Annie van Walen

Part 11

Chapter 114,238 wordsPublic domain

„Dan moeten wij hem straks, als wij binnen zijn, goed bewonderen, want je weet zeker wel, dat ik veel van honden houd?” zeide Mary, haar vriendelijk toelachend, „ik ben erg benieuwd om kennis te maken met dien beroemden Flok, waarover je mij zooveel geschreven hebt. Vergeet vooral niet, dat ik hem moet zien opzitten.”

De automobiel stond stil en de gasten werden vroolijk verwelkomd door Tom en zijn drie zusjes. Kleine Tine stond al op de stoep te springen en riep reeds voordat het portier geopend was, met haar schelle stemmetje: „Dag, juffrouw Mary, dag juffrouw Mary!”

„Wacht eens, ik zal je juffrouw Maryen,” riep toen een vroolijke mannestem en voordat Tine wist, wat er gebeurde, werd zij in de sterke armen van mijnheer Van Walen in de hoogte getild.

„O, het is oompje,” zeide de kleine lachend, terwijl ze met haar beide kleine handen op ooms wangen trommelde en hevig spartelde om weer op den grond gezet te worden. „Dag, oom Karel,” hernam zij toen deze haar had neergezet, „waar is nu juffrouw Mary?”

„Wat een kleine schat,” fluisterde Mary tot tante Dora en op Tine toeloopende, die haar met een paar groote blauwe oogen aankeek, zeide zij, terwijl zij het kind een kus gaf, „ben jij nu Tine, van wie Annie mij zooveel verteld heeft? geef tante Mary maar eens gauw een zoentje.”

De kleine deed het en riep toen luid tegen Annie: „Annie, tante Mary is een heel lieve mama.”

Iedereen lachte en toen Mary de oudere meisjes en Tom ook begroet had, ging men de huiskamer binnen. „Annie,” zeide tante Dora, „wil jij juffrouw Mary haar kamer wijzen en zien of alles daar in orde is?”

Dit laatste was eigenlijk overbodig, want telkens als Suze naar boven was gegaan, was Annie met haar meegeloopen en had zij als een klein huismoedertje gevraagd: „Suze, heb je ook aan dit gedacht, Suze, heb je aan dat gedacht?” zoodat er werkelijk niets vergeten was.

Mary Ackfield trok den arm van het meisje door den haren. „Kom, Annie,” zeide zij, „wil jij me mijn kamer wijzen, dat vind ik aardig, dan gaan wij, als je het goed vindt, nu naar boven, Dora.”

„Zeker, dat is best,” antwoordde mevrouw Stubbens en hierop verlieten Annie en Mary het vertrek.

In de logeerkamer bleef Annie weifelend bij de deur staan, niet wetende, of zij zou mogen blijven, of dat zij moest heengaan.

„Je gaat toch niet weg, Annie?” klonk Mary’s stem vriendelijk. „Kom hier, laten wij eerst eens gezellig praten en elkaar beter leeren kennen, het is nog vroeg, wij hebben allen tijd; je hebt mij in je brieven wel veel verteld, maar ik ben toch verlangend meer over jezelve te hooren.” Al sprekend had Mary in een grooten armstoel plaats genomen en nu trok zij het meisje, dat inmiddels dichterbij gekomen was, naast zich in den stoel.

„Je bent wat te groot voor een schootkindje,” zeide zij lachend, „maar zoo kunnen wij ook gezellig praten. Ziezoo, vertel mij nu eens van je vriendinnetjes, Paula woont nu ook hier, is het niet?”

„O, ja, al een heelen tijd en wij hebben zoo’n pret,” en nu volgde een opgetogen verhaal over al het plezier, dat zij en Paula en de andere meisjes onder elkaar hadden.

Mary luisterde vol belangstelling, want zij vond het noodig Annie door en door te leeren kennen en de verhalen van het meisje vermaakten haar.

„Ik merk wel, dat je hier een prettig leventje hebt” zeide zij eindelijk, toen Annie uitgepraat scheen, „hoe zal je het op Wilgenhorst maken zonder al die vriendinnen?”

„O, daar denk ik nog maar niet aan, het duurt nog zoo lang, voordat ik terugga. Ik blijf nog wel een maand hier en wil ik u eens wat zeggen?” voegde Annie er verheugd bij „ik mag leeren schaatsenrijden, morgen zal oom voor mij een paar schaatsen koopen en als het blijft doorvriezen, zal Tom mij op de baan van de ijsclub leeren rijden. Tom zeide, dat het een schande was, dat ik het nog niet eerder geleerd had, maar papa was altijd bang dat ik verdrinken zou, maar de baan van de ijsclub is ondergeloopen land, daarom mag het nu wel.”

„Dat treft al bijzonder goed,” merkte Mary op, „want kijk maar eens, wat ik voor je heb meegebracht,” en opstaande haalde zij een pak uit haar koffer en reikte dit aan Annie over.

Annie maakte het open en bracht er een paar schaatsen uit te voorschijn.

„O, wat ’n prachtige schaatsen!” riep zij blij en er een tegen haar schoen houdende, voegde zij er bij: „kijk ze passen me precies, dank u wel, juffrouw Mary.”

„Ben je er blij mee, dat doet me plezier,” antwoordde Mary.

„Nu, òf ik er blij mee ben,” hernam het kind en gaf haar een kus.

„Ik heb voor de anderen ook wat mee gebracht, voor ieder een kleinigheidje, Annie, kijk eens, kan je de pakjes naar beneden dragen en uitdeelen terwijl ik mij verkleed?” vroeg Mary.

„Ik zal ze in mijn schort meenemen,” antwoordde Annie, dit kleedingstuk in de hoogte houdende, zoodat Mary er de pakjes in kon leggen.

„Voor tante Dora, voor Oom, voor Coba, voor Laura, voor Tom en voor Tine, heb ik de namen niet goed onthouden?” vroeg Mary lachend, terwijl ze de deur voor het meisje opende.

„Weet u die allemaal nog uit mijn brieven?” vroeg Annie verbaasd.

„Ja, meisje en pas nu maar op, dat je niet de trap afvalt met je volgeladen schort.”

„Doe eens open, ik heb mijn handen vol,” riep Annie voor de deur van de huiskamer gekomen.

Hier was de heele familie bij elkaar en Tom riep verbaasd: „Zou het een grap van Annie zijn?” maar hij stond toch op om de deur voor haar te openen. „Wel, heb ik van mijn leven, wat is dat allemaal, je lijkt wel St. Nicolaas met je schort vol pakjes!”

„Juffrouw Mary heeft voor ons allemaal wat meegebracht,” antwoordde Annie vroolijk. „Voor mij zulke mooie schaatsen, Tom, ik heb ze nog nooit zoo gezien, ze lijken wel heelemaal zilver. Help je mij nu even mijn schort leegmaken? ik kan het niet loslaten.”

Zooals wij boven reeds zagen, had Mary niemand vergeten en elkeen van oud tot jong was even blij met het aardige souvenir, dat zij had meegebracht.

„Dit popje kan ik niet opeten, dit is om mee te spelen, oom,” zeide Tine wijs, terwijl zij aan haar oom Van Walen een mooie pop liet zien.

„Maar, waarom zou je dat popje willen opeten, Tine, doe je dat altijd met je poppen?” vroeg haar oom, terwijl hij haar lachend op zijn knie trok.

„Die andere popjes kon ik opeten, maar deze kan op den rug van Flik rijden. Kom hier, Flik,” riep zij en nadat zij zich van haar ooms knie op den grond had laten glijden, begon zij jacht te maken op den kleinen fox-terriër, die dat een heerlijk spelletje vond, zich telkens achter iemand verstopte en dan om een hoekje gluurde om te kijken of Tine aankwam.

„Wat heb je ons allemaal bedorven, Mary,” zeide de heer Stubbens, toen Mary Ackfield een kwartiertje later beneden kwam.

„Je hadt mij geen prettiger cadeau kunnen geven, dan dat mooie etui met scharen, hartelijk dank ervoor, Mary,” zeide tante Dora en gaf Mary een kus.

„Tante Mary,” riep Tom opgewonden, „ik heb nooit zoo’n zakportefeuille gezien!” en een arm om Mary’s middel slaande, danste hij met haar in de rondte.

„Thomas, Thomas, niet zoo wild,” vermaande zijn vader, „je zoudt juffrouw Mary laten vallen.”

„Kom maar hier bij mij zitten, Mary,” merkte de heer Van Walen lachend op, „als ik je aan die jeugdige wildebrassen over laat, vermoorden zij je nog uit dankbaarheid voor al die mooie geschenken.”

„Ja en ik wil geen bedankjes meer aannemen,” zeide Mary, „jullie doet alsof het heel wat is.”

„Zeg, Mary, welke engel heeft je ingeblazen, dat ik juist mijn zakpotlood kwijt ben?” vroeg de heer Stubbens, terwijl hij een keurig gouden potlood in de hoogte hield. „Je verbiedt ons wel om je te bedanken, maar ik doe het toch, op gevaar af mijn kinderen ongehoorzaamheid te leeren.”

Natuurlijk bedankten Coba en Laura Mary ook hartelijk voor de mooie armbanden, die zij voor hen had meegebracht; Coba sloofde zich zelfs uit om vriendelijk te zijn, waarbij Laura natuurlijk haar voorbeeld volgde.

Nu braken er heerlijke dagen voor Annie aan. Zij ging hoe langer hoe meer van Mary houden, die zooveel mogelijk met het meisje samen was.

Zij haalde haar ’s middags van school, ging zelfs den Zaterdag na haar komst met Tom en Annie naar het ijs om Annie’s eerste lessen in het schaatsenrijden bij te wonen. Geen wonder, dat het Annie geducht speet, toen de acht dagen van Mary’s bezoek om waren en zij en haar zuster weer met den heer Van Walen naar Engeland vertrokken, waar Annie’s vader en Mary de volgende maand zouden trouwen.

„Het spijt me zoo, dat je niet bij het trouwen kunt zijn, Annie,” zeide Mary bij het afscheid nemen, terwijl zij het meisje, dat aan haar hals hing, hartelijk kuste, „maar je papa vindt het beter van niet en je zoudt het misschien toch niet prettig vinden met al die vreemde menschen, die je niet kunt verstaan en die niet zouden begrijpen wat jij zegt. Bovendien moet je nu nog maar zoo lang mogelijk van Paula genieten, nu zij hier blijft, als jij teruggaat naar Wilgenhorst.”

„Nu, dag kleine meid, als de Kerstvacantie begint, komen mama en papa hun dochter halen en dan zal zij niet meer alleen zijn met een ouden, brommerigen papa,” zeide de heer Van Walen schertsend, toen hij Annie vaarwel kuste.

„U bent geen brommige oude papa,” antwoordde Annie half schreiend „en u moet gauw terugkomen met mama.”

Mary lachte haar vriendelijk toe en reikte haar vanuit de coupee nog eens de hand, het portier werd dichtgeslagen en de heer Van Walen en zijn aanstaande vrouw reden weg, terwijl Annie hen met een bedroefd gezichtje stond na te kijken. Aan het volgende station zouden zij Mary’s zuster vinden, die in die afgeloopen week ook nog een dag bij de familie Stubbens had doorgebracht en dan zouden zij met de nachtboot naar Engeland vertrekken.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

GROOTMAMA HERMSEN WAAGT NOG EEN POGING.

Drie weken waren voorbijgegaan, ook de St. Nicolaasavond behoorde tot het verleden, nadat hij bij de familie Stubbens met groote vroolijkheid en vele verrassingen gevierd was en op den morgen van den elfden December, toen Annie zich nog aan het kleeden was, werd er op de deur van haar kamer getikt en kwam Suze binnen met een brief in de hand.

„Mevrouw zeide, dat ik hem maar gauw bij je boven moest brengen, Annie, omdat hij uit Engeland komt,” zeide Suze.

„O, Suze, hoe heerlijk, dank je wel,” riep Annie blij en zoodra het meisje weg was, scheurde zij de enveloppe open en begon den brief te lezen. Twee dagen te voren waren haar vader en Mary getrouwd en onmiddellijk daarna, voordat zij op reis gingen, had Mary een kort briefje (de brief, dien Suze had binnengebracht) aan Annie geschreven om haar te vertellen dat zij nu op reis gingen en over een dag of tien hun dochter zouden komen halen.

„Ik heb een brief van mama gekregen, tante,” zeide Annie vroolijk, zoodra zij de huiskamer binnenkwam, „over een dag of tien komen mama en papa mij halen.”

„Niets lief van je, dat je daar zoo blij om bent, Annie,” merkte Tom somber op, „ik ben nog niet half klaar met het dresseeren van Flok en dien neem je natuurlijk mee.”

„Dat zal waar zijn, Tom, maar je moet maar op Wilgenhorst komen om Flok nog meer kunsten te leeren, mag hij, tante?”

„Nu, wij zullen eens zien, misschien mag hij, als hij heel braaf is, in de Paaschvacantie een weekje naar Wilgenhorst komen, als oom en tante Van Walen hem tenminste hebben willen.”

„Natuurlijk willen zij dat, tante, dat weet ik zeker.”

„Zoo’n verwend klein spook,” bracht haar oom lachend in het midden, „zij denkt, als ik het maar wil, vinden mama en papa het ook wel goed.”

„Neen, zij vinden het heusch, echt, goed,” antwoordde Annie, „u zal het zien.”

„Nu het is nog lang, je hoeft er nu je boterham nog niet voor te laten staan, Annie, eet die nu eerst maar kalm op,” zeide haar tante.

Toen de kinderen naar school waren, zeide de heer Stubbens tot zijn vrouw: „als Mary en Karel terug zijn, moesten wij hun toch den raad geven om ook hier te komen wonen en alleen in den vacantietijd naar Wilgenhorst te gaan, zooals wij met Rustoord doen. Ten eerste behoeft Annie dan niet weer van school te veranderen en ten tweede geloof ik stellig, dat het kind zich daar op Wilgenhorst zal doodkniezen nu Paula daar ook niet meer is en zij hier aan al die vriendinnetjes gewoon is geraakt.”

„Ik had er ook al over gedacht,” antwoordde mevrouw Stubbens; „het is alles goed en wel, dat zij veel van haar vader en Mary houdt, maar het kind moet toch meisjes van haar eigen leeftijd om zich heen hebben; zij wordt anders veel te ouwelijk, als zij alleen maar volwassen menschen heeft om mee om te gaan. Als zij hier komen, zullen wij er Karel en Mary eens over spreken.”

Dienzelfden dag had op Zorgvliet een ander onderhoud plaats.

Mevrouw Hermsen zat weer, zooals op den dag, toen wij voor het eerst kennis met haar maakten, voor het venster in haar huiskamer te haken, toen Willem Stokman werd aangediend.

„Je komt als geroepen,” zeide de oude mevrouw, toen Stokman haar bij zijn binnentreden zeer onderdanig gegroet had. „Ik had je juist eens willen laten komen om je te vragen hoe je erover dacht het nogeens te beproeven.”

„Het spijt mij verbazend, mevrouw,” antwoordde de jonge man, „maar ik kwam hier om u te zeggen, dat ik door de vriendelijke tusschenkomst van den heer Stubbens ben klaar gekomen op het kantoor van Mr. Van Dungen. Ik moet er Maandag al zijn en nu ga ik morgen naar de stad om geschikte kamers te zoeken en meneer Stubbens voor zijn hulp te bedanken.”

„Maar, Willem, dat is dan een prachtige gelegenheid. Je weet niet, hoe ik naar het kind verlang en zij houden haar nu van mij verwijderd, in al den tijd dat zij bij de familie Stubbens is, heb ik het meisje maar driemaal hier gehad en nooit alleen!”

„Ik denk, dat zij uw booze plannen vermoeden,” merkte Stokman grinnekend op.

„Wel neen, hoe zou dat kunnen? neen, dat was het niet, die kleine Tine wilde met alle geweld altijd mee, en hoe kan je nu toch van „booze plannen” spreken? je zoudt er toch geen kwaad door doen, een kind bij haar eigen grootmoeder te brengen, die toch altijd meer recht op haar heeft dan een tante?”

„Als het tegen den zin van haar ouders was, zou het wel verkeerd zijn en, zooals ik u zeg, het is mij onmogelijk verder iets voor u te doen, nu meneer Stubbens mij zoo geholpen heeft. Ik krijg bij Mr. Van Dungen een prachtig salaris en wil dat niet door zoo’n onvoorzichtigheid verspelen.”

„Ja, zoo gaat het altijd, nu je mij niet meer noodig hebt, moet ik mezelve maar helpen, eerst was je wat blij, dat je dat geld verdienen kon.”

„Mevrouw, ik kan het werkelijk niet doen,” antwoordde Stokman vastberaden, „mijn toekomst staat op het spel.”

„Dan zal ik het zelf doen,” antwoordde de oude dame driftig. „Mina wil ook niet terug naar Wilgenhorst, nu die vreemde vrouw daar zal regeeren en ik wil niet dat die Engelsche de baas zal spelen over mijn lief kind!”

„U vergeet, dat zij niet uw kind is, maar dat van meneer Van Walen, maar u moet natuurlijk weten wat u doet, het zijn mijn zaken niet. Toch wil ik u nog wel één ding zeggen; ik heb gehoord, dat uw kleinkind met haar nieuwe mama dweept, zooals meisjes dat kunnen doen; zij waren altijd samen, dus is het wel hard de vraag, of Annie zal willen.”

„Ik zal het haar niet vragen, ik neem haar eenvoudig mee naar Duitschland. Ik vind het beter, dat zij bij haar eigen grootmoeder is, dan bij die Engelsche mevrouw en daarmee uit!”

„Dan heb ik niets meer te zeggen, mevrouw, uw dienaar, mevrouw,” en na een diepe buiging verliet Stokman het vertrek.

Zoodra hij weg was, liet mevrouw Hermsen Mina roepen. „Mina,” zeide zij, toen deze verscheen, „je hebt mij immers gezegd, dat je niet meer naar Wilgenhorst terug wilt?”

„Ja, mevrouw, dat heb ik ook gezegd; ik heb gisteren aan meneer Van Walen geschreven om hem geluk te wenschen en in dien brief heb ik meteen gezegd dat ik niet meer terug kwam, want dat meneer mij nu toch niet meer noodig had en ik nu beter bij u kon blijven. Om het kind spijt het mij vreeselijk; maar ik wil niet onder zoo’n vreemde dame staan.”

„Goed, luister dan eens, Mina. Iedereen laat mij in den steek, jij bent de eenige, die ik nog vertrouwen kan, dus moet jij mij helpen.” En nu deelde de oude dame Mina Holst al haar plannen mede, terwijl zij afspraken, dat Mina Holst mevrouw Hermsen en Annie naar het buitenland zou vergezellen.

Toen Annie den Zaterdag na het gesprek van mevrouw Hermsen met Stokman om twaalf uur de school uitkwam, stond daar een rijtuig voor de deur en hoorde zij Louise Bronsma tot den koetsier zeggen: „Daar komt jongejuffrouw Van Walen. Annie,” vervolgde Louise tot haar, toen zij haar zag, „deze koetsier heeft een briefje voor je.”

Verbaasd maakte Annie het open. „O, het is van tante,” zeide zij tot Louise, die nieuwsgierig was blijven wachten om te hooren van wie het kwam. „Tante zegt, dat ik naar het station moet rijden om papa en mama te halen,” riep Annie eensklaps dansend van plezier. „Nu al, verbeeld je Lou, ze zijn nu al terug. Nou dag,” en Annie stapte in het rijtuig, de koetsier sloot het portier, klom op de bok en reed naar het station.

In het briefje stond dat mevrouw Stubbens geen tijd had om mee naar het station te gaan, maar dat Annie haar oom in de vestibule van dat gebouw zou vinden. Tante had haar het rijtuig gezonden, omdat zij anders te laat zou komen.

Eindelijk hield het rijtuig stil, de koetsier opende het portier, Annie stapte uit en ging het gebouw binnen, terwijl het rijtuig wegreed.

Het meisje kon haar oogen bijna niet gelooven, toen zij in plaats van haar oom Mina Holst voor zich zag staan.

„Juffrouw Mina?” riep zij verrast en sloeg de armen om den hals der oude vrouw.

„Dag, kind, dag mijn lieve Annie!” zeide Mina, die werkelijk aangedaan was bij het zien van het kind, „ga maar gauw met mij mee.”

„Is oom er niet, moet ik niet op hem wachten?” vroeg Annie.

„Neen, kind, ze wachten je allemaal bij grootmama, kom dus maar gauw,” antwoordde Mina het meisje bij de hand nemende en met haar de trappen op loopende naar het perron, waar de trein, die zij hebben moesten, juist kwam binnenrijden. Zij stapte met het meisje in een eerste klasse coupee en wees Annie toen op al de drukte buiten, om de aandacht van het meisje van de oude dame af te leiden. Hun portier werd gesloten, de chef gaf het sein tot vertrekken en het volgende oogenblik zette de trein zich in beweging.

„Nu, Annie, zou je je grootmama nu niet eens goedendag zeggen,” klonk een stem achter haar en zich verbaasd omkeerende, zag Annie op de bank tegenover haar mevrouw Hermsen in levende lijve zitten.

„Dag grootma!” riep het kind verheugd, „hoe komt u hier, ik dacht dat pa en ma en oom bij u thuis waren.”

„Noem die vreemde vrouw niet je mama, Annie, je mama, dat was mijn eigen, lieve dochter, die wij helaas zoo vroeg verloren hebben,” zeide de oude mevrouw met tranen in de oogen, „die Engelsche is een indringster en ik zal zorgen, dat zij mijn kleine Annie niet ongelukkig zal maken. Ik zal je voor haar beschermen, mijn kind.”

Annie zat in stomme verbazing naar haar grootmoeder te luisteren. Zij begreep niet de helft van hetgeen deze zeide, het eenige dat duidelijk tot haar was doorgedrongen, was dat haar grootmoeder gezegd had, dat haar nieuwe mama een indringster was en daarom antwoordde zij eindelijk driftig: „Mijn nieuwe mama is geen indringster, zij is heel lief, dat zegt tante Dora ook en ik houd dol veel van haar. Waar is mama?”

Het kind begreep er niets van. Zij zou haar papa en mama en haar oom bij haar grootma vinden en nu zat grootma bij haar in den trein! het was alles even verward voor haar.

„Heb je het briefje van je tante nog?” vroeg mevrouw Hermsen zonder op de vraag van het meisje te antwoorden.

Annie voelde in haar zak, maar vond het niet, „ik ben het kwijt,” zei zij, „maar waar zijn papa en mama, grootma?”

„Ben je het kwijt? dat is jammer, ik had het graag gezien,” zeide de oude mevrouw, „om precies te weten wat je tante geschreven had. En je vraagt, waar je papa en zijn vrouw zijn? voor zoover ik weet zitten zij nog hoog en droog in Engeland!”

Na een oogenblik gezwegen te hebben vervolgde mevrouw Hermsen, „maar vraag mij nu niet meer naar die nieuwe vrouw van je papa, Annie, daar doe je mij verdriet mee. Kijk eens kind, houd je van geconfijte vruchten, ik heb een doos voor je meegebracht. Ziezoo, smul daar nu maar lekker van dan zal ik je eens wat zeggen. Nu je papa toch nog in Engeland is ga jij met grootma op reis naar Duitschland, wat zeg je daarvan? Vóór de vacantie hoef je nu niet meer naar school en in plaats daarvan ga je naar Keulen. Daar ben je nog nooit geweest, is het wel?”

Het eerste oogenblik, toen zij hoorde, dat zij haar papa en mama niet zou zien, was Annie diep ongelukkig en begon zij te huilen, maar weldra werkten die heerlijke doos met geconfijte vruchten en de gedachte vóór de vacantie niet meer naar school te hoeven, samen om haar te troosten.

„Vinden oom en tante het goed, dat ik met u op reis ga, grootma?” vroeg zij, toen zij haar tranen gedroogd had.

„Je eigen grootmoeder heeft toch meet over je te zeggen dan een oom en tante,” merkte de oude dame op.

Nu dacht Annie eensklaps met schrik aan haar hondje.

„Wij hebben Flok vergeten,” zeide zij angstig.

„Maak je daar maar niet ongerust over, Tom zal wel voor Flok zorgen,” zeide mevrouw Hermsen en nu begon zij Annie allerlei heerlijks te vertellen van de reis, die haar wachtte, zoodat het meisje er langzamerhand werkelijk plezier in begon te krijgen, met hoe langer hoe meer belangstelling luisterde en de oude dame ten slotte met vragen overstelpte.

Inmiddels heerschte ten huize van de familie Stubbens groote verwondering, toen Annie om twaalf uur niet thuiskwam.

„Moest zij misschien schoolblijven, en heeft zij ons dat niet durven vertellen?” opperde haar oom.

„Neen,” antwoordde Tom, „want wij hadden afgesproken van middag te zullen gaan schaatsenrijden.”

„Ik begrijp er niets van,” merkte mevrouw Stubbens ongerust op, „ik wou dat Van Walen maar hier was. Wat moeten wij doen, Johan?”

„Zij laten de meisjes daar op school immers nooit zonder voorkennis van de ouders of familie schoolblijven?” vroeg de heer Stubbens.

„Neen, man, nooit!”

„Hoe laat is het nu?” hij keek op zijn horloge, blijkbaar zelf niet wetende, hoe hij de zaak moest aanpakken. „Al half twee,” merkte hij op. „Thomas, rijd eens even op je fiets naar mevrouw Tillens en vraag of zij daar is, dan telefoneer ik in dien tijd naar mevrouw Van Scheik. Of, neen, wacht maar, de Van Scheiks kunnen het wel voor ons aan mevrouw Tillens vragen, dat is er vlak over; rijd jij liever naar mevrouw Bronsma, maar daar zal Annie stellig niet zijn; ik zal liever eerst telefoneeren.”

Hij was even zenuwachtig als zijn vrouw, maar wilde zijn best doen om kalm te blijven om haar niet angstig te maken. Zijn telefoneeren was echter tevergeefs, want noch bij de Van Scheiks, noch bij mevrouw Tillens was Annie geweest. „Rijd dan maar even naar mevrouw Bronsma,” zeide hij nu, „maar ik weet bijna zeker dat het voor niets is.”

Tom reed als de wind en kwam een kwartier later terug met Louise, die gelukkig ook kon fietsen.

„Vertel nu maar gauw aan papa, wat je weet, Louise,” zeide Tom, zoodra zij binnen waren. „Ik zal wel voor de fietsen zorgen.”

De heer en mevrouw Stubbens waren al in de gang gekomen en nu vertelde Louise dadelijk nadat zij hen begroet had, hoe Annie in een rijtuig van school gehaald was.

„Wie zat erin?” vroeg mijnheer Stubbens.

„Niemand, het was leeg. Toen ik de school uitkwam, vroeg de koetsier mij of jongejuffrouw Van Walen er nog was, en Annie kwam toen juist naar buiten. Toen gaf de koetsier haar een briefje en zij zeide tegen mij dat het van haar tante was. Zij zeide: „het is van tante en ik moet naar het station rijden om papa en mama te halen,” en zij was zoo blij.”

„Een briefje van mij!” riep mevrouw Stubbens verschrikt, „dat heb ik nooit geschreven!”

Louise keek erg angstig. „Is Annie dan weg?” vroeg zij. „Kan ik niets doen om haar te helpen zoeken?”