Part 44
Het afscheid van vorstin Warwara even als van de heeren was Dolly onaangenaam; maar ook zij, zoowel als haar gastheer en gastvrouw gevoelden na een dag samenzijn duidelijk, dat zij niet bij elkander pasten en dat het voor beide partijen beter was niet samen te komen. Slechts Anna was treurig. Zij wist, dat nu niemand meer de gevoelens, die zich bij Dolly's aankomst in haar ziel verhieven, tot rust zou brengen. Het deed haar pijn deze gevoelens aan te raken, maar zij wist toch, dat dit het beste deel van haar innerlijk wezen was.
Toen Dolly het uitgestrekte veld was opgereden, had zij een weldadig gevoel van verlichting en de lust kwam in haar op, haar dienaren te vragen, hoe het hun bij Wronsky bevallen was, toen plotseling de koetsier Philip reeds van zelf begon:
"Rijk zijn zij, zeer rijk, maar zij hebben ons toch maar drie maat haver gegeven; nog voor het hanengekraai hadden zij het schoon opgevreten. Bij ons krijgen de vreemde paarden zooveel als zij vreten willen."
"Ja, een gierig heer," bevestigde ook de schrijver.
"Nu, maar hoe zijn u dan de paarden bevallen?" vroeg Dolly.
"De paarden--ja, daarover is maar ééne stem! En het eten was ook goed, maar toch scheen het mij daar niet recht vroolijk, Darja Alexandrowna. Ik weet niet, hoe het u daar voorgekomen is," zei Philip, terwijl hij haar zijn knap, goedhartig gezicht toekeerde. Ik heb mij verveeld."
"Ik ook. Zijn wij voor den avond te huis?"
"Ja, dat moet!"
Toen zij te huis was teruggekeerd, waar zij allen vroolijk en in den besten welstand aantrof, vertelde Dolly onder groote, algemeene opmerkzaamheid van haar uitstapje, van haar goede ontvangst, van de weelde en den goeden smaak in Wronsky's huis, van hun leven en hun genoegens en hield elke afkeurende aanmerking terug.
"Men moet Wronsky en Anna kennen. Ik heb hen nu nauwkeurig genoeg leeren kennen om te kunnen begrijpen, hoe roerend hun verhouding is," zeide zij met de grootste oprechtheid, terwijl zij geheel het onbestemde en onbehagelijke gevoel vergat, dat haar bij hen gekweld had.
XXVII.
Wronsky en Anna brachten den geheelen zomer en nog een gedeelte van den herfst in dezelfde omstandigheden door, zonder den minsten stap tot de scheiding te doen. Zij hadden besloten nergens heen te reizen, maar beiden gevoelden, vooral in den herfst dat zij, hoe langer zij alleen met elkander en zonder gasten waren, zulk een leven steeds minder zouden kunnen uithouden.
Hun leven scheen zoodanig, als men het slechts kon wenschen; het was vol overvloed en gezondheid, beiden hadden hun bezigheid en bovendien een kind.
Anna hield zich, als er geen bezoek was, met zich zelf bezig en met de lectuur van romans en andere boeken, die in de mode waren. Zij liet zich alle boeken zenden, die in de door haar aangehouden buitenlandsche tijdschriften met verlof vermeld werden, en wijdde hare geheele opmerkzaamheid aan het lezen, zooals men dit slechts in de eenzaamheid kent. Buitendien leerde zij alle zaken, waar Wronsky belang bij had, uit zijn boeken en vakschriften kennen, zoodat hij zich dikwijls tot haar wendde met vragen over landhuishoudkunde, bouwkunde en zelfs over paardenteelt en sport. Hij bewonderde haar kennis en haar geheugen. Ook voor den bouw van het ziekenhuis interesseerde zij zich, en dat niet alleen, maar zij maakte zelf ook allerhande plannen en liet de zaken daarnaar inrichten. Maar de voornaamste zorg voor haar was toch zij zelf, dat zij voor Wronsky dierbaar mocht zijn, dat zij hem alles vergoeden mocht, wat hij voor haar had verlaten. Wronsky wist het te waardeeren, dat zij het zich tot levenstaak gesteld had hem niet alleen te behagen, maar hem ook te dienen; toch werden hem soms deze liefdenetten, waarmee zij hem zocht te omspannen, lastig: hij wenschte soms, en met den tijd steeds vaker, niet zoozeer zich er van te bevrijden, dan wel te beproeven, of zij zijn vrijheid ook in den weg stonden. Waren op dezen immer sterker wordenden wensch naar vrijheid niet telkens, wanneer hij eens naar de stad of naar een wedren reed of zich naar een vergadering wilde begeven, hevige scènes gevolgd en er aan voorafgegaan, dan zou Wronsky met zijn leven volkomen tevreden geweest zijn. De rol, die hij zich nu gekozen had, de rol van een rijk grondbezitter, waaruit de kern der Russische aristocratie moest bestaan, was niet alleen geheel naar zijn smaak, maar zij schonk hem, nadat hij ze nu een halfjaar gespeeld had, een steeds grooter voldoening. En zijn arbeid, die hem steeds sterker aantrok, had uitstekende gevolgen. Ondanks de kolossale sommen, die hem het ziekenhuis, de machines en de onmiddellijk uit Zwitserland gekomen koeien gekost hadden, was hij toch overtuigd, dat zij zijn vermogen niet verminderd, maar vergroot hadden. Als het op geld verdienen aankwam, b.v. bij het verkoopen van hout, koren en wol en bij de landverpachting, was Wronsky zoo hard als steen en verstond hij het gunstige gelegenheden af te wachten. Wat de zaken op dit en zijn overige landgoederen betrof, hield hij zich aan de eenvoudigste en niets risqueerende methode en was in alle kleinigheden hoogst spaarzaam en berekenend. Ondanks alle slimheid en behendigheid van zijn Duitschen rentmeester, die hem gaarne tot allerlei kostbare proeven en aankoopen wilde verleiden, liet hij door dezen geen invloed op zich uitoefenen. Hij hoorde hem aan, vroeg hem uit en was het slechts dan met hem eens, wanneer hetgeen aangeschaft of ingericht moest worden iets nieuws was, maar dat toch de proef reeds had doorgestaan, iets dat tot nu toe in Rusland onbekend was en waardoor hij dus opzien kon baren. Bovendien stelde hij geen geld beschikbaar, voor hij tot in de kleinste bizonderheden wist, waarvoor het werd uitgegeven, en zag er op toe, dat hij voor zijn geld het beste kreeg.
In October zou in het gouvernement, waarin de goederen der Wronsky's, der Swijaschsky's, der Kosnischews, der Lewins en der Oblonsky's lagen, de keuze van een nieuwen maarschalk voor den adel plaats hebben.
Deze verkiezingen trokken tengevolge van verschillende omstandigheden de algemeene opmerkzaamheid tot zich. Er werd veel over gesproken en groote toebereidselen werden er gemaakt. Kort voor deze verkiezingen kwam Schwijaschsky, die zeer dikwijls op Wosdwijanskoje was, om Wronsky af te halen.
Den vorigen dag waren Anna en Wronsky om dezen tocht bijna vertoornd op elkander geworden. Het was in den herfst, juist in den moeielijksten en vervelendsten tijd op het land. Wronsky was daarom reeds op een strijd met Anna voorbereid, toen hij op een zoo ernstigen en kouden toon, als hij nog nooit tegen haar had aangeslagen, haar de mededeeling van zijn afreis deed. Tot zijn verwondering nam zij echter het bericht zeer kalm op en vroeg slechts, wanneer hij terug dacht te komen. Hij zag haar opmerkzaam aan, daar hij deze kalmte niet begreep. Zij glimlachte om dezen blik. Hij kende deze gewoonte van haar, zich geheel in zich zelf terug te trekken en wist, dat dit slechts dan geschiedde, wanneer zij een vast besluit genomen had, dat zij niet van plan was hem mee te deelen. Hij vreesde daarvoor, maar hij wenschte zoozeer een scène te vermijden, dat hij het zocht te ignoreeren, en hij geloofde inderdaad ook half, wat hij zoo gaarne wilde gelooven, dat zij haar verstand gebruikte.
"Ik hoop, dat ge u niet zult vervelen."
"Dat hoop ik ook," zei Anna. "Ik heb gisteren een kist vol boeken van Gautier ontvangen. Neen, ik zal mij niet vervelen."
"Zij wil dezen toon aanslaan, des te beter!" dacht hij. "Anders is het altijd hetzelfde lied!"--
Zoo ging hij, zonder dat het tusschen hen tot een oprechte verklaring gekomen was, naar de verkiezingen. Dit was de eerste maal sedert hun verbintenis, dat zij vóór een scheiding niet ten volle hun gemoed voor elkander hadden uitgestort. Aan den eenen kant verontrustte hem dit, aan den anderen kant vond hij, dat het zóó beter was.
"Vooreerst zal de toestand bij deze onklaarheid en veinzerij zooals nu blijven--maar later zal zij zich daaraan gewennen. In ieder geval kan ik alles voor haar opofferen--slechts niet mijn zelfstandigheid als man," dacht hij.
XXVIII.
De nieuwe maarschalk was gekozen en Wronsky had op den avond van den verkiezingsdag de hoofden der overwinnende partij op een feestmaal bij zich vereenigd.
Wronsky had aan de verkiezingen deelgenomen, omdat hij zich op het land begon te vervelen en om zijn recht op vrijheid tegenover Anna te doen gelden, maar ook ter wille van Swijaschsky, jegens wien hij zich bij deze gelegenheid, door zijn invloed ter beschikking te stellen, erkentelijk wilde betoonen voor diens bemoeiingen om hem als de tijd daar zou zijn in de Semstwo te doen opnemen, hoofdzakelijk echter om al zijn plichten als landedelman en grondbezitter zoo nauwgezet mogelijk te vervullen. Hij had zelf niet verwacht, dat dit werven van stemmen voor de verkiezingen hem zoo zou interesseeren, dat hij er zoo geheel in op zou gaan. Als een homo novus was hij in den kring der edellieden getreden, maar hij slaagde terstond bij zijn eerste optreden en dwaalde niet, als hij vernam, dat hij op hen reeds een zekeren invloed vermocht uit te oefenen. Hierbij hielpen hem zijn rijkdom en zijn voorname afkomst, zijn prachtige tijdelijke woning in deze gouvernementstad, die hem een oud bekende, die er een bloeiende bankierszaak bezat, had afgestaan, verder zijn uitstekende kok, dien hij van zijn landgoed had meegebracht, zijn vriendschap met den gouverneur, die niet alleen een oud kameraad, maar een vroeger door Wronsky geprotegeerd kameraad was, bovenal echter zijn eenvoud en de gelijke mate van hoffelijkheid, die hij aan allen betoonde, waardoor hij de meeste edellieden terstond dwong hun meening omtrent zijn ingebeelden trots op te geven. Hij wist het en anderen moesten het ruiterlijk erkennen, dat de zege van zijn partij grootendeels aan hem toegeschreven moest worden, en nu, aan zijn tafel, bij het feest ter eere van den nieuwen maarschalk, had hij een aangenaam bewustzijn van overwonnen te hebben voor den door hem gekozene. Deze verkiezingen waren hem zoo goed bevallen, dat hij er reeds aan dacht, bij het begin van den volgenden verkiezingstijd over drie jaar, in geval hij dan reeds gehuwd zou zijn, zich zelf mede candidaat te laten stellen.
Wronsky zat boven aan de tafel, aan zijn linkerhand zijn vriend, de jonge gouverneur, generaal à la suite; voor allen was deze het hoofd van het gouvernement, die de verkiezing plechtig geopend en een redevoering gehouden had en dien men met achting en onderdanigheid moest naderen; voor Wronsky echter was hij slechts Kathka Maslow--dit was zijn bijnaam in het pagecorps geweest,--die zich voor hem verlegen gevoelde en dien hij trachtte à mettre à son aise. Aan zijn rechterhand zat met zijn streng, onbewegelijk, nieuw ambtsgelaat Newedowsky, de pas gekozen maarschalk. Jegens hem was Wronsky eenvoudig en beleefd. Ook Stipan Arkadiewitsch was voor de verkiezingen overgekomen. Hij was zeer vergenoegd, nu hij zijn tijd zoo vroolijk kon doorbrengen. Onder het weelderig maal besprak men de bizonderheden van den verkiezingsdag en er werden verscheiden telegrammen afgezonden aan personen, die zich voor de verkiezingen interesseerden. Ook Stipan Arkadiewitsch, die in de beste luim was, zond een telegram van den volgenden inhoud aan Dolly:
"Newedowsky met twaalf kogels gekozen. Ik feliciteer ons. Verbreid het."
Hij dicteerde deze woorden luid, terwijl hij opmerkte: "Men moet haar toch ook eens een genoegen doen."
Maar toen Dolly dit telegram ontving, zuchtte zij slechts om den roebel, dien het gekost had, en vermoedde zeer juist, dat het slechts aan het eind van een feestmaal kon neergeschreven zijn. Zij kende Stiwa's zwak om aan het eind van een diner, "faire jouer le télégraphe."
Alles te zamen genomen verliep de voortreffelijke maaltijd zeer naar behooren, eenvoudig en vroolijk. Het gezelschap van deze twintig mannen was door Swijaschsky uit de gelijkgezinde liberalen gekozen, die niet alleen den grootsten invloed uitoefenden, maar ook te gelijker tijd geestig en van goede opvoeding waren. Men stelde ernstige en luimige toasten in op den nieuwen maarschalk, den gouverneur, den directeur van de bank en op "onzen beminnelijken gastheer." Wronsky gevoelde zich volkomen bevredigd; zulk een goeden toon had hij op het land volstrekt niet verwacht.
Tegen het eind van den maaltijd werd de stemming nog levendiger. De gouverneur noodigde Wronsky uit mede naar een concert te gaan, dat zijn vrouw ten voordeele "der broeders" (de oorlog der Serviërs tegen de Turken was toen uitgebroken) gearrangeerd had; ook wenschte zij zelf hem te leeren kennen.
"Daarna zal er gedanst worden en gij hebt gelegenheid onze schoonheden te leeren kennen. Het is werkelijk de moeite waard er heen te gaan."
"Not in my line!" antwoordde Wronsky, wiens lievelingsphrase dit was; maar hij glimlachte en beloofde toch mee te gaan.
Toen zij reeds van tafel opstonden en men begon te rooken, naderde Wronsky's kamerdienaar hem en reikte hem op een presenteerblad een brief over.
"Uit Wosdwijenskoje door een expresse," zeide hij veelbeteekenend.
De brief was van Anna. Wronsky kende den inhoud, voor hem te hebben gelezen. In de veronderstelling, dat de verkiezingen hem niet meer dan vijf dagen zouden bezig houden, had hij beloofd des Vrijdags terug te keeren. Heden was het reeds Zaterdag, en dus wist hij, dat de brief verwijten moest bevatten, dat hij niet op den beloofden tijd teruggekeerd was. Zijn brief, die hij haar daarom gisteren gezonden had, zou zij nog wel niet ontvangen hebben.
De inhoud van den brief was inderdaad zooals hij vermoed had, slechts de vorm was anders dan hij had verwacht en was voor hem bizonder onaangenaam: Nana was ziek en de dokter had verklaard, dat er een ontsteking uit ontstaan kon.
"Alleen verlies ik het hoofd geheel, Warwara is voor mij geen hulp, maar veeleer een last. Ik heb u reeds eergisteren en gisteren verwacht, nu zend ik naar u om te weten, waar gij zijt en wat gij doet. Ik wilde eerst zelf komen, maar ik heb mij bedacht, daar ik wist, dat u dit onaangenaam zou zijn. Geef mij een kort antwoord opdat ik weet, wat ik doen moet...."
"Het kind is ziek en toch wilde zij zelf komen--onze dochter ziek ... en deze vijandige toon...!"
Het onschuldig genoegen hier, deze verkiezingen, die hem in den grond onverschillig waren, en daar ginds die sombere, drukkende liefde, waartoe hij moest terugkeeren.... Wronsky gevoelde thans al het scherpe dezer tegenstelling.
Maar hij moest nu vertrekken en met den eersten nachttrein reisde hij naar huis.
XXIX.
Na het onaangename onderhoud van Anna met Wronsky vóór diens vertrek, had zij voor het eerst met ontzetting ingezien, hoe afhankelijk zij van hem was, en zij had met de grootste zelfoverwinning besloten de scheiding van hem kalm te verdragen.
Maar in de eenzaamheid, toen zij zich zijn blik herinnerde, waarmee hij zich op zijn recht op vrijheid beriep, kwam haar weer haar eigen vernedering voor den geest. "Hij heeft het recht om ten alle tijde overal heen te gaan, neen niet alleen om overal heen te gaan, maar ook om mij geheel te verlaten! Hij heeft alle rechten, ik volstrekt geene. Maar juist omdat hij dit weet, had hij het niet moeten doen!"
Wat had hij dan eigenlijk gedaan? Hij had haar koel en streng aangezien. Dat was wel niet iets bepaalds, iets tastbaars, maar vroeger was het niet zoo geweest, en deze blik scheen haar de voorbode van een nieuwen tijd van koelheid en onverschilligheid.
En in het bewustzijn, dat deze tijd reeds aangebroken was, wist zij toch niets daartegen te doen, vermocht zij in haar verhouding tot hem niets te veranderen. Slechts even als vroeger kon zij beproeven hem met haar liefde en haar bekoorlijkheden vast te houden, en even als te voren kon zij slechts des daags door bezigheid en des nachts door morphium de gedachten verstikken aan datgene, wat zijn zou, als hij haar niet meer zou liefhebben. In ieder geval was er nog een middel om hem vast te houden en dat was de scheiding, om dan met hem te trouwen. En zij begon daar nu zelf over na te denken en kwam tot het besluit, den eersten keer, dat hij of Stiwa het gesprek er op zou brengen, zich terstond bereid te verklaren.
In zulke gedachten had zij vijf dagen doorgebracht, den tijd, dat hij afwezig zou zijn. Wandelingen, gesprekken met vorstin Warwara, bezoeken in het ziekenhuis en bovenal lezen, lezen van het eene boek na het andere hadden haar dezen tijd verdreven. Maar, toen op den zesden dag de koetsier zonder hem terugkeerde, gevoelde zij, dat zij niet meer in staat was het verlangen naar hem te onderdrukken. Daar werd haar dochtertje ziek. Anna begon het op te passen, maar ook dat schonk haar geen afleiding meer, te minder, daar de ziekte niet gevaarlijk was. Hoeveel moeite zij zich ook gaf, zij kon dit kleine meisje nu eenmaal niet liefhebben en veinzen wilde zij niet. Tegen den avond gevoelde Anna zulk een angst over Wronsky, dat zij reeds besloot zelf naar de stad te rijden, maar na rijp beraad schreef zij dien brief vol tegenstrijdigheden, dien Wronsky ontvangen had. Toen zij den volgenden morgen den zijnen ontving, berouwde het haar, dat zij den haren reeds verzonden had en zij verwachtte met ontzetting ten tweeden male zijn strengen blik te ontmoeten, vooral als hij zou vernemen, dat het kind volstrekt niet gevaarlijk ziek was. Maar toch verheugde zij zich, dat hij terug zou keeren. Al viel zij hem ook lastig, hij zou toch bij haar zijn, zij zou hem zien in al zijn bewegingen!
Zij zat in het salon onder de lamp en las in een nieuw boek, terwijl zij naar de vlagen van den herfstwind luisterde en ieder oogenblik zijn aankomst verwachtte. Reeds eenige malen had zij het rollen der wielen meenen te hooren, maar zij had zich vergist; eindelijk hoorde zij niet alleen het geraas van een rijtuig, dat het plein opreed, maar ook het roepen van den koetsier.
Zelfs vorstin Warwara, die patiëntie speelde, bevestigde het en Anna stond blozend op, maar in plaatst van naar beneden te gaan bleef zij staan. Zij schaamde zich plotseling over haar leugen, maar het meest vreesde zij, hoe hij dien zou opnemen. Het gevoel van beleediging was wel reeds verdwenen, maar zij vreesde zijn ontevredenheid. Zij ergerde zich over haar dochtertje, dat dit zoo snel en juist op een tijd, dat zij den brief had opgezonden, in beterschap was toegenomen. Toen viel het haar in, dat hij er was, met zijn gestalte, met zijn oogen. Zij vernam zijn stem, en alles vergetend snelde zij hem vol vreugde tegen.
"Nu? en hoe gaat het Nana?" vroeg hij bezorgd, van beneden de op den trap hem te gemoet snellende Anna aanziende, terwijl hem een dienaar de warme reislaarzen uittrok."
"Het beteekent niets, het gaat haar beter."
"En gij?" vroeg hij.
Zij greep met beide handen zijn rechterhand en drukte die tegen haar boezem. Zij wendde de oogen niet van hem af.
"Nu, ik verheug mij zeer," zeide hij met een koelen blik op haar, op haar kapsel en op haar kleed, dat zij, zooals hij wist, voor hem had aangetrokken.
Dat alles behaagde hem, maar hoeveel malen had het hem niet reeds behaagd. En de strenge, harde uitdrukking, die zij zoo zeer vreesde, bleef in zijn trekken onveranderd.
"Nu, ik verheug mij zeer! Zijt ge zelf ook goed gezond?" zeide hij en, zich met den zakdoek den vochtigen baard afvegend, kuste hij haar de hand.
"Het doet er niet toe," dacht zij. "Hij is nu ten minste hier en hij kan niet anders als mij liefhebben."
XXX.
De avond verliep kalm en gelukkig in tegenwoordigheid van vorstin Warwara, die bij Wronsky geklaagd had, dat Anna ook in zijn afwezigheid morphium had ingenomen.
"Wat zou ik doen? Ik kon niet slapen ... de gedachten hielden mij wakker. Als hij er is, neem ik het nooit, bijna nooit!"
Hij vertelde van de verkiezingen en Anna verstond het door vragen ook datgene uit hem te halen, wat hem de grootste voldoening geschonken had, namelijk zijn welslagen. Zij vertelde hem daarentegen alles, wat hem te huis interesseerde en hun gezamenlijke berichten waren van bevredigenden aard.
Toen zij later op den avond alleen waren en Anna bemerkte, dat zij hem weder geheel in haar macht had, wilde zij gaarne den droevigen indruk, dien zijn blik wegens haar brief op haar gemaakt had, uitwisschen.
"Beken het maar, het ontstemde u mijn brief te ontvangen; gij geloofdet mij niet recht?"
Maar nauwelijks had zij dit gezegd, toen zij ook reeds inzag, dat, hoe verliefd hij in dit oogenblik op haar was, hij haar dit niet vergeven had.
"Ja," zeide hij. "De brief was recht zonderling. Eerst was Nana ziek, toen wildet gij zelf komen."
"En toch was dat alles waar."
"Dat betwijfel ik ook niet."
"Ja wel, gij betwijfelt het. Gij zijt ontevreden. Dat zie ik."
"Geen oogenblik. Ik ben wel ontevreden, maar slechts daarover, dat gij mij niet schijnt te willen toegeven, dat men ook plichten kan hebben...."
"Plichten om naar een concert te gaan...!"
"Nu, wij willen daarover niet spreken."
"Waarom niet?" vroeg zij.
"Ik wil daarmee slechts zeggen, dat het toch wel eens zoo treffen kan, als men noodzakelijke bezigheden heeft. Zoo moet ik nu b.v. weer op reis naar Moskou wegens de aangelegenheid onzer woning.... Och Anna, waarom zijt ge toch zoo prikkelbaar? Weet ge dan niet, dat ik zonder u niet leven kan?"
"Als dat zoo is," zeide Anna plotseling met geheel veranderde stem, "dan is u dit leven lastig.... Gij komt voor een dag, om terstond weer te vertrekken, alsof...."
"Anna, ge zijt wreed. Ik ben bereid u mijn geheele leven te wijden...."
Maar zij hoorde hem niet.
"Wanneer gij naar Moskou gaat, dan ga ik mede. Alleen blijf ik hier niet. Wij moeten of van elkander gaan of te zamen leven."
"Gij weet immers, dat dit mijn eenige wensch is...."
"Als de scheiding daartoe noodig is, dan wil ik hem schrijven. Ik zie, dat ik zoo niet leven kan.... Maar naar Moskou reis ik met u...."
"Alsof ge mij dreigen wilt! Ik wensch immers niets zoo zeer als mij niet van u te scheiden," zeide Wronsky; maar terwijl hij deze teedere woorden uitte, sprak uit zijn oogen niet alleen een koude, maar zelfs de booze blik van een vervolgd, getergd mensch.
Zij zag dezen blik en begreep ten volle zijn beteekenis: "Als het zoo is, dan is het een ongeluk en de dood is beter dan zulk een leven!" Dat was er de korte, voorbijgaande uitdrukking van, en zij vergat hem nooit weder.
Anna schreef een brief aan haar echtgenoot, waarin zij hem om de toestemming tot de scheiding vroeg en tegen het einde van November verhuisde zij met Wronsky naar Moskou. In de dagelijksche afwachting van Alexei Alexandrowitsch' antwoord, dat hun de toestemming tot de scheiding zou brengen, richtten zij zich daar gemeenschappelijk in, alsof zij reeds echtelieden-waren.
ZESDE BOEK.
I.
Het was reeds de derde maand, dat de Lewins in Moskou woonden.
Het tijdstip, waarop volgens de nauwkeurigste berekeningen Kitty bevallen moest, was reeds lang voorbij, maar zij was nog altijd op de been en aan niets was te bemerken, dat zij veel nader bij dat tijdstip was dan voor twee maanden. De dokter, de vroedvrouw, Dolly en haar moeder, maar bovenal Lewin, die niet zonder ontzetting kon denken aan hetgeen komen zou, begonnen angstig ongeduldig te worden; slechts Kitty zelf gevoelde zich gelukkig en wel.
Allen, die zij liefhad, waren bij haar, verzorgden haar en waren zoo goed voor haar, dat zij zich geen beter leven had kunnen wenschen, wanneer zij zich niet van de spoedig naderende beslissing bewust was geweest. Het eenige, wat minder gunstig op haar gestel werkte, was, dat Lewins houding niet was, zooals zij wenschte en zooals zij het liefst hem zou gezien hebben.