Part 55
"Ik spreek niet van ondergegane personen, maar van de beste en edelste vertegenwoordigers van het volk," zeide Kosnischew met een opgewondenheid als moest hij zijn laatste have redden. "En al deze offergaven?! Hierin spreekt de wil des volks zich uit."
"Het woord _volk_ is een zeer onbestemde uitdrukking," zeide Lewin: "De schrijvers, de leeraars en een enkele onder duizend boeren weten wellicht iets van de zaak. Maar de overigen der tachtig millioen, zooals hier onze Michaëlitsch, geven hun wil niet slechts niet te kennen, maar zij hebben er geen besef van, waaromtrent zij dien zouden moeten te kennen geven. Met welk recht kunnen wij dan van een volkswil spreken?"
Kosnischew, die in de dialectiek wel geoefend was, trachtte nu aan het gesprek een andere richting te geven:
"Ja, als je op een bloot arithmetischen weg den volksgeest wilt ontdekken, zal het wel bezwaarlijk gaan. Een plebiscit is bij ons nog niet ingevoerd en zal zich ook niet laten invoeren; en ook daardoor zou de volkswil geen zuivere uitdrukking verkrijgen. Maar er zijn nog andere wegen. Dat zit in de lucht, dat gevoelt men met het hart. Ik spreek nog niet van de diepere stroomingen, die zich in de stilstaande zee onzes volks bewegen en die ieder niet vooringenomen mensch zal bespeuren, maar ik zie slechts op onze maatschappij in meer beperkten zin des woords. De meest verschillende partijschappen der intelligente wereld, die tot hiertoe vijandig tegenover elkander stonden, zijn nu vereenigd; alle openbare organen zijn ééne stem, alle worden door de machtige beweging beheerscht, die ze alle naar één doel voortsleept."
"Ja, alle dagbladen zeggen hetzelfde," antwoordde de vorst, "dat is waar. Zij stemmen met elkander overeen als de kikvorschen voor het onweer."
"Kikvorschen of niet.--Ik redigeer geen dagblad en wil mij ook niet tot hun advocaat opwerpen; maar ik spreek van overeenstemming in gevoelen in de geheele intelligente maatschappij," zeide Kosnischew tot zijn broeder gewend.
Lewin wilde antwoorden, maar de vorst kwam hem voor.
"Nu van zulk een overeenstemming laat zich nog heel wat zeggen; zoo b.v. mijn schoonzoontje Stipan Arkadiewitsch, u kent hem toch, die verkrijgt nu een plaats als lid van de eene of andere commissie en nog zoo iets,--ik herinner mij niet juist meer--maar te doen heeft hij niets--wat is het, Dolly? Dat is immers geen geheim--maar hij bekomt achtduizend roebel tractement. Vraag hem nu eens, of zijn dienstwerk nuttig is, dan zal hij u haarfijn bewijzen, dat het onmisbaar is. En toch is hij een waarheidlievend mensch, maar men kan ook met achtduizend roebel geen andere overtuiging hebben. Zoo is het ook gelegen met de overtuiging en oprechtheid der dagbladen. Men heeft het mij zoo uitgelegd. Wordt het oorlog, dan hebben zij dubbele ontvangsten. Hoe zou het dan mogelijk zijn, dat zij zich niet voor het lot der volken, der Slaven en dergelijken, interesseeren?"
"Ik dweep ook niet met dagbladen, maar die bewering is onrechtmatig," zeide Sergej Iwanowitsch.
"Slechts onder eene voorwaarde," ging de vorst voort.
"Alphonse Karr heeft het zeer juist van den oorlog met Pruisen gezegd: Zij houden den oorlog voor een noodzakelijk kwaad.--Heel mooi! Maar dan moesten zij, die den oorlog prediken, ook altijd bij elke bestorming, bij elke attaque, voor alle anderen in de eerste rij staan!"
"Een mooi postje voor de redacteurs!" zeide Katawassow luid lachend, terwijl hij zich in zijn verbeelding voorstelde met eenige hem bekende redacteurs bij het eerste treffen in het voorste gelid te staan.
"Zij zouden," meende Dolly, "dadelijk op den loop gaan en de anderen maar in den weg staan."
"O, als zij willen wegloopen, zal men kartetsen en kozakken met knoeten achter hen plaatsen," zeide de vorst.
"Dat is een raillerie en, neem mij niet kwalijk, een ongepaste raillerie," antwoordde Sergej Iwanowitsch.
"Ik zie niet in, waarom dat een raillerie zou zijn," begon Lewin, maar Sergej Iwanowitsch viel hem in de rede:
"Ieder lid der maatschappij heeft zijn eigen beroep; de mannen van de pen doen hun werk en volbrengen hun plicht daardoor, dat zij uitdrukking geven aan de openbare meening. Voor twintig jaren zouden wij gezwegen hebben, maar nu hoort men de stem van het Russisch volk, dat bereid is als één man op te staan en zich voor zijn onderdrukte broeders op te offeren. Dat is eene groote vooruitgang en een teeken van kracht."
"O, niet om zich op te offeren, maar om de Turken te verdelgen," zeide Lewin schuchter. "Tot offeren is het volk bereid, maar slechts om te offeren voor zijn zieleheil."
"Wat is dat, voor zijn zieleheil? Dat is voor een natuuronderzoeker een moeielijk te begrijpen zaak. Wat is dat dan, het zieleheil?" vroeg Katawassow lachend.
"Weet u dat niet?"
"Ik heb er waarachtig niet het minst begrip van," verzekerde Katawassow luider lachend.
"Ik ben niet gekomen om den vrede te brengen, maar het zwaard, zegt Christus," antwoordde Sergej Iwanowitsch, terwijl hij het, om Lewin te verslaan, voor het eenvoudigst hield een plaats uit de evangeliën aan te halen.
"Daar heeft u gelijk in," antwoordde de vorst op den op hem gerichten blik.
"Ja vadertje! u is geslagen, volkomen geslagen!" riep Katawassow vroolijk uit.
Lewin bloosde van ergernis, niet omdat hij zich overwonnen gevoelde, maar omdat hij zich niet had kunnen onthouden met hen te streden.
"Neen, met hen is niet te strijden," dacht hij. "Zij steken in een ondoordringbaar pantser en ik sta tegenover hen geheel onbedekt."
Hij zweeg derhalve en leidde de opmerkzaamheid zijner gasten, op de wolken, die zich meer en meer saamgetrokken hadden, en vroeg, of het niet beter was nog voor den regen naar huis te gaan.
XXXV.
De vorst en Sergej Iwanowitsch namen plaats in de telega en reden, het overige gezelschap ging te voet naar huis.
Toen zij nog een paar honderd schreden er van verwijderd waren, stak de wind al op en ieder oogenblik kon men het nederstroomen van den regen verwachten.
De kinderen liepen met een geschreeuw van schrik vermengd met gelach vooruit. Dolly werd belemmerd door haar japon, die om de beenen samensloeg, terwijl zij niet ging, maar liep, zonder de oogen van de kinderen af te wenden. De heeren hielden hunne hoeden vast en ijlden met groote schreden voort. Zij bereikten juist de buitentrap toen de eerste groote druppels vielen.
"Waar is Catharina Alexandrowna?" was Lewins eerste vraag aan Agasija Michailowna, die hen in de vestibule met doeken en plaids tegenkwam.
"Wij dachten dat zij bij u was."
"En Mitja?"
"Waarschijnlijk in het bosch met zijn bonne."
Lewin nam de plaids en snelde naar het bosch.
In het korte tijdsverloop was de hemel reeds verduisterd als bij een eclips, en de wind blies en huilde met geweld, deed de takken schudden en de bladeren rondvliegen, terwijl veld en bosch waren verscholen achter een gordijn van regen.
Met gebogen, hoofd tegen den wind kampend, naderde Lewin met de doeken op den arm het bosch, waar hij achter een eik iets wits zag schemeren, toen plotseling alles voor hem opvlamde, de aarde dreunde en de hemel boven zijn hoofd scheen te barsten. Toen hij de oogen, die een oogenblik verblind waren, weer opsloeg, zag Lewin mot ontzetting door het regengordijn henen, dat de top van den hem zoo goed bekenden eik geheel van gedaante was veranderd.
"De bliksem heeft hem getroffen!" had hij nauwelijks tijd te denken, toen de kruin van den eik lager daalde on hij het kraken en splinteren vernam van een boom, die op andere boomen nedervalt.
"Mijn God! mijn God! laat zij slechts niet getroffen zijn!" riep hij, koud van schrik, terwijl de bliksem op nieuw alles in vuur zette, en hoewel het hem dadelijk inviel, hoe dwaas dat gebed was, herhaalde hij het toch onwillekeurig.
Toen hij de plek bereikte, waar zij zich gewoonlijk ophielden, vond hij ze niet.
Zij bevonden zich aan het ander eind van het bosch onder een oude linde en riepen hem aan. Twee gestalten in donkere kleeding stonden over iets gebogen. Het waren Kitty en de bonne. De regen had opgehouden en het werd helder. Beiden stonden gebukt over de kinderwagen met de groene kap.
"Gij leeft? Gij zijt ongedeerd? Goddank!" riep hij uit en naderde haar.
Kitty's rooskleurig en vochtig gelaat was naar hem toegekeerd en lachte hem onder den verbogen hoed verlegen toe.
"Hoe kun je zoo lichtzinnig zijn? Ik begrijp niet, hoe men zoo roekeloos kan wezen," voegde hij haar geërgerd toe.
"Ik heb werkelijk geen schuld. Wij wilden al naar huis gaan, maar toen werd hij onrustig...."
"Nu, Goddank, je bent behouden en wel!"
Mitja was geheel droog en gezond gebleven en sliep onafgebroken door. Men pakte de doornatte doeken bijeen; de bonne nam het kind uit den wagen en droeg het op den arm. Lewin ging naast zijn vrouw, hij gevoelde zich schuldig wegens zijn verstoordheid en drukte haar ongemerkt de hand.
Na den regen was het te nat om te wandelen, ook rezen steeds nieuwe onweerswolken aan den horizon op.
Er werd niet meer gestreden en allen waren het overige van den dag in de beste luim.
Katawassow maakte telkens de dames door zijn origineele grappen aan het lachen. Ook Sergej Iwanowitsch was zeer opgeruimd; hij opende zijn broeder een blik in de toekomst van het Oostersch vraagstuk en wel zoo eenvoudig en helder, dat allen hem met opmerkzaamheid volgden.
Slechts Kitty kon hem niet ten einde toe aanhooren; zij werd geroepen om Mitja zijn bad te geven.
Eenige minuten daarna werd ook Lewin in de kinderkamer geroepen.
Wat zou men van hem willen? Men riep hem nooit bij het kind dan in dringende gevallen. Maar zijn ongerustheid zoowel als de belangstelling in de theorieën van zijn broeder verdwenen zoodra hij zich een oogenblik alleen bevond, en zijn gevoel van innerlijk geluk en vrede, dat hem 's morgens vervuld had, keerde nu weder. De stem des gemoeds was bij hem sterker geworden dan die van het ontledend verstand. Hij ging het terras over en zag twee sterren schitteren aan den hemel.
"Ja," zeide hij naar den hemel ziende, "ik herinner mij gedacht te hebben, dat er een waarheid kon liggen in de zinsbegoocheling van dat gewelf, dat ik dikwijls beschouwde; maar welk was het onvoltooid gebleven begrip in mijn verstand? ..." En terwijl hij de kinderkamer binnenging, herinnerde hij het zich.
"Waarom, indien het sterkst bewijs van Gods bestaan is gelegen in de innerlijke openbaring van goed en kwaad, die hij een iegelijk onzer mededeelt--waarom zou deze openbaring beperkt zijn tot de Christelijke Kerk? En deze millioenen Buddhisten, Muzelmannen, die eveneens het goede zoeken? ..." Het antwoord op deze vraag moest bestaan, maar hij kon het voor hij binnentrad niet uiteenzetten.
Kitty stond met opgestroopte mouwen over de badkuip gebogen, terwijl zij met de eene hand het hoofdje van het kind vasthield en het met de andere afsponste. Zij keek om toen zij haar man hoorde naderen. "Kom gauw! Agasija Michailowna had toch gelijk, hij kent ons."
De ontdekking was gewichtig. Om er zich volkomen van te overtuigen, onderwierp men Mitja aan verschillende proeven; men riep de keukenmeid, die hij zelden gezien had, en zij moest zich over het kind bukken. De uitslag was beslissend. Hij keerde het gezichtje van haar af, en toen Kitty zich over hem boog, begon hij te lachen, drukte met de kleine handjes in de spons en maakte met de lipjes zulk een tevreden en eigenaardig geluid, dat niet slechts Kitty en de bonne, maar ook Lewin zelf er door verrast en opgetogen was.
Het kind werd uit de badkuip genomen, met water begoten, in een laken gehuld, afgedroogd en na een doordringenden schreeuw op zijn moeders schoot gelegd.
"Nu, ik ben blij te zien, dat je hem ook begint lief te hebben," zeide Kitty tot Lewin, nadat zij zich met het kind aan de borst op haar gewone plaats had nedergezet. "Ik ben er heel blij om; want ik was zeer bedroefd, omdat je gezegd had niets voor hem te gevoelen."
"Neen, dat heb ik niet gezegd. Ik heb alleen gezegd, dat ik mij teleurgesteld gevoelde."
"Hoe dan, teleurgesteld?"
"Nu, juist niet teleurgesteld, maar slechts beantwoordde de werkelijkheid niet aan mijn verwachting. Ik had gedacht, dat ik een verrassend, geheel nieuw gevoel zou ontwaren, en in de plaats beving mij slechts ... een soort van onbehagen, medelijden en angst, die hij mij inboezemde."
Zij hoorde opmerkzaam toe, terwijl zij de ringen, die zij gedurende het baden had afgelegd, weer aan haar slanke vingers stak.
"Ik meen hoofdzakelijk daarom, dat meer medeleden en angst dan genoegen met mijn gevoel waren verbonden. Maar vandaag, na mijn angst gedurende het onweer, heb ik leeren beseffen, hoe dierbaar hij mij is."
Kitty's gelaat helderde op.
"Je bent dus zeer geschrokken?" zeide zij. "Ik ook, maar nu, nu alles voorbij is, nu komt mij het gebeurde nog veel verschrikkelijker voor, dan in het oogenblik van gevaar. Ik wil morgen toch den eik nog eens zien! En hoe grappig is Katawassow. Buiten het gebeurde was het een zeer genoeglijke dag. En ook tegen Sergej waart ge zoo aardig en net.... Ga nu weer naar je gasten. Het is hier na het bad altijd wat drukkend en dompig. Ik ben blijde je in zoo'n goede verhouding met je broer te zien."
XXXVI.
Toen Lewin zijn vrouw had verlaten, hernam hij den loop zijner gedachten en, in plaats van in het salon terug te keeren, waaruit de stemmen tot hem doordrongen, bleef hij nog op de ballustrade van het terras leunen.
Het was reeds geheel donker. In het zuiden, waarheen hij zijn blik gericht had, hingen geen wolken; deze waren naar het noorden getrokken. Daar lichtte nog somwijlen een bliksemstraal en werd het verwijderd geluid van den donder gehoord. Lewin luisterde naar het geluid der regendruppen, die van den linden vielen, en staarde naar de hem bekende Cassiopea en den melkweg, die dit sterrebeeld met zijn vertakkingen doorkruiste. Bij ieder lichten van den bliksem verdwenen de sterren, maar verschenen kort daarna weer op dezelfde plaats, alsof een zeker treffende hand ze daarheen geslingerd had.
"Welke bekommering brengt mij in verwarring?" vroeg hij zich zelf, terwijl hij gevoelde, dat de twijfel zich in zijn ziel steeds meer begon op te lossen.
"Ja, de eenige ontwijfelbare openbaring van Gods bestaan zijn de wetten van het goede en het booze; die wetten, die ik erken in het diepst van mijn ziel en die mij vereenigen met allen, die ze erkennen gelijk ik; en deze vereeniging van menschelijke wezens, die het zelfde geloof in de hoofdzaken verbindt, noemt men de Christelijke kerk. En de Israëlieten, de Muzelmannen, de Buddhisten?" dacht hij, terugkomende op een vraagstuk, dat hem kritiek toescheen. "Deze millioenen menschen, zouden zij verstoken zijn van de grootste der weldaden, die alleen aan het leven waarde en beteekenis geeft?" Hij peinsde. "Maar de vraag, die ik mij stel, is die van de verbinding der verschillende godsdiensten met de Godheid? Is het niet de openbaring van God aan het heelal met zijn nevelsterren en planeten, die ik tracht te doorgronden? Is het goed, hardnekkig de koude logica te doen optreden op een oogenblik, dat mij een zekere overtuiging is geschonken, die ontoegankelijk is voor de rede? De slotsommen der sterrekundigen zouden valsch en onnauwkeurig zijn geweest, indien zij niet gegrond geweest waren op één meridiaan, op één horizon, en evenzoo zouden mijn overtuigingen geen redelijken zin hebben, indien ze niet waren verbonden met de openbaring, die mij het Christendom heeft geschonken, en die ik altijd kan toetsen aan de stemmen in mijn binnenste. De betrekkingen der andere godsdiensten met de Godheid zullen altijd voor mij ondoorgrondelijk blijven en ik heb het recht niet ze na te vorschen."
"Ben je nog altijd hier?" vroeg plotseling Kitty's stem. Zij had denzelfden weg naar het salon als hij gekozen. "Er is toch niets dat je hindert?" En zij zag hem bij het sterrelicht opmerkzaam in het gelaat.
Maar zij zou de uitdrukking er van niet hebben kunnen onderscheiden, als niet een nogmaals nawerkend weerlichten haar was te hulp gekomen. Toen zij eene kalme blijmoedigheid in zijn trekken las, lachte zij hem toe.
"Zij begrijpt mij," dacht hij; "zij weet waaraan ik denk. Moet ik het haar zeggen? Ja. ik zeg het haar."
Maar juist toen hij wilde beginnen te spreken, zeide zij: "Hoor, Kostja, doe me het genoegen en ga eens naar de hoekkamer en kijk eens, of alles voor Sergej behoorlijk in orde is gebracht. Ik kan er zelf niet wel heengaan. Zie ook eens, of men er de nieuwe waschtafel in gebracht heeft."
"Best, ik ga er heen," zeide hij en kuste haar.
"Neen, ik moet het haar niet zeggen," dacht hij, toen zij heenging om in het salon terug te keeren. "Het is een geheim, dat slechts mij zelf van nabij betreft, en mijn woorden zouden het haar niet kunnen doen begrijpen. Het is een nieuw gevoel, dat mij niet plotseling veranderd, doorgloeid en in verrukking gebracht heeft zooals ik verwacht had, evenmin als vroeger mijn vaderlijke liefde voor Mitja; ook deze kwam niet plotseling en verrassend. Dit gevoel.--ik kan het geen anderen naam dan _het geloof_ geven, is onder droefheid en smart onmerkbaar in mijn ziel gedrongen en heeft zich daar ingeplant."
"Even als vroeger zal ik waarschijnlijk voortgaan mij te ergeren over Iwan den koetsier, evenzoo zal ik polemiseeren en mijn denkbeelden onjuist uitdrukken; evenals vroeger zal een muur het allerheiligste mijns harten afsluiten voor anderen, zelfs voor mijn vrouw die ik evenals vroeger verantwoordelijk zal maken voor mijne dwalingen, om er daarna weer berouw over te hebben, en evenzoo als tot hiertoe zal ik met mijn verstand niet begrepen waarom ik bid, en ik zal toch bidden--: maar mijn innerlijk leven heeft zijn vrijheid veroverd; het zal niet meer de speelbal zijn der omstandigheden, en mijn geheele leven, elke minuut van mijn bestaan heeft onbetwistbare en diepe beteekenis, die het in mijn macht staat in elk mijner handelingen te leggen: die van het goede."
NOTEN
[1] pud, Russisch gewicht van veertig pond.
[2] Een soort Russisch wittebrood.
[3] Een onder aanhoudende bekruising gebruikelijk gebedsformulier.
[4] Thérèse's, dames der Russische demi-monde.
[5] Uit te spreken Sereoscha, een teedere benaming voor Sergei.
[6] Uitdragersmarkt.
[7] Nummer één is in een Russisch schoolattest het slechtste predicaat.
[8] De boterweek is de tijd voor de groote vasten.
[9] Een soort jachtwagen.
[10] Het haas in het oud gedicht: _Reinaert de Vos_.
[11] De persoon belast om de moeder te vervangen.
[12] Een mannenklooster, beroemd door zijn zangers.
[13] "_Oblomow_", een roman van Gouscharow, welks held een beeld is van de gepersonificeerde Russische luiheid en bij wie alle gaven te gronde gaan.
End of Project Gutenberg's Anna Karenina, by Lev Nikolaevica Tolstoi