Anna Karenina

Part 49

Chapter 49 3,959 words Public domain Markdown

"Maar gij zelf," merkte Karenin met een vermoeiden glimlach op, "gij schijnt mij tot de onverschilligen te behooren."

"Is het mogelijk zoo te zijn!" riep de gravin uit.

"Ik ben in deze dingen niet onverschillig, maar verkeer in afwachting," zeide Oblonsky met zijn zachtste stem; "ik geloof, dat in dit opzicht mijn uur nog niet is gekomen."

Alexei Alexandrowitsch en Lydia Iwanowna zagen elkander aan.

"Wij kunnen niet weten, of het uur is gekomen of niet," zeide Karenin gestreng. "Niet daaraan mogen wij denken, of wij bereid zijn of niet; ons heil komt niet door menschelijk overleg; het komt dikwijls ook niet over degenen, die er naar streven, maar ook over hen, die het niet gezocht hebben, zooals over Saulus."

"Neen, ik geloof niet, dat nu reeds...." sprak Lydia Iwanowna, die de bewegingen van den Franschman gevolgd had. Landau was opgestaan en kwam bij hen.

"Is 't geoorloofd te hooren?" vroeg hij.

"O ja, zeker! Ik wilde u slechts niet storen," antwoordde de gravin met een teederen blik. "Ga bij ons zitten."

"Men mag slechts zijn oogen niet opzettelijk sluiten om van het licht verstoken te blijven," ging Karenin voort.

"Ach, als u de zaligheid kende, die wij smaken, terwijl wij Zijne bestendige tegenwoordigheid in onze harten gevoelen," zeide de gravin en lachte zalig.

"Maar de mensch gevoelt zich dikwijls niet in staat zich tot deze hoogte te verheffen," antwoordde Oblonsky, die nog steeds met een lachje zijn onafhankelijkheid trachtte te verdedigen.

"U wil zeggen, dat de zonden hem hierin verhinderen," zeide Lydia Iwanowna; "maar dat is een dwaling. Voor den geloovige is er geen zonde; want van de zonde zijn wij verlost.... "Pardon!" viel zij zich zelf in de rede en zag een bediende aan, die met een briefje binnen was gekomen en voor haar stond; zij las het briefje en gaf het mondeling antwoord. "Zeg maar: morgen bij de grootvorstin," en toen in haar gesprek voortgaande, zeide zij: "Voor de geloovigen is er geen zonde...."

"Ja, maar het geloof zonder de werken is een dood geloof," merkte Stipan Arkadiewitsch aan, die zich dit gezegde uit den catechismus meende te herinneren en steeds glimlachte, hoewel hij gevoelde, dat het een onnoozel lachen was.

"Zoo staat er in den brief van Jacobus," zeide Karenin, met een verwijtenden blik op de gravin, als wegens een zaak waarover te voren al gesproken was. "Hoeveel onheil heeft de valsche uitlegging dezer plaats reeds veroorzaakt. Niets verwijdert meer van het geloof dan juist zulk een uitlegging...."

"Door zoogenaamde Gode welgevallige werken, door boete en vasten en dergelijke zijn ziel te redden," zeide de gravin, "dat is een barbaarsche opvatting der monniken ... zooals het nergens in de schrift bedeeld is. En het is toch zooveel eenvoudiger en lichter," voegde zij er bij, terwijl zij Oblonsky met hetzelfde opwekkend lachje aanzag, waarmede zij aan het hof de jonge dames, die door de nieuwe omgeving beschroomd waren geworden, mettait à leur aise.

"Wij zijn door Christus verlost, die voor ons geleden heeft, en slechts door het geloof worden wij gered," bevestigde Alexei Alexandrowitsch en bevestigde de uitspraak der gravin met zijn blik.

"Vous comprenez l'Anglais?" vroeg deze en, nadat zij een bevestigend antwoord had ontvangen, stond zij op en begon in het boekenkastje naar een boek te zoeken. "Ik zal u _Save and Happy_ of ook _Under the wing_ voorlezen," zeide zij en zag daarbij Karenin vragend aan. Toen zij het boek gevonden had, zette zij zich neder en opende het. Hier is de weg aangewezen, waardoor men komt tot geloof en tot al dat geluk, dat de ziel bevredigt en dat meer is dan alle aardsch geluk. De geloovige kan niet ongelukkig zijn, want hij is niet alleen. "Ja," zeide zij en hield haar vinger op een plaats in het boek, terwijl zij zuchtte en dwepend voor zich uit zag: "Zoo werkt het ware geloof! U kent Marie Sawin? Heeft u niet van haar ongeluk gehoord, dat zij haar eenig kind heeft verloren? Zij was volslagen wanhopig. En wat is geschied? Zij heeft dezen troost gevonden en kan nu God danken voor de ondergane beproeving. Dat is het geluk, dat het geloof schenkt."

"O ja, dat is veel...." zeide Oblonsky zeer tevreden, dat er gelezen zou worden; hij wenschte tijd te vinden om zich te bezinnen. "Maar," dacht hij, "het is toch beter haar vandaag nog niets te verzoeken. Hoe kan ik het aanleggen om maar van hier te komen."

"Het zal u wellicht vervelen?" vroeg de gravin tot Landau gewend. "U verstaat geen Engelsch, doch het is maar kort."

"O, ik zal het wel verstaan," antwoordde Landau met hetzelfde lachje en sloot de oogen.

Alexei Alexandrowitsch en Lydia Iwanowna zagen elkander veelbeteekenend aan en de lectuur begon.

XVI.

Stipan Arkadiewitsch was volkomen neergedrukt door deze geheel nieuwe en nimmer gehoorde redeneeringen. In het algemeen werkte het bonte Petersburger leven zeer opwekkend op hem, maar hij beminde en begreep het slechts in de sferen, waartoe hij behoorde en die hem bekend waren; in deze hem vreemde sfeer daarentegen gevoelde hij zich beklemd, verlegen en begreep hij niets. Bij het aanhooren van de lectuur der gravin en, terwijl hij Landau's naïeven of guitigen blik--hij wist niet welke de beteekenis was--op zich zag gevestigd, begon hij spoedig een eigenaardige zwaarte in het hoofd te gevoelen.

De meest verschillende gedachten dwarrelden door zijn hersenen: "Marie Sawin verheugt zich er over, dat haar kind dood is.... Nu zou het aangenaam zijn eens te rooken ... om gered te worden behoeft men slechts te gelooven; de monniken weten er niets van hoe men dat aanvangt, maar gravin Lydia Iwanowna weet het.--Waarvan heb ik nu deze zwaarte in het hoofd? Van den cognac of omdat alles hier zoo zonderling is? Tot hiertoe, dunkt mij, heb ik mij goed gehouden, ik kan haar nu niet meer om iets verzoeken.... Men zegt, dat zij iemand dwingen om te bidden.... Als zij mij daartoe maar niet dwingen. Dat zou al te zot zijn.... Welk een onzin leest zij nu eigenlijk? Maar zij heeft een goede uitspraak.... Landau--Lessabow.... Waarom is hij een Lessabow?"

Oblonsky gevoelde onophoudelijk, dat zijn kinnebakken zich wilden openen om te geeuwen. Hij streek over zijn baard om zijn geeuwen te verbergen en trachtte zich te bedwingen. Maar onmiddelijk daarop bemerkte hij, dat hij al sliep en juist wilde beginnen te snorken. Hij kwam op hetzelfde oogenblik tot zich zelf, toen hij de stem der gravin hoorde zeggen: "Hij slaapt."

Stipan Arkadiewitsch verschrok en kwam tot bezinning. Hij zag zich betrapt en gevoelde zich schuldig. Maar hij stelde zich dadelijk gerust toen hij bemerkte, dat de woorden "hij slaapt" niet hem, maar Landau hadden gegolden. De Franschman was even als Oblonsky ingeslapen, maar deze slaap werd door zijn geloovige vrienden, vooral door gravin Lydia met eerbied als iets verhevens beschouwd.

"Mon ami," zeide zij fluisterend om den slapende niet te storen, terwijl zij behoedzaam de plooien van haar kleed opnam, tot Karenin--"mon ami, donnez lui la main. Vous voyez.... St!" fluisterde zij den juist weer binnenkomenden bediende toe: "er wordt niemand ontvangen."

De Franschman sliep of deed alsof hij sliep en maakte, terwijl zijn hoofd tegen den stoel lag gezonken, met zijn afhangende hand zwakke bewegingen, alsof hij iets vangen wilde. Karenin stond op, trad naderbij en legde zijn hand in die van den Franschman. Ook Oblonsky was opgestaan en de oogen wijd openend om zich wakker te houden, zag hij nu den een dan den ander aan. Was dat alles werkelijkheid? Hij gevoelde, dat zijn hoofd meer en meer verward werd.

"Que la personne qui est arrivée la derniére celle qui demande qu'elle sorte--qu'elle sorte!" sprak de Franschman met gesloten oogen.

"Vous m'excuserez, mals vous voyez.... Kom tegen tien uur terug, beter nog morgen...."

"Qu'elle sorte!" herhaalde de Franschman ongeduldig.

"C'est moi--n'est ce pas?" En toen Oblonsky een bevestigend antwoord ontving, vergat hij, door het verlangen zich zoo spoedig mogelijk te verwijderen, geheel de aangelegenheid zijner zuster en datgene, wat hij de gravin had willen verzoeken, en ijlde op de teenen loopend de kamer en het huis uit als uit een verpest verblijf en de straat op, waar hij nog een poos met den koetsier der droschke praatte en schertste om zoo maar weer tot bezinning te komen.

Maar eerst in den Franschen schouwburg, waar hij nog bij het laatste bedrijf binnenkwam, en bij een glas champagne gevoelde hij zich weder in de onontbeerlijke lucht terugverplaatst, maar volkomen wel te moede werd hij dezen geheelen avond niet.

Toen hij te huis was gekomen, vond hij een briefje van gravin Betsy. Zij schreef hem, dat zij zeer verlangde het gisteren met hem begonnen gesprek ten einde te brengen en hem derhalve verzocht morgen by haar te komen. Toen hij dit las, nam zijn gezicht een onvergenoegde uitdrukking aan.

Hij was zeer slecht geluimd, wat hem anders zelden gebeurde, en kon in de eerste uren niet inslapen. Alles, waaraan hij dacht, was afschuwelijk, maar het afschuwelijkst en voor hem beschamendst was de herinnering aan den avond by gravin Iwanowna.

Den volgenden dag ontving hij van Karenin een besliste weigering ten opzichte van de echtscheiding, en hij begreep, dat deze beslissing haren grond had in datgene, wat de Franschman gisteren in zijn werkelijken of geveinsden slaap had gesproken.

XVII.

Hitte en stof hadden voor Anna en Wronsky het oponthoud in Moskou, waar de zon niet meer als in de lente scheen, maar als in den zomer brandde, waar de boomen op de boulevards reeds bladeren hadden en met stof bedekt waren, onaangenaam doen worden; maar hoewel reeds lang besloten weder naar Wasowijenskoije te verhuizen, bleven zij toch nog in Moskou voortwonen, want er werd in den laatsten tijd tusschen hen geene overeenstemming gevonden.

De gespannen toestand, die hen scheidde, had volstrekt geen uitwendigen grond, en alle pogingen om zich jegens elkander daarover te verklaren verergerden dien slechts. De grond daarvoor was van innerlijken aard, en wel bij haar gelegen in een vermeende waarneming van zijn verflauwde liefde en bij hem in het berouw, dat hij zich om harentwil in zulk een valsche positie had gebracht, dat zij hem, in plaats van ze te verlichten, nog verzwaarde.

Geen van beiden sprak zich daarover genoegzaam uit, maar ieder geloofde, dat de ander alleen in het ongelijk was, en beijverde zich dat den ander te bewijzen.

Naar haar inzien waren al de gewoonten, inzichten en wenschen van zijn geheele wezen op vrouwenliefde gericht, en deze geheele liefde moest haar alleen behooren. Maar nu was deze liefde verflauwd, derhalve moest hij een gedeelte daarvan op een andere vrouw hebben overgedragen en daarom was zij ijverzuchtig. Zij was het echter niet op een bepaalde vrouw, maar slechts omdat zijn liefde verflauwd was. Zonder een werkelijk voorwerp voor haar ijverzucht, zocht zij naar zulk een, nu hier dan daar. Vandaag was zij ijverzuchtig op lichtzinnige vrouwen, die berucht waren en met wie hij uit hoofde van betrekkingen uit vroeger dagen zoo licht in aanraking kon komen; morgen op dames, die hij in gezelschappen ontmoeten kon; dan weder op zijn wensch, die zij zich verbeeldde te bestaan, om met haar te breken en met een ander te trouwen. Vooral deze laatste ijverzucht kwelde haar het moest. Eenmaal, in een zwak oogenblik, had hij zich onvoorzichtig uitgelaten, dat zijn moeder hem zoo weinig kende, dat zij nog steeds plannen smeedde om hem met prinses Sorokin te doen trouwen. Terwijl zij nu alles door haar gedachten liet gaan, wat zij voor hem had opgeofferd, gevoelde zij steeds meer zijn onrecht en zijn harteloosheid. Van al het smartelijke, dat zij in haar toestand ondervond, gaf zij hem de schuld. Dezen kwellenden toestand van hopen en vreezen in zwevende pijn, Karenins aarzeling en besluiteloosheid, haar eenzame verlatenheid--alles schoof zij op zijn rekening. Als hij haar beminde, zou hij al lang de bezwaren van haar toestand begrepen en haar daarvan verlost hebben. Ook daarvan, dat zij zich nog altijd te Moskou en niet op het land bevonden, droeg hij alleen de schuld. Hoe zij het ook wenschen mocht, hij wilde zich niet op het land begraven; conversatie was voor hem behoefte on daardoor had hij haar in dezen ondragelijken toestand gebracht, waarvan hij de bezwaren niet begreep. En eindelijk was het ook nog zijn schuld, dat zij zonder haar zoon moest leven.

En nu hield hij op haar te beminnen, nu zij alles had verloren! Zelfs de steeds zeldzamer wordende oogenblikken van teedere liefde tusschen hen stelden haar niet gerust; zij zag daarin slechts nog eene uitdrukking zijner kalmte en zekerheid, die vroeger niet had bestaan en die haar nu vertoornde.

Wronsky van zijn zijde kon volstrekt niet begrijpen, waarom zij haar reeds zoo drukkend leven nog meer vergiftigde, waarom zij hem, die toch voor haar al zooveel had opgeofferd, bestraffen en kwellen wilde, daar hij toch nu evenals vroeger voortging haar in gedachten en daden getrouw te blijven. Hij kon zich zelf en haar de fout niet vergeven, dat zij zich buiten den echt verbonden hadden. Eerst nu begreep hij den geheelen omvang van zulk een valschen stap. In werkelijkheid was zij in zijn macht, maar haar zwakheid en hulpeloosheid gaven haar een buitengewone macht over hem; doch deze macht werd haar verleend door zijn eerlijkheid en teergevoeligheid. Maar deze macht misbruikte zij. "Ik ben slechts uw minnares, ge kunt mij verlaten," had zij zelfs tot hem gezegd; en alsof zij hem opzettelijk in verzoeking wilde brengen, daagde zij hem uit tot den strijd. Toegeven kon hij haar niet in eene aangelegenheid, die zijn geheele leven betrof. Ook was het niet te begrijpen _wat_ zij eigenlijk verlangde. Nu was het iets onmogelijks, een afzien van alles wat hem belang inboezemde, waardoor hij zich belachelijk zou maken, dan zijn onafgebroken verliefde nabijheid, zoodat hem dit, omdat het geëischt werd, bepaald tegenstond. Hoewel hij moest erkennen, dat zij in haar toestand uiterst beklagenswaardig was en dat men jegens haar zoo toegefelijk mogelijk zijn moest, vergat hij dit voornemen toch licht zoodra zij weder met elkander in betrekking kwamen. Haar onbillijkheid en haar levendig besef, dat zij aan zijn willekeur was overgegeven, verdroot hem; zij noodzaakte hem tot verdediging en afwering en dan, door haar ongerijmde, beleedigende uitvallen getergd, wond hij zich op en zeide haar dingen, die beter waren niet gezegd te zijn. Buitendien was het nu steeds haar wensch zijn physisch welgevallen op te wekken, en dit koketteeren met hem, deze bemoeiingen om door houding en kleeding indruk op hem te maken verkoelden hem, stieten hem meer van haar af dan dat ze hem aantrokken.

Het was in het schemeruur. Anna was alleen en verwachtte zijn terugkomst van een diner met ongehuwde heeren; zij ging in zijn kabinet, waar men het gedruis der straten het minste hoorde, op en neder en dacht over de bizonderheden van den pas voorgevallen strijd. Zij ging terug tot de aanleiding en kon het lang niet gelooven, dat een twist had kunnen ontstaan uit een onschuldig voor beiden onverschillig gesprek. En toch was het zoo geweest. Hij had zich over de gymnasiën voor meisjes vroolijk gemaakt en ze voor overtollig verklaard, zij daarentegen had ze verdedigd. Hij had bovendien verachtelijk over de beschaving der vrouwen gesproken en de meening geuit, dat Hanna, de door Anna geprotegeerde Engelsche, volstrekt niets van de physica behoefde te weten.

Dat had Anna verdroten; zij had daarin eene minachtende opmerking over haar doen en streven gezien en zij antwoordde hem met een gezegde, dat de haar veroorzaakte smart weer moest vergelden.

"Ik verwacht volstrekt van u niet meer, dat gij aan mijn gevoelen denkt als iemand, die mij lief heeft," had zij gezegd.

En hij was rood geworden van ergernis en had iets onaangenaams geantwoord. Haar antwoord had zij vergeten, maar hij had haar daarop, met het blijkbaar oogmerk haar te kwetsen, gezegd:

"Voor mij is inderdaad uwe voorliefde voor dit jonge meisje weinig interessant en wel daarom, dat ze onnatuurlijk is."

Deze wreedheid, waarmede hij de wereld verstoorde, die zij zich gebouwd had om haar moeielijk leven te kunnen dragen, deze onbillijkheid, waarmede hij haar van onoprechtheid en onnatuurlijkheid beschuldigde, had haar opgewonden.

"Het doet mij leed, dat slechts het ruwe en materieele u begrijpelijk en natuurlijk voorkomt," had zij geantwoord en was toen de kamer uitgegaan.

Toen hij nu daarop gisteravond weder bij haar was gekomen, hadden zij den gevoerden twist niet aangeroerd, maar beiden hadden het gevoel gehad, dat hij wel geëindigd, maar niet spoorloos voorbijgegaan was.

Heden was hij den geheelen dag nog niet te huis gekomen en zij gevoelde zich zoo verlaten en de verwijdering tusschen hen drukte haar zoo zwaar, dat zij bereid was alles te vergeven en te vergeten, zich met hem te verzoenen, zich zelf aan te klagen en hem te verontschuldigen.

"Ik zelf heb schuld. Ik was opgewonden, onverstandig, ijverzuchtig. Wij zullen ons met elkander verzoenen en naar het land vertrekken. Daar zal ik weer kalm en rustig zijn," zeide zij tot zich zelf.

"Dat is onnatuurlijk," klonk haar plotseling weer het woord van gisteren in de ooren; maar de woorden beleedigden haar minder, dan veel meer zijn oogmerk om haar te kwetsen. "Ik weet, wat hij daarmede zeggen wilde: Het is onnatuurlijk, als men een eigen dochter heeft, een vreemde lief te hebben. Alsof hij de liefde der moeder voor de kinderen begrijpt! Mijn liefde voor Serëscha, die ik om zijnentwil heb opgeofferd! Maar dit opzet om mij leed te doen! Neen, hij bemint eene andere, anders is het niet verklaarbaar!"

En zij bemerkte, dat zij zich, terwijl zij zich wilde geruststellen, in denzelfden kring rondbewoog en nu weer op het punt stond tot haar eersten toorn terug te keeren; toen verschrikte zij van zich zelf.

"Is het dan niet mogelijk? Kan ik het werkelijk niet over mij verkrijgen?" En zij begon weer van voren af aan.

"Het is waar, hij is eerlijk en bemint mij. Ook ik bemin hem en in de naaste dagen zal de scheiding komen. Wat wil ik dan meer? Ik moet kalmte, vertrouwen hebben, ik moet mij zoover overwinnen. Ja, als hij nu komt, wil ik hem zeggen, dat ik ongelijk heb, al heb ik ook gelijk, en dan willen we afreizen."

Toen, om niet verder te tobben en niet andermaal opgewonden te worden, schelde zij en beval de koffers te brengen, die zij pakken en mede naar het land nemen wilde.

Ten tien ure kwam Wronsky.

XVIII.

"Nu heb je u geamuseerd?" vroeg zij, terwijl zij hem met vriendelijke en schuldbewuste houding te gemoet ging.

"Als gewoonlijk," antwoordde hij, bij den eersten blik bespeurend, dat zij goed geluimd was.

Hij was reeds aan zulk een afwisseling harer gemoedsstemming gewoon, maar verheugde zich er heden des te meer over, daar hij zelf goed gestemd was.

"Wat zie ik? Dat is best!" zeide hij en wees op de koffers in de voorkamer.

"Ja, wij moeten weg. Ik was gaan wandelen en nu kwam het mij voor, dat het aangenaam zou wezen weder buiten te zijn. Er is toch niets, dat je hier terughoudt?"

"Ik heb geen anderen wensch. Ik kom dadelijk terug en dan zullen wij het bespreken. Ik wil mij slechts omkleeden. Laat intusschen de thee brengen."

Hij ging in zijn kabinet.

Er lag iets opvallends in zijn "dat is best," iets alsof hij tot een kind sprak, dat zijn caprices liet varen; de tegenstelling tusschen haar verzoenlijken en zijn zelfbewusten toon was beleedigend, zoodat een oogenblik de begeerte bij haar opkwam zich tot den strijd voor te bereiden, maar zij beheerschte zich en volhardde in haar vriendelijke houding.

Toen hij terugkwam, vertelde zij hem, hoe zij den dag had doorgebracht en besprak met hem haar reisplannen.

"Weet je, het is als een inspiratie in mij opgekomen, waarom zouden wij op eene scheiding wachten? Dat is op het land toch ook onverschillig. Ik kan niet langer wachten. Ik wil niets hopen, niets meer van scheiding hooren. Ik ben het met mij zelf eens geworden, dat dat op mijn leven volstrekt geen invloed zal hebben. Ben je dat ook met mij eens?"

"O ja," antwoordde hij en zag eenigszins ongerust in haar opgewonden gelaat.

"Wat heb je daar gedaan? Wie waren er?" vroeg zij een poos daarna.

Wronsky noemde de gasten op. Het diner was uitstekend geweest, ook de wedren en al het overige; slechts kon men in Moskou niet buiten iets bespottelijks. Zoo was, onder andere, ook een dame opgetreden, de zwemonderwijzeres der koningin van Zweden, en had haar kunst getoond.

"Wat? Zij heeft je wat voorgezwommen?" vroeg Anna ontevredend wordend.

"Ja, in een rood zwempak. Maar zij was oud en leelijk. Derhalve wanneer zullen w£j vertrekken?"

"Welk een zotte inval! Zwom zij dan zoo bizonder?" vroeg Anna, zonder hem te antwoorden.

"Volstrekt niet bizonder. Ik zeg immers ook, dat zij afschuwelijk was. Dus, wanneer dunkt je, dat we moeten afreizen?"

Anna schudde het hoofd, alsof zij eene onaangename gedachte verdrijven wilde.

"Afreizen? Waarheen? O ja! Hoe eer hoe beter. Morgen zullen we wel niet gereed zijn. Maar overmorgen." "Ja.... Neen! Wacht eens. Overmorgen is het Maandag; dan moet ik bij mama zijn," zeide Wronsky en werd verlegen; want nauwelijks had hij zijn moeder genoemd, of hij zag haar opmerkzamen, argwanenden blik op zich gevestigd. Haar gelaat ontgloeide en zij naderde hem. Het was nu niet meer de Zweedsche zwemonderwijzeres, die voor Anna's oogen opdaagde, maar prinses Sorokina, die met gravin Wronsky een villa in de nabijheid van Moskou bewoonde.

"Kun je er morgen niet heengaan?" vroeg zij.

"Neen; de zaak, waarvoor ik er heen moet--haar volmacht en het geld--kan ik morgen nog niet bekomen," antwoordde hij.

"Als het zoo is, dan vertrekken wij in het geheel niet."

"Waarom niet?"

"Later vertrek ik niet. Maandag of nooit!"

"Waarom dan?" vroeg Wronsky verwonderd; "dat heeft immers geen zin of reden."

"Voor u heeft het geen zin of reden omdat ik je niets aanga, want je _wilt_ mij niet begrijpen. Het eenige, wat mij hier nog bond, was het belang van Hanna--maar dat heb je onnatuurlijk genoemd. Je hebt immers gezegd, dat ik mijn dochtertje niet liefheb en mij aanstelde, alsof ik van de Engelsche veel hield en dat dit onnatuurlijk was. Ik zou wel willen weten, welk leven hier voor mij natuurlijk zijn kon?"

Een kort oogenblik kwam zij tot bezinning en verschrikte, dat zij haar voornemen zoo ontrouw was geworden. Maar hoewel zij wist, dat zij zich te gronde richtte, kon zij zich niet onthouden hem te toonen, dat hij ongelijk had en dat zij zich niet aan hem wilde onderwerpen.

"Dat heb ik nimmer gezegd. Ik heb slechts gezegd, dat ik van deze uwe plotselinge genegenheid geen begrip had."

"Waarom wil jij, die toch zoo met je openhartigheid praalt, de waarheid niet zeggen?"

"Ik heb geen onwaarheid gesproken en het doet me zeer leed, dat je mij niet acht," zeide hij zacht en bedwong den opkomenden toorn.

"Met achting wil men de ledige plaats aanvullen, waar liefde zijn moest. En als je mij niet meer bemint, was het beter en eerlijker, dat je het mij zeidet."

"Neen, dat is onuitstaanbaar!" riep Wronsky uit en sprong van zijn stoel op. Hij ging voor haar staan en zeide langzaam, maar met een uitdrukking alsof hij nog veel te zeggen had: "Waarom, waarom stel je zoo mijn geduld op de proef? Alles heeft zijn grenzen."

"Wat wil je daarmede zeggen?" riep zij uit en zag met schrik in zijn gelaat de uitdrukking van haat, die vooral in zijn dreigende, toornige oogen vlamde.

"Ik wil daarmede zeggen," begon hij, maar weerhield nog zijn woorden. "Ik moet u vragen: wat wilt ge van mij?"

"Wat kan ik willen? Je denkt, dat ik slechts den éénen wensch koester, dat ge mij niet zult verlaten," zeide zij, terwijl zij alles wel begreep, wat hij niet had uitgesproken. "Maar dat staat in de tweede rij. Ik wil liefde en die is niet aanwezig. Derhalve is alles ten einde!"

Zij ging naar de deur.