gewoonte dier kunne, die bij het afscheid nemen moeilijk het laatste woord kan vinden, zich nog een geruimen tijd bij de deur over het groote nieuws van den dag.
Plotseling ging de voordeur open en een jongeling trad het huis binnen.
De jonkman was van eene in ’t oog loopende schoonheid.
De beide vrouwen hadden zich bij het gezicht van een vreemden man, volgens de strenge Attische zeden, moeten verwijderen. Maar zij waren als aan den grond genageld.
En was het dan wel een man, was het niet een baardelooze jongeling, dien zij zagen?
Ook had deze, vóór Telesippe goed kon nadenken, zich even bescheiden als innemend tot haar gewend met de vraag, of Pericles thuis was en het hem gelegen kwam het bezoek van een vreemdeling te ontvangen.
„Mijn man is uit,” antwoordde Telesippe.
„Heb ik het genoegen zijne echtgenoote, de vrouw des huizes, te mogen zien?” zeide de jongeling. „Ik ben,” vervolgde hij, de harde namen met opzet nog scherper uitsprekende, „Pasicompsus, de zoon van Execestides uit—,” hij durfde niet zeggen, uit Milete, want een enkele oogopslag op de beide vrouwen, in wier handen hij gevallen was, deed hem gevoelen, dat hij met het noemen van het lichtzinnige Milete hier geen bijzonder gunstigen indruk zou maken. Den minsten argwaan wekte hij zeker, wanneer hij voorgaf uit het strenge, zedige Sparta te komen.
„Ik ben,” zeide hij derhalve, „Pasicompsus, de zoon van Execestides uit Sparta. Mijn grootvader Astramphychus was met den vader van Pericles door banden van gastvriendschap verbonden.
Toen Elpinice, de vriendin der Spartanen, hoorde dat de jongeling uit Sparta kwam, was zij in de wolken.
„Welkom, vreemdeling,” zeide ze, „wanneer gij uit het land, der goede, oude zeden komt. Wie is toch uwe moeder geweest, dat gij, een telg van het ruwe Sparta, zoo schoon gelokt en van eene zoo ranke en slanke gestalte zijt?”
„Ik sloeg uit den aard,” hernam de jongeling. „Men heeft mij ginds te Sparta steeds voor eene vrouw gehouden. En toch heb ik nooit voor iemand gebeefd, die met mij wilde vechten. Ik heb menigeen voor mij in het stof doen bijten. Maar dat hielp niet. Zij hielden mij toch steeds voor eene vrouw. Daar kreeg ik genoeg van, en, om de spotters te ontwijken, besloot ik in den vreemde te gaan en niet eerder naar het ruwe Sparta terug te keeren, voordat ik een baard en een knevel zou gekregen hebben. Vooreerst denk ik mij hier te Athene aan de schoone kunsten, die hier bloeien, te wijden.”
„Ik zal u bij den voortreffelijken meester Polygnotus aanbevelen,” zeide Elpinice. „Ik hoop toch, dat gij een schilder zijt en niet een van die steenhouwers, welke hier te lande zoo talrijk en overmoedig zijn.”
„Zeker heb ik nooit geleerd steenen te houwen,” hernam de jongeling; „maar van het kleurenmengen geloof ik iets te verstaan, zoo goed als iemand van ons geslacht; hoewel ik die kunst niet behoef uit te oefenen, om mijn kost te winnen, want ik leef, den Goden zij dank, van mijne eigen middelen—”
„En hoe bevalt u Athene?” ging Elpinice voort, „en hoe bevallen u zijne bewoners?”
„Zij zouden mij best bevallen,” zeide de jongeling, „wanneer zij allen zoo eerwaardig en beminnelijk waren, als die, welke de goden mij zoo spoedig na mijne aankomst in dit huis deden ontmoeten.”
„Jongeling!” riep Elpinice verrukt uit, „gij doet uw land eer aan! Ach, dat onze Atheensche jeugd ook zoo wellevend en bescheiden was! O, gelukkig Sparta! Gelukkige Spartaansche moeders en vrouwen en maagden!”
„Is het waar,” vroeg nu Telesippe, „dat de Spartaansche vrouwen de schoonste van geheel Hellas zijn? Dat heb ik dikwijls hooren verzekeren.”
De jonge man scheen door deze vraag onaangenaam gestemd te worden. Zijne neusvleugels bewogen zich licht, en zijne lippen trilden een weinig, toen hij minachtend zeide:
„Wanneer forsche gestalte hetzelfde is als vrouwelijke schoonheid, dan zijn de Spartaansche vrouwen de schoonste.—Maar wanneer fijnheid en adel van vormen beslist,” voegde hij er na eene kleine pauze bij, terwijl hij met een innemend lachje zijn blik over de gestalte en het gelaat van Elpinice liet weiden, „dan is het billijk den prijs der schoonheid aan de Atheensche vrouwen toe te kennen.”
„Jongeling uit Sparta,” zeide Elpinice, „gij spreekt als de meester Polygnotus sprak, toen hij met mijn broeder Cimon van Thasos hierheen kwam; en mij verzocht of hij voor de schoonste dochter van Priamus op de schilderij, waarmede hij de bonte galerij wilde versieren, mijne trekken mocht bezigen. Ik zat vijftien dagen voor hem in de bonte galerij, en hij schilderde mij trek voor trek.”
„Zijt gij Elpinice, de zuster van Cimon?” riep de jonge man uit met levendige gebaren van verbazing. „Wees gegroet! Van u en uw broeder Cimon, den vriend der Laconiërs, vertelde mij telkens mijn grootvader Astramphychus te Sparta, toen ik nog als een knaap op zijne knie speelde. En juist, zooals hij u schilderde, staat gij nu voor mij! En thans herinner ik mij de schoonste van Priamus’ dochteren op de schilderij van Polygnotus. Gisteren heb ik ze gezien, toen ik door de bonte galerij ging, en ik weet niet of ik meer de schilderij van Polygnotus moet geluk wenschen, dat zij zoo op u gelijkt, dan u, dat gij zoo gelijkt op de afbeelding van Priamus’ dochter!”
De zuster van Cimon stond daar, met opgerichten hoofde, in al hare waardigheid. Doch een traan welde op in haar oog en zij moest hem wegpinken. Haar hart was ontroerd. Zooals deze jonge Spartaan tot haar sprak, had in geen dertig jaren een jongeling uit haar eigen vaderland tot haar gesproken. Zij had geheel Sparta, zij had alle Spartanen willen omhelzen en zij mocht niet eens dezen eenen, die voor haar stond, naar den drang haars harten, in de armen sluiten! Maar zij beloonde hem met een teederen blik.
„Amycle,” zeide de echtgenoote van Pericles, tot eene vrouw, die om eenige huiselijke bezigheid in het peristylium kwam, „hier kunt ge een landsman begroeten: deze jonge man komt uit Sparta.”
Daarop wendde zij zich tot den jongeling met deze woorden: „Deze vrouw was de min van den kleinen Alcibiades, dien mijn echtgenoot als bloedverwant en vaderloozen zoon van Clinias, in huis heeft genomen. De gezonde en krachtige Laconische vrouwen zijn als voedsters overal gezocht. Wij hebben Amycle lief gekregen en thans dient zij bij ons als huishoudster.”
De jonge man beantwoordde den korten groet, waarmede de ruwe, roodwangige vrouw in den breeden tongval van haar land hem begroette, met een spottend lachje, terwijl de min van haar kant met blikken van twijfel en argwaan de fijne weekelijke, ja, bijna weelderige vormen van haar zoogenaamden landsman beschouwde.
„Zulke forsche, krachtige gestalten,” zeide Telesippe, de huishoudster, die zich verwijderde, nastarende, „worden uwe Laconische vrouwen.”
„Hadden zij niet den vollen boezem,” zeide de jongeling, „dan zou men ze voor zakkendragers houden. Nu kunt ge, in zooverre het geoorloofd is van de minnen op de jonge meisjes te besluiten, de Spartaansche meisjes u voorstellen, die loopen, worstelen, springen, zich in het werpen met den discus [151] en de speer oefenen en met de jongelingen zich in den wedloop meten. Zij zijn forsch en stout en dragen haar rokje kort, ter nauwernood tot aan de knie en dan nog met een split.”
Zonder door de vrouwen bemerkt te worden, was Alcibiades het Peristylium binnen geslopen, had den vreemden, schoonen jongeling nauwkeurig aangekeken en zijne laatste woorden opgevangen.
„Maar hoe worden de Spartaansche jongens opvoed?” vroeg hij; terwijl hij plotseling achter eene zuil te voorschijn kwam en met zijne prachtige donkere oogen den vreemdeling strak aankeek.
Deze was verrast door de plotselinge verschijning van den schoonen knaap.
„Dat is nu de kleine Alcibiades, de zoon van Clinias,” zeide Telesippe.
„Alcibiades,” vervolgde zij, zich tot den knaap wendende, „doe uw opvoeder geen schande aan door onbescheiden te zijn. Het is een Spartaansch jongeling die daar voor u staat.”
De vreemde boog zich neer naar den knaap, om hem een kus op het voorhoofd te geven.
„Zonder schoenen,” zeide hij daarop tot hem, „loopen de jongens in Sparta, zij slapen op stroo of riet, mogen nooit volop eten, worden jaarlijks voor het altaar van Artimis [152] tot op het bloed toe gegeeseld, om gehard te worden tegen pijn, krijgen onderricht in alle soort van gymnastiek, in het gebruik der wapenen, in krijgsdansen en in de kunst van te stelen, zonder betrapt te worden; van den anderen kant behoeven zij de letters niet te leeren en het is hun uitdrukkelijk verboden, zich meer dan eens of twee maal in ’t jaar te baden en te zalven.”
„Bah,” riep de kleine Alcibiades.
„Overigens,” vervolgde de vreemdeling, „zijn zij in klassen verdeeld en de jongeren hebben ouderen tot vrienden, van wie zij allerlei goeds zoeken te leeren, wier goedkeuring zij trachten te verwerven en die zij met hart en ziel zijn toegedaan.”
„Als ik een Spartaansche jongen was en zulk een vriend moest kiezen,” sprak de knaap met fonkelende oogen, „dan zou ik u kiezen.”
De jongeling lachte en boog zich andermaal naar den knaap, om hem een zoen te geven.
Op dat oogenblik vertoonde zich in de trekken van Elpinice, die tot dusverre kalm, dicht nevens den jongen man had gestaan, plotseling eene geweldige ontroering. ’t Was alsof eene huivering hare leden doortrilde. Haastig trok zij Telesippe ter zijde en fluisterde haar zacht in het oor:
„Telesippe, deze jonge man—”
„Welnu?” vroeg zij even zacht.
„O Zeus en Apollo!” zuchtte de zuster van Cimon met gesmoorde stem.
„Wat is er dan toch?” vroeg Telesippe in spanning.
Wederom boog zich Elpinice naar het oor harer vriendin.
„Telesippe,” fluisterde zij, „ik zag straks—”
„Wat zaagt gij?” vroeg Pericles’ vrouw beangst.
„Toen de vreemdeling zich naar den knaap vooroverboog en de boord van den chiton aan zijn borst een weinig openging, toen zag ik”—en weder stokte hare stem van ontroering in de keel.
„Wat hebt ge gezien?” vroeg nogmaals Telesippe.
„Eene vrouw!” bracht Elpinice er met moeite uit.
„Eene vrouw?”
„Ja, eene vrouw!—Het is de Milesische. Zend den jongen weg en laat het overige aan mij over.”
Telesippe beval den knaap naar zijne makkers terug te keeren. Hij wilde echter niet; hij wilde liever bij zijn „vriend” blijven. Telesippe moest Amycle roepen om den weerbarstigen jongen weg te brengen.
Toen dit geschied was, wierp Elpinice haar vriendin een veel beteekenenden blik toe, richtte zich fier en streng op, trad op den vreemdeling toe en keek hem een tijdlang met doordringend oog aan.
De vreemdeling trachtte in het begin den blik van Cimon’s zuster uit te houden.
Maar die blik was haar te doordringend, evenals die van den gerechtsdienaar welke met doorborenden blik den betrapten misdadiger aanstaart. Onwillekeurig poogde zij, harer schuld zich bewust, zich aan dien vreeselijken oogopslag te onttrekken.—Thans eerst nu Elpinice haar met hare oogen had overwonnen, verbrak zij het noodlottig zwijgen en zeide op snijdenden toon:
„Spartaansche jongeling, eet gij gaarne gebraden pauwen? Pericles zal er heden een op zijne tafel hebben. Zoudt gij zijn gast niet willen zijn?”
„Ja,” sprak nu Telesippe en op haar gelaat stond, zoo mogelijk, nog meer verachting en hoon te lezen dan op dat van Elpinice; „Ja, het is een pauw van Pyrilampes! Een pauw, dien Pericles gisteren gekocht heeft. Hij wilde hem aan eene Ionische boeleerster ten geschenke geven, doch nu vindt hij het beter hem gebraden te eten”.
„Knaap,” riep Elpinice van den anderen kant, „is het waar dat uwe landgenooten aan den Eurotas beweren dat gij eene vrouw zijt? Bedenk, dat ook te Athene menschen zijn, die beweren, dat gij geen man zijt, maar—eene hetaere van Milete!”
„Ellendige!” riep nu weder Telesippe, ziedende van toorn, en zich zelve niet meer meester, „is het u niet genoeg, dat gij de mannen buitenshuis in uwe netten lokt? Moet ge zelfs tot in het heiligdom van den huiselijken haard binnendringen? Hebt ge geen ontzag voor de godenbeelden van dit huis, die met gramstorige blikken neerzien op haar, die den heiligen, huiselijken haard verstoort en ontwijdt?—Ga gezalfd en opgesierd voor de deur van uw eigen huis staan en trek de voorbijgangers bij hun gewaad naar binnen!—Hoe? Waagt ge het nog mij aan te zien? Gaat ge nog niet weg?”
„Roep Amycle hier,” zeide Cimon’s zuster tot hare opstuivende vriendin, „om met hare echte Laconische vuisten dezen onechten landgenoot, deze wellustige Milesische hetaere de deur uit te werpen.”
„Vooraf,” riep Telesippe, die, nadat haar kalm karakter eens opgewekt was, al heftiger en heftiger werd, „vooraf zal ik met deze vingers haar de oogen uit het gezicht krabben—en haar dat geleende, valsche gewaad van het lichaam scheuren.”
Op deze wijze tierden en raasden de beide vrouwen, deze links en gene rechts van de verkleede en ontmaskerde Milesische en hare woede ging alle perken te buiten.
Deze echter liet den eersten en heftigsten vloed van smaadwoorden uitvloeden, totdat de razende vrouwen, verbluft over de rustige kalmte van de zwaar beleedigde, een oogenblik verstomden.
Toen echter nam zij het woord en sprak: