Part 12
„Neen, kind, dank je wel,” antwoordde de heer Stubbens en Louise ging naar huis, nadat zij aan den heer en mevrouw Stubbens beloofd had het gebeurde niet rond te vertellen, en nadat mevrouw haar hartelijk bedankt had, omdat zij zoo vriendelijk was geweest om met Tom mee te komen.
Nu achtte de heer Stubbens het noodig naar de politie te telephoneeren en dat deed hij onmiddellijk.
Niet lang daarna verscheen de Commissaris van politie, aan wien de heer Stubbens alles vertelde.
„Hoe vreemd, eerst uw dochtertje en nu uw nichtje,” merkte de commissaris op; „wij zullen onmiddellijk een onderzoek instellen bij de verschillende stalhouders en zoodra wij iets naders weten, krijgt u bericht. Ik zal er terstond werk van maken, mijnheer.”
Nog dienzelfden middag, toen de heer Stubbens op het punt stond om uit te gaan, werd hij opgebeld door den commissaris, die hem meedeelde, dat men den koetsier, die Annie gereden had en ook het bewuste briefje, gevonden had; hij zou dit dadelijk komen brengen, maar had voor alle zekerheid eerst getelefoneerd, uit angst dat de heer Stubbens uit zou zijn.
„Ik ken het schrift niet, maar het mijne is het zeker niet,” merkte mevrouw Stubbens op, toen zij het briefje zag.
„Ik had gehoopt, dat u het handschrift kennen zou,” zeide de commissaris teleurgesteld, „want het is een moeilijke kwestie; de navraag aan het station heeft ook niets gegeven, want het rijtuig is naar het schijnt juist op een zeer druk oogenblik gekomen, toen er verschillende treinen moesten vertrekken, zoodat het niemands aandacht heeft getrokken. Ik hoopte nu maar, dat u zou kunnen weten wie dit geschreven had.”
„Neen,” antwoordde mevrouw Stubbens, „men heeft mijn schrift uitstekend nagebootst, maar toch zijn er enkele dingen anders, maar deze zijn te gering, dan dat een kind van elf jaar ze zou opmerken.”
„Wij moeten Van Walen waarschuwen,” zeide de heer Stubbens, toen de commissaris weg was, „maar het gekke van het geval is, dat ik niet weet, waar ik hem op het oogenblik bereiken kan.”
„Den twintigsten komen ze Annie hier halen,” antwoordde zijn vrouw op zoo’n angstig bezorgden toon, dat niemand in haar de flinke tante Dora van anders herkend zou hebben.
Zoo verliepen drie angstige dagen, Mijnheer Stubbens had naar Mary’s zuster getelegrafeerd, om te vragen of deze het adres van den heer en mevrouw Van Walen ook wist, maar deze wist het ook niet met juistheid op te geven.
„Het is ellendig!” riep de heer Stubbens wanhopend, „God weet, waar het arme kind op het oogenblik is en wij kunnen niets doen dan afwachten welke tijding de politie ons brengt.” Het kostte hem evenals zijn vrouw de grootste moeite hier kalm onder te blijven en het was dan ook met een bezwaard hart, dat hij naar het kantoor van Mr. Van Dungen ging, met wien hij zaken te verhandelen had.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
STOKMAN VERTELT WAT HIJ WEET.
„Mr. Van Dungen is op het oogenblik niet op het kantoor, meneer,” zeide de klerk, die den heer Stubbens binnenliet, „maar als u even wil wachten, meneer zal vermoedelijk niet lang wegblijven.”
De heer Stubbens trad binnen en de klerk liet hem in het kantoor van den advocaat. Nog niet lang had hij daar gewacht, toen er op de deur getikt werd en Stokman het vertrek binnentrad.
„Dag, mijnheer Stubbens,” zeide de jongeman met een diepe buiging.
„Dag, mijnheer Stokman.”
„Mijnheer,” begon Stokman, „ik ben zoo vrij u even te komen lastig vallen, maar het is over een zeer ernstige zaak.”
„U bedoelt mijn nichtje?”
„Juist, mijnheer, ik ben uit de stad geweest, anders zou ik wel dadelijk naar u toegekomen zijn, maar bij mijn terugkomst vernam ik wat er gebeurd was en nu meen ik u wel op weg te kunnen helpen. Ik heb alle reden om te vermoeden, dat uw nichtje bij haar grootmoeder is.”
„Wat zegt u?”
„Zeker, mijnheer, bij haar grootmoeder; onderzoekt u het maar, dan zal u zien, dat ik gelijk heb. Ik zou u nog veel meer kunnen vertellen, maar daar is Mr. Van Dungen. Zal ik van avond even bij u komen?”
„Graag, mijnheer, u zal mij daar ten zeerste mee verplichten.”
Zoodra hij zijn zaken met Mr. Van Dungen had afgedaan, reed de heer Stubbens naar Zorgvliet, maar daar kwam hij voor een gesloten huis en de huisbewaarder zeide hem, dat mevrouw Hermsen reeds Zaterdag op reis was gegaan zonder te zeggen waarheen, of wanneer ze terugkwam.
Onverrichter zake keerde de heer Stubbens dus naar huis terug.
Nu hij zoo goed als zeker wist, dat het meisje bij haar grootmoeder was, voelde haar oom zich wel voor een groot deel gerustgesteld, maar hij mocht er toch niet al te vast op bouwen. Zijn eerste werk, toen hij in de stad kwam, was naar den commissaris te rijden en hem mee te deelen, wat Stokman hem verteld had, daarna ging hij zoo gauw mogelijk naar huis om zijn vrouw eveneens gerust te stellen. Dien avond om half zeven werd Stokman aangediend.
„Mijnheer,” zeide deze, zoodra zij gezeten waren, „u zal heel slecht van mij denken, wanneer ik u alles verteld heb, maar na alles, wat u voor mij gedaan heeft, kan ik u niet in ongerustheid laten. Zooals u misschien weet, is de oude mevrouw Hermsen altijd heel goed voor mij geweest. Toen mevrouw nu hoorde, dat mijnheer Van Walen ging hertrouwen—het trof nu ook juist zoo ongelukkig, dat Annie dezen zomer niet bij haar had kunnen logeeren—vatte zij het plan op, het meisje voor goed bij zich te nemen. Eerst had zij er met den vader over willen spreken, maar zij begreep toch wel, dat mijnheer Van Walen zijn dochter niet zou willen afstaan en daarom liet zij dit plan varen en besloot zij zich het kind op onrechtmatige wijze toe te eigenen, want zij wilde nu eenmaal niet dat het meisje door een Engelsche dame opgevoed zou worden, zij schijnt een gloeiende haat te hebben aan Engelschen.”
„Ja,” bracht de heer Stubbens in het midden, „vroeger is zij eens door een Engelschman zeer leelijk behandeld, vandaar haar bespottelijke haat op alles wat Engelsch is. Maar, ga verder.”
„Toen nam ze mij bij den arm. Herinnert u zich nog de mislukte ontvoering van uw dochtertje? welnu, die berustte op een vergissing, het was niet op uw kind, maar op uw nichtje gemunt en de dader, dat was ik.”
„U?” riep de heer Stubbens van verbazing van zijn stoel opspringend.
„Ja, ik. Ik zal wel diep in uw achting dalen, misschien zal u mijn patroon waarschuwen tegen een man, die zich tot zulke wederrechtelijke handelingen leent, maar, mijnheer, als men heel arm is en iemand biedt u dan een groote som, vijfhonderd gulden, was het, alleen om een kleinkind bij haar grootmoeder te brengen, dan is die daad toch wel te verontschuldigen. In het begin wilde ik het ook niet doen, werkelijk, maar de oude mevrouw wist mij de zaak zoo geheel anders voor te stellen, dat ik ten slotte zelf niet meer wist of het verkeerd was of niet en zij had zooveel voor mij gedaan.”
„Dat het verkeerd was, kon uw eigen gezond verstand u toch zeggen,” antwoordde de heer Stubbens, „maar,” vervolgde hij, „is dat de eenige reden, waarom u denkt dat Annie bij haar grootmoeder is?”
„Het verhaal is nog niet uit, mijnheer. Mevrouw was niet van plan het bij die eene poging te laten en onlangs riep zij opnieuw mijn hulp in. Zij deed dit, toen ik juist naar haar toe was gegaan om te zeggen, dat zij niet verder op mijn hulp behoefde te rekenen, omdat u mij zoo geholpen had. Kortom, het eind was, dat zij zeide, dat zij het dan wel zelf zou doen.”
„Ja, dan is het niet twijfelachtig, bij wie Annie is,” merkte de heer Stubbens op, „maar waar, dat is een andere kwestie. Mijnheer Stokman,” vervolgde hij toen ernstig, „ik kan het niet ontkennen, dat ik zooiets niet van u verwacht had, want u moest toch begrijpen dat de familie erdoor in doodelijke ongerustheid kwam, maar aan den anderen kant waardeer ik het ten zeerste, dat u mij uit eigen beweging alles verteld heeft, terwijl ik het toch in mijn macht heb, u uw betrekking te doen verliezen. Bovendien is uw poging tot ontvoering mislukt en heeft ze niets met de eigenlijke zaak te maken. Wij zullen het verleden dus laten rusten.”
Tot mijnheer Stubbens’ verbazing ging Stokman echter, nadat mijnheer Stubbens hem reeds gegroet had, nog niet dadelijk heen, maar bleef hij aarzelend bij de deur staan. Eindelijk begon hij verlegen:
„Er is nog iets, mijnheer, iets dat mijnheer Van Scheik dient te weten, maar ik durf het hem niet te vertellen.”
„Als u het hem niet durft te vertellen, schrijf het hem dan.”
Nu kwam het hooge woord eruit. „Mijnheer, zou u het niet voor mij aan mijnheer Van Scheik willen vertellen?”
„Maar, waarom bent u zoo bang voor hem? hij staat toch bekend als een goedhartig mensch.”
„Jawel, mijnheer, maar opvliegend. En al weet ik zelf, dat mijn vader verkeerd gehandeld heeft, dan zou ik toch niet kunnen aanhooren, dat een vreemde onaangename dingen over hem zeide en het zou van het eene woord op het andere komen.”
„Maar uw vader moet toch al iets heel verkeerds gedaan hebben om den heer Van Scheik ertoe te brengen zich onaangenaam over hem uit te laten tegenover zijn eigen zoon.”
„Het was ook heel erg. Als ik het nu aan u vertel, zou u het dan niet voor mij aan mijnheer Van Scheik willen overbrengen?”
„Maar, ik ben uw boodschaplooper niet, mijnheer.”
„Dat weet ik wel, mijnheer, maar mijnheer Van Scheik moet het weten en ik vertel het niet.”
„Is het van zooveel belang?”
„U heeft zeker wel van die oude geschiedenis gehoord die zich jaren geleden op het kantoor van de firma Hermsen heeft afgespeeld?”
„Er waren, meen ik, papieren zoek geraakt, niet waar?”
„Juist, mijnheer, familiepapieren van mijnheer Van Scheik. En die papieren heb ik teruggevonden.”
„En durft u dat niet aan mijnheer Van Scheik te vertellen? Hij zal denk ik, heel blij zijn.”
„Maar hij zal moeten weten, waar zij vandaan gekomen zijn.”
„Natuurlijk, maar is dat zoo erg?”
„Ik heb ze in een oude lessenaar van mijn vader gevonden, meneer.”
„Pssst! ja, dat is leelijk, maar had uw vader er belang bij ze... ze zelf te bewaren?”
„Bij één van de papieren wel, hier heeft u het, dan kan u zelf zien wat ik bedoel.”
De heer Stubbens keek het stuk in en gaf het daarna zwijgend aan Stokman terug, die hem angstig vragend aankeek.
„Ik zal het voor u doen,” zeide mijnheer Stubbens eindelijk. „Maar er is één ding, dat ik niet begrijp, waarom heeft hij niet alleen dat ééne papier er uitgenomen?”
„Ik denk, dat de tijd daartoe hem ontbrak, dat hij in groote haast het heele pak in zijn zak gestoken heeft.”
Hier werden zij gestoord door mevrouw Stubbens, die met stralend gelaat de kamer van haar man binnenkwam. „Zij is terecht, het lieve kind, o, Johan, lees dit toch eens!” Nu keerde zij zich naar Stokman en verontschuldigde zich bij hem, dat zij hem in haar opgewondenheid niet eerst gegroet had.
„Mag ik vragen,” zeide de jongeman, „heeft u tijding van uw nichtje?”
„Goddank, ja, een briefje van haar zelve, waarvoor ik heel wat strafport heb moeten betalen, maar ik zag natuurlijk dadelijk aan het schrift dat het van haar kwam. Zij had den brief niet gefrankeerd.”
„Vanwaar schrijft zij?” vroeg de heer Stubbens het briefje aannemend.
„Uit Keulen, lees zelf maar.”
„Beste Tante,” (las de heer Stubbens.)
„Ik ben hier met grootma in Keulen, maar ik verlang zoo naar u en oom en Tom en Tine en Flok, wil u mij niet komen halen? grootma wil mij niet naar u toe laten gaan. Grootma zegt dat mijn nieuwe mama mij ongelukkig zal maken, maar ik verlang zoo naar mama. Zijn papa en mama al gekomen? kom mij toch gauw halen. Zorgt Tom goed voor Flok? Wij zijn hier in een groot hôtel, vlak bij het station.
Uw Annie.”
Het adres had zij ook zelf geschreven en blijkbaar had zij er erg haar best op gedaan.
„Een hôtel vlak bij het station,” herhaalde de heer Stubbens, „dat is nogal duidelijk, natuurlijk het Hôtel du Nord. Gelukkig dat het kind het erbij heeft gezet.” Hij liep naar zijn schrijfbureau en haalde er een spoorboekje uit.
„Ga je naar Keulen?” vroeg zijn vrouw.
„Natuurlijk, ik ga het kind oogenblikkelijk halen. Geef mij die papieren waar wij van spraken, mijnheer Stokman, die zaak zal ik ook in orde brengen.”
„Maar, mijnheer, daar kan ik u nu toch niet mee lastig vallen.”
„Dat kan ik het best beoordeelen, zou ik zeggen. Geeft u ze maar gerust hier,” was het antwoord.
Onder vele dankbetuigingen gaf Stokman ze over.
„Nu, nu, geen bedankjes, daarvoor heb ik geen tijd, dag mijnheer Stokman.”
Stokman ging heen, niet lang daarna kwam mevrouw Stubbens met een gepakte handtasch de kamer in en een half uur later was de heer Stubbens reeds op weg naar Keulen, waar hij met den laatsten trein aankwam.
Vanuit een der tusschenstations had hij om een kamer getelegrafeerd in het „Kölnische Hof,” zoodat hij bij zijn aankomst dadelijk naar bed kon gaan.
Den volgenden morgen zeer vroeg spoedde hij zich naar het Hôtel du Nord en het vreemdelingenboek inkijkende, zag hij tot zijn vreugde, dat zij, die hij zocht, daar werkelijk logeerden. De heer Stubbens ging de ontbijtzaal binnen en bestelde een kop koffie. Nog niet lang had hij daar gezeten, toen hij Annie en Mina Holst samen zag binnenkomen, Mina zag hem en wilde het meisje nog vlug meenemen naar buiten. „Daar zijn, geloof ik, je kleine vriendjes met hun hond,” zeide zij, maar nog voordat mijnheer Stubbens was opgestaan om naar hen toe te gaan, had Annie haar oom gezien.
„Oom!” gilde het kind verrast, snelde naar haar oom toe en wierp zich verheugd in zijn armen.
„Ga je mee, kleine, ik ben je komen halen,” zeide mijnheer Stubbens, het meisje kussende.
„Ik verlang zoo naar huis, oompje, ik kan hier niemand verstaan dan grootma en Mina. Gaan wij nu dadelijk weg?” vroeg het meisje overgelukkig.
De heer Stubbens was zoo boos op de oude mevrouw, dat hij Annie niet eens naar boven wilde laten gaan om haar goedendag te zeggen.
„Ja, meisje, wij gaan dadelijk heen,” zeide hij, er tot Mina bijvoegende: „U weet wie ik ben, niet waar, juffrouw Holst? Welnu, zegt u dan maar aan mevrouw Hermsen, dat ik Annie weer meegenomen heb, dat ik mevrouw wel zeer laat bedanken voor de aangename reis, die mevrouw mijn nichtje heeft laten maken, maar dat ik mevrouw toch vriendelijk laat verzoeken, mij voortaan eerst te waarschuwen, wanneer het weer eens mocht gebeuren. En nu heel veel groeten aan mevrouw. Kom Annie, neem afscheid van de juffrouw, dan kunnen wij gaan.”
„Ga je nu heusch weg zonder je grootma te groeten, Annie, hoe is het mogelijk!”
Annie keek haar verlegen aan. „Als ik naar boven ga laat grootma mij misschien niet gaan. Haalt u even mijn goed?” vroeg het kind.
„Waar wil mijn kleine Annie heen?” klonk eensklaps een stem en mevrouw Hermsen stond in hun midden. Zij schrikte echter geweldig, toen zij Annie’s oom zag.
„Ja, ik ben het,” zeide deze, „dag, mevrouw Hermsen, ik ben gekomen om Annie te halen en had juist aan juffrouw Holst een boodschap gegeven die ik nu zelf aan u kan overbrengen en verder wil ik u nog zeggen, dat in het briefje, dat Annie in het rijtuig heeft laten liggen en dat nu veilig en wel bij de politie berust, het handschrift van mijn vrouw bedriegelijk goed is nagebootst. Degene, die het geschreven heeft, maak ik mijn compliment.”
„Bij de politie!” riep de oude dame in doodsangst, „u wil toch niet zeggen, dat u er de politie bij geroepen hebt?”
„Maar, mevrouw, wat dacht u dan? wij hebben vier dagen in doodelijke ongerustheid doorgebracht, dat is een kleinigheid, die u over het hoofd ziet. Het kind was door haar vader aan onze zorg toevertrouwd. Wat hadden wij aan haar ouders moeten zeggen, wanneer zij Zaterdag Annie waren komen halen en het kind was zoek geweest? Maar, u kan gerust wezen. Uit eerbied voor uw grijze haren, zullen wij de zaak verder laten rusten.”
De oude dame scheen merkbaar verlicht.
De heer Stubbens keek op zijn horloge. „Wij hebben nog wel tijd om hier eerst rustig te ontbijten, Annie,” zeide hij, „wij hebben nog drie kwartier voordat de trein gaat.”
Toen zij eindelijk weg waren, Annie had dansend van blijdschap de zaal verlaten, keek de oude dame Mina troosteloos aan. „Wanneer zal ik haar nu terugzien, Mina?” vroeg zij wanhopend.
„U moet haar later nog maar eens op Zorgvliet te logeeren vragen,” zeide Mina, „nu meneer getrouwd is, zal hij er niets tegen hebben, dat zij bij u komt.”
„Zou je denken?” vroeg mevrouw Hermsen reeds gedeeltelijk getroost, want zij hield het ook niet voor onmogelijk en nu begon zij allerlei plannen te maken voor den tijd, wanneer het kind bij haar zou logeeren.
Intusschen had de heer Stubbens voor Annie en zichzelf een goed plaatsje in den D-trein gereserveerd en weldra vertrokken deze.
„Hoe gaat het met Flok?” vroeg het meisje.
„Flok is springlevend, maar in het begin had hij erg het heimwee naar de kleine vrouw en het heeft Thomas groote moeite gekost om hem te troosten.”
„Ik verlang ook zoo naar allemaal,” antwoordde Annie. „Om hoe laat zijn wij thuis, oom?”
„Om vier uur en ik heb den auto aan het station besteld, dan zijn wij des te eerder thuis.”
Annie vond het heerlijk in de gang te mogen loopen, het was iets nieuws voor haar, want toen zij met haar grootmama ging, had zij niet in een D-trein gereisd, en nu was het een heerlijke afwisseling voor het kind dat, zooals Mina altijd zeide „niemendal geen zit in zich had.” Maar het aardigste vond zij toch het eten in de restauratiewagen, waar zij heel deftig tegenover haar oom aan het tafeltje zat. Het kind genoot en dat deed zij niet in stilte, zoodat menigeen glimlachend naar dat vroolijke praatstertje keek, dat overal zooveel behagen in schepte.
„Als er nu maar geen andere menschen op onze plaatsen zijn gaan zitten,” zeide Annie met schrik, toen zij de restauratiewagen verlieten om hun coupee weer op te zoeken.
„Dat kan niet, meisje, want die plaatsen behooren aan ons, zoolang wij in deze trein blijven, daar hebben wij extra voor betaald. In een D-trein betaalt men altijd meer.”
„Waarom noemt u dit een D-trein?”
„Dat zal ik je zeggen. De verschillende wagens van de treinen zijn met een letter gemerkt. Men heeft de A.B. waggons, daar staan een A en B op geschilderd en dat zijn rijtuigen eerste en tweede klas, dan heeft men de C-waggons, dat zijn de derde klasse wagens, verder de D-rijtuigen, die hebben zooals deze een zijgang en eindelijk de L-waggons, dat beteekent luxewaggons, die zijn veel mooier dan de andere, daar zit men op stoelen als in een kamer. De trein, nu, waarin wij op het oogenblik zitten, bestaat enkel uit D-wagens en daarom noemt men dezen een D-trein, begrijp je dat?”
„Ja, oom,” antwoordde het meisje, dat het erg gewichtig vond, dat haar oom haar dat alles vertelde en dat zij nu aan haar vriendinnetjes kon zeggen, dat zij in een D-trein gereisd had.
„Nu behoef je niet lang meer te wachten Annie, over eenige minuten zijn wij er,” merkte de heer Stubbens eindelijk op en begon Annie’s valies, waarin kleeren geborgen waren, die mevrouw Hermsen in Keulen voor het meisje gekocht had, omdat het kind zonder eenig goed op reis was gegaan, en het zijne boven uit het net te halen, en niet lang daarna stoomde de trein het station binnen, en vijf minuten later zat Annie in den automobiel naast haar tante, die hen was komen halen.
„Goddank, dat wij je weer gezond en wel terug hebben, Annie,” zeide mevrouw Stubbens en omhelsde het meisje zonder eraan te denken, dat haar japon ervan kon kreuken.
Annie deed natuurlijk het heele verhaal en was daar nog niet mee gereed, toen de auto reeds voor het huis stilhield. Men kan zich de vreugde van Tom en Tine voorstellen, toen Annie weer terug was en ook op school, waar zij den volgenden morgen natuurlijk weer heenging, was zij voor haar vriendinnetjes een persoon van gewicht, want geen van dezen was ooit zooiets overkomen.
BESLUIT.
Het was Zaterdag de 20ste December, op school de laatste dag vóór de kerstvacantie en tevens de dag, waarop mijnheer Van Walen en zijn jonge vrouw Annie zouden komen halen.
„Wat zal het hier doodsch en stil zijn als je weg bent, Annie,” zeide haar tante aan het ontbijt. „Ik had je graag nog wat hier gehouden, kind.” Tante Dora’s stem klonk verdrietig, want zij was werkelijk veel van Annie gaan houden.
„Je zult zien, Annie,” voegde haar oom erbij, „voordat je een week thuis bent, krijg je een brief van oom en tante Stubbens of je toch als het je blieft gauw terug wilt komen, omdat de familie het niet langer zonder je kan uithouden.”
Annie begon te lachen. „Dat is goed,” antwoordde zij, „als u dat doet, dan kom ik.”
„Ik geloof, dat je het heelemaal niet akelig vindt, dat je van ons weggaat,” zeide Tom verwijtend.
„Jawel, Tom, heusch,” zeide Annie, „ik vind het akelig om van jullie en van Paula en Bertha weg te gaan en toch ben ik blij, dat ik weer naar Wilgenhorst ga, vindt u dat niet gek, oom?”
„Dat is niets gek, kind,” merkte haar oom ernstig op, „het is heel natuurlijk dat je naar je papa en mama verlangt. Bij hen thuis is toch de aangewezen plaats voor je.”
Toen Annie Tom echter zoo bedrukt zag kijken, kreeg zij eensklaps een inval. „Tom,” riep zij, „wil jij Flok als aandenken hebben? hij houdt toch zooveel van je.”
Maar hier wilde de heer Stubbens niets van hooren. Voordat Tom kon antwoorden, zeide zijn vader: „Neen, hoor, daar komt niets van in, Thomas mag jou je hondje niet afnemen, dat zou wat moois zijn! Maar als hij een mooi maandrapport uit school meebrengt, dan krijgt hij zelf een hond van mij.”
„O, wat leuk! wat voor soort, pa?”
„Je mag zelf kiezen, maar denk erom, dat gebeurt alleen, wanneer je geen enkel onvoldoend cijfer hebt.”
Dit laatste scheen Tom niet eens te hooren. „Een boxer dan, pa? die zijn zoo komiek en een van de jongens heeft juist een nest met jonge boxers van zijn Leo.”
„Ja, dat is alles goed en wel, maar heb je niet gehoord, wat ik erbij zeide?”
„Nou ja, pa, maar als het er nu maar ééntje is?”
„Dan komt er niet eer een hond, voordat er een volgend rapport zonder een enkele onvoldoende is thuisgebracht.”
„Ik ben bang, dat ik voor Grieksch onvoldoende zal hebben,” zeide Tom bezorgd.
„Dan moet je de volgende maand maar zoo goed je best doen, dat je het ophaalt tot een heel hoog cijfer. Je vriend moet dien hond dan maar zoolang voor je bewaren.”
Toen Annie om twaalf uur uit school kwam, waar zij van iedereen afscheid had genomen, ging de huisdeur reeds open, voordat zij nog gescheld had en het volgende oogenblik stond zij tegenover haar nieuwe mama.
„Dag mama, lief mamaatje, wat heerlijk, dat u er bent!” riep het meisje, terwijl zij haar schooltasch wegwierp en Mary hartelijk omhelsde. „U weet niet half, hoe ik naar u verlangd heb.”
„En wij naar onze kleine Annie,” antwoordde Mary, haar arm om het meisje heen slaande en haar meenemende naar de huiskamer, waar zij de heele familie en haar vader bijeen vond.
Men had den heer Van Walen alles meegedeeld, wat er met Annie was voorgevallen en toen het meisje nu binnenkwam, begroette haar vader haar nog inniger dan anders, wel wetende, hoe eenzaam het kind zich daar in Keulen gevoeld moest hebben, waar zij niemand kende en niemand kon verstaan dan haar grootmama en Mina Holst.
Aan de koffie zeide mevrouw Van Walen: „nu hebben wij Annie nog niets van onze plannen verteld. Zal ik het haar zeggen, Johan, of doe jij het liever zelf?”
„Jij bent nu haar mama, Mary, dus staat het aan jou, haar het nieuws te vertellen.”
„Nu, dan, Annie, wij gaan nu voor de Kerstvacantie naar Wilgenhorst en daarna komen wij hier wonen. Wij hebben al een mooi huis op het oog, oom Stubbens zal het voor ons huren en dan blijven wij verder tot de Paaschvacantie hier.”
„O, maatje, wat zalig!” riep Annie in verrukking, „dan zijn wij allemaal hier, Paula, Bertha en ik.”
„En dan gaan wij in de vacantie naar Wilgenhorst,” vervolgde haar mama, „en nemen dan voor gezelschap eenige vriendinnen mee; dat zal je wel lijken, hè?”
„Nou, dat geloof ik!” riep Annie opgetogen.
Nu men dus wist, dat het geen afscheid voor langen tijd zou wezen, maar dat men elkaar in het begin van Januari terug zou zien, was het afscheid niet zoo treurig als anders het geval geweest zou zijn.