Aspasia

Part 10

Chapter 103,887 wordsPublic domain

Zoo sprak de man met het heldere voorhoofd en de klare, bezielde, vriendelijke oogen; hij drukte zijn vriend de hand, boog voor de verkleede Milesische en verwijderde zich langzaam, evenwel niet zonder nog eens om te zien; hij daalde de Acropolis af.

„Verontrust u niet, omdat hij in ons geheim ingewijd is,” zeide Pericles tot Aspasia.

„Ik wilde juist hetzelfde aan u zeggen”, hernam Aspasia glimlachende.

„Hebt gij dan zoo spoedig die edele, dichterlijke ziel doorgrond?” vroeg Pericles.

„Zij is zoo klaar en spiegelhelder tot op den bodem, als de wateren van den Cephissus,” antwoordde Aspasia. „Maar laat ons nu ook de helling afdalen, want ik gevoel mij door den zwoelen zomeravond vermoeid en mijne lippen smachten naar een verfrisschenden dronk”—

„Welaan dan,” zei Pericles, „we gaan slechts eenige schreden rechtsaf buiten dien muur, en we hebben de Pansgrot met hare beroemde wateren vlak voor ons, die onmiddellijk uwe lippen de gewenschte lafenis zal bieden.”

Pericles en Aspasia daalden een aantal trappen, die in de rotsen gehouwen waren, af. Toen bereikten zij de grot en de bron die daarvóór uit den grond ontsprong. Het was de bron Clepsydra, wier wateren soms in den grond verdwenen en dan weer plotseling opborrelden.

Aspasia schepte water met hare holle hand en dronk.

Toen schepte zij andermaal en bood de handvol helder, verfrisschend water met dartele vriendelijkheid Pericles aan. Deze dronk het water glimlachend uit hare holle hand.

„Geen koning der Perzen,” zeide hij, „heeft ooit uit eene zoo kostbare schaal gedronken! Ze is echter zoo klein, dat ik haast vreezen moet, haar met den dronk in te slikken.”

Aspasia lachte en wilde de scherts beantwoorden, doch op hetzelfde oogenblik verschrok ze, want ze bemerkte plotseling een gelaat, dat uit den achtergrond der schemerdonkere grot met een soort van goedaardigen, boerschen glimlach op haar neerzag. Naderbij tredende, bevond zij, dat het een vrij ruw bewerkt beeld van den God Pan [134] was, aan wien de grot was gewijd.

„Vrees niets,” zeide Pericles, „de herdersgod is goedaardig van karakter.”

„Soms ook van een boozen aard,” hernam Aspasia; „de verhalen der herders omtrent hem loopen uiteen.”

„Voor ons Atheners ten minste,” hervatte Pericles, „heeft hij zich bovenmate goed betoond. Den hardlooper Phidippides, die naar Sparta ijlde, om de Spartanen ten spoedigste tot hulp tegen de Perzen op te roepen [135], verscheen de God in het gebergte op de grenzen tusschen Argolis [136] en Arcadië[136], waar hij inheemsch is; het beviel hem, dat de kerel uit vaderlandsliefde zoo ademloos over de Argolische bergen liep en hij kreeg een goeden dunk van de Atheners, over wie hij zich vroeger niet erg had bekommerd. Hij kwam zelf om ons te helpen naar Marathon en wij overwonnen, zooals bekend is, en de dankbare Atheners verzuimden niet, hem na de overwinning dit kleine heiligdom in de grot op de Acropolis op te richten.”

„Pan mag zoo goed zijn als hij wil,” zeide Aspasia, „deze grot is echter te bekoorlijk voor den boeren- en herdersgod.”

„Gij hebt gelijk,” hernam Pericles, „en nog meer dan gij zelve denkt: wanneer het namelijk waar is, wat de oude sage bericht, dat juist deze grot de plaats is geweest van de belangrijkste bruiloft, die er ooit in de Grieksche wereld gevierd is geworden—dat hier in de vertrouwelijke schemering der grot, de God des lichts Apollo, in liefde ontstoken voor de rozenvingerige dochter van Erechtheüs Creüsa, zich met haar verbond en dat de vrucht hunner liefde Ion de vader werd van onzen Ioninischen stam!”

„Hoe?” riep Aspasia geroerd uit, half schertsend, half ernstig, „is dit hier de bakermat van den edelsten stam der Grieken, die ginds bloeit in de landouwen van Attica en op de kusten van mijn geboorteland? En de Atheensche jonkvrouwen tooien de wanden dezer grot niet dag aan dag met kransen van rozen en leliën? En in plaats van den schitterenden God Apollo staat hier grijnzend met zijn breed gezicht de plompe Arcadiër, een vreemdeling uit die vijandige, sombere bergen van de Poloponnesus?”

„Waarom,” antwoordde haar Pericles glimlachende, „waarom vaart gij zoo heftig uit tegen den God der berg- en woudstilte? Ik ken er geen, onder wiens bescherming een verliefd paar vertrouwelijker kan keuvelen, dan onder dien van den God van den idyllischen vrede en der vreugde”—

„Nu,” riep Aspasia, „voor één ding althans, voor de schaduwrijke koelte, die hij hier in de grot mij schenkt, ben ik hem dankbaar.”

Met deze woorden nam zij den Thessalischen hoed van het hoofd en zette dien op het hoofd van den herdersgod. De goudgele, heerlijke lokken golfden van hare schouders af.

„Och, mocht ik toch weldra,” vervolgde zij glimlachend, „het geheele gewaad van den citherspeler aan den eerlijken Pan wijden, evenals dit hoofddeksel! Waarlijk, het wordt mij lastig. Hoe lang moet ik nog onder dezen dwang gebukt gaan? O gij Atheners, wanneer zult gij het der vrouw vergunnen vrouw te zijn! Ge moet toestemmen, Pericles, gij Atheners zijt niet de waardigste zonen van Ion, die in deze grot geboren werd. Gij hebt te veel van het Dorische karakter in u opgenomen. Gij moet het hoofd buigen voor de nazaten der landverhuizers van uw eigen stam, die op de kusten van Azië zich reiner, vrijer en vuriger hebben ontwikkeld”—

„En doen wij dat niet?” zeide Pericles met een veel beteekenenden glimlach zich tot Aspasia buigend, die op een breed, uitstekend, met mos begroeid rotsblok zich had neergezet. „Doen wij dat niet?” herhaalde hij en drukte haar geurig gelokt hoofd tegen zijne borst.

„Pan is luimig,” riep Aspasia. „Hij beloofde mij verkwikking in zijne grot, maar hij schijnt met zijn adem heimelijk de zwoele avondlucht nog drukkender te maken”—

„In der daad,” zeide Pericles, „bijna bedwelmd omgeeft ons de lucht, zwanger van den geur van de thym en wilde rozen.”

Terwijl Pericles en Aspasia zoo praatten, was het blauw des hemels in een gloeiend rood veranderd. De lange Hymettus-keten was geheel gedoopt in den rozenkleurigen gloed. Langzaam was de zon achter Arcadië’s bergen ter kimme gedaald. Over de bergtoppen van den Brilessus flikkerde van tijd tot tijd uit het zwangere zwerk door de zwoele lucht een matte bliksemstraal.

„Aspasia,” riep Pericles, „de boodschap, die gij als Grieksche uit het vroolijke Ionië den Grieken overbrengt, zij weerkaatst, als het weerlicht in die zwangere wolk, zwoel en rijk aan zegen, in mijne ziel en in alle geesten van Attica! Zij zal werkelijkheid worden, deze boodschap: in den engsten kring tusschen u en mij, in den ruimsten van geheel het Atheensche volk! Wij gevoelen allen eene nieuwe kracht, een nieuw vuur in ons en wij zien dat het Helleensche volk streeft naar zijne hoogste ontwikkeling!”

Zoo sprak Pericles en drukte een gloeienden kus op de lippen van Aspasia. Het was dezelfde gloed, het was dezelfde kracht, het was de kiem van dezelfde levensvolheid en levensschoonheid, welke de vuist van den strijder bij Marathon, den beitel van Phidias, de stift van Sophocles, den redenaarsdonder van Pericles op de Pnyx en zijn brandenden kus op de lippen der schoonste Grieksche vrouw bezielde....

Wanneer een vertrouwelijk paar als dit, waarin het menschelijke wezen tot den reinsten, weelderigsten en edelsten bloei is ontwikkeld, in een kus elkander beroeren, dan is dit de hoogste zaligheid van het leven en eene huivering van vreugde doortrilt heimelijk het hart der wereld van de eene pool tot de andere; ook die kus is te vergelijken met dien bliksem van den zwoelen zomeravond boven de toppen van den Brilessus.

Zielen ontmoeten elkander als van vonken zwangere wolken.

Maar de wolken ontlasten zich—de menschelijke ziel voedt den gloed. Dronken was de ziel van Pericles, toen hij met Aspasia de helling van den berg bij het schitterend licht der fonkelende avondster afdaalde. Hij drukte de schoone zacht aan zijne borst, en zeide, met het oog op het door de maan beschenen reusachtige beeld der Godin van Phidias:

„O Pallas Athene, leg den metalen helm af, en vergun den nachtegalen der Cephissus-valleien daarin te nestelen!”

V.

DE PAUWEN VAN PYRILAMPES.

Ten tijde dat de hier verhaalde zaken voorvielen bevonden zich onder de rijke en aanzienlijke burgers van Athene twee mannen, die voor het eerst trachtten, niet slechts, zooals het gewoonte was, door de schitterende diensten aan den staat, maar ook door eene tot hiertoe ongewone huiselijke pracht en weelde elkander te overtreffen.

De een dezer mannen heette Hipponicus, in wiens gastvrije woning Aspasia zich ophield, een man van adellijk geslacht. De andere was Pyrilampes, een parvenu, een rijk geworden wisselaar uit den Piraeus.

Hipponicus leidde den oorsprong van zijn geslacht af van niemand minder dan van Triptolemus [137], den lieveling van Demeter, den stichter der Eleusinische mysteriën, den uitvinder van den ploeg, den beschermer van den akkerbouw en van iedere beschaving. Zonder twijfel had het geslacht van Hipponicus aan zijne afkomst te danken, dat het ambt van Daduchus [138] priester bij de mysteriën van Eulesis, er erfelijk in was.

Ook Hipponicus bekleedde deze waardigheid. Maar de man naar de wereld bekommerde zich daar niet veel om. Slechts eenmaal in den loop van het jaar, ten tijde der groote mysteriën, was hij verplicht zich voor korten tijd naar Eleusis te begeven.

Eene zonderlinge eigenaardigheid juist van dit geslacht was daarin gelegen, dat de stamhouders steeds beurtelings Callias en Hipponicus heetten. Ieder Callias noemde zijn eerstgeborene Hipponicus en ieder Hipponicus den zijne Callias [139].

De lotgevallen van al deze verschillende Calliassen en Hipponicussen waren veelal zeer merkwaardig; bijzonder de wijze, waarop zij aan hunne rijkdommen kwamen.

Aan Hipponicus, dien ten tijde van Solon [140] leefde, en een persoonlijk vriend van dezen wetgever was, werd verweten, dat hij den grond tot de welvaart van zijn geslacht, gelegd had, door misbruik te maken van eene vertrouwelijke mededeeling van dien beroemden man. Ten tijde van Pisistratus had een Hipponicus alleen den moed de goederen van den verdreven tyran op te koopen. Terwijl in de Perzische oorlogen velen verarmden, werd de familie der Calliassen en Hipponicussen steeds rijker. Aan een Hipponicus namelijk had zekere Eretriër [141], Diomnestus genaamd, zijne schatten in bewaring gegeven, welke hij bij den eersten inval der Aziaten op een vijandelijk veldheer buit had gemaakt. Bij den tweeden inval voerden de Perzen, zooals bekend is, alle Eretriërs en onder hen ook Diomnestus, gevankelijk weg, en zijne schatten bleven in het bezit van Hipponicus. Dan weder was het een Callias, dien een Pers bij Marathon, om zijn leven te redden, in ’t geheim naar een plaats voerde, waar zijne landgenooten veel goud hadden begraven. Callias nam de voorzorg, den Pers, nadat hij hem de plaats gewezen had, te dooden, om zoo zeker te zijn, dat hij niets van het geheim aan een ander zou verraden, voordat Callias den tijd had gevonden, den schat geheel weg te nemen en in veilige bewaring te brengen.

Zoo luidden de overleveringen, die getuigenis afleggen voor het in dat geslacht erfelijke talent, zich rijkdommen te verwerven. Zooals van zelf spreekt, geraakten de nakomelingen tot het grootste aanzien in den staat.

Menige Callias en Hipponicus diende zijnen medeburgers als gezant naar den Perzischen koning of anders in gezantschappen over vrede; voor sommigen hunner richtte men van staatswege eene eerezuil op.

Onze Hipponicus nu, de gastheer van Aspasia, deed zijne vaderen eer aan. Hij was goedhartig van karakter en bij het volk zeer bemind. Somwijlen offerde hij aan de Godin Pallas Athene eene volledige Hecatombe [142], onthaalde bij feestelijke gelegenheden het volk naar stammen en geslachten, en bij de groote Dionysia richtte hij voor allen, die komen wilden, in Ceramicus een drinkgelag aan in de open lucht en gaf hun met klimop omkransde zetels er bij, waarop de gasten plaats konden nemen. Toen hij eens naar Corinthe reisde om een vriend te bezoeken en onderweg vernam, dat de man op het punt stond om door zijne schuldeischers gegijzeld te worden, zond hij een bode met het noodige geld vooruit, om den schuldeischer tevreden te stellen, omdat het hem onaangenaam zou geweest zijn, bij zijne aankomst, zijn vriend in eene slechte luim aan te treffen. Zijn huis te Athene onderscheidde zich, zooals gezegd is, zeer van die toenmalige huizen der andere Atheners.

Alleen de rijk geworden geldwisselaar Pyrilampes beproefde het hem te evenaren. Deze had een huis in den Piraeus, dat hij zoo inrichtte, als dat van Hipponicus. Hij zocht overigens zoo veel mogelijk Hipponicus in alles na te doen. Wanneer Hipponicus zich een klein hondje van Melitaeïsche [143] ras, dat beroemd was om zijne bevalligheid, aangeschaft had, dan kocht Pyrilampes een nog kleiner van datzelfde ras. Vermeerderde daarentegen Hipponicus het getal zijner honden met een nieuwen Laconischen, Molossischen [144] of Cretensischen hond, die om zijn grootte door de menschen bewonderd werd, dan rustte Pyrilampes niet, vóór hij een nog grooteren kon machtig worden. Hipponicus had een reus tot portier, en daar nu Pyrilampes geen nog grooter man voor zich kon vinden, plaatste hij aan de poort van zijn huis een aardigen dwerg, ’t geen veel opzien baarde. Hipponicus’ oudste zoontje, die, zooals vanzelf sprak, Callias heette, betoonde weinig lust om de vier en twintig letters van het alphabet te leeren; toen liet Hipponicus de kameraadjes van den kleinen Callias, zijne huisslaven en andere personen uit de omgeving van den jongen, ieder met den naam van een der letters aanduiden. Pyrilampes had eveneens een zoontje, Demus geheeten, en daar deze liever met jonge honden speelde, zoo schafte hij zich vierentwintig hondjes aan en deed ieder een plaatje om den hals, waarop de naam van eene letter van het alphabet geschreven was. Hipponicus was beroemd om zijne paardenfokkerij; daar Pyrilampes hem hierin niet kon overtreffen, zocht hij de paarden van Hipponicus door een aantal zeldzame en merkwaardige apen te overschaduwen. Hipponicus hield altijd veel hanen en kwartels, om ze met elkaar te laten vechten, een schouwspel, waarin de Atheners bijzonder veel vermaak schepten. Meer bepaald echter had hij zich in den laatsten tijd op het kweeken van Siciliaansche duiven toegelegd, die te Athene zeer in den smaak vielen en weldra nergens zoo schoon en voortreffelijk te vinden waren als bij Hipponicus. Deze zegepraal van zijn mededinger hield Pyrilampes den slaap uit de oogen. Hij peinsde zoo lang dat hij de duiven van Hipponicus overtrof. Daar kreeg hij uit Samos [145] een paar van die prachtige vogels, met hun schoonen, honderdoogigen staart, die aan Hera [146] waren gewijd, en destijds te Athene alleen bij name bekend waren. Pyrilampes liet de gevederde vreemdelingen broeien, paste ze zorgvuldig op en weldra stapte een groot aantal dier verbazend schoone dieren pronkend over zijn groot voorhof, ja zelfs op het plat van zijn dak tot verwondering en genoegen der voorbijgangers.

Met deze Samische vogels sloeg Pyrilampes Hipponicus en zijne duiven uit het veld. In grooten getale stroomden de nieuwsgierige Atheners toe, om de pauwen van Pyrilampes te bekijken. Men sprak een tijdlang bijna over niets, dan over de pauwen van Pyrilampes.

De gelukkige mededinger van Hipponicus rustte niet, voordat Pericles hem beloofd had zijne pauwen te komen zien. Pericles ging naar hem toe, vergezeld van Aspasia, die zich ook nu weder als Milesische citherspeler had verkleed.

Wie in die dagen te Athene zijne schoone vriendin een bijzonder aangenaam geschenk wilde vereeren, kocht een van Pyrilampes’ jonge pauwen en schonk haar die.

Aspasia sprak met zoo onverholen ingenomenheid over de prachtige vogels en Pericles meende zoo duidelijk in hare oogen te lezen, welk een sieraad zij zulk een vogel in het peristilium harer woning achtte, dat hij niet nalaten kon Pyrilampes ter zijde te nemen en hem heimelijk last te geven een der jonge pauwen bij de Milesische Aspasia, die in een der zijvleugels van het huis van Hipponicus woonde, te doen bezorgen. Voor zijne vriendin echter hield hij de zaak geheim, om haar door het geschenk te verrassen.

Op den morgen, die op dit bezoek van Pericles en de verkleede Milesische volgde, trad Hipponicus onverwachts het vertrek zijner schoone gast binnen. Hipponicus was een vrij gezet man. Zijn gezicht was rood en eenigszins opgezwollen. Zijne oogen glinsterden goedaardig en om zijn tamelijk dikke lippen zweefde steeds een glimlach. Met dezen glimlach op de lippen, die echter ditmaal, voor zooverre zulks bij Hipponicus mogelijk was, iets spottends had, zeide hij tot Aspasia:

„Schoone vriendin, ik hoor dat het u zeer goed bevalt in de stad der Atheners”—

„Daarvan komt u de verdienste toe,” hernam Aspasia.

„Niet geheel en al,” antwoordde Hipponicus. „Gij hebt in den beginne reeds een aangenaam verkeer gehad met Phidias en zijne kunstenaars en later ook met mijn vriend, den grooten Pericles. Ik hoor, dat gij hem somstijds uit zedigheid onder de vermomming van een citherspeler vergezelt. En wanneer ik goed ingelicht ben, bevallen u de Siciliaansche duiven van Hipponicus niet bijzonder meer, maar gaat gij liever met Pericles naar den Piraeus, om de pauwen van Pyrilampes te bewonderen”—

„Die pauwen zijn prachtig,” zeide Aspasia onbeschroomd, „en gij moet ze zelf eens gaan zien.”

„Ik ben nog onlangs voorbij het huis van Pyrilampes gekomen,” hernam Hipponicus, „en ik heb die dieren hooren schreeuwen. Daar had ik genoeg aan. Nu, ieder zijn smaak; ieder moet zijn genoegen daar zoeken, waar hij het vindt. Een genot, dat men t’huis heeft, verveelt gauw. En, naar ik bemerk, wordt het meer gewaardeerd als men iemand aangenaam onderhoudt, dan dat men hem gastvrijheid verleent.”—

Hipponicus zag bij deze woorden Aspasia scherp aan en hoopte, dat zij iets zeggen zou.

Daar zij echter zweeg, vervolgde hij: „Gij weet, Aspasia, dat ik u te Megara uit onaangename verwikkelingen heb gered; ik heb u hierheen naar Athene gevoerd; ik heb u gastvrij ontvangen. Ik heb veel voor u gedaan. En nu zeg mij, welken dank oogst ik daarvoor in? Verstaat ge mij, Aspasia? Welken dank oogst ik daarvoor in?”

„Wie op zulk eene wijze om dank vraagt,” hernam Aspasia, „die wil betaling, geen dank. Ook gij verlangt betaald te worden, zooals ik zie, voor wat ge mij bewezen hebt. Uwe weldaden hebben, naar het schijnt, een bepaalden prijs. Maar gij hebt verzuimd, Hipponicus, dezen prijs uwer weldaden vooraf te bedingen, en nu maakt gij u driftig, als een vischwijf op de markt, omdat deze prijs den kooper te hoog is!”

„Verdraai de zaken niet, Aspasia,” hernam Hipponicus rood wordende, „gij weet het, ik was de kooper en uwe gunst was het, die ik, voor alles, wat ge begeert wilde koopen”—

„Zoo ben ik de koopwaar?” riep Aspasia uit; „het zij zoo, ik ben koopwaar, als ge wilt en heb een bepaalden prijs”—

„En deze prijs—?” vroeg Hipponicus.

„Zult gij met al uwe schatten nooit kunnen betalen!” wierp Aspasia hem snel tegen.

Hipponicus draaide zich onrustig op zijn stoel.

„Geen praatjes! zeide hij toen en zijne trekken namen weder een goedhartige uitdrukking aan. „Gij zijt niet meer te krijgen! Dat is alles.—Een ander heeft u gekocht. Voor welken prijs—dat is zijne zaak. Daar het de groote Pericles is, ben ik noch op hem noch op u boos. Ik houd van Pericles en gun hem alles goeds; hij heeft mij eens een grooten dienst bewezen, dien ik nooit in mijn leven vergeten zal. Hij heeft mij van eene lastige vrouw, de toen nog schoone, maar twistzieke Telesippe afgeholpen. Mogen de Goden hem er voor beloonen!”

Met dit gezegde, dat hij steeds uitte, wanneer men over Pericles kwam te spreken, stond Hipponicus op en ging heen.

Nadat hij zich verwijderd had, was Aspasia’s eerste gedachte, dat het haar nu niet langer paste de gastvrijheid van Hipponicus te blijven genieten.

Zij riep hare slavin, liet een paar muildieren met hare bezittingen beladen, om die naar een Milesische vriendin te brengen, eene eerwaardige dame, die sedert jaren te Athene woonde. Met Aspasia’s moeder was deze van kindsbeen af bevriend geweest en koesterde zelve eene bijna moederlijke liefde voor hare schoone, jeugdige landgenoote.

Nadat Aspasia Hipponicus haar dank had doen betuigen voor de bewezen gastvrijheid en haar besluit, zijn huis te verlaten, had laten mededeelen, verkleedde zij zich naar hare gewoonte als citherspeler en ging op weg, begeleid door een slaaf, ten einde Pericles in zijn woning op te zoeken.

Tot op dezen dag had zij dien stap nog niet gewaagd, zelfs niet in hare verkleeding. Maar heden brandde zij van ongeduld om onverwijld gelegenheid te zoeken haar vriend te spreken en met hem te overleggen, wat zij nu na hare verwijdering uit het huis van Hipponicus verder zou aanvangen.

Kort nadat Aspasia vertrokken was, werd Hipponicus door een bediende gemeld, dat er een slaaf van Pyrilampes geweest was, die een jongen pauw had gebracht voor de Milesische, die in het bijgebouw woonde.

Hipponicus haatte niets zoo zeer in de wereld als de pauwen van Pyrilampes, en had hij de eerste opwelling van zijn hart gevolgd, dan zou hij den vogel onmiddellijk den hals hebben doen omdraaien, echter stelde hij zich tevreden met gefronste wenkbrauwen te zeggen:

„De Milesische is weg en ik weet niet waarheen zij gegaan is. Breng den pauw naar het huis van Pericles. Deze heeft hem zonder twijfel gekocht.”—

Inmiddels was Aspasia op haar weg naar Pericles op de Agora gekomen.

Terwijl zij met een zekeren haast zich door het gedrang der onbekende menschen spoedde, ontmoette haar plotseling Alcamenes.

De beeldhouwer bleef voor haar staan, zag haar met zijne heldere oogen aan en zeide toen met een spottend lachje: „Waarheen gaat ge, schoone citherspeler? Zeker naar Pericles?—Mogen uwe nieuwe vrienden met hunne aanspraak op u en uwe gunst gelukkiger zijn dan de oude!”

„Wien gaf ik ooit eenig recht op mij?” vroeg Aspasia.

„Onder anderen ook aan mij,” hernam Alcamenes.

„Aan u?” zeide Aspasia. „Ik gaf u wat ge noodig hadt, wat den beeldhouwer onmisbaar was. Niets meer en niets minder.”

„Eene vrouw moet niets of alles geven,” hernam Alcamenes.

„Vergeet dan, dat ik u ooit iets heb gegeven,” riep Aspasia en verdween in het gedrang.

Snel waren deze weinige woorden gewisseld. Alcamenes lachte bitter en sarcastisch. Aspasia vervolgde haar weg met spoed.

In het huis van Pericles was Telesippe dien morgen met een vrome plechtigheid bezig.

Zij hoopte schadeloosstelling voor de nalatigheid, die Pericles, naar zij meende, in het beheer zijner huishouding aan den dag legde, van de gunst van Zeus Ktesios [147] den beschermer van de huiselijke have, die door alle vrome Atheners door huiselijken eeredienst pleegde vereerd te worden. Niemand was beter vertrouwd met de heilige oudvaderlijke gebruiken dan Telesippe. Zij omwond haar voorhoofd en haar rechter schouder met wollen draden, nam toen een nog ongebruikten aarden pot, van deksel voorzien, omwoelde het hengsel met witte wol, deed in den pot een mengsel van allerlei vruchten, met helder water en olie en plaatste dit offer ter eere van den God in de voorraadkamer.

Juist was zij gereed met haar vroom werk, toen zij bemerkte dat de portier een slaaf binnen liet, die een grooten vreemden vogel met langen, prachtigen staart, de pooten samengebonden, op zijn armen droeg.

De slaaf zeide, dat deze vogel voor Pericles was, legde hem neder en ging zijns weegs.

Telesippe verwonderde zich en wist niet recht wat de zaak beteekende.

Zou Pericles dien vogel op de markt gekocht hebben en moest die voor den maaltijd geplukt en gebraden worden?

Maar Pericles placht zich anders zeer weinig met huiselijke aangelegenheden te bemoeien.

Zij besloot de terugkomst van haar echtgenoot af te wachten. Voorloopig liet ze den vogel in den kleinen hoenderhof voor het huis brengen.

Juist trad eene vrouwengestalte, door eene slavin begeleid, de buitendeur binnen, en toen Telesippe haar te gemoet ging, stak uit het himation het welbekende hoofd van hare vriendin Elpinice.