Part 45
Zijn kalme, vriendelijke, gastvrije toon op het land beviel haar. Hier in de stad scheen hij bestendig in onrust en als het ware op de loer, alsof hij vreesde, dat iemand hem of hoofdzakelijk haar kon beleedigen. Ginds op het land gevoelde hij zich op zijn plaats, overijlde zich nooit en was nooit ledig. Hier in de stad daarentegen overijlde hij zich altijd, wilde niets verzuimen en wist niet waarmee zich bezig te houden. En wat zou hij ook doen? Kaartspel was niets voor hem; naar de sociëteit ging hij niet; het verkeer met levenslustige lieden zooals Oblonsky? Zij wist nu, wat dat beteekende: dat beteekende wijn drinken en na het drinkgelag verder hier of daar heengaan; zonder ontzetting kon zij er niet aan denken, waarheen in zulke gevallen de mannen eigenlijk gingen; zij wist, dat in deze amusementen zekere jonge vrouwen een rol spoelden, en dat was haar volstrekt niet naar den zin. Dus bij haar thuis zitten en zich met haar, haar moeder en de zusters bezig houden? Maar hoe vroolijk en onderhoudend haar zelf ook altijd deze gesprekken schenen, hem verveelden ze. Wat bleef hem dus nog over? Zou hij aan zijn boek verder schrijven? Hij had dat reeds beproefd, maar hij had haar bekend, dat, hoe minder hij te doen had, hij des te minder tijd overhield.
Slechts één voordeel had het leven in de stad: zij kibbelden hier in 't geheel niet meer.
Waren zij nu zelf in dit opzicht voorzichtiger of verstandiger geworden? Genoeg, zij hadden in Moskou in 't geheel deze tooneelen vol ijverzucht niet, waarvoor zij bij hun verhuizen daarheen zoo zeer gevreesd hadden. En toch viel er in dit opzicht iets voor beiden hoogst gewichtigs voor, namelijk een ontmoeting van Kitty met Wronsky.
De oude vorstin Marie Borissowna, een peettante van Kitty, van wie zij veel hield, had den levendigen wensch geuit, Kitty, die wegens haar toestand slechts zelden uitreed, te zien, en zoo reed deze er met haar vader heen. Daar troffen zij ook Wronsky aan.
Bij deze ontmoeting kon Kitty zich slechts verwijten, dat haar in het eerste oogenblik, toen zij de haar zoo welbekende trekken voor de eerste maal in burgerkleeding wederzag, de adem stokte en het bloed haar naar het hart drong, zoodat zij voelde, dat een blos haar gelaat bedekte. Maar dat duurde slechts weinige seconden. Haar vader had zijn gesprek, dat hij met opzet terstond op luiden toon met Wronsky begonnen had, nog niet geëindigd, toen zij er ook reeds volkomen op voorbereid was met hem evenzoo te spreken als met vorstin Marie Borissowna en vooral zoo, dat haar echtgenoot, wiens onzichtbare tegenwoordigheid zij als het ware in deze oogenblikken gevoelde, iederen toon en ieder lachje zou gebillijkt hebben.
Zij wisselden eenige woorden met elkander, zij glimlachte zelfs om een scherts van hem, terwijl hij van de verkiezingen vertelde, en deze "ons parlement" noemde. Maar terstond wendde zij zich weer tot haar peettante en zag hem niet meer aan, totdat hij opstond en voor haar boog.
Toen zij Lewin vertelde, dat zij Wronsky ontmoet had, bloosde deze nog veel sterker dan zij. Het was haar reeds zeer zwaar gevallen het hem mede te deelen, maar nog zwaarder viel het haar hem alle bizonderheden der ontmoeting te berichten, omdat hij haar daar niet naar vroeg, maar haar slechts met gefronsd voorhoofd aanzag.
"Het spijt me erg, dat gij er niet bij zijt geweest," zeide zij. "Maar het was toch goed, dat je niet in de kamer waart, anders was ik natuurlijk niet gebleven. Nu krijg ik veel, veel meer een kleur!" voegde zij er bij en bloosde inderdaad tot tranen toe. "Maar gij hadt door het sleutelgat mogen zien."
Haar oprechte oogen zeiden hem, dat zij over zich zelf tevreden was, en niettegenstaande zij bloosde, stelde hij zich toch terstond gerust en begon haar haarfijn over alles uit te vragen, en dat was juist wat zij wenschte. Nadat hij alles nauwkeurig vernomen had, zeide hij, dat hij bij de eerste gelegenheid Wronsky vriendschappelijk naderen wilde, want het was zoo kwellend zich iemand bijna altijd als een vijand te moeten voorstellen.
"Ik verheug mij wezenlijk zeer!" zeide hij.
II.
"Doe mij dus het genoegen eens een bezoek bij de Bohls te brengen," sprak Kitty tot haar man, toen hij tegen elf uur, voor hij uitging, bij haar binnentrad. "Ik weet reeds, dat gij vanmiddag in de sociëteit zult blijven, papa heeft voor u mede onderteekend. Maar wat wil je den geheelen middag aanvangen?"
"In de eerste plaats wil ik Katawassow bezoeken; hij heeft mij beloofd, mij met Matrosch, den beroemden geleerde, bekend te maken."
"En daarna?"
"Dan zal ik wel wegens de aangelegenheid mijner zuster naar de rechtbank moeten."
"Ga je ook naar het concert?" vroeg zij.
"Misschien, maar in allen geval kijk ik na het diner nog eens even bij je in," antwoordde hij naar de klok ziende.
"Trek je zwarte rok aan, dan kun je terstond naar gravin Bohl rijden."
"Is dat dan noodig?"
"Zeer zeker. Hij is ook bij ons geweest. Wat geef je daar nu om? Weet je, je gaat zitten, spreekt eenige minuten over het weer, staat dan weer op en rijdt weg."
"Maar je kunt niet gelooven, hoe ik daar afgewend ben, zoodat ik mij bepaald geneer. Waartoe dient het ook. Daar komt een vreemd mensch, hij gaat zitten en zit daar, zonder dat hij iets bizonders te doen heeft, hij stoort een ander slechts, windt zich zelf op en gaat dan weer heen!"
Kitty lachte.
"Als ongetrouwd heer heb je toch wel visites gemaakt," zeide zij.
"Ja, maar dan schaamde ik mij ook altijd en nu ben ik er geheel afgewend; waarachtig, ik zou mij liever laten slaan, als het maar niemand zag, dan zulke visites maken. Het komt mij altijd voor, alsof zij het mij kwalijk moeten nemen en mij vragen: Wat wil je hier bij ons, zonder dat je er iets te doen hebt?"
"Neen, zij zullen het je niet kwalijk nemen, daarvoor sta ik je in," antwoordde Kitty lachend. "Maar, Kostja, weet je, ik heb nog slechts vijftig roebel."
"Dan moet ik nog iets van de bank halen. Hoeveel?" vroeg hij met een gebaar van ontevredenheid, dat zij kende.
"Neen, wacht eens. Wij zullen daarover spreken. Dat verontrust mij. Ik bedoel, ik geef niets onnoodigs uit, maar het geld glijdt iemand zoo door de vingers. In het een of ander leggen wij het verkeerd aan."
Hij was inderdaad ontevreden, maar minder omdat er te veel geld gebruikt was, dan wel omdat hij aan datgene herinnerd werd, wat hij bijna had vergeten.
"Ik heb Solokom gelast de tarwe te verkoopen en de pacht voor den molen vooruit te innen. Aan geld zal 't ons in allen geval niet ontbreken."
"Neen, waarlijk! Het spijt mij soms, dat ik naar mama geluisterd heb. Hoe goed zou het voor ons op het land geweest zijn! Hier kwel ik u allen slechts en het geld wordt verkwist...."
"Volstrekt niet, volstrekt niet! Zoo lang ik getrouwd ben, heb ik geen tijd gehad, waarvan ik kon zeggen, dat hij beter geweest is dan de tegenwoordige."
"Waarlijk?" vroeg zij hem in de oogen ziende. Hij had dit maar zoo losweg gezegd om haar gerust te stellen. Maar toen hij nu deze oprechte, lieve oogen zag, die zoo vragend op hem gericht waren, herhaalde hij het uit het diepst van zijn ziel.
Slechts in den eersten tijd in Moskou hadden de voor een landman zoo onproductieve en toch onvermijdelijke uitgaven, waartoe hij zich van alle kanten genoodzaakt zag, een zekeren indruk op Lewin gemaakt. Maar nu had hij er zich reeds aan gewend. Het ging hem als de dronkaards, waarvan men zegt, dat het eerste glas hun toeschijnt als een paal, het tweede als een duif en het derde als een klein vogeltje. Toen Lewin de eerste banknoot van honderd roebel voor de nieuwe livreien van den bediende en den koetsier had moeten wisselen, berekende hij geheel onwillekeurig, dat het volkomen nuttelooze livreien waren, maar onvermijdelijk volgens de begrippen van Kitty en haar moeder, die zich in den hoogsten graad verwonderden over de opmerking, dat men er ook zonder livreien kon komen en dat deze ongeveer zooveel kostten als het loon van driehonderd dagen zwaren arbeid van den morgen tot den avond; deze eerste banknoot van honderd roebel slikte hij als een langen paal. Maar reeds de volgende, die hij voor een familiediner, dat achtentwintig roebel had gekost, had moeten laten wisselen, verdween toch reeds gemakkelijker dan een duif, hoewel hij daarbij de gedachten niet kon weren, dat achtentwintig roebel evenveel was als negen tschetwert haver, die onder zweet en zuchten gezaaid, gemaaid, gedorscht en opgeborgen werden. Maar de later gewisselde banknoten riepen volstrekt niet meer zulke gedachten bij hem te voorschijn, maar verdwenen als kleine vogeltjes. Of het voor dit geld gekochte genoegen een even groot gewin was, als de arbeid had kunnen schenken, die er verricht zou moeten worden om het te verdienen, was voor hem een reeds lang overwonnen bedenking geworden. Ook zijn landhuishoudkundig principe, zijn koren nooit onder den prijs te verkoopen, was reeds door hem vergeten. Slechts dit ééne noodige stond nog op den voorgrond, dat hij steeds genoeg geld in de bank had staan om er morgen vleesch voor te kunnen koopen; en dit geld raakte nu op, en hij wist niet recht, waar hij ander vandaan zou halen. Daarom was hij zoo wrevelig geworden, toen Kitty van geld was beginnen te spreken; maar nu had hij geen tijd om daarover na te denken.
III.
Lewin kwam op tijd in de club, waar ook de leden en gasten verschenen. Sedert hij de universiteit verlaten en gezelschappen bezocht had, was hij in geen club meer geweest. Hij herinnerde er zich nog de inrichting van, en toen hij de deur was binnengegaan en de breede, met tapijten belegde trap opklom, ontving hij denzelfden indruk als in vroeger jaren, den indruk van ontspanning, van een goed leven en van voornaamheid.
Hij ging naar de tafels, die bijna alle reeds bezet waren, en monsterde de gasten. Hij trof hier en daar oudere en jongere, hem bijna niet meer bekende lieden aan. Daar zaten Swijaschsky en Tscherbatzky, Newadewsky, de oude vorst, Wronsky en Sergej Iwanowitsch.
"Hierheen, Lewin!" riep de goedhartige stem van Turowzin, die bij een jong officier zat. Naast hen stonden nog twee onbezette stoelen. Lewin naderde hen verheugd.
"Daar zijn nog twee plaatsen voor u en Oblonsky. Hij zal ook wel spoedig komen."
De officier met zeer rechte houding en steeds lachende oogen was een Petersburger, Gagin genaamd. Turowzin stelde ze aan elkander voor.
"Ah, daar is Oblonsky ook reeds."
"Ben je ook nu eerst gekomen?" vroeg deze Lewin naderend. "Goeden avond!"
Bij een vischsoep liet Gagin terstond champagne komen en des vier glazen werden gevuld. Lewin sloeg de hem aangeboden wijn niet af en bestelde de tweede flesch. Hij was hongerig, at en dronk met veel smaak en nam met nog grooter genoegen aan het vroolijke, ongezochte gesprek zijner kameraden deel. Gagin vertelde met gedempte stem een nieuwe Petersburger anecdote, die, hoewel dubbelzinnig, evenwel zoo koddig was, dat Lewin er zoo luid om lachte, dat degenen, die in de nabijheid zaten, zich naar hem omwendden. Toen gaf ook Stiwa een zeer vroolijke geschiedenis ten beste en ook Lewin vertelde er een, die recht beviel. Vervolgens kwam het gesprek op paarden en op een wedren, die dien dag had plaats gehad, en hoe dapper er Wronsky's "Alladin" den eersten prijs had behaald.
"Ha, ben jij daar ook!" zei Stipan Arkadiewitsch na afloop van hun maaltijd, terwijl hij zich over de stoelleuning terugboog en Wronsky de hand reikte, die juist met een langen gardeofficier achter hen langs ging. Uit Wronsky's gelaat straalde een bizonder opgewekte, aan het clubleven eigen bonhommie. Hij boog zich vertrouwelijk over Stiwa's schouder, fluisterde hem iets in en reikte toen met denzelfden glimlach de hand aan Lewin.
"Ik verheug mij u te zien," zeide hij.
"En ik feliciteer u," antwoordde Lewin. "Het was een mooie wedren."
"U houdt immers ook renpaarden?"
"Neen, maar mijn vader hield ze wel. Ik herinner mij dit nog en daarom ken ik er nog iets van."
"Waar heb je gezeten?" vroeg Stipan Oblonsky.
"Achter de zuil, aan de tweede tafel."
"Wij hebben hem geluk gewenscht," zeide de garde-overste. "Reeds de tweede keizersprijs! Ik wou, dat ik evenveel geluk in het kaartspel had als hij met de paarden. Maar laat ons den gouden tijd niet verliezen. Ik ga naar het infernalium," zeide de overste en verwijderde zich.
"Dat is Jawschin," antwoordde Wronsky op een vraag van Turowzin, terwijl hij plaats nam op een nog vrijen stoel aan hun tafel. Hij nam het hem aangeboden glas aan en bestelde nog een flesch.
Onder den invloed van het clubleven en den reeds gedronken wijn knoopte Lewin met Wronsky een gesprek aan over de beste veerassen en verheugde zich zeer, bij hem geen vijandelijk gevoel te bespeuren. Hij zeide hem zelfs, hoe zijn vrouw hem verteld had, dat zij hem bij vorstin Marie Borissowna had aangetroffen.
"O, vorstin Marie Borissowna! Die is verrukkelijk!" zeide Stipan Arkadiewitsch en vertelde nu van haar een anecdote, waar allen om moesten lachen. Vooral Wronsky lachte zoo hartelijk, dat zich Lewin geheel met hem verzoend gevoelde.
"Ben jelui klaar?" zei Stipan opstaande. "Komt dan!"
IV.
Ook Lewin stond op en voelde bij het gaan, dat zich zijn armen bizonder licht en vast bewogen. Bij het doorloopen van de groote zaal ontmoette hij zijn schoonvader. Druk sprekende en de kennissen groetende, die zij ontmoetten, gingen zij alle kamers door: een groote, waar de speeltafeltjes gereed stonden en de gewone partners een niet hoog spel speelden; de sophakamer, waarin geschaakt werd en waar Sergej Iwanowitsch met een bekende in gesprek was; de billardkamer, waar een vroolijk gezelschap bij den champagne zat en waarbij ook de Petersburger Gagin ging zitten. Zij gingen ook behoedzaam het geluid hunner schreden dempende, door de leeskamer, waar een jonge man met een somber gelaat in de journalen bladerde en een kaalhoofdig generaal in de lectuur verdiept was. Zij kwamen ook in een vertrek, dat de oude vorst de "wijze" kamer noemde, en hier spraken drie heeren ijverig over de laatste politieke berichten.
Hier verliet de oude vorst Lewin en deze begaf zich op weg om Oblonsky en Turowzin op te zoeken, wier gezelschap hem het aangenaamst was.
Hij vond Turowzin in de billardkamer en Stipan Arkadiewitsch in de deur in gesprek met Wronsky.
"Niet, dat zij zich juist verveelt, maar dit onzekere en onbesliste in haar toestand...." hoorde Lewin Wronsky zeggen en wilde zich verwijderen. Maar Stipan Arkadiewitsch riep hem aan: "Lewin!"
Lewin bemerkte in Oblonsky's oogen een vochtigen glans, dien zij altijd hadden, wanneer hij rijkelijk gedronken had of wanneer hij ontroerd was. Nu was het eene en het andere het geval.
"Ga niet weg, Lewin," zeide hij en drukte zachtjes zijn arm. "Hij is mijn intiemste, zoo niet mijn beste vriend," zeide hij tot Wronsky. "Ook gij zijt mij na en zijt mij dierbaar. En ik wensch, dit weet hij, dat ook gij met elkander bevriend zult worden en elkander nader leert kennen, want gij beiden zijt goede menschen."
"Nu, dan blijft ons niets over dan elkander te omhelzen," schertste Wronsky op goedhartigen toon, terwijl hij Lewin de hand reikte.
Deze sloeg snel toe en drukte ze stevig.
"Kellner! Een flesch sect!" riep Stipan Arkadiewitsch.
"'t Doet me veel genoegen," zeide Wronsky; maar ondanks hun wederzijdschen wensch en dien van Stiwa, hadden zij elkander niets te zeggen en beiden gevoelden dat.
"Gij weet, dat hij Anna nog niet kent," zeide Oblonsky tot Wronsky. "Ik breng hem bepaald bij haar. Wij willen er met hem heenrijden."
"Anders gaarne," antwoordde Wronsky, maar ik ben ongerust over Jawschin. Ik moet hier blijven, tot hij klaar is."
"Speelt hij slecht?"
"Hij speelt zonder ophouden en ik ben de eenige, die hem dan terughouden kan."
Stipan Arkadiewitsch nam Lewin onder den arm.
"Hoor eens, doe mij en Dolly en vele andere het genoegen en rijd terstond met mij naar mijn zuster Anna. Zij is te huis. Ik heb het haar reeds lang moeten beloven je eens mee te brengen. Waarheen wilde je van avond anders?"
"Naar niets bizonders. Ik heb Schwijaschsky slechts beloofd met hem naar de landbouwvereeniging te gaan. Wanneer je dus wilt, kunnen wij er heenrijden," antwoordde Lewin.
"Mooi! Ga eens zien, of mijn rijtuig er is," wendde zich Oblonsky tot een societeitsbediende.
V.
Oblonky's wagen kwam voor en hij steeg er met Lewin in.
"Wat doet het mij genoegen, dat je haar nu leert kennen. Gij weet, dat Dolly het altijd gewenscht heeft, en hoewel zij mijn zuster is, mag ik toch wel beweren, dat zij een buitengewone vrouw is. Enfin, je zult haar zien. Haar positie is zeer moeielijk, vooral nu."
"Waarom dan juist nu?"
"Wegens vroegere onderhandelingen met haar man betreffende de scheiding. Hij was volkomen bereid, maar nu rijzen er eenige bezwaren wegens den zoon, en deze aangelegenheid is nu al drie maanden op de lange baan gebleven. Als het tot de scheiding komt, trouwt zij dadelijk met Wronsky."
"Wat zijn er dan nog voor bezwaren?" vroeg Lewin.
"Och, dat is een lange en vervelende geschiedenis! Bij ons is immers alles zoo onbestemd. Maar het is er nu zoo mee gelegen: in afwachting van de scheiding woont zij nu reeds drie maanden hier in Moskou, gaat nergens heen, ontvangt behalve Dolly geen dame, want je zult begrijpen, dat zij geen bezoeken uit genade wenscht; dan is ze nu ook gebrouilleerd met die dame vorstin Warwara. Een andere vrouw zou in haar positie niet weten wat aan te vangen. Maar zij--nu, je zult eens zien, hoe zij haar leven heeft weten in te richten; hoe kalm en waardig zij zich houdt.--Hier links in de zijstraat, tegenover de kerk!" riep hij uit het portier. "Poeh! hoe warm!" zuchtte hij en sloeg zijn reeds eerder opgeslagen pels ondanks de twaalf graden koude nog verder open.
"Zij heeft immers ook een dochtertje. Daarmede houdt zij zich zeker veel bezig?" vroeg Lewin.
"Het schijnt, dat ge u een vrouw slechts als een soort wijfje, une couveuse, voorstelt," zeide Stiwa. "Als zij bezig is, dan moet dit altijd met kinderen zijn. Ik geloof, dat zij ze uitstekend opvoedt, maar men hoort daar nooit iets van. Haar bezigheid bestaat vooreerst in schrijven--neen, ik zie dat gij ironisch lacht--maar dat is onrecht--zij schrijft een kinderboek, maar spreekt er met niemand over; zij heeft het mij alleen eens voorgelezen en ik heb het manuscript aan Workuw gegeven ... weet je, den uitgever. En ik geloof, dat _hij_ ook zoo'n beetje schrijft. Maar je meent misschien, dat zij zoo'n soort blauwkous is? In het minst niet! Zij is in de eerste plaats een vrouw van gemoed, en je zult bij haar nog een kleine Engelsche en een geheele familie vinden, waarvoor zij zorgt."
"Dus zoo'n beetje philantropie?"
"Je wilt in alles iets slechts zien. Geen philantropie, maar het komt uit het hart. Zie, als ik wel heb, had Wronsky een pikeur, een Engelschman, die een meester in zijn vak, maar helaas een dronkaard was. Hij was op het laatst zoo verdronken, dat hij delirium tremens kreeg en zijn familie in den steek liet. Zij zag die armen, hielp hen, interesseerde zich voor hen en heeft nu de geheele familie tot zich genomen; en zij behandelt ze niet uit de hoogte en helpt ze slechts met geld, neen, zij maakt de jongens zelf voor het gymnasium klaar en het kleine meisje heeft zij geheel tot zich genomen. Enfin, je zult het zelf zien."
De wagen reed het plein op. Stipan Arkadiewitsch schelde luid aan de inrijpoort, waar reeds een slede stond. Zonder den portier te vragen, of Anna thuis was, trad hij, gevolgd door Lewin, die er hoe langer hoe meer aan begon te twijfelen, of hij wel goed handelde, de voorkamer der rijk gemeubileerde woning binnen.
Lewin beschouwde zich hier in den spiegel; hij vond, dat hij er wel rood uitzag, maar was overtuigd, dat hij volstrekt niet te veel gedronken had. Hij ging dus achter Oblonsky aan de met tapijten belegde trap op. Boven gekomen informeerde Oblonsky bij den bediende, welke bezoekers er bij Anna Arkadiewna waren, en kreeg tot antwoord: "De heer Workuw."
"Waar zijn zij?"
"In het kabinet."
Zij gingen door de kleine eetkamer met donkere houten wanden, toen naderden zij over mollige tapijten het halfdonkere kabinet, dat door een met een donker scherm bedekte lamp verlicht werd. Een tweede lamp, een refractor, brandde aan den wand en verlichtte het levensgroote portret eener dame, dat onwillekeurig Lewins aandacht tot zich trok. Het was het portret van Anna, dat in Italië vervaardigd was. Oblonsky was reeds achter het traliewerk der klimplanten getreden, terwijl Lewin geheel verdiept was in de aanschouwing van het beeld en daarbij geheel vergat, waar hij was, en ook niet wist, wat in zijn onmiddellijke nabijheid gesproken werd.
Dat was geen beeltenis, dat was een levende vrouw met zwart, krullend haar, naakte schouders en armen, met een peinzenden glimlach op de met een zacht dons bedekte lippen, die hem teeder en van haar zege bewust met de betooverende oogen aankeek. Slechts daarom kon zij niet levend zijn, omdat zij schooner was, dan een levend wezen zijn kon.
"Het doet mij veel genoegen," zeide een tot hem gerichte damesstem, de stem derzelfde vrouw, wier beeltenis hij verrukt aanstaarde. Anna was van achter de schutting van klimplanten te voorschijn getreden, en in het halfdonker van het kabinet herkende Lewin dezelfde vrouw, maar in een donkerblauw kleed, in een andere houding en met veranderde gelaatsuitdrukking, maar toch met dezelfde schoonheid, waarmede de kunstenaar haar geschilderd had, minder schitterend, maar daarvoor werkelijk levend.
VI.
Zij trad hem te gemoet, zonder hem haar vreugde te verbergen, dat zij hem zag, en aan de kalmte, waarmede zij hem haar kleine, energieke hand toereikte, hem aan Workuw voorstelde en hem een klein, roodharig meisje presenteerde, dat in de nabijheid met een werkje bezig was en door haar als haar pleegdochter werd aangeduid, herkende hij de hem bekende en steeds aangename manieren eener dame uit de groote wereld, altijd bedaard en altijd natuurlijk.
"Het doet mij veel, veel genoegen," herhaalde zij, maar deze eenvoudige, overal gebruikelijke woorden kregen in haar mond voor Lewin een bizondere beteekenis. "Door uw vriendschap met Stiwa en door uw vrouw ken ik u reeds lang; uw vrouw heb ik slechts korten tijd gekend, maar zij heeft bij mij den indruk van een bekoorlijke bloem, ja van een bloem achtergelaten. En zij zal nu spoedig moeder zijn?"
Zij sprak zonder zich te overhaasten, nu eens van Lewin naar haar broeder, dan weder naar den eersten ziende. Lewin gevoelde, dat de eerste indruk, dien hij op haar gemaakt had, goed was en het werd hem in haar tegenwoordigheid terstond licht en aangenaam om het hart, als had hij haar reeds van zijn kindsheid af gekend.
"Iwan Iwanowitsch en ik hebben ons hier in Alexei's kabinet begeven," antwoordde zij op Stiwa's vraag, of men hier rooken mocht, "juist om te rooken." En zij schoof Lewin een schildpadden cigarenkistje toe en nam er zelf een cigaar uit.
"Hoe gaat het met uw gezondheid?" vroeg haar broeder haar.
"Niet slechter. Zenuwen zooals altijd."
"Niet waar? Een buitengewoon schoon beeld?" vroeg hij Lewin, die herhaaldelijk naar de schilderij zag.
"Ik heb nooit een schooner gezien."
"En buitengewoon gelijkend," zeide Workuw.
Lewin zag van het portret naar het origineel. Een eigenaardige glans vloog over Anna's gelaat op het oogenblik, dat zij zijn blik op haar voelde rusten. Lewin kleurde en, om zijn verlegenheid te verbergen, wilde hij haar juist iets over Dolly vragen, toen zij hem reeds voorkwam.
"Wij spraken juist, voor gij binnenkwaamt, van de laatste portretten van Waschtschenkow.... Kent u ze?"
"Ja, ik heb ze gezien," antwoordde Lewin; "maar zij zijn mij niet bevallen."
Anna sprak niet alleen natuurlijk, maar ook geestig; toch uitte zij haar gedachten op zulk een losse wijze, alsof zij er volstrekt geen beteekenis aan hechtte, maar daarentegen aan de woorden van haar bezoeker veel gewicht toekende.