Aspasia

Part 1

Chapter 13,824 wordsPublic domain

ASPASIA

DOOR ROBERT HAMERLING

VOLLEDIGE VERTALING DOOR W. F. P. ENKLAAR

VIERDE GEAUTORISEERDE UITGAVE

MET ILLUSTRATIE’S VAN A. POUSSIN

Uitgave van Gebroeders E. & M. COHEN, AMSTERDAM Heerengracht 326

VOORREDE.

Wanneer deze roman, naar eene vele malen aangehaalde les van onzen tijd, een volk—het oud-helleensche—„bij zijn arbeid opzoekt” en de cosmopolitische arbeid van het Helleensche volk zich uitstrekt tot den werkkring van kunstenaars, dichters en denkers, zal het dan niet schijnen, dat aan deze soort van arbeid en aan de schildering daarvan iets diepzinnigs en wijsgeerigs aankleeft?

Zal de frissche bekoorlijkheid van den indruk niet achterstaan bij die beelden, welke aan de bron van een naïef, oorspronkelijk, werkelijk ontluikend leven zijn ontleend, waaruit de poëzie nog heeft geput? En moet zulk eene poging, evenals op de bekoorlijkheid van dat naïeve en natuurlijke, ook niet schipbreuk lijden op de bekoorlijkheid van het geestige in onzen hedendaagschen zin, van het realistische pikante op de verscheidenheid der tegenwoordige poëzie? Mocht Helleensch leven anders dan met Helleenschen eenvoud voorgesteld worden? Mocht de schrijver naar iets anders trachten dan naar een adem van den Helleenschen geest, van Helleensche bevalligheid en liefelijkheid? Rijzen er bovendien geene bedenkelijke bezwaren, om een leven, dat reeds is ondergegaan te schilderen? Détail-schildering van het hedendaagsche leven wordt als een aantrekkelijk realisme geprezen; die der Oudheid echter zal op velen den indruk van huiveringwekkende geleerdheid maken. Inderdaad, wie dit werk slechts vluchtig doorbladert, en opmerkt dat de afzonderlijke hoofdstukken verschillende zijden van het Helleensche leven openen, hij zal spoedig met zijn oordeel gereed zijn, hij zal gelooven alleen een schetsboek vóór zich te hebben, in het gunstigste geval een „historischen” roman, wat, naar de beschouwing des meesten, zooveel zegt als geen roman.

En toch—wanneer deze roman als kunstwerk van de levensbeschrijving, de geschiedenis, het bloote verhaal zich door innerlijke en uiterlijke samenstelling onderscheidt, wanneer hij niet alleen de uitdrukking van een in zich besloten leven en lot is, maar ook van een kamp in natuurlijke ontwikkeling en oplossing, dan is het volgende verhaal een roman te noemen. Want niet alleen blinkt daarin in bepaalde gestalte de schoone, geestelijk opgevatte zinnelijkheid door, en hare opkomst, bloei en verval; de strijd tusschen het aesthetisch en zedelijk levens-ideaal wordt ontwikkeld en beslist in het lot van één enkel persoon en van één volk. Steeds heeft deze vergelijking van het lot van enkele personen en volken, van het individueele en het algemeene leven mij voor den geest gestaan, als het echte geheim der Epische dichting, als haar hoogste beginsel, als haar eigenlijk gebied. Evenwel niet alzoo, dat het détail van het verhaalde individueele leven en van het algemeene juist naast elkander loopen: alsof het eene slechts eene episode ware van het andere, maar dat beide aan één en hetzelfde détail zijn vastgeknoopt en zooveel mogelijk, als een organisch geheel, levendig in elkander geweven en gevlochten zijn.

Met mate slechts mocht, om den reinen, bevalligen indruk van het beeld niet te bederven, de strijd worden aangegeven: slechts zacht mocht hij voortgaan en zoo schijnt de handeling wellicht door een dunnen draad verbonden te zijn. Maar de schilderingen en gesprekken, die als eene uitweiding voorkomen, dat alles zonder uitzondering komt ten laatste tot zijn recht, vol licht, het vertoont zich in zijne noodzakelijkheid, in betrekking tot het geheel, tot de gedachte.

Maar niet tot eene gedachte in den afgetrokken zin des woords. Laat de meening zich niet van u meester maken, welwillende lezer, dat het verloop van deze geschiedenis om eene bepaalde strekking veranderd of verdraaid is geworden. Ik geef het reilen en zeilen, het worstelen en streven der menschen weder en de woorden waarmede zij het verdedigen. Ik heb geene strekking op het oog dan die van het leven, geene zedeleer dan die der noodzakelijkheid, geene logica dan die der feiten, welke uit schering en inslag bestaat, zoo gelijkmatig en bestendig, als het heen en weder bewogen worden van de pijnboomtoppen door den wind. De wijzen beweren wel te recht, dat de idee nooit volkomen opgaat in de werkelijkheid. De dichter, die eene bepaalde bedoeling beoogt, volgt haar tot op eene zekere hoogte van hare ontwikkeling, houdt ze daar op een punt, hetwelk zij toch eigenlijk slechts vluchtig raakt, met geweld vast, laat haar in alle bonte kleuren schitteren tot vreugde der stervelingen, en maakt de zeepbel tot eene vaste ster. De reine, onbevooroordeelde poëzie echter begeleidt de idee op den weg harer ontwikkeling het liefst tot dat punt, waar zij, om weder tot hare reinheid terug te keeren, aan den Phoenix gelijk, zich zelven aan de vlammen overgeeft.

R. H.

Gräz, November 1875.

ASPASIA

I.

DE SCHAT VAN DELOS [1].

Op een zonnigen dag in het zwoele jaargetijde richtte een slanke, jeugdige vrouwengestalte, vergezeld door eene slavin, in de stad der Atheners haren snellen tred over de Agora [2]. De verschijning dezer vrouw had de wonderlijke uitwerking, dat elk wie haar ook op den weg ontmoette en had aangekeken, achter haar stil stond en als vastgenageld haar een geruimen tijd naöogde. De oorzaak daarvan lag niet zoozeer in de omstandigheid, dat het schier eene zeldzaamheid was, wanneer men eene vrije Atheensche vrouw uit den hoogeren stand openlijk op de straten zag wandelen, als wel vooral hierin, dat deze vrouwengestalte van eene buitengewone en overweldigende schoonheid was.

Op de gezichten van hen, die bij de ontmoeting haar aanstaarden, of achter haar, als aan den grond genageld haar naöogden, spiegelde de verbazing zich op alle mogelijke wijzen van uitdrukking af.

Eenigen lachten met welgevallen, de oogen van grijsaards, wier baard reeds grauwde, fonkelden, anderen sloegen op de vrouw blikken, als die van een Faun [3], wederom anderen drukten een soort van eerbied uit, alsof zij eene Godin zagen. Eenigen vestigden op haar een ernstigen, bevredigden kennersblik, anderen keken als dwazen, met den mond van verwondering half geopend. Evenwel waren er ook niet weinigen, die een spottenden grijnslach vertoonden en een kwaadaardigen, sarkastischen blik op haar vestigden, alsof schoonheid zonde ware.—Mannen, die twee aan twee of in groepen stonden, braken hun gesprek af. Gezichten, waarop de verveling te lezen stond, schenen op eens als bezield; het voorhoofd, met rimpels doorploegd, werd effen. Er kwam beweging in de gemoederen.

De verschijning der vrouw was als een zonnestraal, die in een priëel van rozen valt en waarin de muggen in bacchantische dwarling hare dansen uitvoeren.

Onder degenen, wier aandacht de indrukwekkende vrouwengestalte tot zich trok, waren ook twee mannen, die zwijgend naast elkander voortgingen. Rustig, ernstig, vol waardigheid en edel waren beiden van uiterlijk; de een, om wiens hoofd donkere lokken golfden, was jonger, statig, doch niet zonder een spoor van weekelijkheid in zijn trekken; nog hooger, bijna eerbied afdwingend, stak naast hem de gestalte uit van den ouderen man, en het groote voorhoofd welfde zich over zijn diepzinnige oogen. Het was, als zag men den vurigen Achilles voortschrijden, naast Agamemnon, den gebieder der volken.

De jongste sloeg een blik van verrassing op de betooverende vrouw; de oudste daarentegen bleef rustig: het was, alsof hij de schoone niet voor de eerste maal had gezien en hij scheen zóó onverschillig, zóó diep in andere gedachten verzonken, dat zijn metgezel eene vraag onderdrukte, die hem reeds op de lippen zweefde.

Een slaaf liep achter de beide mannen. Zij volgden den langen, stoffigen weg, die naar den Piraeus [4] voerde.

Vorschend liet in het voortgaan de jongste soms zijn blikken weiden over den hel schitterenden spiegel van den Saronischen zeeboezem. Zijn oog was scherp, als het oog van een adelaar. Hij ontwaarde een schip, dat nog niet zichtbaar was voor den blik van een ander mensch. Hij zag het opdoemen aan het uiteinde van den horizont der zee. De nadering van het vaartuig was onmerkbaar bij den grooten afstand. De man, met den adelaarsblik, had het voorkomen van iemand, die zich weet te beheerschen; maar wanneer hij zoo heentuurde naar het vaartuig in de verte, scheen het toch soms voor een oogenblik, alsof hij met den adem van zijn eigene borst het talmende zeil wilde doen zwellen en het schip in snelle vaart doen naderen.

Wanneer men den blik rechts van den weg wendde, welken de beide mannen betraden, dan stiet men op eenigen afstand op een in de zon blinkenden muur, die schier onafzienbaar van de stad afliep tot aan het klippige strand der zee. Richtte men zijn oog naar den linkerkant, dan zag men een muur van dezelfde soort, als die, welke zoo even voor den blik van den beschouwer zich scheen op te doen. De bouwlieden stapelden rechthoekig gehouwen stukken op elkander en waar de massa gereed was, daar klonk wijd en zijt het dreunen van de hamers, die de aaneen hechtende ijzeren krammen in het arduin dreven.

Ook deze muur strekte zich naar beneden uit tot aan de zee, breidde zich daar met een groote kromming uit en, zoowel boven de stad als daar beneden met den anderen muur verbonden, omvatte hij de haven met hare gebouwen, als met een beschuttenden arm.

Op dit muurwerk rustte het oog van den jongste der beide mannen vorschend en met eene soort van bevrediging, wanneer het voor een oogenblik zich afwendde van het door het zeil bewogen schip in de verte. En lachende sprak hij ten laatste, terwijl hij langs de eindelooze lijn van aaneengehecht arduin schouwde, zich tot zijn makker wendend:

„Wanneer ieder woord, dat ik met aandrang ter wille van dit werk tot de Atheners sprak, tot een steen daarvoor was geworden, waarlijk, dan zou het reeds lang gereed voor onze oogen staan. Maar ook nu zien wij het eindelijk der voltooiing nabij.”

„En was deze middelste muur inderdaad onmisbaar?” vroeg de oudste, terwijl hij op het werk een onverschilligen, vluchtigen blik wierp.

„Dat was hij,” hernam de ander. „Veel te ver wijkt de oudere, linker muur af naar Phaleron [5]. Eene groote uitgestrektheid van het strand der haven bleef open. Nu eerst is de taak ten volle afgewerkt. Verjongd uit de asch van den brand des Perzischen krijgs verrezen, heeft de stad Pallas Athene [6], schitterend en machtig, gevoed door de cijnsen der Grieksche kunsten en eilanden, dezen arduinen gordel om haar leden geslagen, en is van nu af sterk genoeg, om de afgunst van Grieken, zoowel als den aanval van alle barbaren in het Oosten te trotseeren.”

De man, die zoo tot zijn makker sprak, was Xanthippus’ zoon, de Alcmaeönide [7] Pericles, dien men den Olympiër noemde. Zijn metgezel echter was een beroemd beeldhouwer in metaal en marmer, Phidias geheeten. Het werk zijner handen was het reusachtige standbeeld der „in de voorste rijen strijdende Athene,” dat van den top der Acropolis [8] wijd schitterde in het Attische land en in de verte der zee, waar de naderende schippers de van goud fonkelende lansspitsen der Godin met blijdschap begroetten, als eerste kenteeken van het rechtsgebied van het „met violen omkranste Athenen.”

Bijna van denzelfden vorm schenen de zich ver uitstrekkende rijen van arduin, maar zij hadden, door het licht van den Griekschen hemel beschenen, niets sombers. Eene levendige drukte heerschte daartusschen van alle kanten. Luid klonken de uitroepen, waarmede de drijvers de muildieren aanspoorden en in lange rijen gingen de rijk bevrachte dieren langs den weg van de haven naar de stad en van de stad naar de haven.

Hier en daar reikte een olijfboschje tot vlak bij den weg, in welks groene toppen van tijd tot tijd een verfrisschend koeltje, van de golf overwaaiend, ritselde.

Dan nam de beeldhouwer den breed geranden petasus [9] van het hoofd en liet het koeltje spelen om zijn hoog, kaal voorhoofd. De Olympiër echter stapte steeds moediger door, hield steeds vaster den blik op de galei gericht, die uit den boezem der baai nu toch langzamerhand de haven naderde.

Nu zijn zij beiden niet verre van de zee gekomen. De haven is bereikt. Ook hier weidt het oog van den man, dien men den Olympiër noemt, bevredigd rond. Zijn werk is het grootendeels, wat zich daar aan ’t oog voordoet, iets nieuws voor het volk der Grieken van dien tijd: breede, statige, recht loopende straten. Hier prijkt de groote, met zuilenrijen omgevene marktplaats, die naar den naam van haar bouwmeester Hipodamus, van Milete, genoemd werd. Trapsgewijze verheffen zich ter linkerzijde, over het woud van zuilen van het Theater heen, aan de helling van den versterkten heuvel Munichia, de rijen der huizen en op den top van den heuvel prijkt schitterend het marmeren heiligdom van Artemis [10]. Daaronder echter in de vlakte strekken zich tot aan de zee onafzienbaar ver de zuilenrijen uit; hier de prachtige Stoa [11] van Pericles, daar de ontzettende magazijnen, waar ontscheepte vrachten ten verkoop of tot verdere verzending zich bevonden, ginds de reusachtige bazar van de haven, de handelsbeurs, het „Deigma” [12] waar schippers en handelaars hunne waren ten toon stelden, waar zij hun accoord troffen.

Tusschen deze zuilen, op deze steenterrassen staat de kloeke Griek, als op den bodem zijner kracht, verheugd omdat met het toenemen van het algemeen welvaren, ook zijn eigen welzijn toeneemt. Hier ontvangt hij uit de handen van den bevrienden zeegod den vollen hoorn aller gaven van het buitenland en ziet de laatste golfkringen van den Pontus [13], van den Nijl en van de Indische zee aan zijn strand in schuim vaneenspatten.

Hier woelt het Grieksche volk van Pericles dooreen; schoone donkerbruine gestalten steken af tegen den achtergrond der witte marmeren zuilen. De hoofden der meesten zijn ontbloot, de sandalen ter nauwernood aan de voeten, het sobere, lichte gewaad, half doek half mantel, achteloos om de schouders geworpen,—maar toch in plastische schoonheid als bruine beelden van metaal, staan zij tusschen de zuilen. Doch levendig zijn hunne gebaarden en in het bonte mengelmoes van stemmen doen zij de klanken van het welluidend Grieksche taaleigen vernemen, vol energie in spraak en gebaarden en waardig tevens, als personen in het treurspel.

Sinds de Athener na gelukkig gevoerde oorlogen de zee beheerschte, heeft hij geleerd zich te begeven naar de havenstad den Piraeus en zich te verrijken. Hij gaat naar den Piraeus en zoekt reeders voor overzeesche vaarten en ondernemingen op. Hij gaat naar de kassiers, de wisselaars, deponeert bij hen gelden of neemt ze in ontvangst en wanneer hij noch gelden te ontvangen noch te deponeeren heeft, zoo neemt hij eenige op. Want handel en vertier bloeien en de Athener kent de gelegenheden. Hij weet, wanneer het tijd is graan uit den Pontus te halen, of hout uit Thracië, of de papyrusplant uit Egypte, of tapijten uit Milete, of fijn schoeisel uit Sicyon, of druiven uit Rhodus. Hij weet ook waar zijn olijfolie, zijn honig, zijne vijgen, zijn metalen werken, zijn aardewerk gezocht en het duurst betaald worden. En de makelaar, de wisselaar geeft het geld zonder lang bedenken.

De rentestandaard is hoog en voor rijke percenten kan men iets wagen. Zoo menige vrij gelatene, menige Pasio [14], menige Simo, menige Phormio zit thans tevreden achter zijn wisseltafel in den Piraeus, en gedraagt zich als een overheidspersoon, want men sluit bij hem contracten. Hij geeft twee talenten [15], zonder van gelaat te veranderen, en ontvangt even onverschillig twee talenten, wanneer men die bij hem neêrlegt. Hij schrijft de som en den naam van hem, die ze gedeponeerd heeft, in zijn boek en de zaak is afgedaan. Men vertrouwt op de eerlijkheid van Pasio en Pasio is eerlijk, zoolang ten minste als niet het voordeel eener oneerlijkheid opweegt tegen den in gevaar gebrachten naam zijner eerlijkheid.

Thans zien de beide mannen de zee, zacht gerimpeld en smaragdgroen klotsend tegen de steenen terrassen. Open ligt voor hunne oogen de diepe ronde bocht van de zeehaven den Piraeus. Als wachters der zeepoorten bewaken twee geweldige torens ter rechter en ter linkerzijde den ingang. In tijden van gevaar kan eene ijzeren, reusachtige ketting ter versperring van den eenen toren naar den anderen gespannen worden. In tallooze menigte liggen in de bocht de ronde, dikbuikige handelsschepen voor anker; het strand ter linkerzijde echter is geheel bedekt met de hooge triëren [16] der Atheensche vloot, naar de gewoonte der Grieken, op het vaste land getrokken, ieder in hare bijzondere omheining, als monsters in hunne holen rustend, geweldige zeedraken, met phantastische snebben en met vinnen voorziene, in de hoogte zich verheffende staarten; en op de andere zijde van het Piraeische schiereiland bevinden zich nog veel meer van deze prachtige zeegedrochten, (in de krijgshavens Zea en Munichia) en daarachter strekken zich de zeearsenalen uit, waar het „want” der onttakelde schepen bewaard wordt, en verderop breiden zich de werven uit, waar onophoudelijk nieuw scheepsmateriaal gelost en onverpoosd nieuwe kielen gebouwd worden.

Nu loopt het vaartuig, hetwelk de Olympiër op den weg naar den Piraeus zoo scherp in het oog had gehouden, de haven binnen. Het is het Atheensche staatsschip „Amphitrite.”

Hoopen volks stormen naar de landingsplaats; in alle gaanderijen, op alle steenterrassen weerklinkt een gemompel van stemmen.

„Daar is de Amphitrite—de Amphitrite met den schat van Delos!—de Amphitrite met de bondskas!—zoo heeft hij het doorgedreven, de slimme Pericles!—Wat zullen de bondgenooten daarvan zeggen?—Wat zij willen! Wij staan aan hun hoofd, wij beschermen hen, wij zenden onze triëren naar hunne kusten, wij voeren hunne oorlogen, daarvoor betalen zij de bondsgelden—wat wij overhouden, is ons eigendom.”

De tonen van fluiten klinken van het vaartuig, terwijl het nadert. Op de Amphitrite werd, evenals op alle staatsschepen der Atheners, de riemslag naar den klank der fluiten bestuurd. Ook gezang klinkt van de roeibanken en daartusschen het geklater van de door tallooze riemen geslagen zee. Als goud schittert van de spits der scheepsnebbe het beeld van de zeegodin, naar welke het schip is genaamd. Schoon beschilderd blinkt de rand van het hooge boord in den zonneschijn. Het gezang en de muziek van fluiten werd overstemd door de heldere, vroolijke kreten der Atheners, welke de door het weêr gebruinde zeelieden op het schip krachtig beantwoordden.

De klank der fluiten verstomt, de riemen bewegen zich niet meer, het schip ligt stil, er begint een gekraak van touwen, een gerammel van kettingen, een heen- en wederloopen aan boord; het anker wordt uitgeworpen, de zeilen worden gereefd, een trap wordt van den oever naar het schip gelegd. Eenige Atheensche overheidspersonen staan voor aan het uiterste van het strand. Hen nadert Pericles de Olympiër, en spreekt eenige woorden. De klank zijner stem heeft iets eigenaardigs, iets wondervols. Die hem nog niet herkend hebben, herkennen hem nu. Niet alle Atheners zagen nauwkeurig zijne gelaatstrekken in de volksvergadering op de Pnyx [17]. Maar allen hoorden, allen kennen zijne stem. Eenigen van de overheidspersonen begeven zich nu over de trappen aan boord van het schip.

Na eenigen tijd worden uit de diepte van het ruim een paar met ijzer beslagene, goed bewaarde vaten geheschen en aan land gebracht, waar een span muildieren voor den zwaren last gereed staat. De Triërarch [18] komt aan land en spreekt met Pericles.

Het is een gouden schat, welke de „Amphitrite” onder de oogen van het vol deelneming gespannen Atheensche volk op de blauwe zeegolven aandroeg. Het is de schat van het Atheensche Bond. Hij komt uit Delos, de „Ster der Zee”, naar het machtige Athene, welke, op aansporing van Pericles, niet meer als Bondschat zal beheerd worden, maar in ontvangst genomen als cijnsen der steden en eilanden.

Om gouden schatten zweeft iets huiveringwekkends, een schemerlicht, een adem van onzekerheid die bewuste verwachtingen ontvlamt, een onbewuste angst doet binnen sluipen. Het bare goud wordt gemunt, maar ook de munt wordt in de hand van den eigenaar weder omgemunt. Zij verandert onder iederen vinger, die haar aanraakt. Den eenen wordt zij ten zegen, den anderen ten vloek. En zóó ook deze schat van Delos, waarop de oogen van de schare der Atheners vol verwachtingen zijn gevestigd—wie weet, of er meer zegen dan vloek uit zal voortkomen, of er meer genot dan berouw voor gekocht zal worden, of er meer blijvends dan vergankelijks daarmede tot stand zal worden gebracht? Wie kent de winden, die uit deze Aeölusharp zullen waaien?

„Met dit goud zou men Athene tot den onbedwingbaren burg van Hellas [19] kunnen maken!” dachten eenige der magistraten, die Pericles omgaven.

„Met dit goud zou men de zeemacht van Athene kunnen versterken, Sicilië en Aegypte veroveren, de Perzen beoorlogen, Sparta onderdrukken!” dacht de Triërarch.

„Met dit goud kon men ons de gelden voor feesten en schouwspelen betalen!” dacht het volk, dat de steenterrassen van de haven vulde.

„Van dit goud kon men de heerlijkste tempels bouwen, de schitterendste standbeelden oprichten,” dacht de peinzende beeldhouwer aan de zijde van Pericles.

En Pericles, de Olympiër zelf?—In zijn hoofd, en in het zijne alleen, waren alle deze gedachten vereenigd....

Het muildierspan, dat bestemd was, om de gouden vracht van de haven naar de stad te brengen, zette zich in beweging. De schare der Atheners verdrong zich daarachter en nadat het gedrang had opgehouden, namen ook Pericles en Phidias den terugweg aan. Daar het grootste deel van het volk den schat nastroomde, zoo was daarachter de weg van den Piraeus tamelijk ledig en enkele figuren konden gemakkelijk in het oog vallen.

Op de marmeren zerk van een der grafteekenen, welke aan den kant van den weg zich bevonden, zaten twee mannen in een levendig gesprek verdiept. Het gelaat van den eenen vertoonde de opgeruimde waardigheid van den wijze; somber waren de trekken van den anderen en uit zijne vurige oogen sprak eene dweepzieke eigenzinnigheid. De eerste groette Pericles, die hem voorbij ging, met een vertrouwelijken lach, de andere, met het sombere gelaat, wierp hem een scherpen blik uit vijandige oogen toe.

Weder waren de beide mannen een eind verder gekomen, toen zij een jongen man, in nadenken verzonken, zagen staan. Hij scheen de wereld om zich heen vergeten of onder de voeten verloren te hebben, en er over na te denken, waar hij een nieuwe konde vinden. Hij had eigenaardige, juist geene liefelijke trekken en staarde met onafgewenden blik naar den grond.

„Een van mijne steenhouwers!” zeide de ernstige Phidias tot zijn metgezel, terwijl hij in het voorbijgaan den peinzende op den schouder klopte, als om hem wakker te schudden; „een brave, maar wonderlijke knaap. Hij werkt een dag lang ijverig in mijne werkplaats, en den volgenden is hij verdwenen. Zoo peinzend daar te staan is zijne gewoonte.”

Niet verre van den peinzende zat een lamme, kreupele man aan den weg ineengedoken, een bedelaar met een wonderlijk grijnzend gezicht. De goedhartige Pericles wierp hem een goudstuk toe. De kreupele bedelaar echter verwrong zijn grijnzend gelaat nog meer en scheen iets als een scheldwoord tusschen de tanden te mompelen.

Toen de twee mannen ongeveer de helft van den weg afgelegd hadden, en uit een olijfboschje, hetwelk den weg een eind als omzoomde, te voorschijn traden, rees de Acropolis van de stad voor hen op en men zag het reusachtige metalen beeld van „Athene Promachos” [20], in den glans der avondzon schitteren. Men zag haar gehelmd hoofd, men zag de opgestoken lans en het groote schild, waarop haar linker hand rustte. Ook fonkelde van de helling van den berg, oogverblindend, een gouden Gorgonenhoofd [21], dat een bemiddeld Athener daar als wijgeschenk had geplaatst.