Part 54
In plaats van over zekere levensvoorwaarden te redeneeren, nam hij ze aan als even noodzakelijk als het dagelijksch voedsel. Te leven naar het voorbeeld zijner voorvaders, hun ondernemingen voort te zetten, ten einde ze op zijn beurt na te laten aan zijn kinderen, daarin zag hij een plicht, waaromtrent niet viel te twijfelen, en hij wist, dat om dit doel te bereiken de grond moest bemest, bebouwd en onder zijn eigen toezicht bezaaid worden, zonder dat hij het recht had deze zorg aan zijn boeren over te laten. Hij wist evenzeer, dat hij hulp en bescherming moest verleenen aan zijn broeder, aan zijn zuster, aan vele boeren, die hem kwamen raadplegen, als aan kinderen, die hem waren toevertrouwd; zijn vrouw en Dolly hadden gelijk recht op zijn tijd, en dat alles legde ruimschoots beslag op zijn levensbestaan, waarvan hij, als hij er over peinsde, de beteekenis niet kon verklaren, 't Was een vreemde zaak: niet slechts stond zijn plicht hem duidelijk voor oogen, maar hij voelde ook geen twijfel omtrent de wijze om dien te betrachten in de bizondere gevallen van het dagelijksch leven; alzoo aarzelde hij niet zijn arbeiders zoo goedkoop mogelijk te huren, maar hij wist, dat hij zo niet moest huren boven noch beneden den normalen prijs; hij leende geld aan een boer om hem uit de klauwen van een woekeraar te rukken, maar bewees hem later geen gratie bij het betalen van de rente; hij strafte gestreng het stelen van hout, maar zou zich bezwaard gevoeld hebben het vee van een boer te schutten, dat gevonden werd op zijn weiden; hij hield het loon in van een arbeider, die uit hoofde van den dood zijns vaders gedwongen was het werk te midden van den oogst te verlaten, maar hij onderhield en verzorgde de oude dienaren, die niet meer werken konden; hij liet de boeren wachten om zijn te huis gekomen vrouw te gaan omhelzen, maar hij zou niet naar zijn bijenkorven hebben willen gaan zonder hen ontvangen te hebben. Hij trachtte dit persoonlijk wetboek niet uit te diepen of uit te pluizen en verwijderde de redeneering daarover, die den helderen en duidelijken blik op zijn plicht had kunnen benevelen. Zijn fouten vonden bovendien een gestrengen rechter in zijn geweten, dat altijd waakte en hem geen toegevendheid bewees.
Het was aldus dat hij leefde, het spoor volgend door het leven hem aangewezen, altijd zonder de mogelijkheid te zien het mysterie van het bestaan te verklaren en steeds gekweld door zijn onwetendheid en de vrees, dat de wanhoop van den zelfmoordenaar hem zou kunnen overmeesteren.
XXXI.
De dag der aankomst van Sergej Iwanowitsch te Pakrowsky was voor Lewin vol gemoedsaandoeningen geweest.
Men was aan het drukste tijdstip van het jaar gekomen, aan datgene, dat een inspanning van krachten vereischte, die men niet genoeg waardeert, omdat ze geregeld terugkeert en slechts eenvoudige uitkomsten oplevert. Maaien, garven binden, het koren binnen brengen, op nieuw ploegen en zaaien,--dit zijn werkzaamheden, die niemand verwonderen, maar om ze te volvoeren in den korten tijd door de natuur verleend is het noodzakelijk, dat jong en oud het werk aangrijpen, men moet zich drie of vier weken vergenoegen met brood, uien en kaas, men kan slechts eenige uren slapen, men kan dag of nacht niet ophouden, en dit verschijnsel herhaalt zich ieder jaar door geheel Rusland.
Lewin gevoelde zich in dat opzicht één met het volk; hij ging 's morgens vroegtijdig naar het veld, kwam terug om te ontbijten met zijn vrouw en zijn schoonzuster, dan ging hij naar de bouwhoeve, waar hij altijd wat te besturen vond. En terwijl hij het opzicht hield over de werkzaamheden of zat te praten met zijn schoonvader en de dames, vervolgde hem dezelfde vraag: "Wie ben ik? Waar ben ik? Waartoe ben ik?"
Toen hij bij de met nieuw stroo gedekte schuur stond, zag hij het door de dorschmachine opgejaagde stof in de lucht dansen, het stroo zich buiten de machine verspreiden op het door de zon beschenen gras, terwijl de zwaluwen zich verborgen onder het dak en de arbeiders de wijk namen naar het binnenste gedeelte der schuur, waar de schaduw het donkerst was.
"Waartoe dat alles?" dacht hij; "waartoe ben ik hier om over hen het opzicht te houden en zij, waarom toonen zij hun ijver ten mijnen behoeve? Daar is mijn oude vriendin Matrone (een groote magere vrouw, die hij van een brandwond had genezen en die dapper den grond schoffelde), ik heb ze genezen, dat is waar, maar zoo al niet thans, dan zal zij toch over een jaar of over tien jaren naar het graf worden gedragen, evenals dat mooie jonge meisje, dat de elegante speelt, als dat afgematte paard ..., als Fedor, die het opzicht heeft bij de dorschmachine en met zooveel gezag de vrouwen bevelen geeft,--en het zal hetzelfde zijn met mij.... Waarom?" en in nadenken verzonken raadpleegde hij werktuigelijk zijn horloge om de taak der arbeiders te bepalen, liet Lewin de arbeiders uiteengaan en knoopte met Fedor een gesprek aan en ondervroeg hem ten opzichte van een rijken boer, Platon geheeten, die weigerde het land te huren, dat hij te voren aan een vereeniging had verpacht en dat het laatste jaar door een boer was bebouwd.
"De prijs is te hoog, Constantin Dimitritsch," zeide Fedor.
"Maar waarom heeft Mitionik dien het laatste jaar betaald?"
"Platon zal niet denzelfden prijs betalen als Mitionik," zeide de arbeider op af keurenden toon; de oude Platon zou zijn naaste niet het vel over de ooren halen; hij heeft medelijden met den geringen man en zou hem, als het noodig was, crediet geven."
"Waarom zou hij crediet geven?"
"De menschen zijn niet allen gelijk: de een leeft voor zijn buik, zooals Mitionik, de ander voor zijn ziel, voor God, zooals de oude Platon."
"Wat noem je voor zijn ziel, voor God leven?" vroeg Lewin haastig op luiden toon.
"Dat is eenvoudig: leven volgens Gods wil, volgens de waarheid. Niet allen doen zoo, dat is zeker, maar sommigen wel. U, bijvoorbeeld, Constantin Dimitritsch, u zou geen onrecht doen, ook niet tegen den geringen man."
"Ja, ja ... vaarwel!" prevelde Lewin, ten prooi aan een levendige gemoedsbeweging, en zijn stok nemende, richtte hij zijn schreden huiswaarts.
"Leven voor God, volgens de waarheid ... voor zijn ziel," deze woorden van den boer vonden weerklank in zijn hart; en onduidelijke gedachten, maar waarvan hij het heilrijke gevoelde, bewogen zich in zijn geest; zij ontsnapten uit een schuilhoek van zijn ziel, waar zij langen tijd waren besloten geweest, om nu een nieuw licht voor hem to doen opgaan.
XXXII.
Lewin ging met groote passen zijn weg, beheerscht door een geheel nieuwe gewaarwording; de woorden van den boer waren in zijn ziel gevallen als een electrieke vonk en de onzekere, duistere denkbeelden, die hem eigen waren geweest, schenen te wijken en plaats te maken voor gevoelens, die zijn hart vervulden met blijdschap.
"Niet leven voor zich zelf, maar voor God! ... Welke God? Is het niet onzinnig te beweren, dat wij niet voor ons zelf, d.i. voor 't geen ons behaagt en aantrekt, moeten leven, maar voor God, dien niemand kan begrijpen of verklaren? ... Evenwel heb ik deze onzinnige woorden begrepen, ik heb niet getwijfeld aan hun waarheid ... ik heb er dezelfde beteekenis aan gehecht als die boer en ik heb misschien nooit iets zoo goed begrepen.
"Fedor beweert, dat Mitionik leeft voor zijn buik, ik weet dat het waar is; wij redelijke wezens leven bijna allen zoo. Maar Fedor zegt ook, dat men moet leven voor God volgens de waarheid, en ik begrijp dit even goed.... Ik en millioenen menschen, rijk en arm, ontwikkeld en eenvoudig, in het verledene en het tegenwoordige, wij stemmen overeen, dat men moet leven voor God en de waarheid, d.i. voor het goede.
"Niet het ontledend verstand, niet de philosophie, maar het gemoed zegt ons, dat het zoo zijn moet.
"Zou ik daarin werkelijk de oplossing van mijn twijfelingen hebben ontdekt en nabij hebben gevonden, wat ik in de verte zocht?"
Lewin vervolgde zijn weg, ongevoelig voor warmte en vermoeienis, maar overstelpt door zijn gewaarwordingen, en in de behoefte om rustig na te denken, verliet hij den weg en ging het bosch in, waar hij zich onder de dichte schaduw van een boom op het gras nedervleide, en zette toen zijn overpeinzingen voort.
"Ik moet mijn indrukken verzamelen....
"Ik geloofde vroeger, dat in mijn lichaam, evenals in dat van het insect, een ontwikkeling der stof werkte volgens sommige physische, chemische en physiologische wetten: eene onophoudelijke werking en worsteling, die zich tot alle uitstrekt: tot de boomen, de wolken, den nevel.... Maar waar liep dat streven op uit? Was de worsteling met het oneindige mogelijk?... En ik verwonderde mij langs dezen weg, in weerwil van de uiterste pogingen, niets te vinden, dat mij opheldering gaf omtrent de beteekenis van het leven, van de aandrift, van het verlangen, dat ons bezielt.... Dit hoogere zintuig is evenwel zoo levendig en helder in mijn binnenste, dat het de grond van mijn wezen uitmaakt; en toen Fedor mij zeide: 'Leven voor God en voor zijn ziel,' heb ik mij evenzeer verblijd als verwonderd hem het vraagstuk zoo eenvoudig te hooren oplossen.
"Ik heb niets ontdekt, ik wist het al...; ik heb eenvoudig de kracht erkend, die mij eens het leven heeft geschonken en het mij nu wedergeeft. Ik gevoel mij bevrijd van twijfel en verwarring.... Ik zie mijn Meester!..."
Hij herinnerde zich den loop zijner gedachten sedert den dag dat bij het zien van den stervenden broeder het denkbeeld van den dood hem diep had getroffen. Toen was het, dat hij duidelijk begreep, dat de mensch, als hij geen ander uitzicht heeft als lijden, dood en eeuwige vernietiging, er toe komen moet, onder de gedachte aan zelfmoord, het probleem van ons bestaan te verklaren op eene wijze, die er slechts de wreede ironie van een kwaadwillig wezen in kan zien. Maar zonder er in te slagen iets te verklaren, had hij zich toch niet gedood; hij was gehuwd, hij had nieuwe blijdschap gekend, die hem gelukkig maakte, als zij niet gekruist werd door zijn verwarde en donkere gedachten.
Wat bewees deze inconsequentie? Zijn leven was toch nog beter geweest dan zijn leer. Zonder het te weten was hij staande gehouden door die waarheden des geloofs, die hij met de moedermelk had ingezogen, hoewel zijn verstand ze miskende. Nu begreep hij, hoeveel hij er aan te danken had....
"Wat zou ik geweest zijn, als ik niet had geweten, dat ik voor God moest leven en niet voor de voldoening mijner behoeften? Ik zou hebben gelogen, gestolen, gemoord.... Geen der edele genoegens, die het leven mij geeft, zou voor mij hebben bestaan.... Ik was zoekende naar een oplossing, die wijsgeerige bespiegeling niet kon geven, en ook slechts het gemoed en het leven zelf gaven mij een antwoord. En deze kennis heb ik niet veroverd, zij is mij gegeven gelijk al het overige. Zou de bespiegeling mij ooit hebben aangetoond, dat ik mijn naaste moet liefhebben in plaats van hem te verworgen? Toen men het mij evenwel onderwees in mijn jeugd, geloofde ik het gemakkelijk en dit is de reden, dat ik het steeds wist. Het bewijs, dat het onderricht der rede levert, is de strijd om het bestaan, de wet, die eischt, dat elke hinderpaal, die de voldoening onzer begeerten in den weg staat, wordt verbrijzeld; de zelfzuchtige verwoesting is logisch,--terwijl het volstrekt niet met de gevolgtrekking der koude redeneering strookt zijn naaste lief te hebben. O hoogmoed en dwaasheid," dacht hij, "gevolg van de sluwheid en doortraptheid der koude redeneering van het verstand!..."
XXXIII.
"Ik meende," dacht hij verder, "door koele bespiegelingen te zijn ingedrongen in de geheimen der natuur en het probleem van het menschelijk leven tot zekere hoogte te hebben opgelost. Doen ook de wijsgeeren niet zoo met hun stelsels? En ziet men niet duidelijk in de onthulling van elke theorie eenigszins de beteekenis van het menschelijk leven aangewezen zooals de boer Fedor ze opvat? Zij komen er altijd minder of meer toe, maar dikwijls door een dubbelzinnige redeneering. Laat ons eens overgelaten zijn aan onze rede, aan onze driften, zonder de kennis van onzen Schepper, zonder het zedelijk besef van goed en kwaad.... Welke uitkomst zouden wij verkrijgen? Men werpt soms zijn geloof over boord, omdat men er van verzadigd meent te zijn en als de kinderen, die de waarde van hetgeen zij genieten niet inzien, hunkert men naar iets nieuws, dat in valschen glans schittert en waarmede men zich toch niet voeden kan. Ik, een Christen, opgevoed in het geloof, bevoorrecht met de weldaden van het Christendom, zonder er het rechte besef van te hebben gehad, ik heb getracht de essence van mijn leven te vernietigen.... Maar in de uren van lijden en smart heb ik tot _Hem_ geroepen, die de bron van alle licht en leven is, en ik hoop, dat mijn gevaarlijke opstand tegen Hem mij is vergeven."
"Neen, de rede heeft mij niets geleerd; wat ik weet is mij gegeven, is te voorschijn gebracht uit het gemoed en door het geloof van het Christendom."
"De kerk?" hernam hij, zich omkeerende en ziende naar een troep vee, die naar de rivier ging. "Kan ik waarlijk alles gelooven, wat de kerk leert?" vroeg hij zich zelf en kwam op een punt, dat zijn verkregen rust eenigszins verstoorde. En hij herinnerde zich de dogma's, die hem zoo vreemd hadden toegeschenen.... "De schepping .... Maar hoe verklaart zij het bestaan? De duivel?... Hoe wordt hierdoor het kwaad verklaard?... De verlossing door het kruis en door boetedoeningen?... De dogma's der kerken," dacht hij, "leggen aan millioenen menschelijke wezens, die de aarde bevolken, jongen en ouden, boeren en keizers, geleerden en onwetenden, de verplichting op dezelfde begrippen te hebben, om er dat in- en uitwendig leven uit samen te stellen, dat alleen waard is beleefd te worden.... Maar leven voor God, voor de waarheid, voor zijn ziel, dit is immers wat de stichter van het Christendom heeft gewild. De groote waarheden door Hem ons verkondigd staan boven de bizondere dogma's der kerkgenootschappen. Ik wil slechts naar Hem hooren, door wien de Godheid tot de menschheid heeft gesproken."
Op den rug gelegen, beschouwde hij den hemel boven zich.
"Ik weet wel," dacht hij, "dat dit de oneindige ruimte is en niet een blauw gewelf, dat boven mij is uitgespannen,--maar mijn oog dringt niet door dat schijnbaar rond gewelf. De blik van Hem, die verder zag, moet zijn telescoop zijn."
Lewin eindigde zijn overpeinzing; hij hoorde een geheimzinnige stem, die zich blijmoedig verhief in zijn binnenste.
"Is dat waarlijk geloof?" vroeg hij zich zelf. "Hoe dankbaar ben ik, mijn God, voor het licht, dat Gij mij aanvankelijk hebt geschonken na het ronddolen in nevel en duisternis."
XXXIV.
Toen Lewin zijn huis naderde, bemerkte hij Tanja en Grischa, die hem kwamen tegenloopen.
"Oom Kostja! mama, grootpapa en Sergej Iwanowitsch en nog een," zeide Tanja, "komen u te gemoet."
"Wie is die andere?"
"Zoo'n rare heer! Hij doet altijd zoo met de armen." En Tanja bootste Walawassow's gesticulaties na.
"Is hij oud of jong?" vroeg Lewin lachend. "Als het maar geen onaangenaam mensch is!" dacht hij, maar herkende spoedig bij de eerste bocht van den weg Katawassow met zijn stroohoed op. Hij sloeg juist zoo met de armen als Tanja voorgesteld had.
Lewin groette zijn broeder on Katawassow hartelijk en vroeg Dolly naar zijn vrouw.
"Zij is met Mitja het bosch ingegaan. Zij wilde hem daar laten slapen, omdat het in huis te warm is."
Lewin had zijn vrouw steeds gewaarschuwd het kind niet het bosch in te dragen, omdat hij het daar niet zonder gevaar achtte, en derhalve was dit bericht hem onaangenaam.
"Zij sleept hem van de eene plaats naar de andere," zeide de vorst lachende. "Ik heb haar aangeraden, hem in den kelder te brengen."
"Ziet u, Darja Alexandrowna," zeide Kosnischew en wees met zijn zonnescherm naar eenige witte wolken, die boven de esscheboom opkwamen: "Wij krijgen spoedig regen."
Lewin was op Katawassow toegetreden.
"Daar doet u wél aan, dat ge eens gekomen zijt."
"Het was al lang mijn voornemen. Nu zullen we alles ordelijk bespreken en naar behooren met elkander strijden! Heeft u Spencer doorgelezen?"
"Neen, nog niet geheel," zeide Lewin. "Overigens heb ik hem nu niet meer noodig."
"Hoe zoo? Dat is merkwaardig. Waarom niet meer?"
"Dat beteekent, dat ik mij ten slotte overtuigd heb, dat ik bij hem en zijns gelijken de oplossing der vragen, die mij bezig houden, niet zal vinden. Nu.... Maar later meer daarover. Hier gaat de weg naar mijn bijenkorven. Doet u het genoegen, dan gaan wij daarheen," wendde hij zich tot allen.
Nadat zij een smal voetpad door eene weide waren overgegaan, liet Lewin zijn gasten in de schaduw van een populier op een bank van ruwe houtklossen, die hij zelf hier opgericht had voor bezoekers, die bang waren voor de bijen. Hij zelf ging binnen de afschutting en haalde voor de groote zoowel als voor de kleinen brood, agurken en verschen honig.
"Weet je, Kostja, wien Sergej Iwanowitsch op reis ontmoet heeft?" vroeg Dolly, terwijl zij de agurken en den honig onder de kinderen verdeelde. "Wronsky. Hij gaat naar Servië."
"En dat niet alleen; hij voert een geheel escadron voor zijn rekening mede," voegde Katawassow er bij.
"Dat is juist iets voor hem," zeide Lewin. "Gaan er nog altijd vrijwilligers heen?"
"Nog, vraagt u!" antwoordde Kattawassow, terwijl hij smakelijk in een agurkje beet. "U hadt eens moeten zien hoe het gisteren aan het station toeging."
"Maar hoe moet ik dat begrijpen? Verklaar mij dat toch eens, Sergej Iwanowitsch! Waar trekken al deze vrijwilligers heen? Tegen wie moeten zij vechten?" vroeg de oude vorst met het voornemen het reeds vóór de komst van Lewin begonnen gesprek voort te zetten. "Wie heeft eigenlijk de Turken den oorlog verklaard? Iwan Iwanowitsch Ragasow of gravin Lydia Iwanowna met madame Stahl?"
"Niemand heeft den oorlog verklaard, maar zij nemen slechts deel in het lijden hunner medemenschen en wenschen hen te helpen," antwoordde Sergej Iwanowitsch.
"Niet van hun deelneming spreekt de vorst," zeide Lewin het voor zijn schoonvader opnemend, maar van den oorlog. Hij beweert slechts, dat bizondere personen niet zonder toestemming der regeering aan een oorlog moesten deelnemen."
"Nu? Hoe is dan uw eigen gevoelen?" vroeg Katawassow lachend, blijkbaar om Lewin tot een strijd uit te lokken. "Waarom zouden privaatpersonen daartoe geen recht hebben."
"Mijns inziens is de oorlog zulk een ruwe, wreede en afschuwelijke zaak, dat geen mensch, het minst een Christen, persoonlijk de verantwoordelijkheid van het begin van zoo iets verschrikkelijks mag op zich nemen; dat mag slechts de regeering, die daartoe geroepen is, als zij onvermijdelijk tot een oorlog wordt gedwongen."
Kosnischew en Katawassow waren dadelijk tot tegenspraak gereed.
"Er kunnen zich," beweerde Katawassow, "gevallen voordoen, dat de regeering geen acht slaat op den wil der bevolking, en dan doet de stem der openbare meening haar wil kennen."
Maar Sergej Iwanowitsch was hiermede niet tevreden; hij fronste het voorhoofd en zeide:
"Je had de vraag anders moeten stellen. Hier doet zich, zonder dat er een oorlogsverklaring bestaat, eenvoudig het rein menschelijke of laat ons zeggen Christelijk gevoel gelden. Men vermoordt onze broeders, die met ons van een bloed en een geloof zijn, of, nemen wij aan, 't zijn niet onze broeders en geloofsgenooten, maar eenvoudig kinderen, vrouwen en grijsaards. Nu komt ons gevoel daartegen in opstand en wij Russen snellen toe om aan deze gruwelen een eind te maken. Stel je voor: Je gaat over de straat en ziet hoe een dronken man een vrouw of een kind mishandelt. Zou je dan vragen, of je met dien mensch in oorlog zijt of niet? Ik denk dat je hem zoudt aangrijpen en de mishandelden in bescherming nemen."
"Maar ik zou hem niet dooden," bracht Lewin er tegen in.
"Ja wel, je zoudt hem onder zekere omstandigheden ook dooden."
"Dat weet ik niet. Ik zou mijn oogenblikkelijke impulsie volgen; maar op welke wijze kan ik niet vooruit zeggen. Doch zulk een oogenblikkelijke impulsie wegens onderdrukking der Slaven is niet aanwezig en kan er ook niet zijn. Mogelijk is ze bij jou aanwezig, maar bij alle anderen...."
"Is ze ook aanwezig," viel Kosnischew hem met ontevreden en donkeren blik in de rede. "Bij het volk is de oude traditie van de rechtgeloovigen, die zuchten onder het juk der Halve Maan. levendig bewaard, en nu staat het op en laat zijn stem hooren."
"Dat kan zijn," zeide Lewin ontwijkend, "maar, hoewel ik toch ook tot het volk behoor, gevoel ik niets dergelijks."
"Mij gaat het ook zoo," verzekerde de oude vorst. "Ik ben in het buitenland geweest, heb de dagbladen gelezen en moet bekennen, dat ik, in weerwil van alle Bulgaarsche gruwelen, niet kon begrijpen, waarom eigenlijk alle Russen plotseling hun Slavische broeders zoo lief hebben gekregen, terwijl ik geen liefde voor hen gevoelde. Dat maakte mij erg bedroefd en ik dacht reeds, dat ik een misgeboorte was of dat de Karlsbader kuur zoo slecht op mij werkte. Toen ik echter terugkwam, bevond ik, dat er buiten mij ook nog andere menschen waren, die zich wel voor Rusland, maar niet voor de Slavische broeders interesseeren, en hiertoe behoort ook onze Constantijn."
"Persoonlijke meeningen hebben hierbij volstrekt geen beteekenis," antwoordde Sergej Iwanowitsch. "De persoonlijke inzichten gaan ons volstrekt niet aan, als Oudrusland, het geheele volk, zijn wil openbaart."
"Ja, maar neem mij niet kwalijk, het volk weet daar niets van!" zeide de vorst.
"Zou het niet, papa? Maar Zondag in de kerk dan?" vroeg Dolly, die naar het gesprek had geluisterd.
"Wat was er Zondag in de kerk? Het was den priester bevolen iets voor te lezen en hij las het ook. Maar zij begrepen er niets van, zuchtten nu en dan, zooals bij elke preek, en dan zeide men hen, dat er in de kerk voor een heilige zaak zou gecollecteerd worden; daarvoor zouden zij een kopeke geven en dit deden zij ook. Maar waarvoor? Dat wisten zij zelf niet."
"Het volk weet het wel. Het bewustzijn zijner historische bestemming blijft onder het volk steeds levendig en in oogenblikken als het tegenwoordige komt het op dat punt tot klaarheid en geeft er getuigenis van," zeide Sergej Iwanowitsch en vestigde met overtuiging zijn blik op Michaël, den bijenwachter, die met een schotel in de hand in hun midden stond en lachend de kinderen aanzag. De schoone oude man met zijn zwart en wit gemengden baard en zilverwit haar begreep blijkbaar niets van al wat er gesproken werd en bekommerde zich er ook niet om.
"Ja, ja, dat is zoo," antwoordde hij op een vraag van Kosnischew en knikte met het hoofd.
"Ja. ondervraagt hem maar," zeide Lewin. "Hij weet en denkt volstrekt niets." "Jij hebt toch ook van den oorlog gehoord Michaëlitsch," wendde hij zich tot den oude. "Men heeft je daarover in de kerk voorgelezen. Wat dunkt je? Moeten wij voor de Slaven vechten?"
"Wat zouden we ons daarover het hoofd breken. Alexander Nicolajewitsch de Czaar heeft voor ons gedacht en zal in alle dingen verder voor ons denken. Hij weet wat het best is. Wil ik nog wat brood halen? Die jongen,"--wijzende op Grischa, die op een broodkorst beet, "zal nog wel wat lusten."
"Ik behoef niet te vragen," zeide Sergej Iwanowitsch. "Wij hebben honderden menschen gezien, die van alle zijden van Rusland toestroomen en openlijk en nadrukkelijk hun voornemens en hun doel te kennen geven. Zij brengen of hun paar kopeken of zich zelf en verklaren rechtuit waarvoor. Wat beteekent dat dan?"
"Naar mijn inzien," antwoordde Lewin, "beteekent dit, dat bij een volk van tachtig millioen zich altijd niet slechts eenige honderden, als nu, maar wel tienduizenden bevinden zullen, wien een goede maatschappelijke positie ontbreekt, lieden, die in verval gekomen of te gronde gericht zijn en nu tot alles zijn bereid, onverschillig of zij onder de rooverbende van een Pugatschew of naar Chiwa of Servië