Anna Karenina

Part 46

Chapter 46 3,884 words Public domain Markdown

Het gesprek kwam spoedig op de nieuwe richting in de kunst, in 't bizonder op de nieuwe illustrateurs van den bijbel en de nieuwere Fransche kunstenaars. Workuw beschuldigde hen van realisme, dat in ruwheid ontaard was. Lewin meende, dat de Franschen het conventioneele in de kunst, zooals niemand buiten hen, bereikt hadden en dat zij daarom door reactie in den terugkeer tot het realisme een bizondere verdienste zagen; zij vonden nu hierin hun ideaal, omdat er meer waarheid in was gelegen.

Nog nooit had Lewin bij een door hem geuite geestige opmerking zooveel genoegen gesmaakt, als bij deze. Want Anna's gezicht was plotseling verhelderd en zij waardeerde deze gedachten ten volle. Zij lachte.

"Ik lach," zeide zij, "als iemand, die plotseling een treffend gelijkend portret ziet. Wat u daar juist gezegd heeft karakteriseert volkomen de geheele tegenwoordige Fransche kunst, zoowel de schilderkunst als de litteratuur: Doré, Zola, Daudet! Maar dat is misschien altijd zoo, men bouwt zijn concepties uit conventioneel uitgedachte gestalten, men maakt alle mogelijke combinaties, totdat de uitgedachte figuren vervelend worden en men weder aanvangt in het ware en natuurlijke smaak te vinden."

"Dat is volkomen waar," bevestigde ook Workuw."

"Gij zijt dus in de club geweest?" wendde zich Anna tot haar broeder.

"Dat is eerst een vrouw!" dacht Lewin geheel zich zelf vergetend en beschouwde onafgebroken haar schoon, levendig bewogen gelaat, dat plotseling geheel veranderd was. Hij hoorde niet, wat zij met haar broeder sprak, maar de verandering in haar trekken maakte op hem een diepen indruk. Het te voren in zijn rust zoo schoone gelaat vertoonde plotseling een eigenaardige vermenging van nieuwsgierigheid, toorn en trots. Maar dat duurde slechts een oogenblik; toen kneep zij de oogen toe, alsof zij zich iets zocht te herinneren.

"Nu ja.--Voor 't overige is het immers ook voor niemand interessant," zeide zij en wendde zich tot de Engelsche:

"Please, order the tea in the drawing-room." Het jonge meisje stond op en verliet het vertrek.

"Hoe is het? Is zij door het examen gekomen?" vroeg Stipan Arkadiewitsch.

"Nog wel met glans. Zij heeft veel aanleg en een vriendelijk karakter."

"En het zal er misschien op uitloopen, dat je nog meer van haar zult houden dan van je eigen dochter."

"Zoo spreken de mannen. In de liefde is er geen meer of minder. Mijn dochter bemin ik op deze en haar op een andere wijze."

"Ik geloof, Anna Arkadiewna, dat, als gij slechts het honderdste deel uwer energie aan de algemeene zaak, aan de opvoeding der Russische jeugd gewijd had in plaats van aan deze Engelsche, gij een groot, nuttig werk volbracht zoudt hebben."

"Ja, dat stem ik toe, maar ik kan dat niet. Graaf Alexei Kyrilowitsch...." (bij het noemen van dezen naam zag zij schuchter en vragend Lewin aan en hij antwoordde haar onwillekeurig met een eerbiedigen en bevestigenden blik): "Graaf Alexei Kyrilowitsch heeft er dikwijls bij mij op aangedrongen, mij op het land met de school bezig te houden; ik ben er ook eenige malen heengegaan; het is heel aardig, maar ik kon er mij toch niet aan wennen. Gij spreekt van energie. Maar energie is gegrond op liefde; en liefde laat zich niet dwingen en niet bevelen. Dit meisje heb ik nu eenmaal lief en ik weet zelf niet waarom."

En weer zag zij Lewin aan. Haar glimlach en haar blik, alles zeide hem, dat zij eigenlijk slechts tot hem haar woorden gericht had, dat zij slechts aan zijn meening hechtte en van te voren wist, dat zij beiden elkander juist begrepen.

"Dat begrip ik zeer goed," antwoordde Lewin, "voor de school en dergelijke inrichtingen kan men zijn hart niet africhten en juist daarom geloof ik, dat al deze philantropische 'bemoeiingen' altijd zoo weinig gevolg hebben."

Zij zweeg. Toen lachte zij. "Ja, ja, zeer juist!" bevestigde zij. "Ten minste ik kon het niet. Je n'ai pas le coeur assez large om een geheele inrichting vol leelijke, kleine meisjes lief te krijgen. Er zijn zooveel vrouwen, die zich daardoor une position sociale verschaft hebben. En juist nu," voegde zij met een vertrouwelijk, treurig gebaar, schijnbaar tot haar broeder, maar inderdaad tot Lewin gewend, er bij:

"En juist nu, nu ik zoo vurig naar bezigheid verlang, kan ik het niet." Plotseling fronste zij haar voorhoofd en gaf een andere richting aan het gesprek. Lewin begreep, dat het voorhoofdfronzen haar zelf gold, daar zij van zich zelf gesproken had.

"Ook van u weet ik," sprak zij tot Lewin gewend, "dat u een slecht staatsburger is, maar ik heb u steeds zooveel mogelijk verdedigd."

"Hoe heeft u mij dan verdedigd?"

"Naar dat men u aanviel. Maar, willen de heeren geen thee?" Zij stond op en nam een in marokijn gebonden schrift in de hand.

"Geef het mij, Anna Arkadiewna," zeide Workuw met een blik op het boek. "Het is de moeite wel waard."

"O neen, de schaaf moet er nog over."

"Ik heb hem daarvan verteld," zeide Stipan Arkadiewitsch tot zijn zuster en wees daarbij op Lewin.

"Dat hadt ge liever niet moeten doen. Mijn geschrijf is van denzelfden aard als het korfje en het kleine houtsnijwerk, dat vroeger Lisa Markalewna eens in de gevangenis voor mij gekocht had. Velen dezer ongelukkigen verrichtten wonderwerken van geduld," wendde zij zich tot Lewin.

En Lewin vond weer een nieuwen trek in deze vrouw, waarin hij zooveel behagen had; namelijk naast geest, aanvalligheid en schoonheid ook nog oprechtheid. Zij gaf zich geen moeite het moeielijke harer positie voor hem te verbergen. Toen zij gesproken had, zuchtte zij diep, haar gelaat nam plotseling een strenge uitdrukking aan, scheen als versteend, en met dezen trek scheen zij hem nog schooner dan te voren. Toen zij aan den arm van haar broeder een oogenblik in de groote deur stond, vergeleek hij haar nog eens met het portret en had voor haar zulk een hartelijk medegevoel, dat hij zich over zich zelf verwonderde.

Onder de thee duurde het aangename, aan inhoudrijke gesprek voort; niet alleen, dat men geen oogenblik naar een onderwerp behoefde te zoeken, maar men gevoelde, dat men niet eens tijd genoeg zou hebben om zijn gedachten naar wensch uit te spreken en dat men zich bereidwillig zelf van het spreken onthield om naar datgene te luisteren, wat de anderen zeiden.

Gedurende dit interessante gesprek bewonderde Lewin Anna, minder, zoo hij meende, om haar schoonheid, dan om haar geest, haar beschaving en haar natuurlijke hartelijkheid. En hij, die haar te voren zoo streng veroordeeld had, sprak haar nu, na een zonderlingen gedachtengang, niet slechts vrij, maar had ook medelijden met haar en vreesde, dat Wronsky haar misschien niet ten volle wist te waardeeren. Toen Stipan Arkadiewitsch om elf uur opstond om heen te gaan (Workuw was reeds vertrokken), was het Lewin alsof hij eerst pas gekomen was, en hij stond met weerzin op.

"Vaarwel," zeide zij, zijn hand vasthoudend en hem met haar aantrekkelijkst lachje in de oogen ziende, "ik verheug mij zeer, que la glace est rompue." Zij liet zijn hand los en kneep de oogen toe; "zeg uw vrouw, dat ik haar evenzeer liefheb als vroeger, en dat ik, als zij nu niet met verschooning aan mij denkt, dit niet euvel duid; want om mij te vergeven en te begrijpen zou men zelf moeten doorleven wat ik doorleefd heb, en daarvoor moge God haar behoeden."

"Dat zal ik haar bepaald zeggen." zei Lewin blozend.

VII.

"Nu? wat heb ik je gezegd?" vroeg Stipan Arkadiewitsch aan Lewin, toen zij in de koudo winterlucht naar buiten traden en hij zag, dat zijn vriend volkomen overwonnen was.

"Ja," antwoordde Lewin nadenkend: "Een buitengewone vrouw; niet alleen verstandig, maar ook zoo oprecht. Maar haar positie moet toch moeielijk zijn. Ik heb innig medelijden met haar."

"Wij hopen, dat nu spoedig alles beslist zal worden. Weet je, men mag niet alles vooraf beoordeelen," zeide Stiwa het portier openend. "Adieu! onze wegen gaan hier uit elkander."

Zonder op te houden aan Anna te denken, zich in haar toestand te verplaatsen en medelijden met haar te gevoelen, kwam Lewin te huis.

Hij vond zijn vrouw zeer mismoedig en door verveling gekweld. Nog des middags had zij in de beste luim met haar beide zusters gegeten, maar daarna hadden zij hem gewacht en zij wachtten tot het hen allen verveelde en de zusters reden weg en zij bleef alleen.

"Nu? Hoe heb je je tijd besteed?" vroeg zij, hem in de eerste plaats in de oogen ziende, die zoo verdacht schitterden. Om hem evenwel niet te beletten alles te biechten, verborg zij haar spanning en hoorde met een goedkeurend gelaat zijn mededeeling aan, hoe hij dien avond had doorgebracht.

"Nu, ik verheugde mij zeer over deze ontmoeting met Wronsky. Wij waren zeer eenvoudig en ongegeneerd met elkander. Weet je, nu die onaangename verhouding niet meer bestaat, zal ik een ontmoeting met hem niet meer zoeken...." Maar terwijl hij dit zeide, viel het hem in, dat, hoewel hij _hem_ niet weder wenschte te ontmoeten, hij toch terstond naar Anna gegaan was, en hij bloosde: "Wij zeggen altijd, dat het volk drinkt; ik weet niet, wie meer drinkt, het volk of wij? Het volk bedrinkt zich ten minste slechts op feestdagen, maar wij ..."

Maar voor Kitty was deze redeneering, hoe het volk drinkt, niet interessant. Zij had gezien, dat hij bloosde en zij wilde weten waarom.

"Waar ben je dan later geweest?"

"Stiwa haalde mij over met hem Anna Arkadiewna te bezoeken...." En terwijl hij dit zeide, bloosde hij nog meer, en zijn twijfel, of hij er goed aan gedaan had of niet, was nu opgelost. Hij wist nu, dat hij het niet had moeten doen.

Kitty's oogen openden zich wijd en flikkerden bij Anna's naam. Maar zij beheerschte zich, verborg haar opwinding en misleidde hem.

"Zoo!" zeide zij slechts.

"Ge zijt toch niet boos, dat ik er heengegaan ben? Stiwa wilde het zoo graag en Dolly ook ..."

"O neen," zeide zij, maar in haar oogen bespeurde hij een terughouding, die hem niets goeds voorspelde.

"Zij is een zeer nette en zeer betreurenswaardige, uitstekende vrouw." zeide hij en begon van Anna, van haar bezigheden en van hetgeen zij Kitty liet zeggen te vertellen.

"Ja, wél is zij betreurenswaardig," zeide Kitty, toen hij geëindigd had.

Hij vertrouwde op haar kalmen toon en ging naar zijn kabinet om zich te ontkleeden.

Toen hij terugkwam, zat Kitty nog op denzelfden stoel. Zij zat daar onbewegelijk en toen hij naar haar toe trad, barstte zij plotseling in snikken uit.

"Wat? Wat?" vroeg hij, maar wist reeds vooruit wat.

"Ge zijt op deze afschuwelijke vrouw verliefd geworden. Zij heeft je betooverd! Ik zie het aan je oogen. Ja, ja! en wat kan daarvan nog worden! In de club heb je gedronken, gespeeld en zijt toen heengereden ... naar wie? Neen! Wij moeten van hier ... Ik ga morgen op reis ..."

Lang vermocht Lewin niet zijn vrouw te kalmeeren. Eindelijk gelukte het hem door te bekennen, dat het gevoel van medelijden en de gedronken wijn hem verward hadden en dat hij een slachtoffer geworden was van de sluwe berekening van Anna en dat hij haar voortaan wilde vermijden; maar het oprechtst gemeende in zijn bekentenis was, dat hij zich zoo geheel had laten meeslepen, omdat hij zoo lang in Moskou geleefd had zonder andere bezigheid dan praten, eten en drinken.

Zij spraken nog den halven nacht door. Eerst tegen drie uur hadden zij zich in zoover met elkander verzoend, dat zij konden inslapen.

VIII.

Toen Anna's gasten haar verlaten hadden, was zij in haar kamer op en neer gegaan. Hoewel zij, onbewust, zooals in den laatsten tijd jegens alle jonge mannen, den geheelen avond al het mogelijke gedaan had om Lewin op haar verliefd te maken en hoewel ze wist, dat haar dit gelukt was, voor zoover dit bij een, rechtschapen, getrouwd man mogelijk was, en hoewel ook hij haar bevallen was ondanks zijn scherpe tegenstelling met Wronsky (maar zij zag in hen slechts, wat zij met elkander gemeen hadden, waarom ook Kitty beiden, zoowel Lewin als Wronsky, had kunnen liefhebben--) toch hield zij, zoodra hij de kamer verlaten had, terstond op aan hem te denken. Slechts eene gedachte bleef haar bij, die haar onder de verschillende gestalten vervolgde:

"Indien ik zulk een indruk op andere mannen maak, op deze man, die uit liefde gehuwd is,--waarom is _hij_ dan zoo koud tegen mij? of indien al niet koud--ik weet, dat hij mij liefheeft--maar een zeker iets scheidt ons. Waarom is hij den geheelen avond weer niet te huis? Hij liet mij door Stiwa zeggen, dat hij Jawschin niet verlaten mocht.--Nemen wij aan, dat dit de ware reden is--hij spreekt nooit onwaarheid--maar in deze waarheid ligt nog iets anders. Hij verheugt zich over de goede gelegenheid om mij te toonen, dat hij nog plichten heeft. Dat weet ik. Dat vind ik ook goed. Maar waarom moet hij mij dat bewijzen? Ik behoef geen bewijs, ik wil slechts liefde. Hij moest toch al het netelige van mijn leven hier in Moskou inzien! Leef ik dan? Ik ben steeds in gespannen verwachting, ik ben in afwachting van de beslissing, die altijd weer op nieuw wordt uitgesteld. Nog steeds is er geen antwoord, en Stiwa zegt, dat hij niet naar Alexei Alexandrowitsch kan gaan, en ik kan niet voor de tweede maal schrijven. Ik kan niets doen, niets beginnen, niets veranderen, ik moet mij goed houden, hopen en wachten en afleiding zoeken, maar dit alles: de opneming der Engelsche familie, het schrijven en lezen, alles, alles is slechts bedrog, en het een zoowel als het ander slechts morphium! En dat had hem toch leed moeten doen!" sprak zij en gevoelde, dat haar de tranen van medelijden met zich zelf in de oogen kwamen.

Zij hoorde het kortafgebroken schellen van Wronsky, en snel haar tranen drogend, ging zij voor de lamp zitten, opende een boek en deed haar best om kalm te schijnen. Zij wilde geen strijd, maar beschuldigde hem, dat hij dien wilde en nam dus onwillekeurig een strijdvaardige houding aan. Zij moest hem toch toonen, dat zij ontevreden over hem was, omdat hij niet op den beloofden tijd te huis was gekomen; zij wilde hem haar ontevredenheid, maar in geen geval haar droefheid toonen. Zij kon wel medelijden met zich zelf hebben, maar hij mocht dat niet.

"Nu? Heb je je niet verveeld?" vroeg hij vroolijk en opgewekt en wierp een pakket op de spiegeltafel! "Welk een vreeselijke harstocht is het spel toch!"

"Neen, ik heb mij niet verveeld. Ik heb het reeds lang verleerd mij te vervelen. Stiwa is hier geweest met Lewin."

"Ja, zij wilden je bezoeken. Hoe is Lewin je bevallen?" zeide hij en ging naast haar zitten.

"Zeer goed. Zij zijn eerst zooeven weggereden. Hoe heeft Jawschin het toch gemaakt?"

"Hij had reeds zeventienduizend gewonnen; ik wilde hem meenemen en had hem reeds tot aan de deur; maar toen keerde hij nog eens terug en heeft nu weer alles en nog meer verloren."

"Waarom ben je daar dan gebleven?" vroeg zij, plotseling naar hem opziende. Haar gezicht vertoonde een koude, vijandige uitdrukking. "Je hebt toch gezegd, dat je daar wildet blijven om Jawschin weg te brengen. En nu heb je hem er toch gelaten."

Ook zijn gelaat nam dezelfde koude, strijdvaardige uitdrukking aan.

"Ten eerste heb ik Stiwa niet verzocht u een boodschap over te brengen en ten tweede spreek ik nooit onwaarheid. De hoofdzaak was, dat ik blijven wilde en ik ben gebleven," antwoordde hij het voorhoofd fronsend. "Anna, waarom? waarom dat?" vroeg hij na een kort zwijgen. Hij boog zich naar haar toe en opende de hand in de hoop dat zij toeslaan zou.

Zij verheugde zich over deze tegemoetkoming; maar een eigenaardige, booze macht weerhield haar, haar eerste neiging te volgen, alsof te wetten van den strijd haar niet veroorloofden toe te geven.

"Waarlijk! je wildet blijven en zijt ook gebleven. Je doet alles, wat je wilt. Maar waarom moet je mij dat zeggen? Waartoe?" vroeg zij, meer en meer in vuur gerakend. "Wil dan iemand u dat recht betwisten? Maar je wilt gelijk hebben, dus ik geef je gelijk."

Zijn hand sloot zich en zijn gelaat nam een uitdrukking van verbeten toorn aan.

"Bij u is het niets dan eigenzinnigheid," zeide zij, plotseling voor deze haar steeds prikkelende gelaatsuitdrukking een naam vindende; "niets als eigenzinnigheid. Bij u komt het er slechts op aan overwinnaar te blijven, terwijl ik...." Weder had zij zooveel medelijden met zich zelf, dat zij bijna weende. "Als ge wist, wat het voor mij beteekent, wanneer ik zie, hoe gij u, zooals nu, vijandig van mij afkeert, als gij wist, wat dat voor mij beteekent! Hoe ik in zulk een oogenblik een ongeluk nabij ben, hoe ik bang ben voor mij zelf..." en zij wendde zich af om haar snikken te verbergen.

"Waarom dan dit alles?" vroeg hij, ontsteld over de uitdrukking harer vertwijfeling en boog zich weer tot haar neer; hij nam haar hand en kuste ze. "Waarom? Zoek ik misschien buitenshuis verstrooiing? Vermijd ik dan niet alle verkeer met dames?"

"Dat moest er ook nog bijkomen!" riep zij uit.

"Nu, zeg mij dan, wat ik doen moet om je tot rust te brengen? Ik ben tot alles bereid, als gij slechts gelukkig zijt," zeide hij, geroerd door haar vertwijfeling. "Wat zou ik niet willen doen om u van een smart als de tegenwoordige te bevrijden, Anna!"

"Neen, neen!" antwoordde zij. "Ik zelf weet niet.... Is het het eenzame leven.... De zenuwen....? Maar spreken wij daar niet meer van. Hoe is het bij den wedren gegaan? Je hebt er mij nog niets van verteld," zeide zij en deed haar best om de vreugde over de overwinning, die toch aan haar zijde was, te verbergen.

By het souper vertelde hij haar de bizonderheden van den wedren, maar aan zijn toon en zijn gelaat, die steeds ernstiger en kouder werden, bespeurde zij, dat hij haar haar overwinning niet vergeven had en dat het gevoel van eigenzinnigheid, waarmede zij hem had bestreden, zich ook bij hem weer begon te doen gelden. Hij werd nu des te koeler tegen haar, naarmate het hem berouwde zich aan haar te hebben onderworpen.

Maar zij, aan de woorden denkende, die haar de overwinning hadden doen behalen: "een vreeselijk ongeluk hangt mij boven het hoofd en ik ben bang voor mij zelf--" begreep, dat dit een ook voor haar gevaarlijk wapen was, dat zij niet een tweeden keer zou durven gebruiken. En zij gevoelde, dat te gelijk met de liefde, die hen verbond, een booze geest van strijdlust zich tusschen hen gesteld had, die zij noch uit zijn en nog minder uit haar eigen hart vermocht te verdrijven.

IX.

En bestaan geen verhoudingen, waaraan de mensch zich niet kan gewennen, vooral wanneer hij ziet, dat allen in zijn omgeving er onder leven. Drie maanden vroeger zou Lewin niet geloofd hebben, dat hij rustig had kunnen inslapen in den toestand, waarin hij zich nu bevond; hij leidde een onzinnig, doelloos leven, buitendien boven zijn middelen, hij had zich aan den drank overgegeven, want anders kon hij datgene, wat gisteren in de club voorgevallen was, niet noemen; hij had zich in een eigenaardige, vriendschappelijke betrekking tot een man gesteld, op wien vroeger zijn vrouw verliefd was geweest, hij had een avontuurlijk bezoek bij een vrouw gebracht, die men toch niet anders als een verlorene kon noemen, en ondanks zijn dwepen met haar, ondanks de smart van zijn vrouw, ondanks al deze omstandigheden kon hij slapen, rustig slapen!

Tegen den morgen deden hem een zachte aanraking aan den schouder en een fluisterende stem ontwaken. Kitty wijfelde, omdat zij het jammer vond hem te wekken, en toch wilde zij gaarne met hem spreken.

"Kostja, schrik niet! Het is niets! Maar het schijnt.... Wij moeten naar Lisaweta Petrowna zenden...."

Er brandde een licht. Zij zat op het bed en hield een haakwerk in de hand, waarmede zij zich in den laatsten tijd had bezig gehouden.

"Ik bid u, schrik niet. Ik ben volstrekt niet bang!" zeide zij toen zij zijn verschrikt gelaat zag en zij drukte zijn hand aan haar borst en aan haar lippen.

Nauwelijks wetende, wat hij deed, sprong hij snel het bed uit en schoot zijn chambercloak aan zonder de oogen van haar af te wenden. Hij wilde gaan, maar kon zich niet van haar losrukken. Zij had er reeds dikwijls met hem over gesproken, maar zoo bezorgd had hij haar nog niet gezien. Hoe afschuwelijk, hoe laag scheen hij zich zelf toe, nu hij aan de smart dacht, die hij haar gisteren veroorzaakt had, en hoe nietig en onbeduidend scheen hem nu dat alles in vergelijking van haar, en den toestand, waarin zij zich nu bevond. Haar verhit gelaat, omgeven door lokken, die uit de muts te voorschijn kwamen, straalde van blijmoedige vastberadenheid. Hoe weinig onnatuurlijkheid ook steeds in Kitty's karakter gelegen had, nu elke sluier wegviel, was hij er door getroffen, hoe klaar de kern van haar wezen uit haar oogen sprak.

Zij zag hem glimlachend aan, maar plotseling trok zij de wenkbrauwen omhoog, hief het hoofd op en hem snel naderend, greep zij zijn hand en drukte zich vast tegen hem aan, terwijl zij hem met gloeienden adem overstroomde. Zij leed en scheen hem haar lijden te klagen. En in het eerste oogenblik scheen het hem uit gewoonte toe, dat hij er schuld aan had. Maar haar oogen vol teederheid zeiden hem niet alleen, dat zij hem niet aanklaagde, maar ook, dat zij hem liefhad wegens dit lijden.

"Als ik geen schuld heb, wie dan?" dacht hij, onwillekeurig naar een schuldige zoekend om hem te bestraffen; maar er was geen schuldige. Zij leed, klaagde over deze smart, maar verhief zich er boven, verheugde zich er over en was er trotsch op. Hij zag, dat er in haar ziel iets verhevens omging, maar wat? Hij kon het niet begrepen, hij kon zich niet tot haar hoogte verheffen.

"Ik heb naar mama gezonden--en ga jij naar Lisaweta Petrowna.... Kostja!.... Het is niets! Het is al weer voorbij! Maar ga nu dan ook."

En Lewin zag met verwondering, dat zij reeds weer haar haakwerk in de hand nam en er aan werkte.

Hij kleedde zich in zijn kamer aan, maar vóór de paarden waren aangespannen, liep hij nog eenmaal naar de slaapkamer.

"Ik rijd naar den dokter. Naar Lisaweta Petrowna is reeds gezonden. Is er anders nog iets noodig?"

Zij zag hem aan, maar verstond klaarblijkelijk niet, wat hij zeide.

"Ja, ja, ga nu, ga!" zeide zij met de hand wenkende.

Hij was reeds weder in het salon, toen hij plotseling een klagend zuchten uit de slaapkamer hoorde, dat echter terstond weder ophield. Hij bleef staan en wist niet, wat hij er van denken moest.

"Ja ja, zij was het!" zeide hij, greep naar z'n hoofd en liep naar beneden. "God erbarme zich onzer! Hij vergeve en helpe!" sprak hij. Onwillekeurig waren hem deze woorden over de lippen gekomen. In dit oogenblik werd hij zich er van bewust, dat noch zijn twijfel, noch de onmogelijkheid om met het verstand tot het geloof te geraken, hem in het minst konden beletten zich in het gebed tot God te wenden. Zijn hart schudde allen twijfel plotseling als asch van zich af. Tot wien anders zou hij zich dan nu wenden dan tot Hem, in wiens handen hij zich zelf, zijn hart en zijn liefde voelde rusten.

Hij trad naar buiten, nam plaats in de slede en reed naar den dokter.

X.