Part 43
De dikke huishofmeester met zijn rond, gladgeschoren gezicht en zijn witten das kondigde aan, dat er opgediend was. De dames stonden op. Wronsky verzocht Swijaschsky Anna den arm te reiken, terwijl hij zelf Dolly naderde. Wesslowsky kwam Tuschkewitsch voor en bood vorstin Warwara den arm, zoodat Tuschkewitsch, de dokter, de rentmeester en de architect zonder dames bleven.
De eetzaal, het middagmaal, de bedienden, de wijn en de gerechten pasten niet alleen bij de algemeene weelde in dit huis, maar schenen nog grootscher dan al het overige.
Aan Wronsky's blik, zooals hij de tafel overzag en den huismeester met het hoofd teekens gaf, zooals hij Dolly tusschen botwinja en soep liet kiezen, bemerkte deze als ervaren huisvrouw, dat dit geheele diner zonder Anna's toedoen, hoewel onder toezicht van den huisheer zelf tot stand kwam. Van haar hing klaarblijkelijk niet meer af dan van Wesslowsky; Anna, Swijaschsky en Wesslowsky waren allen gasten, die vroolijk datgene genoten, wat voor hen bereid was.
Anna trad slechts als gastvrouw op in de leiding van het gesprek. Tegen deze, voor een huisvrouw aan een kleine tafel en met personen, zooals de rentmeester en de architect, die in een gansch anderen kring thuis behoorden en zich alle moeite gaven zich door de ongewone weelde niet verbluft te toonen en aan het algemeen gesprek zoo weinig mogelijk deel te nemen,--alzoo tegen deze voor een huisvrouw niet gemakkelijke taak was Anna met haar gewonen tact ten volle opgewassen en zij leidde het gesprek met natuurlijke bevalligheid, ja, zooals het Dolly toescheen, zelfs met genoegen.
Het gesprek stokte onder de dischgenooten, behalve van de zijde van den in somber zwijgen verzonken dokter, den architect en den rentmeester, nooit en Dolly gevoelde zich zoo opgewekt en was zoozeer in vuur geraakt, dat zij zelfs een kleur had gekregen en bij later nadenken daarover het niet geheel met zich zelf eens was, of zij ook iets dwaas of aanstootelijks kon gezegd hebben. Swijaschsky bracht het gesprek op Lewin en zijn zonderlinge denkbeelden, dat de machines niet pasten bij den Russischen landbouw en er zelfs storend op werkten.
"Ik heb niet het genoegen dezen heer Lewin te kennen," zeide Wronsky glimlachend, "maar hij zal wel nooit de machines, die hij zoo afkeurt, gezien hebben. Of wanneer hij ze soms gezien en in gebruik gehad heeft, dan zullen het wel geen buitenlandsche, maar de een of andere soort van Russisch fabrikaat geweest zijn. Hoe kan men dan daarover oordeelen?"
"Hij heeft in 't algemeen Turksche denkbeelden!" zeide Wesslowsky lachend tot Anna gewend.
"Ik kan zijn denkbeelden niet verdedigen," zei Darja Alexandrowna met vuur, "maar ik kan zooveel wel zeggen, dat hij een zeer beschaafd man is, die, als hij hier was, zijn denkbeelden wel zou weten te verdedigen. Ik versta dat waarlijk niet."
"Ik houd zeer veel van hem en wij zijn zeer goede vrienden," zeide Swijaschsky met een goedhartig lachje, mais pardon, il est un petit peu toqué; zoo b.v. beweert hij ook, dat de vredegerechten en de Semstwo geheel overbodig zijn, en hij wil aan geen van beide deelnemen."
"Dat is onze Russische onverschilligheid," zei Wronsky, terwijl hij zich in een fijn glas ijswater schonk. "Men gevoelt niet, dat onze voorrechten ons ook plichten opleggen en daarom ontkent men deze plichten."
"Ik ken geen mensch, die strenger in de vervulling van zijne plichten is dan Lewin," zei Dolly, door den aanmatigenden toon van Wronsky aan zijn eigen tafel geprikkeld.
"Ik integendeel," ging Wronsky voort, "ben, zooals u ziet, buitengewoon dankbaar voor de mij bewezen eer, dat men mij, dank zij Nikolaï Iwanowitsch, tot vrederechter benoemd heeft. Ik houd het voor mijn plicht de vergaderingen te bezoeken en de zaak van een boer wegens een zijner paarden schijnt mij even gewichtig als de belangrijkste zaak, die mij zelf betreft. Ik zal het ook voor een eer houden, als men mij als lid in de Semstwo mocht kiezen; ik kan daarmede slechts de voorrechten vergelden, die ik als landheer geniet. Ongelukkig ontbreekt onzen grooten grondbezitters nog te zeer het begrip van de beteekenis, die zij voor het rijk moesten hebben."
Het kwam Dolly zonderling voor te hooren, hoe kalm hij zich aan zijn eigen tafel in zijn recht gevoelde. Zij dacht aan Lewin, die geheel tegenovergestelde inzichten had en met zijn oordeelvellingen aan zijn eigen tafel niet minder beslist was. Maar zij hield van Lewin en daarom was zij geheel aan zijn zijde.
"Dus zullen wij bij de aanstaande verkiezingen op u mogen rekenen," zeide Swijaschsky. "Wij zullen er echter ter rechter tijd zijn moeten, reeds op den achtsten. Als gij mij misschien de eer zoudt willen bewijzen bij mij te komen...."
"Ik ben het met uw zwager ook eenigszins eens," zeide Anna tot Dolly: "ik denk echter niet geheel zooals hij," voegde zij er lachend bij. "Ik meen, wij hebben in den laatsten tijd veel te veel met algemeene, openbare plichten te doen. Vroeger waren er te veel beambten, zoodat er voor iedere zaak een bizondere beambte was; eveneens heeft men nu overal verzorgers van het openbare welzijn. Alexei is nu nauwelijks zes maanden hier en reeds is hij lid van ten minste vijf of zes vereenigingen; hij is voogd, rechter, lid van dorpsbesturen en gezworene. Als dat zoo verder gaat, zal hij voor niets anders meer tijd over hebben. En ik vrees, dat men bij zulk een menigte zaken overal maar een nul kan zijn. Op hoeveel plaatsen zijt gij in het bestuur, Nikolaï Iwanowitsch?" wendde zij zich tot Swijaschsky: "Mij dunkt wel op meer dan twintig."
Anna had schertsend gesproken, maar er klonk toch een zekere bitterheid uit. Dolly, die Anna en Wronsky opmerkzaam gadesloeg, bemerkte dat terstond. Zij had ook bemerkt, dat Wronsky's trekken bij dit gesprek dadelijk een ernstige en vastberaden uitdrukking hadden aangenomen. Hieruit en ook uit de omstandigheid, dat vorstin Warwara het gesprek snel op Peterburger kennissen zocht te brengen, alsook uit de wijze, waarop Wronsky zich in den tuin over zijn werkzaamheden had uitgelaten, besloot zij, dat met deze kwestie van publieke werkzaamheid een geheim verschil van meening tusschen Anna en Wronsky verbonden was.
Het diner, de bediening, de wijnen, alles was voortreffelijk, maar het was zoo, als Darja Alexandrowna het op groote diners en op bals had leeren kennen, het had niets eigenaardigs en natuurlijks; daarom maakte het hier in het gewone leven en in dezen engeren kring op haar een onaangenamen indruk.
Na den middag zat men een tijd lang op het terras. Toen speelde men lawn-tennis. De twee partijen plaatsten zich op den zorgvuldig geëffenden en vastgestampten crocket-ground aan beide zijden van het tusschen twee vergulde zuiltjes gespannen net. Ook Dolly deed een poging om mee te spelen, maar het duurde lang eer zij het spel begreep en toen zij het eindelijk gevat had, was zij zoo moede, dat zij ging zitten en nog slechts bij het spel toekeek. Ook haar partner Tuschkewitsch bleef bij haar, terwijl de anderen nog lang voortspeelden. Swijaschsky en Wronsky speelden zeer goed en met opmerkzaamheid, Wesslowsky het slechtst, maar toch hield zijn lachen en roepen niet op. Hij had, evenals de andere heeren, met verlof der dames zijn jas uitgetrokken, en zijn groote, fraaie gestalte in de witte hemdsmouwen, zijn verhit gelaat en zijn stootende bewegingen bleven haar in de herinnering. Nog toen zij zich 's avonds reeds te bed begeven en de oogen gesloten had, zag zij den op den crocketground rondspringenden Wesslowsky.
Gedurende het spel had Dolly zich weinig vermaakt. De schertsende toon tusschen Anna en Wesslowsky, evenals de algemeene onnatuurlijkheid dezer volwassenen, die hier zonder kinderen een kinderspel speelden, bevielen haar niet. Toch, om de anderen niet te storen en, het ging hoe het ging, den tijd te verdrijven, nam zij, na te zijn uitgerust, weer aan het spel deel en deed, alsof zij er vermaak in schepte. Op dezen dag meende zij met veel betere tooneelspelers dan zij zelf was, komedie te spelen en dacht, dat zij door haar slecht spel de geheele zaak bedierf.
Zij was met het voornemen gekomen om, wanneer het haar geschikt voorkwam, twee dagen te blijven. Maar reeds des avonds, gedurende het spel, besloot zij, reeds morgen weder terug te keeren. De kwellende zorgen der moeder, die zij onderweg zoo verafschuwd had, verschenen haar nu al, nadat zij nauwelijks een dag zonder haar kinderen had doorgebracht, in een geheel ander licht en misten hun uitwerking op haar niet.
Na de thee en een nachtelijk tochtje in de boot trad Dolly haar kamer binnen, trok haar kleed uit en ging zitten om het haar voor den nacht los te maken. Zij gevoelde een groote verlichting.
Het was haar zelfs een onaangename gedachte, dat Anna dadelijk bij haar zou komen. Zij zou gaarne met haar gedachten alleen zijn geweest, maar toen Anna in haar nachtgewaad bij haar kwam, verheugde zij zich toch bij dien aanblik. Nu voor de eerste maal zag zij haar weder geheel natuurlijk en zooals zij haar liefhad.
XXIV.
Reeds in den loop van den dag had Anna verscheiden malen getracht het gesprek op intiemer onderwerpen te brengen, maar had altijd na eenige woorden weer afgebroken: "Later, wanneer wij alleen zijn, willen wij daarover spreken. Ik heb u nog veel mee te deelen," had zij gezegd.
Nu waren zij alleen, maar Anna zweeg. Zij was aan het venster gaan zitten en zag Dolly aan. Zij doorzocht haar geheugen naar al de onuitputtelijke stof van vertrouwelijke mededeelingen, maar zij vond niets. Het scheen haar in dit oogenblik, alsof reeds alles gezegd was, en zij wist niet, waarover zij zou spreken.
"Hoe gaat het Kitty?" vroeg zij met een diepen zucht en een schuldigen blik op Dolly. "Zeg mij de zuivere waarheid, Dolly, is zij boos op mij?"
"Boos? Neen," antwoordde Dolly met een glimlach.
"Maar zij haat, zij veracht mij."
"Volstrekt niet. Maar weet ge, zoo iets vergeeft men niet."
"Ja, ja!" zeide Anna, wendde zich af en zag door het open venster. "Maar ik heb geen schuld. Wie heeft trouwens schuld? Wat is schuld hebben? Kon het dan anders zijn? Wat dunkt u? Kon het dan, dat gij niet Stiwa's vrouw waart geworden?"
"Ik weet het waarlijk niet. Maar zeg mij...."
"Ja, ja! Maar wij zijn over Kitty nog niet uitgepraat. Is zij gelukkig? Men zegt, dat hij een uitstekend mensch is!"
"Dat zegt nog te weinig! Ik ken geen beteren man."
"O, wat doet mij dat veel genoegen. Het verheugt mij zeer!"
Dolly glimlachte. "Maar vertel nu van u zelf. Ik heb u nog veel te zeggen. Wij hebben ook met elkander gesproken, ik met...." Dolly wist niet, hoe zij hem zou noemen. "Graaf Alexei Kyrillowitsch" scheen haar te stijf.
"Met Alexei?" zei Anna. "Ik weet, dat gij met elkander gesproken hebt. Maar ik wilde u juist vragen: wat denkt gij van mij, van mijn leven?"
"Hoe kan men dat met een enkel woord zeggen? Ik weet het waarlijk niet."
"Neen, zeg het mij toch. Gij ziet, hoe ik hier leef. Maar gij moet niet vergeten, dat gij in den zomer bij ons gekomen zijt, nu niet alleen zijn.... Toen wij in het begin van de lente hier kwamen, leefden wij geheel alleen en wij zullen weder alleen leven; ik verlang niets liever dan dat. Maar stel u eens voor, dat ik alleen, ook zonder hem leef, ik geheel alleen.--En dat zal komen ... ik bespeur aan alles, hoe hij zeer dikwijls den halven tijd weg zal zijn!" zeide zij en ging dichter bij Dolly zitten.
"Trouwens," voorkwam zij deze, die iets antwoorden wilde, "ik zal hem niet met geweld terughouden en dat doe ik ook niet. Van daag zijn er wedrennen, zijn paarden rennen mee, hij rijdt er heen. Ik verheug mij er zeer over. Maar denk ook aan mij; stel u mijn toestand voor.... Maar wat helpt het er over te spreken?" Zij glimlachte. "Waarover heeft hij met u gesproken?"
"Hij heeft met mij over datgene gesproken, wat ik u reeds zelf wilde zeggen. Het valt mij daarom licht voor hem te pleiten. Of men misschien niet ... of er geen mogelijkheid zou zijn ..."--Dolly bleef steken, verbeterde haar woorden--"om uw toestand te veranderen, te verbeteren.... Gij kent immers mijn meening.... Alleen, als het mogelijk was, dat gij trouwdet...."
"Dat wil zeggen, gij bedoelt, de scheiding," zeide Anna meteen plotseling betrokken gelaat. "Gij weet, de eenige vrouw, die ik in Petersburg bezocht heb, was Betsy Twerskoja. Gij kent haar. Au fond c'est la femme la plus dépravée qui existe. Zij had een liaison met Tuschkewitsch en bedroog haar man op de afschuwelijkste wijze. Ook die heeft mij gezegd, dat zij niets van mij weten wilde, zoo lang mijn positie niet gerectificeerd was.... Meen niet, dat ik u met haar gelijk wil stellen.... U ken ik, mijn lieve ziel.... Maar het viel mij daar juist zoo in.... Nu, wat heeft hij u dan gezegd?" herhaalde zij haar vraag: "Wat begrijpt hij er van? Wat kan hij er van begrijpen?"
"Hij heeft gezegd, dat hij om uwentwil en om zijnentwil lijdt. Misschien zult ge dat egoïstisch noemen, maar dat is een edel, een loyaal egoïsme. In de eerste plaats zou hij uw dochter wettig erkend willen zien en uw echtgenoot zijn; hij zou een recht op u willen bezitten."
"Welke vrouw, welke slavin kan tot zulk een graad slavin zijn als ik?" viel Anna haar somber in de rede.
"De hoofdzaak voor hem is, hij wil.... Hij wil, dat gij niet lijdt...."
"Dat is onmogelijk! Verder?"
"En dan de wettigheid. Hij wil, dat uw kinderen een naam hebben."
"Welke kinderen?" vroeg Anna zonder Dolly aan te zien en kneep de oogen toe.
"Nana en die er nog komen zullen...."
"Daaromtrent kan ik gerust zijn. Ik zal geen kinderen meer krijgen."
"Hoe kunt ge zeggen, dat ge er geene meer krijgen zult?"
"Omdat ik het niet wil!" En ondanks haar opgewondenheid glimlachte Anna, toen zij de naïve uitdrukking van nieuwsgierigheid, verwondering en ontzetting in Dolly's gezicht bemerkte. "De dokter heeft mij eens na een ziekte gezegd...."
Dolly was nu door de nu volgende openbaringen, waarvan de gevolgtrekkingen haar zoo juist schenen, in het eerste oogenblik dermate in de war geraakt, dat zij meende er niets van te kunnen begrijpen, en dat men daarover eerst nog veel, veel nadenken moest.
Deze openbaringen, die haar plotseling de haar zoo lang raadselachtig geschenen opmerking verklaarde, dat eenige familiën niet meer dan een of twee kinderen kregen, riepen in haar zooveel gedachten en tegenstrijdige gevoelens te voorschijn, dat zij niets wist te zeggen en met wijd geopende oogen Anna verwonderd aanstaarde. Had zij onderweg niet iets dergelijks gedacht? Maar zulk een oplossing dezer gecompliceerde vraag scheen haar al zeer eenvoudig en het oproer harer gevoelens, dat zich in haar hart verhief in tegenstelling met den opzettelijk frivolen en lichtzinnigen toon, dien Anna had aangeslagen, maakte op haar een diepen indruk.
"N'est-ce pas immoral?!" Dat was alles, wat zij vermocht te antwoorden.
"Waarom?" antwoordde Anna: "Bedenk toch, ik heb slechts de keuze in andere omstandigheden, dat wil zeggen ziek, of de gezellin, de kameraad van mijn man, dus zooals deze zelf te zijn."
"Nu ja, nu ja!" zei Dolly bij het hooren van deze argumenten, die zij voor zich zelf had aangevoerd, maar die nu voor haar hun vroegere overtuigingskracht verloren hadden.
"Voor u en voor anderen," hernam Anna, als het ware haar gedachten radend, "kan misschien nog twijfel bestaan, voor mij echter niet. Ik ben zijn vrouw niet, hij bemint mij slechts totdat het hem verveelt? En dan? Waarmee zal ik zijn liefde vasthouden? Daarmede!"
In Dolly's hoofd verdrongen zich de gedachten en herinneringen met ongewone snelheid, zooals altijd in oogenblikken van opwinding.
"Ik," dacht zij, "heb Stiwa ook niet kunnen vasthouden; hij is van mij naar anderen gegaan, en de eerste, om wie hij mij ontrouw is geworden, heeft hem met haar schoonheid en vroolijkheid ook niet vastgehouden. Hij verliet haar om een andere. Meent Anna werkelijk zoo aantrekkelijk te blijven en Wronsky te kunnen vasthouden? Als hij slechts dat zoekt, dan kan hij ook toiletten en manieren vinden, die nog schooner en betooverender zijn dan de hare."
Dolly zuchtte nu diep. Anna hoorde dezen zucht, die haar verried, dat Dolly het niet met haar eens was, en ging verder. Zij had een voorraad van nog andere, sterkere argumenten, waartegen men niets kon inbrengen.
"Bedenk eens, wat moet er van mijn kinderen worden? Zij zullen ongelukkig zijn, een vreemden naam dragen en zich van hun geboorte af aan over hun moeder, over hun vader schamen."
"Ja, daarom is immers juist een scheiding noodig!"
Maar Anna hoorde niet. Zij wilde slechts dezelfde bewijsgronden waardoor zij zich zelf zoo dikwijls overtuigd had, luide uitspreken.
"Waartoe is mij dan mijn verstand gegeven, dat mij toch zegt, dat het een dwaasheid is ongelukkigen in de wereld te brengen?" Zij zag Dolly aan, wachtte echter geen antwoord af, maar ging voort:
"Ik zou mij altijd tegenover deze ongelukkige kinderen schuldig gevoelen. Bestaan zij niet, dan zijn zij ook niet ongelukkig, en als zij ongelukkig waren, dan droeg ik er alleen de schuld van."
"Hoe kan men zich tegenover wezens, die in 't geheel niet bestaan, schuldig gevoelen?" dacht Dolly en plotseling viel haar de gedachte in, of het ook soms in het een of andere geval beter kon zijn, als haar lieveling Grisch niet had bestaan? Dat scheen haar zoo dol, zoo ongehoord toe, dat zij het hoofd schudde om deze waanzinnige gedachten te verdrijven.
"Neen, ik weet het niet! Dat is niet goed!" zeide zij slechts met een uitdrukking van afschuw op het gelaat.
"Neen, maar gij moogt niet vergeten, wat gij zijt en wat ik ben.... En bovendien," ging Anna voort, die ondanks den overvloed harer bewijzen en de armoede van Dolly's tegenbewijzen toch in zekere mate toestemde, dat het niet goed was: "In mijn toestand kan ik mij geen kinderen wenschen."
Dolly sprak dit niet tegen. Zij gevoelde zich plotseling zoo ver van Anna verwijderd en erkende, dat tusschen hen vragen bestonden, waarover zij het nooit met elkander eens zouden worden, zoodat het beter was er in 't geheel niet over te spreken.
XXV.
"Des te meer moet gij er naar streven uw toestand te verbeteren, voor zoo ver het mogelijk is," zei Dolly.
"Ja, voor zoo ver het mogelijk is," antwoordde Anna op een plotseling geheel veranderden, zachten en treurigen toon.
"Is de scheiding dan niet mogelijk. Men heeft mij gezegd, dat uw man er in toegestemd had."
"Dolly! Ik zou daar liefst niet over spreken."
"Goed, dan spreken wij er niet van," haastte zich Dolly te antwoorden, toen zij de lijdende uitdrukking in Anna's gezicht bemerkte. "Ik zie slechts, dat gij alles te donker inziet."
"Ik? Volstrekt niet. Ik ben zeer vroolijk en tevreden. Gij hebt gezien, je fais des passions. Wesslowsky...."
"Om de waarheid te zeggen, beviel mij Wesslowsky's toon volstrekt niet," zei Dolly met den wensch een andere wending aan het gesprek te geven.
"Ach, dat prikkelt Alexei--verder niets. Hij is een knaap, geheel in mijn handen, weet ge; ik kan hem leiden, zooals ik wil. Hij is geheel als uw Grischa.... Dolly!" zeide zij, plotseling een andere wending aan het gesprek gevende, "gij zegt, dat ik alles te donker inzie. Gij kunt het niet begrijpen. Het is verschrikkelijk! Ik beijver mij om in 't geheel niets te zien."
"Maar ik meen, dat men toch alles moet doen, wat maar eenigszins mogelijk is."
"Ja, maar wat kan men hier doen? In 't geheel niets. Gij zegt: 'Alexei huwen.' Alsof ik daaraan niet denk. Ik daaraan niet denken!" herhaalde zij en bloosde. Zij stond op, richtte zich hoog op zuchtte diep en begon met haar lichte schreden de kamer op en neer te gaan. "Ik daaraan niet denken! Er is geen dag, geen uur, dat ik er niet aan denk en mij niet verwijt, dat ik er aan denk ... want de gedachten daaraan kunnen iemand waanzinnig maken, ja waanzinnig maken! Wanneer ik daaraan denk, kan ik zonder morphium niet inslapen. Nu goed. Wij willen er bedaard over spreken. Men zegt mij: scheiding! Maar ten eerste wil hij die niet meer--hij staat geheel onder den invloed van gravin Lydia."
Dolly zat in rechte houding op haar stoel en volgde met haar medelijdend, deelnemend gezicht Anna's bewegingen.
"Men moet evenwel een poging doen," zeide zij zacht.
"Goed, men moet een poging doen. Wat zal dat beteekenen?" Hiermee sprak Anna klaarblijkelijk een gedachte uit, die zij wel honderdmaal overlegd had en reeds van buiten kende. "Dat beteekent, dat ik hem haat en dat ik, die mij toch schuldig tegenover hem beken en hem voor grootmoedig houd, mij voor hem vernederen, aan hem schrijven moet.... Goed! Ik overwin mij ook zoo ver en doe het. Ik ontvang of een beleedigend antwoord of zijn toestemming. Goed! Ik krijg ook zijn toestemming...." Anna bevond zich op dit oogenblik aan het verst verwijderde eind van de kamer en verschikte daar iets aan de venstergordijnen. "Ik krijg dus zijn toestemming, maar ... de zoon? Dien zullen zij mij niet geven. Die zal bij den vader, dien ik verlaten heb, in verachting tegen mij opgroeien. Versta mij wel: twee wezens heb ik lief, beiden evenzeer: Serëscha en Alexei...."
Zij was in het midden van de kamer dicht voor Dolly getreden en drukte de handen tegen de borst. In het witte nachtgewaad scheen haar gestalte buitengewoon hoog en gezet. Zij liet het hoofd zinken en blikte met haar vochtige oogen neer op de kleine, magere en van aandoening bevende Dolly in haar uitgestukte nachtjapon en muts.
"Slechts deze beide wezens heb ik lief, maar het eene sluit het andere uit. Ik kan ze niet met elkander vereenigen en dat toch is voor mij noodig. Kan dat niet zijn, dan is mij alles onverschillig, geheel, geheel onverschillig. Maar op de een of andere wijze moet het een eind nemen en daarom kan en wil ik er niet gaarne over spreken. Klaag mij dus niet aan, veroordeel mij niet. Gij in uw onschuld en reinheid kunt niet begrijpen, wat ik lijd."
Zij ging naast Dolly zitten, zag haar met een schuldig gelaat in het gezicht en greep haar hand.
"Wat denkt gij? Wat denkt gij van mij? Veracht mij niet. Verachting verdien ik niet. Ik ben eenvoudig ongelukkig. Is iemand ongelukkig, dan ben ik het," zeide zij, wendde zich af en begon te weenen.
XXVI.
Toen Dolly alleen was, bad zij tot God en legde zich toen te bed. Zij had van harte medelijden met Anna, zoo lang zij sprak. Maar nu kon zij zich niet dwingen aan haar te denken. De herinnering aan haar eigen huis maakte zich in een nieuw licht en met een nieuwe bekoorlijkheid van haar verbeelding meester. Deze haar wereld scheen haar nu zoo lief en dierbaar, dat zij besloot in geen geval morgen nog hier te blijven, maar bepaald terug te rijden.
Intusschen nam Anna, in haar boudoir teruggekeerd, een wijnglas, druppelde er een artsenij in die grootendeels uit morphium bestond, en nadat zij gedronken en een tijdlang onbewegelijk gezeten had, ging zij met een kalm en opgeruimd gelaat naar het slaapvertrek.
Bij haar binnentreden zag Wronsky haar opmerkzaam aan. Hij zocht naar sporen van het gesprek, dat zij na haar lang oponthoud in Dolly's kamer met deze moest gehad hebben. Maar in de terughoudende trekken, die iets schenen te verbergen, vond hij niets dan de gewone, nog altijd betooverende schoonheid, haar bewustzijn daarvan en den wensch om op hem te werken. Hij wilde niet vragen, waarover zij gesproken had; hij hoopte, dat zij er zelf van zou beginnen. Maar zij zeide slechts:
"Ik verheug mij, dat Dolly u bevallen is. Niet waar?"
"Ja, het is mij, alsof ik haar reeds lang ken. Ik geloof, dat zij zeer goedhartig is, mais excessivement terre à terre. Niettegenstaande dat heb ik mij zeer verheugd, dat zij ons bezocht heeft."
Hij nam Anna's hand en zag haar vragend in de oogen.
Een andere uitlegging aan zijn blik gevende, lachte zij hem toe.
Ondanks de beden van gastheer en gastvrouw stond Dolly er den volgenden morgen op om af te reizen. Lewins koetsier in zijn reeds wat oud geworden mantel en hoed, met de tweesoortige paarden en de kales met de uitgestukte vleugels, kwam norsch en vastberaden in de overdekte en met kiezelzand bestrooide oprijpoort voor.