Anna Karenina

Part 47

Chapter 47 3,927 words Public domain Markdown

De dokter was nog niet opgestaan. Zijn bediende zeide, dat hij gisteren eerst laat naar bed was gegaan en bevolen had hem niet te wekken. De bediende maakte de lampen schoon en scheen daar zeer druk mede. Zijn op de peer van een lamp gerichte opmerkzaamheid en de volkomen onverschilligheid voor hetgeen in Lewin omging, verwekte bij dezen een gevoel van wrevel; maar daar hij spoedig daarop bedacht, dat niemand verplicht was zijn gevoelens te kennen of te raden, besloot hij zoo kalm en beredeneerd mogelijk te handelen en vastberaden door dezen muur van onverschilligheid te dringen en zijn doel te bereiken. Zonder zich te overijlen, haalde hij een billet van tien roebel te voorschijn, reikte den dienaar het papier toe en zette hem uiteen, hoe Peter Dimitritsch (hoe groot en gewichtig scheen hem nu deze hem anders onverschillige Peter Dimitritsch) hem beloofd had ten allen tijde en op ieder uur bij hem te komen, dat hij het dus niet kwalijk zou nemen, als men hem nu wekte. De bediende stemde dit toe, verzocht Lewin in de spreekkamer te gaan en ging naar boven. Lewin hoorde, hoe de dokter achter de deur hoestte, op en neer ging, iets sprak en zich toen wiesch. Er waren nog geen drie minuten verloopen, die Lewin echter reeds als een uur toeschenen, toen hij het niet langer kon uithouden.

"Peter Dimitritsch! Peter Dimitritsch!" sprak hij met smeekende stem in de open deur. "Om Godswil! Vergeef mij, maar ontvang mij, zooals gij zijt. Het is reeds langer dan twee uren!"

"Dadelijk, dadelijk!" antwoordde een stem, en Lewin had tot zijn verwondering daarin een lachenden toon opgemerkt."

"Slechts een oogenblik...!"

"Terstond!"

"Peter Dimitritsch," begon Lewin weer met klagende stem, maar op dit oogenblik trad de dokter binnen en wel, tot Lewins ergernis, geheel gekapt en gekleed. "Deze menschen hebben in 't geheel geen geweten!" dacht Lewin. ''Zij kappen zich, terwijl wij te gronde gaan!"

"Goeden morgen!" zeide de dokter hem de hand gevende. Toen voegde hij er, alsof hij hem plagen wilde, bij: "Nu? vertel mij eens bedaard wat er is."

Terwijl Lewin zich beijverde zoo uitvoerig mogelijk den toestand zijner vrouw te schilderen, brak hij zijn verhaal zelf ieder oogenblik af met het verzoek, of Peter Dimitritsch toch dadelijk met hem mede wilde gaan.

"Zeker, maar het heeft nog volstrekt zoo'n haast niet. U weet dat zoo niet, maar ik verzeker u bepaald, dat het nog niet noodig is. Maar ik heb het u beloofd--welnu, laten wij dan maar gaan! Maar het heeft volstrekt geen haast. Neem toch plaats. Wil u niet een kop koffie?"

Lewin zag hem aan, of hij ook soms den gek met hem wilde steken. Maar de dokter dacht niet aan lachen.

"Ik ken dat, ik ken dat!" zeide hij even glimlachend. "Ik ben zelf huisvader, maar in zulke oogenblikken zijn wij mannen de beklagenswaardigste schepsels. Ik heb een patiënte, wier man by dergelijke gelegenheden altijd in den paardenstal vlucht."

"Maar wat dunkt u, Peter Dimitritsch--dunkt u, dat alles goed zal afloopen?"

"Er zijn alle kenteekenen voor een goeden afloop voorhanden."

"U komt dus dadelijk?" vroeg Lewin en zag den bediende, die de koffie binnen bracht, boos aan.

"Binnen een uur."

"Neen, om Gods wil, kom toch dadelijk."

"Nu. laat mij ten minste eerst rustig mijn koffie drinken."

De dokter ging aan de tafel zitten. Beiden zwegen.

"De Turken hebben duchtig slaag gehad. Heeft u het laatste telegram gelezen?" vroeg de dokter een stuk wittebrood kauwende.

"Neen, ik kan niet," zeide Lewin en sprong op. "Dus binnen een half uur zal u er zijn?"

"In een half uur."

"Op uw woord van eer?"

Lewin kwam te gelijk weer aan zijn huis met zijn schoonmoeder en zij gingen te zamen de deur der slaapkamer in. De vorstin had tranen in de oogen; haar handen beefden. Bij de eerste ontmoeting van Lewin had zij hem omhelsd en was begonnen te weenen.

"Nu, moedertje Lisaweta Petrowna?" zeide zij tot de vroedvrouw, die met opgewonden en tevreden uitdrukking op het gelaat haar tegentrad.

"Alles goed," antwoordde deze. "Overreed ze maar, dat zij gaat liggen. Dit zal haar verlichten."

Van het oogenblik af, dat Lewin was ontwaakt en volkomen had begrepen, wat er te doen was, had hij zich voorgenomen al zijn gedachten en gevoelens in zijn binnenste op te sluiten, ten einde zijn vrouw niet op te winden, maar haar gerust te stellen, haar moed te ondersteunen en haar te vermanen, dezen zwaren strijd van ongeveer vijf uren, zooals men hem gezegd had, standvastig door te staan. Maar toen hij nu na zijn terugkomst haar lijden zag, begon hij telkens al meermalen te herhalen: "Mijn God, vergeef en help!", wierp het hoofd terug, en werd beangst, dat hij het niet uithouden, in tranen uitbarsten en wegloopen zoude. Zoo groot was zijn ontroering. En toch was er slechts een uur verloopen.

Maar er verliep nog het tweede, derde, vierde en vijfde uur, dat hij zich als het uiterste tijdpunt had voorgesteld, en de toestand was nog steeds onveranderd. Hij hield het slechts uit, omdat hem niets anders overbleef, maar hij dacht elk oogenblik de uiterste grenzen van geduld bereikt te hebben en dat zijn hart zou barsten van medegevoel en medeleden.

Doch er verliepen nog minuten en uren, en zijn gevoel en ontroering werden meer en meer gespannen. "Mijn God! vergeef en help!" herhaalde hij voortdurend, en sprak die woorden zoo vol vertrouwen en innig, als in zijn eerste jeugd.

XI.

Lewin wist niet, of het laat of vroeg was. De kaarsen waren bijna ten einde gebrand; Dolly was juist in zijn kabinet geweest en had den dokter voorgeslagen een oogenblik te gaan liggen rusten. Lewin zat daar en hoorde het verhaal van den arts van een wonderdokter en magnetiseur; hij had het begrepen en voor een oogenblik den angstigen toestand vergeten. Plotseling weerklonk een jammerende kreet, zooals hij nimmer gehoord had. Dit geluid was zoo ontzettend, dat Lewin niet eens opsprong, maar, terwijl hem de adem stokte en de klopping van het hart een oogenblik stilstond, den dokter aanzag. Deze had het hoofd op zijde gebogen en luisterde. Toen glimlachte hij goedkeurend.

Alles was zoo buitengewoon, dat er niets meer was, dat op Lewin indruk maakte. "Dat moet wel zoo zijn," dacht hij en bleef nu rustig zitten. "Maar wat was dat voor een vreeselijke kreet?"

Hij sprong op, snelde op de teenen de slaapkamer in en plaatste zich aan het hoofdeinde van Kitty's ledikant. Het jammeren had opgehouden, maar iets moest er veranderd zijn, dat hij niet zag en niet begreep, ook niet zien en begrijpen wilde. Maar hij maakte het op uit Lisaweta Petrowna's gezicht; het stond ernstig, bleek en vastberaden en zij hield haar oogen op Kitty gericht. Dezer verhit, pijnlijk gelaat was naar hem toegekeerd en zocht zijn blik, zij greep met haar koortsachtige, warme, vochtige handen zijn koude rechterhand en drukte ze aan haar gelaat.

"Ga niet weg! Ik ben volstrekt niet bevreesd," zeide zij haastig.

"Mama, doe mij de oorringen af, zij hinderen mij...." Zij sprak snel, zeer snel en wilde lachen.--Maar plotseling vertrok haar gelaat en zij stiet hem van zich. "Neen, het is ontzettend! Ik sterf, ik sterf! Ga, ga!" riep zij en andermaal klonk die kreet, die aan niets anders gelijk was.

Lewin greep zijn hoofd vast en ijlde de kamer uit.

"Het is niets, alles is immers goed!" zeide Dolly tot hem.

Maar zij mochten zeggen, wat zij wilden, hij hield zich overtuigd, dat alles verloren was. Met het hoofd tegen den deurpost geleund, stond hij in de naaste kamer en hoorde iemand jammeren, en hij wist, dat die daar kermde en steunde Kitty geheeten had. Hij wenschte al lang niet meer het kind te bezitten; maar nu haatte hij dit kind; hij wenschte zelfs niet meer het behoud van haar leven, hij wenschte slechts haar spoedige bevrijding van dit lijden.

"Dokter! wat is dat toch? Wat is dat? Mijn God!" zeide hij en nam den binnentredenden dokter bij de hand.

"Het loopt naar het einde," antwoordde deze. En zijn gelaat stond daarbij zoo ernstig, dat Lewin daaruit opmaakte: zij sterft.

Zich zelf niet meer meester, snelde hij naar de slaapkamer terug. Het eerste, wat hij zag, was Lisaweta Petrowna's gelaat. Het was nog ernstiger en donkerder. Hij herkende in het verwrongen gelaat van haar, die daar lag, zijn Kitty niet meer. Hij leunde met het hoofd tegen het ledikant en voelde zijn hart breken.

Voor een oogenblik verloor hij alle bezinning. Hij kwam weer tot zich zelf, omdat het slaken der jammerkreten ophield; hij vernam een levendig fluisteren en snel ademen en een zachte, haperende, maar overgelukkige stem, die tot hem zeide: "Het is doorgestaan."

Hij hief het hoofd op. Met de krachtelooze handen op de deken, buitengewoon schoon en stil daar liggende zag zij hem sprakeloos aan en wilde, maar kon hem niet toelachen.

En plotseling gevoelde Lewin zich uit eene verschrikkelijke geheimzinnig-vreemde wereld, waarin hij de laatste twintig uren geleefd had, weer in deze oude gewone wereld terug verplaatst, die echter nu in een nieuw en zoo helder licht straalde, dat hij meende het niet te kunnen verdragen. De te strak gespannen snaren sprongen. Snikken en vreugdetranen, die hij niet mogelijk had geacht, welden met zulk een drang in hem op, dat het zijn geheele lichaam schokte en hij een poos niet kon spreken.

Hij knielde voor het bed neder, trok de hand zijner vrouw aan zijn lippen en kuste ze, en deze hand antwoordde met een lichte beweging der vingers.

Intusschen zweefde daar aan het voeteneinde van het bed, in de geschikte handen van Lisaweta Petrowna, als het vlammetje eener lamp, het leven van een menschelijk wezen, dat tot hiertoe nog niet bestaan had en dat voortaan met gelijk recht een leven voor zich zelf leiden en andere aan hetzelve gelijke wezen voortbrengen zoude....

"Het leeft! het leeft! En nog wel een jongen! Verontrust u niet," hoorde Lewin de stem van Lisaweta Petrowna, die met lichte hand het kind een slagje op den rug gaf.

"Mama, is dat waar?" vroeg Kitty's stem.

Slechts het snikken der gravin gaf haar antwoord.

En te midden daarvan klonk als het zekerste antwoord op de vraag der jonge moeder een geheel andere stem als al de overige gedempte stemmen in de kamer. Ongegeneerd, luid en driest klonk het schreeuwen van dat nieuwe menschelijk wezen, dat op onbegrijpelijke wijze hier of daar vandaan was gekomen.

Als men tot Lewin gezegd had, dat Kitty dood was en hij met haar, dat haar kind een engel was en dat zij zich in Gods tegenwoordigheid bevonden, dit alles zou hem niet verwonderd hebben,--maar nu hij in de werkelijkheid terugverplaatst was, moest hij zijn gedachten geweld aandoen om te beseffen, dat Kitty inderdaad leefde en gezond was en dat dit kleine, zoo wanhopig jammerend schepseltje zijn zoon was.

Tegen tien uur zaten de oude vorst, Sergej Iwanowitsch en Stipan Arkadiewitsch bij Lewin in de kamer en spraken met elkander over de kraamvrouw en andere dingen. Lewin hoorde het zwijgend aan en, terwijl hij zich onwillekeurig al het gebeurde vertegenwoordigde, dacht hij aan zich zelf, aan zijn vrouw en aan zijn zoon. Het was hem, alsof sedert den vorigen dag honderd jaren waren verloopen. Hij had een gevoel, alsof hij zoo hoog stond, dat hij behoedzaam moest afdalen tot hem met wie hij sprak, om hem niet te beleedigen. Terwijl hij sprak, dacht hij voortdurend weer aan Kitty en midden in een gezegde brak hij af, sprong op en snelde naar haar toe.

Zij sliep niet, maar sprak zacht met haar moeder over het doopen.

Het haar een weinig opgemaakt, wat omgekleed in een elegante nachtjapon lag zij met de handen gevouwen op de deken, terwijl op haar gelaat een vreedzame verheerlijking blonk als een overgang van het aardsche tot het hemelsche, zooals bij een gestorvene, maar hier beteekende het de begroeting van een nieuw aangekomene, daar die van het afscheid eens vertrekkenden. Wederom werd zijn hart ontroerd. Zij nam zijn hand in de hare en vroeg, of hij geslapen had. Hij kon niet antwoorden, maar zich zijner zwakheid bewust, wendde hij zich af. Plotseling veranderde de uitdrukking van zijn gelaat toen het kind begon te krijten.

"Geef het mij," zeide zij, "geef het mij, Lisaweta Petrowna, dan zal hij zijn zoon zien."

"Wacht, wij moeten eerst ons toilet wat in orde brengen," antwoordde de vroedvrouw en legde een rood bundeltje, dat zich bewoog, op haar schoot en begon het los- en weder in te wikkelen, waarop zij het met lichte hand omkeerde en ophief.

Lewin zag dit nietig, hulpeloos bundeltje en trachtte, hoewel te vergeefs, in zijn hart een bewijs van vaderlijke neiging voor hetzelve te ontdekken. Maar hij gevoelde er bijna afkeer van. Doch toen het geheel was losgewikkeld en hij de kleine fijne handjes en de van teenen voorziene voetjes, die zich bewogen, zag en opmerkte, hoe Lisaweta Petrowna de armpjes als fijne springveren in linnen wikkelde, overviel hem zulk een medelijden met dit wezentje en zulk een angst, dat hij de hand der vroedvrouw weerhield. Deze lachte:

"Wees gerust! U behoeft niet bang te zijn."

En toen het kindje nu tot een vaste pop was ingerold, hief zij het met ééne hand op, terwijl de andere het waggelende hoofdje van dit zonderlinge roode schepseltje ondersteunde. En inderdaad, daar waren ook een neusje, gespleten oogjes en smakkende lipjes.

"Een bizonder schoon en voordeelig kind!" zeide Lisaweta Petrowna.

Lewin zuchtte. Dat schoone kind met zijn waggelend hoofdje boezemde nog slechts een gevoel van medelijden in. Plotseling vertrok het zijn gezichtje en niesde. Lisaweta legde het kind in Kitty's arm; deze lachte van geluk: het kind had de borst genomen.

Lewin had, na zijn vrouw gekust te hebben, de donkere kamer verlaten.

Datgene, wat hij voor dit kind gevoelde, was iets geheel anders dan hij verwacht had; in dit gevoel was niets vroolijks; integendeel veeleer iets, dat hem kwelde en beangstigde. Het was de bewustheid hier in dit kind een nieuwe licht kwetsbare zijde verkregen te hebben; en dit bewustzijn was in den eersten tijd zoo hinderlijk, de angst dit hulpelooze schepseltje te zien lijden zoo groot, dat hij zich niet kon verheugen; slechts had hem een gevoel van trots vervuld op het oogenblik dat het kind niesde. Maar Kitty beminde hij nu in zulk eene mate, dat zijn vroegere liefde voor haar hem nu als onverschilligheid voorkwam.

XII.

Stipan Arkadiewitsch bevond zich weder in geldverlegenheid. De eerste twee derde gedeelten van de som, die hij voor het hout ontvangen had, was reeds verbruikt en ook het laatste derde gedeelte, na aftrek van tien procent, door den kooper vooruit betaald geworden; meer was van dezen niet te bekomen. Zijn inkomen als beambte ging geheel weg voor de huiselijke uitgaven en voor de betaling der niet ophoudende kleine schulden. Derhalve was er geen geld meer voorhanden.

Dat was onaangenaam, zelfs zeer lastig, en het mocht, dacht Stipan, niet verder gaan. De oorzaak hiervan was, zooals hij meende, in zijn geringe bezoldiging gelegen. Vóór vijf jaar was zijn ambtsbetrekking nog blijkbaar een goede geweest, maar nu niet meer. Petrow, de directeur eener bank, had twaalfduizend roebel vast tractement, Swentitzky had, als medelid eener aandeelen-maatschappij, zeventienduizend, Mitin, de grondvester eener bank, had zelfs vijftig duizend.

"Het is duidelijk; ik ben ingeslapen of men heeft mij vergeten," dacht Oblonsky en begon nu rond te zien, en inderdaad, tegen het einde van den winter vond hij een betrekking en wendde pogingen aan, eerst van Moskou uit door zijn oom, zijn tantes en zijn vrienden, en later, toen de zaak zoover rijp was, in het voorjaar, reisde hij zelf naar Petersburg. Het was een van die betrekkingen zooals er meer waren, die van een tot vijftigduizend roebel inkomen meer gaven, dan de vroegere vette prebenden met afwisselende voordeelen opbrachten. Deze betrekking vereischte eene persoonlijkheid van zulk een eminente kennis en zulk een groote werkkracht, als bezwaarlijk in een mensch vereenigd konden zijn. Doch aangezien zulk een mensch niet te vinden was, was het toch gewenscht, dat de betrekking aan een eerlijk man werd gegeven. En Stipan was niet slechts een eerlijk man in den zin, dien men daaraan in Moskou hechtte, als men van een eerlijk werkend schrijver, van een eerlijk journalist of van een eerlijke richting sprak en wat zooveel beteekende als: deze man of deze partij is niet slechts niet oneerlijk, maar verstaat het ook bij voorkomende gelegendheid de regeering een wenk te geven. Oblonsky verkeerde nu in Moskou hoofdzakelijk in die kringen, waarin dat woord ingevoerd was, hij was daar als een eerlijk man bekend en had dus meer dan iemand gegronde aanspraak op deze betrekking. Zij gaf een tractement van zeven tot tienduizend roebel, en Oblonsky kon ze bekleeden zonder den staatsdienst te verlaten. Het hing slechts af van twee ministers, eene dame en twee Joden, en deze allen, ofschoon zij reeds voorbereid waren, moest Oblonsky in Petersburg bezoeken. Buitendien had hij ook zijn zuster Anna beloofd Karenin tot het geven van een beslissend antwoord ten opzichte van de van hem verzochte echtscheiding te brengen.

Derhalve vroeg hij van Dolly vijftig roebel en reisde naar Petersburg.

Stipan Arkadiewitsch zat in Karenins kabinet en hoorde diens gronden aan over de slechte inrichting van Ruslands finantiewezen, terwijl hij met geduld op het oogenblik wachtte, dat hij zijn rede eindigde, om dan dadelijk met hem over zijn zuster en zijn eigen aangelegenheid te spreken.

"Ja, dat is zeer waar," zeide hij, toen Alexei Alexandrowitsch zijn pince-nez, zonder welke hij niet meer kon lezen, afnam en zijn zwager vragend aanzag.

"Ik wil geen protectie-systeem meer ten voordeele van enkele personen, maar ten algemeenen beste. Maar zij willen dat niet begrijpen, slechts persoonlijke belangen drijven hen en zij laten zich medeslepen door schoone phrasen."

Stipan Arkadiewitsch wist, dat, als Karenin daarvan begon te spreken wat _zij_ dachten en deden, degenen, die over zijn hervormingsplannen te beslissen hadden, en de oorzaak van alle gebreken in Rusland waren, hij dan gewoonlijk schielijk ten einde was.

Inderdaad zweeg Alexei Alexandrowitsch nu, en begon nadenkend in zijn manuscript te bladeren. "A propos!" zeide Stipan: "Ik wilde u ook nog verzoeken, bij gelegenheid als je Promonsky ziet, een goed woord voor mij te doen. Ik wenschte namelijk de betrekking van commissielid der agentuur van de credietbank der zuidelijke spoorwegen te bekomen."

De lange naam dezer betrekking, die Oblonsky zoo na aan het hart lag, was hem reeds zoo eigen, dat hij hem zonder haperen kon uitspreken.

Karenin vroeg hem, waarin dan de werkzaamheid dezer commissie bestond en, nadat hij het vernomen had, dacht hij na. Hij overlegde, of in de werkzaamheid dezer commissie niets was gelegen, dat in strijd was met zijn hervormingsplannen. Maar daar de werkzaamheid dezer nieuwe inrichting buitengewoon gecompliceerd was en haar ontwerp een groot gebied omvatte, kon hij de zaak niet zoo dadelijk geheel overzien en hij zeide, terwijl hij weder zijn pince-nez afnam:

"Zeker kan ik met hem daarover spreken. Maar waarom wil je die betrekking gaarne hebben?"

"Er is een goed inkomen aan verbonden, ongeveer negen duizend, en mijn middelen...."

"Negen duizend," hernam Karenin en fronste het voorhoofd. "Ik ben van gevoelen en heb reeds daarover geschreven, dat zulke groote tractementen in onzen tijd steeds het kenmerk eener valsche oeconomische assiette zijn--je zult mij begrijpen?"

"Maar wat wil je?" antwoordde Oblonsky. "Veronderstellen wij, dat de directeur eener bank tienduizend tractement heeft, of een ingenieur verdient twintigduizend--dat is niet te hoog geschat--dat zijn toch daadzaken--zooals je wilt...."

"Naar mijn gevoelen moet het tractement evenals de betaling voor eene waar zich regelen naar vraag en aanbod. Als ik echter zie, dat van twee even bekwame ingenieurs, die van de academie komen, de een op veertigduizend aanspraak maakt en de ander zich met tweeduizend vergenoegt, of wanneer een maatschappij een huzaar of jurist, die van de zaak volstrekt geen toereikende kennis heeft, aanstelt als directeur en een kolossaal tractement toelegt, dan, zeg ik, is dit tractement niet geregeld naar vraag en aanbod, maar is ongerechtvaardigd en partijdig. Mij dunkt...."

Oblonsky viel zijn zwager snel in de rede. "Maar je zoudt mij toch groot genoegen doen," zeide hij, "als je een goed woord voor mij bij Promonsky wildet doen, zoo en passant in het gesprek...."

"Ja, maar het hangt toch veel meer van Bolgarinow af," bracht Karenin in het midden. "Bolgarinow is er reeds voor gewonnen," zeide Oblonsky blozend. Hij bloosde, omdat hij dien morgen bij den jood Bolgarinow een bezoek had gebracht, waaraan onaangename herinneringen waren verbonden.

Stipan was overtuigd, dat de zaak, die hij dienen wilde, levensvatbaar en eerlijk was, maar toen Bolgarinow hem dien voormiddag opzettelijk met andere sollicitanten twee volle uren had laten antichambreeren, was het hem toch wat onbehagelijk te moede geworden. Maar waarom zou hij, al was hij een nakomeling van Rurik, niet een paar uren bij een Jood wachten, daar hij toch niet voor de eerste maal van den weg zijner voorvaders afweek, maar ook nu een nieuwe baan wilde betreden, omdat het hem niet genoeg voordeel gaf den staat te dienen. Doch het was hem toch onaangenaam geweest. En toen nu Bolgarinow hem eindelijk had ontvangen en wel met de grootste hoffelijkheid, terwijl hij zijn vernedering zoo sterk gevoeld had, dat hij grooten lust had zich geheel terug te trekken, had hij zich toch beijverd die vernedering zoo haastig mogelijk te vergeten; en toen hij ze zich nu herinnerde, bloosde hij.

XIII.

"En nu heb ik nog eene aangelegenheid met je te bespreken en je weet ook welke.... Van Anna," zeide Stipan na een korte pauze, waarin hij die onaangename herinnering trachtte te verdrijven. Bij het noemen van Anna's naam onderging Karenins gelaat eene geheele verandering; in plaats van het kalme zelfbewustzijn, dat het tot hiertoe had gekenmerkt, trad daarop onrust, bezorgdheid en de wensch deze gevoelens te verbergen te voorschijn. Hij zag zijn zwager vijandig aan en was vooraf besloten hem niet toe te geven.

"Wat wil je dan eigenlijk van mij?" zeide hij, zich onrustig op zijn stoel bewegend.

"Eene echtscheiding, op een of andere wijze eene echtscheiding, Alexei Alexandrowitsch. Ik wend mij nu tot u, niet als tot den beleedigden echtgenoot," wilde Stipan Arkadiewitsch zeggen, maar vreezende daardoor de zaak te bederven, zeide hij in de plaats: "Niet als tot een staatsman,"--hetgeen volstrekt niet te pas kwam,--"maar als tot een goed mensch en christen. Ge moet medelijden met haar hebben."

"In welk opzicht?" vroeg Karenin met een koelen, spottenden lach.

"Ja, je moet medelijden met haar hebben! Had je haar gezien zooals ik, die haar den geheelen winter heb gadegeslagen, je zoudt u over haar ontfermen. Haar toestand is troosteloos, werkelijk troosteloos!"

"Mij dunkt," antwoordde Karenin koud, "Anna Arkadiewna heeft alles, wat zij zelf gewenscht heeft."

"Ach, Alexei Alexandrowitsch, om Gods wil! geen wedervergelding voor hetgeen eenmaal geschied is. Je weet wat zij nu wenscht en verwacht, namelijk de scheiding."

"Maar ik meen, dat zij niets daarvan weten wil ingeval mijn zoon bij mij zou blijven? In dezen zin heb ik haar geantwoord en beschouw alzoo de zaak als geëindigd."

"Om Gods wil, wind je niet op," zeide Stipan Arkadiewitsch, de knie zijns zwagers aanrakend. "Sta me toe! De zaak is de volgende: Toen je van elkander gingt, handeldet gij zoo grootmoedig als men handelen kan, je stond haar alles toe, de vrijheid en--de scheiding. Zij wist dat te waardeeren. Ja, geloof me, zij heeft dat weten te waardeeren. Maar in de eerste oogenblikken was zij zich zoozeer haar schuld tegen u bewust, dat zij niet alles rijp heeft overlegd, maar zij kon ook niet alles overleggen...."

"Anna Arkadiewna's leven kan mij niet interesseeren," viel Karenin hem met opgetrokken wenkbrauwen in de rede.