Part 53
"Deze Servische oorlog heeft God ons beschikt, want die is zijn redding! Ik ben al oud en begrijp van den staatkundigen toestand niet veel; men zegt: ce n'est pas très bien vu à Petersbourg, en als moeder vrees ik voor zijn veiligheid; maar wat te doen? Dat alleen kon hem nog weer tot leven wekken en oprichten. Jawschin, zijn vriend, heeft alles verspeeld en zich ook naar Servië begeven. Deze kwam bij hem en heeft hem overreed. Dat dwingt hem nu ten minste tot inspanning en werkzaamheid. Ach, ik bid u, spreek eens met hem; ik wilde zoo gaarne, dat hij eenige afleiding had. Hij is zoo somber. Hij zal u gaarne zien. Ik bid u, spreek hem eens aan. Hij gaat aan de andere zijde op en neer."
Sergej Iwanowitsch begaf zich naar de andere zijde van den trein.
Tusschen de pakken en kisten, die op het perron lagen opgestapeld, ging Wronsky in zijn lange paletot, met de handen in de zakken, als een dier in de kooi, op en neder, terwijl hij steeds op twintig passen snel terugkeerde. Toen Sergej Iwanowitsch hem naderde, scheen het dezen, dat Wronsky hem niet wilde opmerken. Maar Kosnischew was hierboven verheven. Wronsky was nu in zijn oogen slechts een belangwekkend deelgenoot in een groot werk, en hij achtte het zijn plicht hem aan te moedigen en te troosten. Hij trad derhalve op hem toe.
Wronsky bleef staan, zag hem oplettend aan, kwam toen een stap nader en drukte hem zeer vast de hand.
"U wenscht wellicht mij niet te zien," zeide Sergej Iwanowitsch. "Evenwel ... misschien kan ik u nuttig zijn?"
"Niemands ontmoeting kon mij minder onaangenaam zijn, dan die van u," antwoordde Wronsky: "houd het mij ten goede. Het leven geeft niets aangenaams."
"Ik begrip u, maar ik wilde u mijne diensten aanbieden. Een brief aan Ristic of aan Milan zou wellicht nuttig kunnen zijn?"
"Ach neen," zeide Wronsky, alsof hij moeite had hem te begrijpen. "Als u wil, laat ons dan nog een poos op- en neergaan. In den waggon is het zoel. Een brief? Neen, ik dank u. Om te sterven behoeft men geene aanbevelingen, tenzij aan de Turken," antwoordde hij, en zijn mond glimlachte, maar zijn oogen behielden de uitdrukking van bittere droefheid.
"Maar men kan betrekkingen aanknoopen, die onder de bestaande omstandigheden nuttig zijn kunnen. Ik verheugde mij toen ik van uw besluit hoorde. Men had van vele zijden grieven tegen de vrijwilligers, maar een man als u zal hen in de publieke opinie verheffen."
"Ik heb slechts de verdienste, dat ik niet aan het leven hecht en genoeg kracht heb om een carré uit elkander te slaan of op de plaats te blijven. Dat weet ik. Ik verheug mij, dat er iets is waarvoor ik mijn leven kan wagen, dat mij niet slechts nutteloos schijnt, maar zelfs lastig is. Zoo kan het nog voor iets ten voordeel zijn." En hij maakte met de kin een ongeduldige beweging uithoofde van aanhoudende, kwellende tandpijn, die hem zelfs verhinderde met den gewilden nadruk te spreken.
"U zal weer geheel opleven, dat verspel ik u," zeide Kosnischew, die zich diep geroerd gevoelde. "Onze verdrukte broeders te bevrijden is een doel, waarvoor het waard is te leven en te sterven. God geve u een goeden uitslag op uw edel pogen en inwendigen vrede!"
"Ja, als werktuig mag ik wat zijn, als mensch ben ik eene ruïne," zeide hij en drukte krachtig de hand, die Kosnischew hem toereikte. Hij zweeg en keek naar de raderen van den tender, die langzaam en gelijkmatig over de rails voortrolden. Een diepe smart stond in zijn trekken te lezen. De tender en het spoor riepen haar, of liever wat van haar overgebleven was, in zijn geheugen terug zooals hij haar gezien had, toen hij half waanzinnig de loods bij het station binnengestormd was; daar had zij gelegen, nog onlangs vol leven, toen een bloedig lichaam, schaamteloos uitgestrekt voor de oogen van vreemden! Het achterwaarts gebogen hoofd met de zwarte vlechten en de fijne krulletjes langs de slapen was ongedeerd gebleven; op het schoon gelaat en de half geopende roode lippen scheen een versteende, roerende klacht te liggen, maar in de wijdgeopende oogen lag een ontzettende uitdrukking, die duidelijker dan met woorden het verschrikkelijke woord uitsprak: "gij zult er berouw van hebben...."
Hij gaf zich moeite zich haar zoo te herinneren, als hij haar de eerste maal aan het station ontmoet had, zoo poëtisch schoon en aanlokkend, zoo vol levenslust en behoefte aan geluk en zelf geluk verspreidend, niet zoo bitter en wraakzuchtig als hij zich haar uit hun laatst bijeenzijn herinnerde.... Hij trachtte de schoonste met haar beleefde oogenblikken te voorschijn te roepen, maar deze waren nu voor altijd vergiftigd. Zij stond hem nu nog slechts voor oogen in haar opgewonden toorn en haar zegevierend besluit om zich te wreken.... En hij gevoelde geen tandpijn meer, een snikken schokte zijn geheele wezen!
Nadat hij eenige malen zwijgend de vrachtgoederen was voorbijgegaan, had hij de heerschappij over zich zelf herwonnen en wendde zich nog eenmaal kalm tot Sergej Iwanowitsch, die hem weder voorbijging.
"Is er sedert gisteren nog geen nieuw telegram aangekomen?"
"Ja, zij zijn voor de derdemaal geslagen, maar morgen verwacht men een beslissenden veldslag."
Nadat zij nog een oogenblik over Milans proclamatie tot koning en van de gevolgen dezer gebeurtenis hadden gesproken, keerden zij na het tweede bellen ieder naar zijn waggon terug.
XXVII.
Daar Sergej Iwanowitsch eerst in het laatste oogenblik tot zijn vertrek naar buiten had besloten, had hij zijn broeder daarvan geen bericht gezonden. Lewin was derhalve niet te huis toen Kosnischew en Katawassow in een tarantas, die zij aan het station gehuurd hadden, bestoven als Arabieren, des middags om twaalf uur voor zijn huis stilhielden. Kitty zat met haar vader en Dolly op het balkon. Zij herkende haar zwager en snelde naar beneden hem te gemoet.
"Je moogt je wel schamen, dat je ons niets hebt laten weten!" zeide zij, terwijl zij hem de hand reikte en het voorhoofd hem tegenhield. "Je ziet, dat we heel goed hebben gereden zonder je moeite te veroorzaken," antwoordde Sergej Iwanowitsch. "Maar ik ben zoo bestoven, dat ik u bijna niet durf naderen. Ik had zooveel drukten, dat ik vooraf niet kon bepalen, wanneer ik mij zou kunnen losrukken. Maar gijlieden hier geniet, als altijd, in je stille hoekje een vreedzaam geluk.... Hier onze oude vriend Fedor Wassilitsch is er ook eens uitgevlogen."
"Denk niet, dat ik wezenlijk een neger ben; als ik mij heb gewasschen, zal ik een menschelijk voorkomen hebben," en zijn witte tanden schitterden tusschen zijn schalkachtig vertrokken lippen, terwijl hij haar de hand reikte.
"Kostja zal heel blijde zijn.... Hij is in het veld, maar hij zal wel terstond terug zijn."
"Altijd druk in de zaken. Maar wij zijn ook in Arkadië," zeide Katawassow.--Wij in de stad zien en hooren niets dan van den Servischen oorlog. Hoe denkt onze vriend daarover? Waarschijnlijk anders als andere menschen?"
"Ja, niet zooals allen," antwoordde Kitty een weinig verlegen en wendde zich tot Kosnischew: "Ik zal hem laten halen. Papa is ook hier. Hij is eerst onlangs uit het buitenland teruggekomen."
Zij liet dus naar Lewin zoeken, wees de bestoven gasten hun kamers, bestelde voor hen een verversching en ging toen weer naar het balkon.
"Dat zijn Sergej Iwanowitsch en Katawassow, de professor," zeide zij.
"Oef! dat is veel op eens met die warmte," meende de oude vorst.
"Neen, papa, hij is heel aardig en net en Kostja houdt veel van hem," zeide Kitty met een smeekend lachje, daar zij in zijn trekken een spottende uitdrukking bemerkte.
"Ik heb er niets tegen."
"Ga jij ze wat bezig houden, Dollylief," wendde zij zich tot deze. "Zij hebben onderweg Stiwa aangetroffen, hij is welvarend. Ik moet eens naar mijn kleinen Mitja. Hij heeft sedert van morgen niets gehad en zal ongeduldig worden. Hij zal misschien wakker zijn en schreien."
En met snelle schreden ijlde zij naar de kinderkamer.
Mitja schreide werkelijk. Reeds van verre hoorde Kitty zijn stem en verdubbelde haar schreden. De stem was krachtig en gezond, slechts hongerig en ongeduldig.
"Schreit hij al lang, Stanja?" vroeg Kitty, terwijl zij haastig op een stoel ging zitten en zich gereed maakte om hem de borst te geven. "Geef hem toch dadelijk hier. Wat ben je langzaam! Het mutsje kun je immers later vastbinden."
Het kind liet een vreeselijk hongerig schreeuwen hooren.
"Zoo kan het toch niet, moedertje," zeide Agasija Michailowna, die nu bijna altijd in de kinderkamer was; "hij moet toch eerst in orde gebracht worden." "Suja, suja," zong zij over hem gebogen, zonder zich aan de moeder te storen.
Stanja bracht eindelijk het kind naar zijn moeder. Agasija Michalowna ging achter hen heen met een gelaat overvloeiende van teederheid.
"Hij kent mij al! wezenlijk, hij kent mij!" riep zij uit.
Maar Kitty sloeg geen acht op haar; haar ongeduld vermeerderde met dat van het kind. Derhalve kwam ook de zaak niet dadelijk in orde. Het kind vatte niet juist aan zooals het moest en ergerde zich.
Eindelijk, na een laatste wanhopig geschreeuw gelukte het; moeder en kind werden nu gelijktijdig rustig en stil.
"Nu kun je wel gaan," fluisterde Kitty. "Hij zal inslapen. Maar het arme kind baadt in zweet." En zij betastte het van alle zijden. "Waarom denk je, dat hij je reeds kent?" liet zij volgen, en beschouwde met genoegen de oogjes, die van onder het mutsje haar tevreden en guitig schenen aan te kijken, zijn zachte wangen, die zich gelijkmatig opbliezen en de rooskleurige handjes, die zich onophoudelijk bewogen. "Dat is onmogelijk, want als hij iemand kende, zou hij mij het eerst kennen," antwoordde Kitty op Agasija's bewering.
"Als hij wakker wordt, zal u het zien, als God wil. Doe ik zóó, dan verheldert zijn gezichtje geheel," volhardde Agasija Michailowna. "Nu goed, goed! Wij zullen het wel zien," fluisterde Kitty! "Ga nu maar. Hij slaapt in."
Agasija ging op de teenen de kamer uit; Stanja liet de rouleaux neder, joeg de vliegen weg van achter de mousselinen gordijnen van het bedje en evenzoo een groote bromvlieg, die tegen de vensterruiten stiet, en nadat zij met een berkentak over moeder en kind gezwaaid had, ging zij zitten.
"Welk een hitte! Foei hoe warm! Als de hemel maar regen gaf!" zeide zij.
"Ja ja! St.!" antwoordde Kitty, terwijl zij teeder en licht Mitja, die de kleine oogjes nu opende, dan sloot, op haar schoot wiegde. Eindelijk hield ook het kleine handje op zich te bewegen. Het kind zag, terwijl hij slechts van tijd tot tijd zijn voedingsbezigheid voortzette en de lange wimpers ophief, zijn moeder aan met de vochtige oogjes, die in het half donker zwart schenen. Men hoorde de kindermeid niet meer; zij was zelf ingesluimerd. Van boven liet zich de stem vernemen van den ouden vorst en het gelach van Katawassow.
"Zij zijn ook zonder mij in discours geraakt," dacht Kitty, "maar het is toch ergerlijk, dat Kostja er niet is. Hij zal wel weer naar de bijenkorven zijn gegaan. Dat wekt altijd zijn belangstelling op. In de lente was hij somwijlen somber en gedrukt, nu zijn die phasen veel minder. Hij heeft te veel philosophieën gelezen en dat bracht hem tot ongeloof. Hij zegt zelf, dat hij geloovig wenschte te zijn; maar waarom is hij het dan niet? Waarschijnlijk omdat hij te veel denkt als hij alleen is. Is hij al een ongeloovige, mij dunkt, het is toch nog beter zóó te zijn dan zooals madame Stahl was en ik zijn wilde in Soden--neen, hij is oprecht en braaf."
En daarbij viel haar een onlangs door hem betoonde trek van goedheid in. Een paar weken geleden had Dolly van haar echtgenoot een berouwvollen brief ontvangen, waarin hij haar bezwoer zijn eer te redden en haar goed te verkoopen om daarmede zijn schulden te betalen. Dolly was buiten zich zelf; zij verachtte haar man, was toornig en had medelijden met hem, en het einde was, dat zij ten slotte inwilligde een deel van haar goed te verkoopen. En nu dacht Kitty bewogen en onwillekeurig glimlachend aan de verlegenheid en de ongeschikte pogingen om het middel, dat hij tot Dolly's redding had bedacht, haar voor te stellen, zonder haar te beleedigen. Hij zocht namelijk Kitty te overreden haar aandeel in Dolly's bezitting af te staan, wat haar zelf tot hiertoe niet in den zin was gekomen.
"Welk een ongeloovige is hij dan? Met zulk een hart en in gestadige zorg om niemand leed te doen! Alles heeft hij voor anderen over. Sergej Iwanowitsch acht het natuurlijk, dat Kostja zijn rentmeester is. Nu staan ook Dolly en haar kinderen onder zijn bescherming, en al de boeren komen dagelijks bij hem, alsof hij verplicht is hen te helpen.... Ja, wordt maar zoo goed als je vader!" dacht zij, terwijl zij met haar lippen Mitja's wang aanraakte en hem aan Stanja overgaf.
XXVIII.
Lewin had een broeder gehad, Nicolaas Dimitritsch, van wien hij en zijn broeder Sergej langen tijd gescheiden waren geweest. Door verregaand losbandig gedrag had hij zijn vermogen verspild, zijn naam onteerd en zijn gezondheid verwoest. Er waren jaren verloopen, dat men niets van hem had vernomen, tot eindelijk een brief uit een kleine provincieplaats Lewin naar zijn sterfbed riep. Kitty wist, dat deze broeder bestond, maar had hem nimmer gezien.
Zij wilde Lewin ter zijde staan, toen een treurige en wellicht moeielijke taak hem werd opgelegd, en vergezelde hem naar den doodzieken broeder. Deze, wrevelig tegen de geheele wereld en niet geloovende aan zijn naderend einde, ontving hen in eene gemoedsstemming, die beiden bitter bedroefde, terwijl zij met pijnlijke smart die uitgeteerde gestalte beschouwden, op wier gelaat reeds de dood zijn teeken had geschreven. Kitty betoonde zich eene uitstekende verpleegster. Bij haar vrouwelijke zachtheid ontwikkelde zij zulk een geestkracht en moed als men van haar niet zou verwacht hebben. Het diep mededoogen, het geduld en de zelfopofferende liefde van dit schoon en beminnelijk wezentje oefenden een wonderbaar verzachtenden invloed op den ongelukkige uit. Diep ellendig, als hij in den laatsten tijd geweest was, had hij op zijn ziekbed de geheele wereld gevloekt. Ongeloovige en materialist, als hij zich steeds had voorgedaan, had hij steeds en ook toen hij reeds hopeloos ziek daarneder lag den spot gedreven met al wat op iets hoogers betrekking had. Zijn ingenomenheid met en eerbied voor deze schoonzuster, die hem voorkwam als een wezen uit andere en hoogere sfeer, opende zijn ziel voor het geloof aan onbaatzuchtige liefde, aan een oneindig wezen, dat de oorzaak is van al wat bestaat en een wezen vol liefde moet zijn. Toen het hem zekerheid was geworden, dat hij sterven ging, greep hij naar troost, bad hij om vergeving. De cynische zekerheid, die in ruw zingenot bevrediging had gezocht, had hem in die uren geheel begeven en plaats gemaakt voor vernedering, zelfverwijt, diep schuldgevoel. Hij trachtte te bidden en hoorde gretig naar de troostende woorden van Gods barmhartigheid, die een oude eerwaardige pope zijner kerk tot hem richtte.
Sedert het sterven van zijn broeder, dat op Lewin een diepen indruk had gemaakt, onderwierp hij het probleem van het leven aan een nieuwe beschouwing en plaatste het in een ander licht. De overtuiging, die van twintig tot vier en dertig jaar het geloof zijner kindsheid had vervangen, wankelde op haar grondslagen. Het leven scheen hem nog ontzaglijker toe dan de dood. Van waar kwam het? Wat beteekende het? Waartoe was het ons gegeven? Het organisme, zijn verwoesting, de onvergankelijkheid der stof, de wetten van het behoud en de ontwikkeling der krachten, deze woorden en de wetenschappelijke theorieën, die zich er aan verbonden, waren ongetwijfeld interessant ten opzichte van het intellectueele leven, maar waren ze voldoende in den loop van 's menschen bestaan?
Lewin was gelijk aan iemand, die door de barre koude gaande en zijn warme pels voor een mousselinen kleedij verwisseld hebbende, alsdan, niet door redeneering begrijpt, maar in zijn geheele lichaam voelt, dat hij naakt, beroofd en bestemd is om ellendig om te komen.
Van toen af gevoelde Lewin, zonder iets in zijn uitwendig leven te veranderen, zich steeds ontrust over zijn onwetendheid, daar hij gedrongen was met droefheid te erkennen, dat datgene, wat hij zijn _overtuigingen_ noemde, wel verre van hem licht te geven, die dingen voor hem ontoegankelijk maakte, waaraan hij zulk een dringende behoefte gevoelde.
De dagelijksche beslommering en afleiding verdrongen wel deze gedachten, maar na de bevalling van zijn vrouw, toen hij te Moskou zonder bepaalde bezigheid leefde, keerden zij gedurig met klimmende hardnekkigheid terug.
Hij stelde zich de vraag aldus: "Indien ik de verklaringen van het Christendom omtrent het probleem van mijn bestaan niet aanneem, waar zal ik dan andere vinden?" En hij doorvorschte zijn wetenschappelijk systeem even vruchteloos, als hij een speelgoedwinkel of een arsenaal zou doorzocht hebben om er voedsel te vinden.
Onwillekeurig, onbewust, zocht hij in zijn lectuur, in zijn conversatie, in de personen, die hem omringden, een of ander aanrakingspunt met het onderwerp, dat hem geheel vervulde.
Eéne daadzaak verwonderde hem en hield hem meer bizonder bezig: waarom schenen de lieden zijner wereld, die grootendeels, even als hij, het geloof met de wetenschap hadden verwisseld, geen zedelijk lijden te ondervinden en volmaakt voldaan en tevreden te leven? Zou de wetenschap hen meer duidelijk en klaar antwoorden op deze verwarrende vragen? En hij begon de menschen en boeken, die de zoo vurig verlangde oplossing konden bevatten, te bestudeeren.
Hij ontdekte evenwel, dat hij in een grove dwaling was vervallen door met zijn makkers van de universiteit aan te nemen, dat de godsdienst iets zonder beteekenis is; zij, die hij het meest genegen was: de oude vorst, Lwof, Sergej Iwanowitsch, Kitty, bewaarden het geloof hunner jeugd, dat hij zelf had gedeeld; de vrouwen in het algemeen en het geheele volk geloofden.
Verder zag hij in, dat de materialisten, wier gevoelens hij deelde, aan deze geen bizondere beteekenis gaven en, verre van die vraagstukken te verklaren, zonder welker oplossing het leven hem onmogelijk scheen, schoven zij ze ter zijde om er in de plaats de definitie van andere voor te geven, die hem zeer onverschillig lieten, als: de ontwikkeling van het organisme, de mechanische verklaring der ziel e.z.v.
Sedert het gevaar, waarin zijn vrouw had verkeerd, had Lewin een vreemde ontroering ontwaard; hij, de ongeloovige, had gebeden ... en gebeden met een oprecht geloof; maar zoodra hij tot kalmte was teruggekeerd, gevoelde hij, dat zijn leven onvatbaar was voor zulk een gesteldheid der ziel. Op welk een oogenblik was hem de waarheid verschenen? Kon hij toegeven, dat hij zich had bedrogen? Moest hij zijn heimwee naar God omdat het, als hij het door koude redeneering ontleedde, in het stof terugviel, als een bewijs van zwakheid beschouwen? Of zou het zijn ontstaan door het besef eener heilige waarheid, waarvan het gevoel in het menschelijk gemoed ligt verborgen?.... Deze strijd in zijn binnenste drukte hem pijnlijk en hij trachtte met al zijn krachten zich er van te bevrijden.
XXIX.
Overstelpt door deze gedachten, las en peinsde hij gedurig, maar het doel scheen zich meer en meer te verwijderen.
Overtuigd, dat het vruchteloos was in het materialisme een antwoord op zijn twijfelingen te zoeken, herlas hij sedert den laatsten tijd van zijn verblijf te Moskou en op het land Plato, Spinoza, Kant, Schelling, Hegel en Schopenhauer; deze bevredigden zijn verstand zoolang hij ze las of hun leerstellingen plaatste tegenover andere leerbegrippen, vooral tegenover de theorieën der materialisten; maar ongelukkig--zoodra hij, onafhankelijk van deze gidsen, de toepassing zocht op eenig twijfelachtig punt, verviel hij in dezelfde radeloosheid. De uitdrukkingen _geest, wil, vrijheid, zelfstandigheid_ hadden voor zijn verstand slechts een zekeren zin voor zoover hij den kunstigen draad der gevolgtrekkingen dezer wijsgeeren volgde en zich hield aan hun fijne onderscheidingen; maar als hij ze beschouwde uit het oogpunt van het werkelijk leven, dan stortte de kunstige opstapeling ineen, en hij zag nog slechts een verzameling van woorden, die in geen verband stonden in met dat "zeker iets," dat in het leven nog noodzakelijker is dan de rede.
Schopenhauer kon hem slechts korten tijd eenige kalmte geven. Toen zocht hij de waarheid in een onfeilbare kerk, wat hem het gemakkelijkste scheen, maar toen het hem opviel, dat de Grieksche en de Katholieke kerk, die beiden beweerden onfeilbaar te zijn, elkander veroordeelden, begreep hij, dat de kerkelijke theologie hem evenmin voldoende grondslagen kon geven als de philosophie!
De geheele lente door was hij zich zelf niet en doorleefde hij smartelijke uren.
"Ik kan niet leven zonder te weten wat ik ben en wat het doel is van mijn bestaan," dacht Lewin.
"In de oneindigheid van den tijd, van de stof, van de ruimte vormt zich een organische cel, blijft een oogenblik bestaan en barst.... Deze cel ben ik!"
Dit treurige sophisme was liet eenige, het hoogste resultaat der werkzaamheid van het menschelijk denken gedurende eeuwen; dat was de slotsom van het geloof, waarop zich de nieuwste nasporingen van den wetenschappelijken geest grondden; Lewin had zich er zonder te weten waarom en eenvoudig omdat die theorie hem het helderst scheen, onwillekeurig van doorgedrongen.
Maar deze slotsom scheen hem nu niets anders dan een sophisme; hij zag er het vernielend werk in van een geest des kwaads; het was zijn plicht zich er aan te onttrekken; de macht daartoe was in ieders bezit ... En Lewin, voorspoedig, bemind, gelukkig, bovendien echtgenoot en vader, dacht soms huiverend aan de mogelijkheid dat men in zijn geval er toe komen kon het leven af te werpen.
Maar hij bleef leven en strijden.
XXX.
Hoe meer Lewins geest geschokt was door de moeielijkheid om het probleem van zijn bestaan te ontleden, des te meer gaf hij zich over aan de bemoeiingen van het dagelijksch leven. Hij hervatte tegen de maand Juni zijn werkzaamheden op Prokowska: het bestuur over de landerijen van zijn zuster en van zijn broeder, zijn relatie's met zijn buren en zijn boeren: hij voegde er dit jaar een bijenjacht bij, die hem bezig hield en met ijver bezielde. Zonder er over te redeneeren, volbracht hij zijn nieuwe plichten en een zedelijk instinct zeide hem, dat 't zoo het beste was. Vroeger gaf het denkbeeld een goede daad te verrichten hem vooraf een zachten indruk van vreugde, maar de daad op zich zelf verwezenlijkte zijn hoop en verwachting niet, en hij begon spoedig te twijfelen aan het nuttige van zijn streven. Thans ging hij recht op het doel af zonder blijdschap, maar ook zonder aarzelen en de verkregen resultaten bleken voldoende te zijn. Hij groef zijn voor in den akker met de onbewustheid van den ploeg.