Part 8
Toen zij een der laatste quadrilles danste met een vervelend heer, dien zij niet had kunnen afwijzen, kwam zij juist vis à vis Wronsky en Anna. Zij was sedert de eerste maal niet meer met Anna saamgekomen en zag haar nu plotseling weer in een geheel nieuwen en onverwachten toestand. Zij aanschouwde in Anna de haar zelf zoo wel bekende teekenen der opgewondenheid van vervulde hoop; zij zag haar bedwelmd door verrukking; zij zag den opvallenden glans in haar oogen en den lach van geluk en levenslust, die onwillekeurig haar lippen omspeelde; zij zag de gracieuse zekerheid en lichtheid harer bewegingen.
"Wie?" vroeg Kitty zich zelf: "Allen of maar een enkele?" en zonder den zich aftobbenden jongeling, die met haar danste, te helpen--ofschoon hij den draad van het gesprek verloren had en niet weer kon vinden--en terwijl ze werktuigelijk de luide commando's volgde, sloeg zij onafgebroken Anna gade, en haar hart kromp meer en meer ineen.
"Neen, dat is niet de bewondering der menigte, die haar bedwelmt, het geldt slechts éénen en deze ééne is hij! Is het mogelijk? Is _hij_ het?"
Telkens als hij met Anna sprak, lichtten haar oogen in vroolijken glans. Maar wat deed hij dan? Kitty zag hem aan en verschrok. Zij zag bij hem datgene, wat zij in den spiegel in haar eigen gelaat zag. Waar was zijn kalme en vaste houding gebleven? Waar de uitdrukking van zorgelooze gelijkmoedigheid in zijn gelaat? Neen! Nu, telkens als hij zich tot Anna keerde, boog hij het hoofd, als wenschte hij voor haar neer te vallen en in zijn blik lag slechts de uitdrukking der innigste liefde, gepaard met angstige beklemdheid. "Ik wil u niet beleedigen, maar ik zou mij zelf willen redden en geef niet toe!" zoo sprak elk zijner blikken.
Het geheele bal, de geheele wereld werd voor Kitty's ziel met een nevel bedekt. Slechts de strenge school harer opvoeding, die zij was doorgegaan, hield haar staande om te kunnen doen, wat men van haar verwachtte, dat was, dansen, op alle vragen antwoorden, spreken, zelfs lachen. Maar voor het begin van den cotillon, toen men reeds de stoelen terecht zette en zich eenige paren uit de groote naar de kleine zaal begaven, werd Kitty een oogenblik door angst en vertwijfeling overvallen. Vijf heeren had zij afgewezen en nu had zij geen danser; er was zelfs geen hoop meer, dat zij nog gevraagd zou worden, juist omdat zij altijd zoo gezocht geweest was en het niemand kon invallen, dat zij nog vrij zou zijn. Zij moest haar moeder zeggen, dat zij ongesteld was en naar huis moest; maar daartoe had zij den moed niet; zij gevoelde zich als vernietigd.
Zij ging een klein salon binnen en gleed op een stoel neder. Het luchtige kleed golfde als een wolk om haar fijne taille; de eene arm lag krachteloos in de vouwen van de rosa-tunica neder; de andere hield den waaier en verkoelde met een korte, snelle beweging haar gloeiend gelaat. Maar in weerwil van deze gelijkheid met een vlinder, die zich zoo even op een grashalm heeft neergezet en gereed is de bonte vleugels weer te openen en verder te fladderen, benauwde een ontzettende vertwijfeling haar het hart. "Wellicht vergis ik mij! Misschien is het volstrekt niet zoo!" Maar nogmaals ging voor haar innerlijk oog alles voorbij, wat zij gezien en gevoeld had, en zij kon niet meer twijfelen.
"Kitty, wat is dat nu?" vroeg gravin Nordston, die haar over het dik tapijt onhoorbaar genaderd was; "ik begrijp dat niet!"
Kitty's onderlip beefde; zij richtte zich dadelijk op.
"Kitty, gij danst den cotillon niet mede?"
"Neen, neen," antwoordde Kitty met een door tranen verstikte stem.
"Hij heeft haar in mijn tegenwoordigheid voor den cotillon geëngageerd," zeide de gravin Nordston, die wist, dat Kitty begreep, wie "hij" en "zij" waren: Zij zeide: "danst gij dan niet met prinses Tscherbatzky?"
"Och, 't is mij alles hetzelfde!" antwoordde Kitty. Niemand als zij zelf begreep haar toestand, niemand wist, dat zij eerst gisteren een man, die zij wellicht beminde, had afgewezen en daarom had afgewezen, omdat zij aan een anderen geloofde. Gravin Nordston zocht Korszunsky op, met wien zij zelf anders den cotillon zou gedanst hebben, en beval hem Kitty te engageeren. Korszunsky en Kitty dansten als eerste paar en tot haar geluk behoefde zij niet veel te spreken, want Korszunsky had genoeg te loopen en te ordenen; Wronsky en Anna zaten bijna tegenover hen. Zij zag hen van verre en zag hen als zij in den dans haar meer nabij kwamen, en hoe meer malen zij hen zag, des te meer werd zij overtuigd, dat haar ongeluk was voltooid. Zij zag, dat zij zich in de volle zaal geheel alleen gevoelden, en op Wronsky's anders zoo zelfbewust en vast gelaat zag zij nu een treffende uitdrukking van wankelmoedige onderworpenheid, gelijk aan de uitdrukking van een schranderen, zich schuldig gevoelenden hond.
Anna lachte, en haar lachen deelde zich aan hem mede; werd zij nadenkend, dan werd hij ernstig; een bovennatuurlijke kracht kluisterde Kitty's blik aan Anna; zij was verrukkelijk in haar eenvoudig zwart kleed; verrukkelijk waren haar met rijke braceletten omsloten armen, verrukkelijk haar hals met parelsnoer, verrukkelijk de lokken van haar een weinig losgegane frisuur, verrukkelijk haar bevallige, lichte bewegingen, verrukkelijk het schoon gelaat in zijn levendigheid; maar er was iets verschrikkelijks en vreeswekkends in al deze bekoorlijkheid gelegen.
Kitty bewonderde haar nog meer dan vroeger, maar deze bewondering veroorzaakte haar geen vreugde, maar kwelling. Zij gevoelde zich vernietigd en haar gelaat drukte dat ook uit. Haar oogen stonden dof en haar wenkbrauwen waren opgetrokken. Toen Wronsky haar in den cotillon ontmoette, werd hij door haar aanblik getroffen; hij herkende haar nauwelijks.
"Een allerprachtigst bal," zeide hij, om slechts iets te zeggen.
"Ja," antwoordde zij.
Midden in den cotillon moest Anna, om een nieuwe door Korszunsky uitgevonden, gecompliceerde figuur uit te voeren, in het midden van den kring treden; zij nam twee heeren en riep Kitty en een dame tot zich. Kitty naderde haar en zag haar schuchter aan. Anna zag haar met toegeknepen oogen aan en drukte lachend haar hand; maar toen zij bemerkte, dat Kitty's gelaat slechts met een uitdrukking van verwondering en twijfel haar lachen beantwoordde, wendde zij zich van haar af en begon opgewekt met de andere dame te spreken.
"Ja, er is iets vreemds, duivelsch en verrukkelijks in haar!" zeide Kitty bij zich zelf.
Anna wilde niet op het souper blijven, hoezeer de gastheer haar ook drong. "Neen, ik blijf niet," antwoordde zij beslist. Wronsky stond naast haar en zweeg. Zij keerde zich naar hem om. Hoewel zij hem slechts eenige malen gezien had, gevoelde zij toch, dat tusschen hem en haar een verleden vol beteekenis lag.
"Neen, ik heb op dit eene bal bij u al meer gedanst, dan den geheelen winter in Petersburg," zeide zij; "ik moet voor de afreis nog wat rusten."
"U reist dus morgen bepaald af?" vroeg Wronsky.
"Ja, dat denk ik!" antwoordde Anna, alsof zij zich over zijn koene vraag verwonderde. Maar een onwillekeurig en trillend licht in haar oogen en haar zenuwachtig lachje verzengde hem, terwijl zij dat zeide.
Anna bleef niet op het souper, maar reed aanstonds weg.
XV.
Na den avond vol kwelling bij de Tscherbatzky's was Lewin onmiddellijk naar het telegraafkantoor gereden en zond een telegram naar huis, dat men hem den volgenden dag van het station zou afhalen. Nadat hij van zijn broeder Sergei afscheid had genomen, verliet hij Moskou den volgenden morgen en was 's avonds reeds weer te huis.
Onderweg en ook reeds te Moskou had hem een verwarring van denkbeelden, een ontevredenheid met zich zelf, een zeker gevoel van schaamte bevangen; maar toen hij aan zijn station uitstapte en zijn eenoogigen koetsier Ignat in den opgeslagen kraag van zijn kaftan gedoken zag staan; toen hij bij het zwakke lichtschijnsel uit de stationsvensters zijn slede en zijn paarden herkende, en toen Ignat, terwijl hij in de slede plaats nam en zich warm in zijn reisdeken hulde, hem verhaalde, dat de nieuwe werkopzichter was aangekomen, en dat de koe Pawa gekalfd had, verdween het gevoel van schuwheid en ontevredenheid. Hij gevoelde, dat hij weer zich zelf was; alleen wilde hij nu beter worden; hij besloot in de eerste plaats niet meer op een buitengewoon geluk, zooals hij gedacht had in een huwelijk te zullen vinden, te hopen, en derhalve wilde hij ook het tegenwoordige niet meer verachten; en eindelijk wilde hij zich niet meer door een zinnelijken hartstocht laten medeslepen. Daarna herinnerde hij zich ook een gesprek over communisme, en terwijl hij gister nog vluchtig daarover heen was geloopen, dacht hij er nu ernstig over na, en ofschoon hij ook elke omwenteling op oeconomisch gebied voor onzin hield, kwam hem nu toch zijn overvloed tegenover de armoede des volks als onrechtmatig voor, en hoewel hij tot hiertoe veel gewerkt en eenvoudig geleefd had, besloot hij voortaan nog meer te werken en zich nog minder weelde te veroorloven.
Met het verfrisschend gevoel van de hoop op een nieuw, beter leven naderde hij 's avonds ten nege ure zijn huis. Uit de vensters der kamer van Agasija Michailowna, de oppasster zijner jeugd, thans zijn huishoudster, viel het licht op de besneeuwde voorplaats van het huis. Zij sliep, dus nog niet. De door haar gewekte Kusma ijlde barrevoets en slaapdronken naar de buitentrap. De patrijshond Laska drong zich kwispelstaartend tegen zijn knieën, ging op de achterpooten staan, maar waagde het niet, zooals hij gaarne zou gedaan hebben, de voorpooten tegen zijn borst te zetten.
"Wat zijt gij spoedig terug gekomen, vadertje!" zeide Agasija.
"Het was er vervelend, Agasija Michailowna! Ginds is het schoon, maar t'huis nog beter!" antwoordde hij en ging naar zijn kamer.
Het vertrek werd nu door een binnengebrachte lamp verlicht; alle hem zoo wel bekende voorwerpen, die zich daarin bevonden, werden nu zichtbaar; het gewei van een koningshert, de boekenplank, de kachel, die lang gerepareerd had moeten worden, de sofa en daarvoor de groote tafel met een opengeslagen boek, een gebroken aschbeker en daarnaast een door hem zelf beschreven schrijfboek. Toen hij dit alles zag, beving hem voor een oogenblik de twijfel aan de mogelijkheid om een nieuw leven te beginnen, zooals hij dat onderweg gedroomd had; 't was hem of al deze getuigen van zijn vroeger leven hem omringden en zeiden: "Neen, gij wordt ons niet afvallig en wordt geen ander mensch! Gij blijft, die gij waart, met uw twijfel en uw bestendig wantrouwen tegen u zelf, met de ijdele voornemens om u te verbeteren en met uw eeuwig hopen op een geluk, dat voor u is weggelegd."
"Onzin," sprak hij luid tot zich zelf, ging naar een hoek, waar hij twee gewichten had staan, hief ze op en begon gymnastische oefeningen. Hij hoorde voetstappen voor de kamerdeur. Toen zette hij de gewichten dadelijk weer op hun plaats.
De rentmeester trad binnen en meldde, dat alles, Goddank, in orde was, maar hij liet er terstond op volgen, dat de boekweit in de nieuwe droogkamer wat was aangebrand. Dit bericht ergerde Lewin. Deze droogkamer was door hem zelf gebouwd naar een ten deele zelf gevonden nieuw plan. De rentmeester was er altijd tegen geweest en meldde nu met een geheim leedvermaak, dat de boekweit was verbrand. Lewin was stellig overtuigd, dat zoo ze verbrand was, hiervan de oorzaak alleen was gelegen in het verzuim om de noodige maatregelen te nemen; dit ergerde hem en hij liet dit den opzichter gevoelig blijken.
Maar er had nog een andere gewichtige en blijde gebeurtenis plaats gegrepen. Pawa, zijn beste en prachtigste koe, die hij op een tentoonstelling gekocht had, had gekalfd.
"Kusma, geef me mijn pels! en neem gij een lantaarn; ik wil ze eens gaan zien."
De stal voor de fokkoeien was dicht bij het huis. Lewin ging den stal in, bekeek Pawa en zette het kalf op zijn lange, waggelende pooten. De angstige Pawa begon te bulken, maar werd, zoodra Lewin haar het kalf weer toeschoof, rustig en begon toen met haar ruwe tong het kalf te likken. Dit stak den kop zoekend onder zijn moeders buik en kwispelde met den staart.
"Licht toch eens goed bij, Fedor! Hier met de lantaarn." zeide Lewin, terwijl hij het kalf bezichtigde. "Precies als de moeder, ofschoon in kleur op den vader gelijkend! Prachtig! Lang en mooie breede schoften! Nietwaar, Wassili Fedoritsch?" zoo wendde hij zich tot den rentmeester, terwijl hij uit blijdschap om het kalf de ramp met de boekweit geheel vergat.
"Hoe zou het ook leelijk kunnen zijn?" was het antwoord. "En Simeon, de opzichter, is dadelijk den dag na uw afreis gekomen. Wij moeten met hem afrekenen. Over de machine heb ik u al vroeger gesproken."
Deze aangelegenheid verplaatste Lewin weer terstond te midden van zijne groote en ingewikkelde landhuishoudelijke zaken; uit den stal ging hij dadelijk naar het kantoor, en nadat hij met den rentmeester het dringendste had besproken, ging hij naar boven naar het salon.
XVI.
Het was een groot en uitgestrekt oud gebouw, en hoewel hij het alleen bewoonde, gebruikte en verwarmde hij het geheele huis. Hij wist, dat het dwaas, dat het ook niet goed en dat het vooral met zijne nieuwe voornemens in strijd was, maar dit huis was voor hem de geheele wereld, het was die wereld, waarin zijn ouders geleefd hadden, en gestorven waren. Het leven dat zij geleid hadden, was voor Lewin het ideaal des levens, dat hij gedroomd had met zijn vrouw en zijn familie te vernieuwen.
Lewin kon zich zijn moeder nauwelijks herinneren. De gedachte aan haar was hem een heilig aandenken, en zooals haar beeld in zijn ziel was geprent, stelde hij zich zijn toekomstige vrouw voor.
Toen hij het kleine salon, waar hij gewoon was thee te drinken, was binnengetreden, zette hij zich in zijn leunstoel neder en Agasija Michailowna zette zich, toen ze de thee gebracht had, bij het venster. Nu kwam hij tot het bewustzijn, dat hij zonder zijn hoop en zijn droomen niet kon leven; met haar of met een andere, maar het moest zoo zijn. Hij las in het boek, dacht over het gelezene na, hield ook dikwijls op om naar Agasija's onophoudelijk gebabbel te luisteren en te gelijk rezen beelden uit zijn werkkring en uit zijn toekomstig familieleven, geheel zonder samenhang, voor zijn geest. Het boek, dat hij las, was dat van Tyndall "Over de warmte." "Dat over de kometen is onwaar, hoewel men 't met genoegen leest," dacht hij. Plotseling viel hem een aangenamer gedachte in: "Over twee jaar kan ik onder mijn kudde twee Hollandsche koeien hebben, twaalf jonge dochters van Berkus, den bul, en Pawa kan dan ook nog leven, en deze drie er bij--prachtig!" Hij nam het boek weer ter hand. "Nu goed! electriciteit en warmte zijn een en hetzelfde! Zou het ook stelkunstig mogelijk zijn een oplossing te vinden door voor de eene van die grootheden de andere te stellen? Neen. Dat doet er echter ook niets toe!... Bizonder aangenaam zou het zijn, als dat kalf van Pawa al een groote koe was, en die andere drie nog daar bij--Prachtig! En als ik dan met mijn vrouw den veestapel ga bezichtigen, zegt mijn vrouw tot de gasten: dit kalf hebben Kostja en ik zelf groot gebracht."--"Hoe kunt ge daar genoegen in vinden?" vraagt een der gasten. "Alles wat hem genoegen doet, doet ook mij genoegen.... Maar wie is zij? In Moskou is iets ernstigs voorgevallen.... Maar wat er aan te doen? Ik heb er geen schuld aan.... Maar nu wil ik een nieuw leven beginnen.... 't Zal echter nauwelijks mogelijk zijn; mijn vorig leven zal het beletten. Doch leven als tot hiertoe? Ja, maar beter, veel beter!"
Hij leunde met het hoofd achterover en dacht na. De oude Laska, die de vreugd over de terugkomst van zijn meester nog niet kon inhouden en eerst naar buiten geloopen was om daar eens goed uit te blaffen, kwam nu kwispelstaartend binnen en schoof den kop onder zijn hand om gestreeld te worden.
"Het spreken ontbreekt er maar aan en hij is toch maar een boerenhond," zei Agasija. "Maar hij begrijpt, dat zijn meester thuis gekomen en niet goed geluimd is."
"Waarom zou ik niet goed geluimd zijn?"
"Alsof ik dat niet zou kunnen zien, vadertje! Ik moet mijn heerschap toch wel hebben leeren kennen. Het is zoo erg niet, vadertje, als men maar gezond en rein van hart is."
Lewin zag haar nadenkend aan, terwijl hij zich verwonderde, dat zij zoo zijn gedachten had kunnen raden.
"Ik zal u nog wat thee geven," sprak zij, terwijl zij zijn kopje nam en de kamer verliet.
Laska drukte nog steeds den kop tegen zijn hand. Hij streelde den hond en ten teeken, dat nu alles in orde was, vlijde deze zich terstond aan zijn voeten neer en verzonk in zalige rust. Lewin beschouwde de bewegingen van het dier.
"Zoo was 't ook met mij! Maar 't is niets! Alles kan nog goed worden!"
XVII.
Den morgen na het bal meldde Anna Arkadiewna in de vroegte haar echtgenoot per telegram, dat zij dien dag uit Moskou vertrok.
"Neen, ik moet bepaald naar huis!" was de eenige verklaring, die zij voor de plotselinge verandering in haar reisplan aan haar schoonzuster gaf, en zij zeide dit op een toon, alsof haar eensklaps honderd dingen waren ingevallen, waaraan zij in het geheel niet gedacht had. "Neen, het is veel beter dat ik vandaag ga."
Stipan Arkadiewitsch kwam niet thuis dineeren, maar had beloofd tegen zeven uur van zijn zuster afscheid te komen nemen. Ook Kitty was niet gekomen. Een brief van haar meldde, dat zij aan hoofdpijn leed. Dus aten Dolly en Anna alleen met de kinderen en de Engelsche gouvernante.
Anna was den geheelen dag met toebereidselen voor de reis bezig; zij schreef brieven aan haar Moskousche kennissen, noteerde haar uitgaven en pakte haar goed; het kwam Dolly voor, dat zij innerlijk zeer onrustig was, een toestand, dien zij door eigen ervaring zeer goed kende, die iemand wel eens zonder reden overvalt, maar die toch meestal een ontevredenheid met zichzelf moet bedekken. Na het diner begaf Anna zich naar haar kamer en Dolly vergezelde haar.
"Wat ben je vandaag vreemd," sprak Dolly.
"Ik? Vind je dat? Ik ben niet vreemd, ik ben slecht. Dit overkomt mij nu en dan. Ik zou wel willen schreien, maar het gaat wel weer voorbij!" zeide Anna haastig en boog blozend haar gelaat over een taschje, waarin zij haar batisten zakdoeken en nachtmutsjes bewaarde. Haar oogen gloeiden koortsachtig en vulden zich telkens met tranen. "Evenals ik geen lust had om van Petersburg te vertrekken, heb ik nu ook tegenzin om van hier te gaan."
"Gij zijt hierheen gekomen, en hebt een goed werk verricht," hernam Dolly, terwijl zij haar opmerkzaam aanzag.
Anna zag met door tranen bedauwde oogen tot haar op. "Zeg dat niet, Dolly! Ik heb niets gedaan en heb ook niets kunnen doen. Ik verwonder mij dikwijls, dat de menschen zich eigenlijk voorgenomen hebben mij te verwennen. Ik heb niets gedaan en kon ook niets doen. In uw hart was zooveel liefde, dat ge vergeven kondt."
"God weet, wat er zonder uw komst gebeurd was! Hoe gelukkig zijt gij toch, Anna! In uw hart is alles goed en helder!"
"Ieder heeft in zijn hart 'skeletons,' zooals de Engelschen zeggen."
"Wat zoudt gij voor 'skeletons' hebben? Bij u is alles helder."
"Och, ik heb er toch ook!" zeide Anna en een schalksch, geheimzinnig lachje omspeelde na de tranen onverwacht haar mond.
"Nu, dan zijn uw 'skeletons' komiek en niet van somberen aard," antwoordde Dolly lachend.
"Neen, zeer somber! Weet ge waarom ik vandaag vertrek in plaats van morgen? Ik moet het je opbiechten," zeide Anna, terwijl zij gedecideerd achterover in haar stoel leunde en Dolly vast in de oogen zag, en tot haar genoegen bemerkte deze, dat Anna tot over de ooren en tot aan de kleine zwarte krullen in den nek rood geworden was: "Ja," ging Anna voort, "weet ge, waarom Kitty niet is komen eten? Zij is ijverzuchtig en wel op mij. Ik heb het verkorven.... Ik was de oorzaak, dat het bal, waarvan zij zich zooveel voorstelde, voor haar een kwelling werd. Maar waarlijk! stellig! Ik heb geen schuld, of ten minste maar een beetje...."
"O, daar hebt ge precies gesproken als Stiwa," zeide Dolly lachend.
Anna gevoelde zich een weinig beleedigd: "O neen, neen! Ik ben Stiwa niet!" ijverde zij en fronste de wenkbrauwen. "Ik vertel het je echter, omdat ik geen oogenblik over mij zelf in 't onklare wil zijn!" Maar terwijl zij deze woorden uitsprak, gevoelde zij, dat zij niet juist waren, want zij twijfelde niet slechts aan zich zelf, maar de gedachte alleen aan Wronsky wond haar op en zij vertrok alleen vroeger, om hem niet meer te ontmoeten.
"Ja, Stiwa heeft mij verteld, dat ge met hem den cotillon gedanst hebt en dat hij...."
"Ja, ge kunt je niet voorstellen hoe vreemd dat is toegegaan. Ik wilde hem eigenlijk aan een ander koppelen en nu is daar op eenmaal geheel iets anders ontstaan...." Zij bloosde en hield op.
"Ja, dat bemerkte men terstond!" zeide Dolly.
"Maar ik zou wanhopig zijn, als dat bij hem ernstig gemeend was!" viel Anna hem in de rede. "En ik ben ook overtuigd, dat alles vergeten zal worden en Kitty zal ophouden mij te haten."
"Ik moet je zeggen, Anna, dat ik die partij in het geheel niet voor Kitty wensch, en het is beter, dat het uit is, als hij, Wronsky, in een dag op u verliefd kon worden."
"Ach hemel, hoe dwaas zou dat zijn!" zeide Anna, en weder steeg een blos van genoegen naar haar gelaat, toen zij de in woorden uitgesproken stem van haar geweten hoorde. "Nu vertrek ik, en ik heb mij Kitty, die ik zoo lief heb, tot vijandin gemaakt. Wat is zij toch lief! Maar gij zult alles weer in orde brengen, niet waar, Dolly?"
Dolly kon nauwelijks een glimlach onderdrukken; zij hield veel van Anna. maar het was haar niet onaangenaam te zien, dat zij ook haar zwakheden had.
"Ik wensch zoozeer, dat gij allen mij zoo lief hebt, als ik u lief heb," zeide Anna met tranen in de oogen "en zooals ik u nu nog meer heb lief gekregen.... Ach, hoe dwaas ben ik vandaag!" Zij wischte haar gelaat af en begon zich te kleeden.
XVIII.
"Goddank, nu is alles voorbij!" Dat was Anna's eerste gedachte, toen zij van haar broeder afscheid had genomen, die tot de derde bel luidde den ingang van den waggon versperde. Zij ging naast Annuschka, haar kamenier, zitten en keek eens in den slaapwagen rond: "Goddank! Morgen zie ik Serëscha [5] en Alexei Alexandrowitsch weder en dan begint mijn gewoon, goed leven weer!"
Nog steeds met hetzelfde gevoel van onrust, dat haar den geheelen dag had bezield, schikte Anna haastig een en ander voor de reis terecht. Met de kleine, vlugge handen opende zij het roode taschje, nam een kussentje en legde dit op de knieën, toen wikkelde zij de voeten behoorlijk in en maakte het zich gemakkelijk. Een zieke dame legde zich terstond te slapen. Twee andere spraken Fransch met elkander, en een bejaarde dame maakte aanmerking op de verwarming. Anna beantwoordde de dames, die haar aangesproken hadden, met een enkel woord, maar daar het gesprek haar weinig belang inboezemde, verzocht zij Annuschka haar de kleine lantaarn te geven, haakte deze aan het zijkussen vast en nam uit haar taschje een ivoren vouwbeen en een Engelschen roman. In het eerst kwam er nog niets van het lezen. Het gestommel en heen- en weerloopen stoorde haar eerst, toen luisterde zij naar het stampen der machine, daarop sloeg de sneeuw tegen het linkervenster en bleef tegen het glas kleven, tot het geheel bedekt was, en eindelijk stoorde haar de voorbijgaande conducteur, die aan de eene zijde geheel was besneeuwd. Verder bleef alles hetzelfde: het eenerlei schudden en stampen, dezelfde sneeuwjacht, de afwisselende overgangen van warmte, dezelfde vluchtige verschijning van dezelfde personen in het halfdonker en dezelfde stemmen,--en eindelijk begon Anna te begrijpen wat zij las.