Part 52
"Nu goed, ik verkrijg de scheiding en wordt Wronsky's vrouw. Zal Kitty dan echter ophouden mij aan te zien als heden? Neen. En zal Serëscha ophouden te vragen of na te denken over mijn beide echtgenooten? En welk een nieuw gevoel tusschen Wronsky en mij zou ik dan kunnen bedenken? Is nog eenig geluk--neen, slechts iets, dat geen kwelling is--tusschen ons mogelijk? Neen--neen!" antwoordde zij zonder aarzelen zich zelf; "het is onmogelijk. Wij zouden door het leven gaan, ver van elkander; ik ben zijn ongeluk en hij is het mijne; hij kan zich niet veranderen en ik mij ook niet. Wij hebben reeds alle pogingen gedaan, maar de schroef is verlamd.... Ja, dat is een bedelares met haar kind.... Zij denkt, dat zij beklagenswaard is.... Zijn wij dan niet allen met elkander in deze wereld geworpen om elkander te haten en ons zelf en anderen te kwellen?... Wat lachen die gymnasiasten daar ... Serëscha...? Ik dacht ook altijd, dat ik hem liefhad en was over mijn eigen teederheid geroerd.... En toch heb ik zonder hem kunnen leven, ik heb hem prijsgegeven voor een andere liefde en heb over deze ruil geen berouw gehad zoolang die andere liefde mij bevredigde." En met afschuw dacht zij aan datgene, wat zij een andere liefde noemde.
Het rijtuig hield voor het stationsgebouw stil en een paar bestellers ijlden naar buiten.
"Moet ik plaats nemen tot Obiralowka?" vroeg Peter.
Anna had geheel vergeten waarom en waarheen zij reed, en nu begreep zij eerst na eenige inspanning die vraag.
"Ja," zeide zij en stapte uit, terwijl zij hem haar beurs overreikte.
Zij zag in de menschenmenigte rond, ging naar het salon der eerste klasse en riep zich de bizonderheden van haar toestand en de besluiten, waartusschen zij heen en weder wankelde, in het geheugen terug. En tusschen hoop en vertwijfeling begon zij weder de oude, schrijnende wonden van haar gepijnigd, onrustig hart open te rijten.
Zij zat in afwachting van den trein op de sofa, beschouwde met afkeer de in- en uitgaanden en bedacht wat zij bij haar aankomst aan het volgend station hem schrijven zou, en dan weder, hoe hij zich bij zijn moeder over zijn toestand zou beklagen, zonder haar lijden te begrijpen, hoe zij dan juist de kamer binnentreden en wat zij hem zeggen zoude. En daarop dacht zij, hoe het nog mogelijk zijn kon een gelukkig leven in te richten, hoe haar liefde en haar haat jegens hem evenzeer een kwelling waren en hoe heftig haar hart klopte.
XXV.
Er werd gebeld. Eenige luidruchtige jongelieden, zooals het scheen van minder allooi, gingen haar voorbij. Nu kwam Peter in zijn kaplaarzen en zijn livrei met zijn stompzinnig gezicht door de zaal en naderde haar om haar tot aan den waggon te begeleiden. De drukke heeren waren stil geworden toen zij hen voorbijging; de een fluisterde den ander iets toe. Zij klom de hooge trappen op en nam in de ledige coupé plaats op de smotsige springveeren zitting, die voorheen wit geweest was. Peter hief ten teeken van afscheid voor het venstertje zijn met tressen bezetten hoed omhoog en de conducteur sloeg de deur toe.
Een leelijke dame met tournure en een gemaakt lachend meisje liepen beneden voorbij. "Dit jonge meisje is ook reeds bedorven en wil in het oog vallen," dacht Anna. Om niemand te zien stond zij snel op en ging bij het tegenovergestelde venster van den waggon zitten.
Een onzindelijke, leelijke boer, met een muts op, waaronder het verwarde en stoppelige haar te voorschijn drong, ging juist voorbij en bukte zich naar de raderen van den waggon.
"Wat komt mij aan dezen afschuwelijken mensch zoo bekend voor?" dacht Anna. Toen viel haar droom haar in en sidderend van schrik keerde zij weer naar het andere venster terug. De conducteur opende de deur en liet een heer en een dame instappen.
"Wil u er weer uit?"
Anna gaf geen antwoord. Door haar dichten sluier konden de conducteur en de binnenkomenden de ontroering in haar gelaat niet bemerken. Zij keerde weder naar den zooeven verlaten hoek terug en zette zich neder. Het echtpaar ging aan de andere zijde zitten en monsterde onbemerkt, maar nauwkeurig haar kleeding. De heer en de dame schenen Anna afschuwelijk toe. De man vroeg, of zij toestond te rooken, niet zoozeer omdat hij rooken wilde, maar slechts om een gesprek aan te knoopen. Toen hij haar toestemming had ontvangen, begon hij met zijn vrouw Fransch te spreken. Zij maakten onbeduidende opmerkingen, slechts opdat zij het hooren en er op antwoorden zoude. Anna zag duidelijk, dat zij niet van elkander hielden; "en," dacht zij, "is het ook anders mogelijk? Kan men zulke afstuitende wezens beminnen?"
Er werd voor de tweede maal gebeld en nu begon het rumoeriger te worden, door geschreeuw, gelach en het voortrijden der bagage. Anna was overtuigd, dat voor niemand de geringste reden tot blijdschap bestond, zoodat dit lachen haar onaangenaam aandeed en zij zich de ooren wilde toestoppen om hot niet te hooren. Eindelijk klonk het derde bellen, een schel fluiten, het steunen der machine, de ketting werd aangetrokken en de heer tegenover haar maakte een kruis.
"Het zou interessant zijn hem te vragen, waarom hij dat doet," dacht Anna en zag hem stuursch aan. Toen keek zij voorbij de dame uit het venster naar de terugwijkende toeschouwers, die op het perron stonden. Met gelijkmatige stooten rolde de wagen, waarin Anna zat, het perron voorbij, de raderen rolden al vlugger en gemakkelijker met lichter gedruis over de rails, het venster werd verlicht door de schuinsche stralen van de avondzon en een licht tochtwindje speelde met de gordijntjes.
Anna vergat haar medereizigers; bij het lichte schommelen van den wagen ademde zij de frissche lucht in en begon weer verder te mijmeren.
"Ja, waar dacht ik ook aan? Dat het leven, hoe ik het mij ook voorstel, niets geven kan dan kwelling. Wij zijn toch allen maar geschapen om ons te kwellen; wij zijn ons dit wel bewust en zoeken slechts naar middelen om ons zelf te bedriegen, maar als men de waarheid inziet, wat moet men dan doen?"
"Het verstand is den mensch gegeven om datgene, wat hem hindert, te verwijderen," zeide de dame in het Fransch, blijkbaar over deze phrase zeer tevreden.
Deze woorden schenen een antwoord te zijn op Anna's gedachten.
"Datgene te verwijderen, wat iemand hindert," herhaalde zij bij zich zelf, en terwijl zij den man met zijn welgedane wangen en de magere vrouw aanzag, hield zij het er voor, dat deze ziekelijke vrouw zich beschouwde als iemand, die niet begrepen werd, en dat haar man haar in die meening liet en niet schroomde haar te bedriegen. Anna meende hun intiemste levensgeschiedenis te kennen, alsof zij in de schuilhoeken hunner harten kon zien. Maar zij vond daar niets belangwekkends in en ging derhalve verder in haar eigen gedachten voort.
"Ja, het hindert mij zeer en daartoe is ons het verstand gegeven, dat wij het dan verwijderen. Waarom dan het licht niet uitgebluscht, als het ons tegenstaat dat alles te zien? Maar hoe? Waarom liep zooeven die conducteur op de loopplank? Waarom tieren die jongelieden zoo in dien wagen? En wat beteekent hun lachen? Alles is onwaarheid, geveinsdheid, dwaasheid...."
De trein hield aan het station stil. Anna stapte uit en bevond zich nabij de menigte passagiers; dewijl zij zich echter van hen als van melaatschen trachtte verwijderd te houden, bleef zij op een vrije plaats van het perron staan en trachtte zich te bezinnen waarom zij hier gekomen was en wat zij eigenlijk wilde. Alles wat haar te voren zoo gemakkelijk te volvoeren had toegeschenen, viel haar nu onder deze gedruismakende, akelige menschen, die haar geen rust lieten, moeielijk en zwaar om geregeld te overleggen. Nu kwamen de pakjesdragers bij haar en boden hun diensten aan, toen drongen de luidruchtige jongelieden haar voorbij en zagen haar aan, dan weder liep men haar bijna omver. Terwijl zij zich herinnerde, dat zij wilde doorreizen, als er geen antwoord was, hield zij een besteller aan en vroeg hem, of er niet een koetsier van graaf Wronsky met een boodschap was.
"Graaf Wronsky? Er is juist iemand van hem hier geweest. Men heeft vorstin Sorakina met haar dochter afgehaald. Hoe ziet er de koetsier uit?"
Op dit oogenblik dat zij nog met elkander spraken, kwam de koetsier Michaël in zijn donkerblauwe livrei op haar toe, blijkbaar trotsch er op dat hij zijn zending zoo snel kon volbrengen, en reikte haar een brief over. Zij opende hem haastig, maar vóór zij hem gelezen had, kromp haar hart in een:
"Het spijt mij, dat je brief mij niet tijdig is geworden. Ik kom om tien uur."--Wronski.
Het briefje was met slordige hand geschreven.
"Zoo! dat heb ik verwacht!" zeide zij met een boozen lach. "Goed! Je kunt naar huis rijden," wendde zij zich zacht tot Michaël. Zij sprak zacht, daar het heftig kloppen van haar hart haar ademhaling belemmerde.
"Neen, ik laat mij niet kwellen," dacht zij. Maar deze bedreiging richtte zij noch tegen hem noch tegen zichzelf, maar tegen datgene, wat haar kwelde. Zij verliet het perron en begaf zich ter zijde van het stationsgebouw.
Twee dienstmeisjes, die het perron op- en nedergingen, richtten de blikken op haar en maakten opmerkingen over haar toilet. "Echte!" zeiden zij, bedoelende de kanten aan haar japon. Ook een paar jonge mannen zagen haar in het gelaat en lachten tegen elkander. De stationschef vroeg haar in het voorbijgaan, of zij op den trein wachtte. Een kleine jongen, die kwas verkocht, hield de oogen op haar gevestigd.
"Mijn God, waar zal ik heen?" dacht zij en ging verder tot aan het perron, waar zij bleef staan. Eenige dames en kinderen, die een heer met een bril op hadden opgewacht en nog luid spraken en lachten, werden stil en beschouwden haar toen zij naderde.
Toen versnelde zij haar schreden, ging hen voorbij en trad naar den rand van het perron. Een goederentrein naderde. Het platform dreunde en het scheen haar alsof zij weer medereed.
Plotseling herinnerde zij zich dien man, die op den dag harer eerste ontmoeting met Wronsky overreden was, en nu wist zij, wat zij had te doen. Met snelle, lichte schreden ging zij de loopplank af, die aan het einde van het perron naar beneden voerde tot aan de rails. Zij zag den machinist in zijn buis, die haar verwonderd aankeek, zij zag het groote door den hevel bewogen rad--de locomotief ging voorbij.
"Daarheen?" zeide zij en staarde met afschuw op het met kolenstof vermengde kiezel, waarmede de baan overdekt was. Zij luisterde naar haar steeds heftiger wordend hartkloppen: "En ik zal hem straffen, ik wil mij niet laten kwellen, ik zal mij van allen en ook van mij zelf bevrijden."
De eerste wagen rolde voorbij, de tweede volgde. Zij wierp het roode taschje, dat zij in de hand had, van zich. Zij was zich bewust, dat zij iets meer beslissends en onherroepelijks ging doen dan zij ooit in haar leven gedaan had. Uit gewoonte hief zij werktuigelijk de hand op, bekruiste zich, viel op de knieën op een der rails en boog het hoofd voorover. De zoo gewone beweging van het kruisteeken te maken riep plotseling in haar ziel een rij van herinneringen uit haar jeugd en aan gewichtige oogenblikken haars levens te voorschijn. Een oogenblik schitterde de glans van het vluchtende leven nog voor haar oogen.
"Wat doe ik? Waar ben ik? Waarom?"
Zij wilde zich weer oprichten; maar een reusachtige, onverbiddelijke, donkere massa sloeg haar tegen het hoofd, stiet haar neder en sleepte haar aan den rug met zich voort.
"Mijn God! vergeef mij alles!" riep zij.
Het zwarte zand en kolenstof kwamen nader, zij viel er met het gelaat op neder. Het boertje, dat zij gezien had, boog zich, iets mompelende, van de trede van den waggon boven eene der ijzeren rails over haar henen. En het licht, waarbij de ongelukkige het met kommer, strijd, leugen en dwaasheid gevulde levensboek had gelezen, begon te sissen, verdonkerde, flikkerde nog eenmaal op en werd toen uitgebluscht voor altijd....
XXVI.
Een paar maanden waren verloopen. In de omgeving van Sergej Iwanowitsch Kosnischew sprak en schreef men over niets anders dan over het Slavische vraagstuk en over den Servischen oorlog. Al wat gewoonlijk de ledigloopende menigte doet om den tijd te dooden, werd nu voor de Slavische broeders gedaan. Bals, concerten, redevoeringen, de damestoiletten, de hotels, alles verried de belangstelling voor de Slaven.
Met veel van hetgeen men zoo sprak en schreef stemde Sergej Iwanowitsch niet in. Hij erkende, dat de Slavische vraag tot modezaak was geworden, en erkende ook, dat velen er zich uit eerzuchtige en zelfzuchtige beweegredenen mede bezig hielden. Hij zag in, dat de dagbladen sterk overdreven en veel papier nutteloos bedrukten met het eenig doel, de opmerkzaamheid tot zich te trekken en de andere te overschreeuwen. Hij bespeurde, dat zich bij deze algemeene geestdrift de onvergenoegden en tot hiertoe teruggezetten het luidruchtigst naar voren drongen en dat zich allerlei belachelijke lichtzinnigheid ruim baan maakte; maar hij bemerkte ook een ongetwijfeld oprechte, zich steeds meer verbreidende geestdrift, die alle klassen der samenleving vereenigde en bepaalde waardering verdiende. De strijd der geloovige, Slavische broeders vroeg deelneming en vijandschap tegen hunne onderdrukkers. Maar bizonder was Sergej Iwanowitsch over zulk eene uiting der openbare meening verheugd. Het publiek had duidelijk zijn gevoelen doen blijken. De ziel des volks, zooals hij het noemde, had een uitdrukking gevonden. En hoe meer hij zich met deze zaak bezig hield, des te duidelijker werd het hem, dat zij van een reusachtige, geschiedkundige beteekenis zou worden.
Derhalve wijdde hij zich geheel aan den dienst dezer groote zaak, en zijn tijd was er zoozeer door in beslag genomen, dat hij aan alle hem gestelde eischen niet kon voldoen.
Nadat hij de geheele lente en een deel van de zomer had gewerkt, kwam hij er eerst in Juli toe naar buiten te gaan en zijn broeder Lewin te bezoeken. Hij begaf zich er heen om, een paar weken op het land teruggetrokken, den volksgeest in zijn verheffing waar te nemen en wat tot verhaal te komen. Katawassow, die al lang beloofd had Lewin te bezoeken, vergezelde hem.
Toen Sergej Iwanowitsch en Katawassow aan het station afstapten, kwamen daar te gelijk verscheiden vrijwilligers met droschken aan. Zij werden door dames met bloemkransen en door oen toegestroomde volksmenigte ontvangen.
Een der dames kwam uit de wachtkamer en wendde zich tot Sergej Iwanowitsch.
"Is u ook gekomen om hen uitgeleide te doen?"
"Neen, vorstin, ik reis op eigen hand om mij bij mijn broeder op het land wat te verfrisschen. En u doet hen steeds uitgeleide?" antwoordde hij glimlachend.
"Ja, dat is toch noodig," zeide de vorstin. "Is het waar, dat er achthonderd van de onzen zijn?"
"Meer. Hen medegerekend, die niet over Moskou de reis hebben gemaakt, zijn er meer dan duizend," zeide Kosnischew.
"Ziet u? Dat heb ik al dadelijk gezegd," antwoordde de dame verheugd: "En is het waar, dat men al over het millioen bijeen heeft?"
"Meer, vorstin."
"En het laatste telegram? Zijn de Turken geslagen?"
"Ja, ik heb het zooeven gelezen," antwoordde Kosnischew.
"Het bericht wordt bevestigd, dat in de laatste drie dagen de Turken overal geslagen zijn, en morgen verwacht men den beslissenden veldslag."
"Weet u reeds, dat graaf Wronsky, de beruchte, met dezen trein vertrekt?"
"Ja, dat hij ook aan den strijd wil deelnemen, heb ik gehoord, maar ik wist niet wanneer hij zou vertrekken. Dus met dezen trein?"
"Ik heb hem gezien. Hij is hier; alleen zijn moeder vergezelde hem. Dat is nog altijd het beste, wat hij doen kan."
"O ja, zeker."
Op dit oogenblik drong de menigte, om wat middageten te bekomen, naar de restauratiezaal. Zij werden medegesleept en hoorden de luide stem van een heer, die met een champagneglas in de hand een toespraak tot de vrijwilligers hield.
"Gij gaat strijden voor ons geloof, voor de menschheid, voor onze broeders!" zeide de heer met steeds meer klimmende stem. "Moeder Moskou zegent u voor eene groote zaak. Jivio!"'besloot hij luid en met ontroerende stem.
"Jivio! Jivio!" schreeuwden allen en een nieuwe menigte stroomde de zaal in en klonk met de gravin.
"Ach! Vorstin! Wat zegt u er van?" vroeg Stipan Arkadiewitsch met een vroolijken lach en een stralend gelaat, terwijl hij plotseling te midden van de menigte verscheen. "Niet waar? zeer schoon en warm gesproken! Bravo! En ziedaar, Sergej Iwanowitsch! U moet ook eenige woorden spreken, weet u, als blijk van waardeering en tot opwekking. U kan dat zoo goed!" liet hij er, zijn arm aanrakende, met een vleiend, aanmoedigend lachje op volgen.
"Neen, ik reis dadelijk door."
"Waarheen?"
"Naar mijn broeder op zijn landgoed," antwoordde Kosnischew.
"O, dan ziet u ook mijn vrouw. Ik heb aan haar geschreven, maar u ziet ze toch vroeger. Wees zoo goed en zeg haar, dat het All right is. Zij zal het begrijpen. Zeg haar ook, dat ik gekozen ben tot medelid van de commissie ... zij weet wel wat ik bedoel. Vous savez, les petites misères de la vie humaine!" wendde hij zich verontschuldigend tot de vorstin. "En Miagkaja--niet Lisa, maar Bibiche--, zendt geweren en twaalf liefdezusters. Weet u het al?"
"Ja, ik heb het gehoord," antwoordde Kosnischew op koelen toon.
"Hoe jammer dat u vertrekt," zeide Stipan Arkadiewitsch. "Wij geven morgen aan twee vrijwilligers--Bartenjansky uit Petersburg en onzen Wassja Wesslowsky--een afscheidsdiner. Zij gaan allen heen! Wesslowsky was eerst onlangs getrouwd en vertrekt nu al. Is dat niet mooi?"
De vorstin zag Kosnischew aan. Beiden schenen gaarne van hem los te willen zijn, maar dat hinderde Stipan Arkadiewitsch niet in het minst. Hij zag lachend nu op de veer van den hoed der gravin, dan naar alle zijden in het rond, alsof hij zich iets in het geheugen wilde terugroepen. Toen hij eene dame met een bus voorbij zag gaan, riep hij ze en legde er een bankbiljet van vijf roebel in.
"Ik kan deze bussen niet onverschillig aanzien, zoolang ik nog geld in den zak heb," zeide hij. "Wat zegt u van het laatste telegram? Dappere knapen die Montenegrijnen!"
"Wat u zegt!" riep hij uit, toen de vorstin hem mededeelde, dat Wronsky met dezen trein ging. Zijn gelaat drukte op dat oogenblik droefheid uit, maar reeds in het volgend oogenblik, nadat hij even had gezucht en met sidderende hand langs zijn baard had gestreken, trad hij de kamer binnen, waarin Wronsky zich bevond; hij had al zijn zuchten over den dood zijner zuster vergeten en zag in Wronsky nog slechts den held en zijn ouden vriend.
"Bij al zijn gebreken moet men hem toch recht laten wedervaren," zeide de vorstin tot Kosnischew, toen Oblonsky haar had verlaten: dat is een echt Russische, een Slavische natuur. Ik vrees slechts, dat het Wronsky onaangenaam zal zijn hem te zien. Wat zij ook mogen zeggen, mij roert het noodlot van dezen man. Spreekt u hem onderweg?"
"Ja, wellicht! Als het zoo valt."
"Ik was nimmer met hem ingenomen. Naar wat hij nu doet maakt weer veel goed. Niet slechts gaat hij zelf mede, maar hij heeft een geheel escadron op zijn kosten uitgerust."
"Ja, ik heb daarvan gehoord."
Er werd geluid. Allen drongen zich naar de deuren.
"Daar is hij," zeide de vorstin en wees op Wronsky, die in een langen zwarten jas en met een breedgeranden zwarten hoed op aan den arm zijner moeder daar aankwam. Naast hem ging Oblonsky, die levendig sprak.
Waarschijnlijk door Oblonsky opmerkzaam gemaakt, wendde hij zich naar de zijde, waar Kosnischew met de gravin stond en nam zwijgend den hoed af. Zijn gelaat was verouderd en zag er lijdend uit, maar scheen echter als uit steen gehouwen. Hij ging naar het plateforme van den wagen, liet zwijgend zijn moeder voorbijgaan en verdween in de wagenafdeeling.
Op het perron werd het roepen der menigte gehoord: "God behoede den czaar! Hoera en Jivo!" Een der vrijwilligers, een lange nog zeer jonge man met ingevallen borst, stelde zich bizonder op den voorgrond, terwijl hij zijn vilten hoed en bloemruiker boven zijn hoofd zwaaide.
Gedurende het oponthoud in de hoofdstad van het gouvernement ging Sergej Iwanowitsch niet in de restauratiezaal, maar bleef het perron op- en nedergaan. Toen hij Wronsky's wagon voorbij kwam, zag hij voor het venster de oude gravin. Zij riep hem aan.
"Ik ga ook met dezen trein," zeide zij, "en vergezel hem tot Kursk."
"Ja, dat heb ik al gehoord," zeide Kosnischew en zag tot haar op. "Dat is een loffelijke daad van hem," liet hij volgen, toen hij bemerkte, dat Wronsky niet aanwezig was.
"Ja, na zijn ongeluk.... Wat bleef hem anders over?"
"Een verschrikkelijke gebeurtenis!" zeide Kosnischew.
"Ach, wat heb ik doorleefd! Kom een oogenblik hier binnen.... Ach wat heb ik doorleefd!" hernam zij toen Kosnischew binnentrad en naast haar op de kussens ging zitten. "Men kan zich dat niet voorstellen. Zes weken lang sprak hij met niemand en gebruikte slechts eenig voedsel, als men hem er toe drong. En geen oogenblik konden wij hem alleen laten. Alles hadden wij hem ontnomen, alles, waarmede hij zich kon dooden. Wij woonden in de benedenverdieping, maar men kon niet voorzichtig genoeg zijn. U weet immers, dat hij reeds eenmaal om harentwil op zich heeft geschoten," zeide zij en bij deze herinnering fronste de oude dame het voorhoofd. "Ja en het eindigde met haar, zooals het met zulk een vrouw eindigen moest. Zulk een gemeenen, vernederenden dood moest zij uitzoeken!"
"Wij mogen daarover niet oordeelen, gravin," zeide Kosnischew met een zucht. "Maar ik begrijp, hoe zwaar en pijnlijk het voor u moet geweest zijn."
"Ach, ik kan het u niet zeggen. Ik had toen mijn verblijf op mijn landgoed en hij was juist bij mij. Daar bracht men mij een brief. Hij schreef een antwoord en verzond het. Wij vermoedden niet, dat zij aan het station was. 's Avonds--ik had mij juist teruggetrokken--vertelde mijn Marie mij dat zich nabij het station een dame onder den trein had geworpen. Het was mij, alsof mij een beroerte trof. Ik wist dadelijk, dat zij het was. Het eerste, wat ik zeide, was: De graaf mag er niets van vernemen! Maar men had het hem reeds gezegd. Zijn koetsier was daar geweest en had alles mede gezien. Toen ik zijn kamer binnen ijlde, was hij reeds zich zelf niet meer. Het was verschrikkelijk hem aan te zien. Hij sprak geen woord en snelde heen. Ik weet niet wat daar geschied is, maar men bracht hem als dood naar huis. Ik herkende hem nauwelijks. Daarop greep hem een soort van razernij aan. Maar hoe zou ik het kunnen verhalen? Het was een ontzettende tijd. Neen, wat men ook zeggen mag, zij was een slechte vrouw. Wat moet men zeggen, van zulke wanhopige harstochten? Zij heeft daardoor zich zelf en twee voortreffelijke menschen, haar echtgenoot en mijn ongelukkigen zoon te gronde gericht.
"Wat heeft Karenin gedaan?"
"Hij heeft het dochtertje tot zich genomen. Mijn Aläscha stemde in het begin in alles toe; maar nu grieft het hem verschrikkelijk, dat hij zijn kind aan een vreemden man heeft overgelaten. Maar hij kan zijn woord niet terugnemen. Karenin was voor de begrafenis overgekomen, maar wij maakten, dat hij en Aläscha elkander niet ontmoetten. Voor hem, haar echtgenoot, is het zoo het best. Hij is van haar bevrijd. Maar mijn arme zoon heeft zich geheel aan haar overgegeven; alles heeft hij voor haar opgeofferd, zijn carrière en mij, zijne moeder, maar toch heeft zij geen mededoogen met hem gehad, maar moest hem opzettelijk te gronde richten. Neen, wat men ook zeggen mag: haar dood was die eener afschuwelijke vrouw, eener vrouw zonder godsdienst. God moge het haar vergeven, maar ik moet haar aandenken haten, daar ik den ondergang mijns zoons voor oogen heb."
"Hoe is hij nu?"