Part 42
Bij haar binnentreden zat het kind in het hemdje voor een kleine tafel in een kinderleunstoel bouillon te gebruiken, waarmee het zich de geheele borst begoten had. Een dienstmeisje, dat het opzicht in de kamer had, voerde het en het at heel aardig. Noch min, noch bonne waren aanwezig; zij bevonden zich in een kamer daarnaast en men hoorde van daar haar stemmen weerklinken in een zonderling koeterwaalsch, dat Fransch moest verbeelden, en waarin zij zich aan elkander verstaanbaar zochten te maken.
Op Anna's stem verscheen de Engelsche, die er elegant uitzag, maar een onaangenaam gelaat had en begon zich te verontschuldigen, hoewel Anna haar niets verweten had.
Het zwartharige en zwartoogige kleine meisje met het rooskleurige lichaampje beviel Dolly, ondanks de schuwe uitdrukking, waarmee zij het haar vreemde gelaat beschouwde; zij was zelfs door haar gezond uiterlijk verrast. Bovenal vond zij de wijze, waarop het kind kroop, verrukkelijk; men zette het op het tapijt, knoopte haar het kleedje van achteren los en het zag er alleraardigst uit.
Slechts de algemeene geest, die in deze kinderkamer heerschte, en vooral de Engelsche bonne bevielen Dolly niet. Ook begreep zij spoedig uit eenige opmerkingen, dat ook Anna en de Engelsche niet met elkander sympathiseerden en dat het bezoek der moeder hier niet tot de gewone dingen behoorde. Het zonderlingst echter scheen het haar, dat op haar vraag, hoeveel tanden het kind reeds had, Anna zich vergiste en van de beide laatste tanden nog niets wist.
"Mij valt het dikwijls onaangenaam op, dat ik hier als het ware te veel ben," zeide Anna, toen zij de kinderkamer weer verlieten, en nam haar sleep op; "met mijn eerste was het toch geheel anders."
"Ik dacht integendeel...." begon Dolly bedeesd.
"O neen! Weet ge, dat ik hem, Serëscha gezien heb?" hernam Anna en kneep de oogen toe, alsof zij iets, dat zich op een afstand bevond, trachtte te zien. "Overigens daarvan later, ik ben als een uitgehongerde, wie men een rijk middagmaal heeft voorgezet, en die niet weet, waar het eerst mede te beginnen. Dit rijke middagmaal zijt gij en zijn al de gesprekken, die ik slechts met u en met niemand anders kan voeren; maar ik weet niet, waarmede te beginnen. Mais je ne vous ferai grâce de rien. Ik moet mijn hart uitstorten. Ik wil u eerst een beschrijving geven van het gezelschap, waarin wij ons hier bevinden. Beginnen wij met de dames. Daar hebt ge vooreerst vorstin Warwara. Je kent haar, ik weet hoe uw en Stiwa's meening omtrent haar is; Stiwa zegt, dat zij altijd bij iemand moet zijn en zich voor iemand moet opofferen; dat is waar. Maar zij is zoo goed en ik heb haar veel te danken. In Petersburg was er een korte tijd, waarin ik volstrekt un chaperon moest hebben. En toen riep ik haar tot mij. Maar werkelijk, zij is zeer goedhartig. Zij heeft mij mijn toestand zeer verlicht. Gij ziet, ik heb van de bezwaren mijner positie daar ... in Petersburg geen verkeerd begrip," voegde zij er bij. "Hier ben ik kalm en gelukkig. Overigens daarvan later. Dan is daar Swijaschsky, de maarschalk van onzen adel, een zeer net mensch, maar hij heeft Alexei noodig; gij begrijpt, nu wij hier op het land zijn gaan wonen, kan Alexei met zijn vermogen een grooten invloed uitoefenen. Dan Tuschkewitsch, ge hebt hem reeds bij Betsy leeren kennen. Nu is hij gepensionneerd en naar ons toegekomen. Alexei zegt, dat hij een van degenen is, die zeer aangenaam zijn, wanneer men ze neemt zooals zij zijn, et puis il est comme il faut, zegt vorstin Warwara.... Dan Wesslowsky.... Dezen kent ge. Een zeer net jongmensch," zeide zij, terwijl een lachje om haar lippen speelde. "Wat is dat voor een vreeselijke geschiedenis met Lewin? Wesslowsky heeft Alexei er van verteld, en we hebben ontzettend gelachen. Il est très gentil et très naïf," zeide zij weer met hetzelfde lachje. "De mannen zoeken naar verstrooiing en Alexei heeft behoefte aan gezelschap, daarom zijn mij al deze gasten zeer welkom. Wij hebben leven en vroolijkheid noodig, opdat Alexei niet naar wat nieuws verlangt. Gij zult ook den rentmeester nog leeren kennen; hij is een Duitscher, een zeer verstandig en ontwikkeld man. Alexei heeft veel met hem op. Dan nog de dokter, een jonge man, nog geen volkomen nihilist, maar, weet ge, hij eet met zijn mes ... voor 't overige een zeer goed dokter. Dan nog de architect.... Une petite cour."
XXI.
"Daar ben ik met Dolly, ma tante," zeide Anna terwijl zij met Darja Alexandrowna naar buiten ging op het groote steenen terras, waar vorstin Warwara in de schaduw aan een borduurraam zat en aan het overtrek voor een stoel voor graaf Alexei Kyrillowitsch werkte. "Zij zegt, dat zij voor den middag niets wenscht te gebruiken, maar laat toch het ontbijt maar hier brengen, ik wil Alexei opzoeken en medebrengen."
Vorstin Warwara was zich ongetwijfeld van de ongepastheid van haar verblijf bij Wronsky even pijnlijk bewust als Dolly, want reeds met het eerste woord begon zij een verklaring te geven, waarom zij Anna hierheen begeleid had; niet omdat zij er behagen in schepte, met haar in weelde te leven, maar omdat zij altijd veel van Anna gehouden en zich altijd gaarne voor haar opgeofferd had, en dat deed zij ook nu om haar toestand te verlichten en haar in dezen moeielijken tijd van overgang behulpzaam te zijn.
"Haar man zal in de scheiding bewilligen en dan zal ik mij weer in mijn eenzaamheid terugtrekken. Maar nu kan ik haar van dienst zijn en zal, hoe zwaar het mij ook vallen moge, mijn plicht vervullen. En gij, hoe bekoorlijk zijt ge geworden. Je hebt den hemel verdiend, dat je hier gekomen zijt. Zij leven als de beste echtgenooten met elkaar. God zal hen richten, niet wij. Buitendien, c'est un intérieur si joli, si comme il faut. Tout a fait à l'anglaise. On se réunit le matin au breakfast et puis on se sépare. Tot het diner doet ieder, wat hij wil. Om zeven uur wordt opgedragen. Maar zij doen ook veel goeds. Heeft hij u nog niet van zijn ziekenhuis verteld? Ce sera admirable. Alles is uit Parijs...."
Dit gesprek werd afgebroken door Anna, die de heeren in de biljartkamer had aangetroffen en nu met hen op het terras terugkeerde. Vóór den middag was er nog veel tijd en het weer was schoon. Daarom werden allerlei voorslagen gedaan, hoe men de nog overblijvende twee uren het best zou kunnen doorbrengen. Men had ook in Wosdwijenskoje allerhande tijdverdrijf, maar van geheel anderen aard als in Lewins Pokrowskoje.
"Une partie de lawntennis," sloeg Wesslowsky met zijn innemend lachje voor, "en wij spelen weer samen, Anna Arkadiewna."
"Neen, daartoe is het te warm. Zou het niet beter zijn een wandeling in den tuin of een tochtje met het bootje te doen om Darja Alexandrowna de oevers te toonen," sloeg Wronsky voor.
"Mijn is alles goed," zeide Swijaschsky.
"Ik geloof, dat Dolly het liefst een kleine wandeling zou doen en dan misschien nog in de boot?" zeide Anna.
Hiertoe werd dan ook besloten. Wesslowsky en Tuschkewitsch gingen naar het badhuis om de boot gereed te maken en de overigen op te wachten, terwijl Anna met Swijaschsky en Dolly met Wronsky paarsgewijs in het park gingen wandelen. Dolly gevoelde zich in haar nieuwe omgeving eenigszins bedeesd en angstig. Niet alleen, dat zij Anna's gedrag op abstracte wijze en in theorie verontschuldigde, maar zij billijkte en prees het zelfs.
Zoo gaat het trouwens vlekkeloos reine en deugdzame vrouwen dikwijls. Door de eentoonigheid van haar eigen zedelijken levenswandel vermoeid, verontschuldigen zij niet alleen van verre de misdadige liefde van anderen, maar benijden er hen zelfs om. Daarbij kwam, dat zij Anna hartelijk liefhad. Alleen hier, waar zij zich in de werkelijkheid te midden van deze haar vreemde menschen met hun voor haar nieuwen, zoogenaamd goeden toon bevond, gevoelde zij zich beklemd.
Overigens, al veroordeelde zij ook Anna's handelwijze niet, toch was haar de aanblik van den man, die er de aanleiding toe geweest was, onaangenaam. Ook was Wronsky haar nooit zeer bevallen, zij hield hem voor zeer trotsch en kon aan hem volstrekt niets vinden, waarop hij trotsch kon zijn, tenzij op zijn rijkdom.
Toch imponeerde hij haar hier in zijn huis meer dan anders en van dit gevoel kon zij zich niet losmaken. Zij had tegenover hem hetzelfde gevoel als tegenover het kamermeisje om haar uitgestukte nachtjapon. Het was geen schaamte, maar een gevoel van onbehagelijkheid, van gegeneerdheid.
Dolly gevoelde zich dus beklemd en zocht naar een onderwerp van gesprek. Hoewel zij meende, dat bij zijn trots de lof van zijn huis en tuin hem onaangenaam zou kunnen zijn, zeide zij hem hierover toch iets vleiends, daar zij niets anders wist te zeggen.
"Ja, het is een heel net gebouw van ouden, goeden smaak," antwoordde hij.
"Bizonder is mij het terrein vóór de inrijpoort bevallen. Is dat vroeger ook zoo geweest?"
"O neen," zeide hij, terwijl zijn gelaat van genoegen verhelderde: "Dit terrein hadt gij in het voorjaar eens moeten zien."
En nu begon hij, eerst terughoudend, maar spoedig meer ongedwongen, haar op verscheiden bizonderheden van huis en tuin opmerkzaam te maken. Men zag, dat het hem, nadat hij zooveel zorg aan de verfraaiing van zijn landgoed besteed had, nu eenigszins een behoefte was bij zijn nieuwe bekenden daarmede te pronken, en Dolly's lof deed zijn hart goed.
"Als ge het ziekenhuis wenscht te zien en niet reeds te vermoeid zijt, dan is het niet ver van hier. Kom," zeide hij en zag haar in 't gelaat om zich te overtuigen, dat het haar niet verveelde. "Gaat ge ook mee, Anna," wendde hij zich tot deze.
"Wij gaan ook mee, niet waar?" antwoordde zij met een blik op Swijaschsky. "Mais il ne faut pas laisser le pauvre Wesslowsky et Tuschkewitsch se morfondre la dans le bateau. Wij moeten het hen laten weten. Ja, dat is een gedenkteeken, dat hij zich hier opricht," wendde zij zich tot Dolly.
"Ja, een kostbaar werkje," bevestigde Swijaschsky, maar om niet den schijn van vleierij tegenover Wronsky op zich te laden, voegde hij er dadelijk een afkeurend gezegde bij: "Het verwondert mij slechts, graaf, dat gij, die zooveel voor de gezondheid van het volk doet, zoo onverschillig ten opzichte van de scholen zijt."
"C'est devenu tellement commun, les écoles," antwoordde Wronsky. "Versta mij wel, dit is bij mij niet de leidende gedachte geweest, maar ik heb mij laten meevoeren."
De dames staken haar parasols op en sloegen een zijlaan in, die hen na eenige kronkelingen uit den tuin bracht. Daar zag Dolly op een hoogte een schoon, groot, bijna reeds voltooid gebouw, dat in de helle zon schitterend uitkwam. Daarnaast werd een ander nog door den steiger omgeven huis gebouwd, waaraan verscheiden arbeiders bezig waren.
"Het werk gaat goed vooruit," zeide Swijaschsky. "Toen ik den laatsten keer hier was, was er nog niets van het dak te zien."
"Tegen den herfst moet alles gereed zijn. Van binnen is reeds alles voltooid," zeide Anna.
"Wat wordt dit hier voor een gebouw?"
"De woning voor den dokter en de apotheek," antwoordde Wronsky en voerde de dames naar het binnenste gedeelte van het ziekenhuis.
Terwijl buiten nog aan de kroonlijsten gewerkt en de benedenste verdieping geverfd werd, was boven reeds alles ingericht. Nadat zij de breede trap van gegoten ijzer waren opgeklommen, betraden zij een groote, geheel voltooide kamer. De muren waren zoo fraai gestukadoord, alsof ze met marmer belegd waren, de reusachtige glasruiten had men reeds in de vensters gezet, slechts aan de ruiten van den ingelegden vloer waren de meubelmakers nog bezig met polijsten.
"Dit is de ontvangkamer," zeide Wronsky. "Hier komt nog een staande lessenaar, een tafel en een kast, verder niets."
Zij begaven zich op den corridor. Hier toonde hun Wronsky een ventilatie van de nieuwste vinding, marmeren badkuipen en bedden met eigenaardige springveeren matrassen; daarna bezichtigden zij de waschkamer, kachels van nieuwe constructie, schuifstoelen, die zonder geraas werden gereden en waarop zaken en personen getransporteerd zouden worden. Swijaschsky waardeerde dit een en ander als een man, die van alles het noodige begrip heeft; Dolly verwonderde zich eenvoudig over hetgeen zij tot nu toe nog niet gezien had en, daar zij wenschte het goed te begrijpen, vroeg zij naar alles, wat Wronsky groot genoegen deed.
"Ik geloof, dat dit tot nu toe in Rusland het eenige, volkomen goed ingerichte ziekenhuis zijn zal," merkte Swijaschsky aan.
"Maar gij zult geen afdeeling voor verlossingen hebben," wierp Dolly in het midden. "En dat is toch op het land zoo noodzakelijk. Ik heb reeds dikwijls ..."
Maar Wronsky viel haar ondanks zijn beleefdheid in de rede:
"Daarvoor moet het ook geen inrichting worden, maar uitsluitend een ziekenhuis; het is voor alle ziekten, behalve voor besmettelijke bestemd. Zie eens hier, als ik u verzoeken mag ..." en hij schoof een ziekenstoel voor Dolly, ging er in zitten en toonde er haar de constructie van. "Ziet ge, men kan nog niet loopen, men is nog te zwak of er hapert iets aan de voeten, maar men heeft lucht noodig en dan gaat men zoo uitrijden."
Darja Alexandrowna stelde in alles belang, alles beviel haar, het meest echter Wronsky met zijn eenvoudige, natuurlijke geestdrift.
"Ja, hij is toch een net, goed mensch!" dacht zij soms en begreep, hoe Anna verliefd op hem had kunnen worden.
XXII.
"Neen, ik geloof, dat Darja Alexandrowna vermoeid is en wel geen belang zal stellen in de paarden," zei Wronsky, toen Anna voorsloeg de stoeterij te bezichtigen, waar Swijaschsky een hengst wenschte te zien.
"Gaat gijlieden er maar heen, ik begelijd Darja Alexandrowna naar huis en zal haar zoolang gezelschap houden, als het haar aangenaam is."
"Van paarden heb ik geen verstand en het zal mij zeer aangenaam zijn," zeide Dolly een weinig verwonderd. Zij zag aan zijn gezicht, dat hij daarmee iets bizonders voorhad. En zij had zich niet vergist.
Toen zij weer door de poort den tuin in waren gegaan, zag Wronsky naar Anna om en toen hij zich overtuigd had, dat zij hem niet meer zien en hooren kon, begon hij met een goedhartig lachje:
"Ik verheug mij zeer over de gelegenheid om met u te kunnen spreken. Ik vergis mij niet, als ik u voor Anna's vriendin houd." Hij nam den hoed af en streek zich over zijn reeds kaal wordend hoofd.
Dolly antwoordde niets, maar zag hem slechts verrast aan. Zij vreesde plotseling voor hetgeen hij zeggen zou. Allerlei vermoedens vlogen haar door het hoofd: "hij zal mij willen vragen hen met al mijn kinderen te bezoeken, en ik zal hem dit verzoek moeten afslaan; of om mij moeite te geven Anna in Moskou conversatie te verschaffen ... of misschien iets over Wassenka Wesslowsky en zijn verhouding tot Anna, of van Kitty, tegenover wie hij zich schuldig gevoelt?" Zij vermoedde alleen onaangename dingen, maar het ware raadde zij niet.
"Gij hebt een grooten invloed op Anna en zij houdt veel van u; gij moet mij helpen."
Zij zag hem schuchter vragend in het energiek gelaat, dat nu eens door de zon helder verlicht, dan weer door het lommer der linden ten volle beschaduwd werd, en wachtte, wat hij verder zeggen zou; maar hij ging met den stok op het kiezelzand slaande zwijgend naast haar voort, alsof hij zijn gedachten eerst wilde verzamelen.
"Nu gij, de eenige vrouw van alle vroegere bekenden van Anna, ons hier bezocht hebt, zie ik wel in, dat ge het niet gedaan hebt, omdat ge onzen toestand voor een normalen houdt, maar omdat ge, terwijl ge al het moeielijke er van begrijpt, haar nog even lief hebt als vroeger en haar gaarne zoudt willen helpen. Heb ik geen gelijk?" vroeg hij en zag haar aan.
"Nu ja," antwoordde Dolly, "maar...." "Neen," viel hij haar in de rede en, terwijl hij staan bleef, dwong hij ook haar stil te staan. "Niemand kan beter en nauwkeuriger dan ik het moeielijke in Anna's positie begrijpen. Dat moet gij gelooven, als ge mij de eer bewezen wilt mij voor een mensch met een hart te houden. Ik ben de oorzaak van dezen haar toestand en dat gevoel ik."
"Ik begrijp u," zeide Dolly, die onwillekeurig de oprechte en besliste wijze bewonderde, waarop hij dit uitgesproken had. "Maar juist omdat gij u voor de oorzaak houdt, vrees ik ook, dat gij overdrijft. Ik begrijp wel, dat uw positie tegenover de wereld een zeer moeielijke is...."
"Een ware hel, een pijniging!" zeide hij snel; "men kan zich geen ergere zedelijke kwellingen voorstellen, dan ik die twee weken in Petersburg heb doorgestaan.... Dit kunt ge gelooven."
"Ja, maar hier, zoolang Anna.... en ook gij geen behoefte aan de wereld gevoelt...."
"Och, de wereld!" zeide hij verachtelijk. "Welk verlangen naar de wereld kan men hebben!"
"Nu, tot zoo lang zult gij gelukkig en kalm zijn. Ik zie het Anna aan, dat zij nu gelukkig, volkomen gelukkig is, zij heeft het mij zelf ook reeds bekend," sprak Dolly glimlachend, maar toch twijfelde zij onwillekeurig, of Anna ook werkelijk gelukkig was.
Maar Wronsky scheen daaraan niet te twijfelen.
"Ja, ja, ik weet het, zij leeft geheel op. Na al haar lijden gevoelt zij zich nu gelukkig. Zij is met dezen tegenwoordigen toestand tevreden--maar ik...? Ik vrees hetgeen ons nog wacht.... Excuseer, ge wilt verder gaan."
"Neen, het is mij hetzelfde."
"Nu, laat ons dan gaan zitten."
Darja Alexandrowna ging op een bank in de allee zitten. Hij bleef voor haar staan.
"Ik zie, dat zij gelukkig is," herhaalde hij, maar de twijfel aan dit geluk overviel Dolly nu nog sterker.
"Maar zal het zoo voortgaan? Of wij goed of slecht gehandeld hebben, dat is een zaak op zich zelf--de zaak is nu eenmaal geschied," zeide hij en vervolgde in het Fransch: "Wij zijn nu voor het leven gebonden. Ons verbindt de voor ons heiligste band der liefde. Wij hebben een kind en wij kunnen nog meer kinderen krijgen. Maar de wet en onze overige voorwaarden van bestaan zijn zoo, dat nog duizend verwikkelingen ontstaan kunnen, die zij nu, nu zich juist haar ziel van al het lijden, al de beproevingen hersteld heeft, niet ziet of niet zien wil. En dat is ook begrijpelijk. Maar ik--ik moet het wel zien. Mijn dochter ... volgens de wet is zij mijn dochter niet, maar die van Karenin.... Dit bedrog wil ik niet!" zeide hij met een wrevelige beweging en zag Dolly norsch aan.
Zij antwoordde niet, maar zag hem slechts medelijdend in het gezicht. Hij ging voort:
"En wordt morgen een zoon geboren, mijn zoon, dan is hij volgens de wet ook een Karenin, hij is geen erfgenaam van mijn naam en van mijn vermogen; hoe gelukkig wij ook in den familiekring zijn, hoeveel kinderen wij ook krijgen mogen, tusschen hen en mij bestaat geen wettige band. Zij zijn allen Karenins. Begrijpt gij het ondragelijke van zulk een toestand? Ik heb getracht ook daarover met Anna te spreken. Maar het wond haar te zeer op. Zij begrijpt het niet en haar kan ik niet alles verklaren. Nu zult ge ons leven van een andere zijde beschouwen. Haar liefde maakt mij gelukkig, maar ik heb behoefte aan bezigheid. Die heb ik hier gevonden en ben er trotsch op, want ik houd ze voor meer adellijk dan die mijner kameraden aan het hof en in het regiment. Nooit zou ik nu meer met hen willen ruilen. Hier, op deze plaats, werk ik, ben ik gelukkig en tevreden en er ontbreekt anders niets aan ons geluk. Dit werkzame leven bevalt mij; cela n'est pas un pis-aller, integendeel...."
Het viel Dolly op, dat hij hier in zijn verklaringen verward geraakte, en zij begreep trouwens deze geheele afwijking niet goed; maar zij gevoelde, dat hij nu, nu hij van zijn intiemste verhouding tot Anna sprak, ook omtrent het overige zijn hart wenschte uit te storten en dat hiertoe in de eerste plaats ook zijn werkzaamheid als landheer behoorde.
"Ik ga dus voort," zei hij na een oogenblik nadenkens; "de hoofdzaak bij iederen arbeid is, dat men de overtuiging heeft, dat, wat men gedaan heeft, niet met ons sterven zal, dat men erfgenamen zal hebben--en die heb ik niet. Stel u den toestand van een man voor, die van te voren weet, dat zijn kinderen, die zijn door hem beminde vrouw hem geschonken heeft, de zijnen niet zijn, maar iemand anders toebehooren, die hen haat en niets van hen weten wil. Dat is ontzettend!"
Hij zweeg in zichtbaar groote opgewondenheid.
"Ja waarlijk, ik begrijp u! Maar wat kan Anna daaraan doen?" vroeg Dolly.
"Ja, dat is het doel van ons onderhoud," hernam hij zich slechts met moeite kalmeerend; "Anna kan er veel aan doen, slechts van haar hangt het af.... Zelfs als ik bij den keizer een verzoek wilde indienen om mijn eigen kind te mogen adopteeren, zou een scheiding noodzakelijk zijn. En deze hangt slechts van Anna af. Haar man had in de scheiding toegestemd; alles was door hem reeds voorbereid, en nu, daarvan ben ik overtuigd, zal hij niet terugtreden. Zij zal daarom slechts aan hem te schrijven hebben. Hij heeft toen uitdrukkelijk verklaard, dat, indien zij dezen wensch wilde uitspreken, hij hem niet zou afslaan." "Waarlijk," voegde hij er wrevelig bij, "dat is weer een van die pharizeeuwsche wreedheden, waartoe slechts zulke menschen zonder hart in staat zijn! Hij weet, hoeveel kwelling haar iedere herinnering aan hem bereidt, maar juist daarom eischt hij een brief van haar. Ik begrijp, hoe kwellend dat voor haar is. Maar ook mijn gronden zijn zoo gewichtig, dat men moet passer par-dessus toutes ces finesses de sentiment. Il y va du bonheur et de l'existence d'Anne et de ses enfants. Van mij wil ik niet eens spreken, hoewel ik lijd, zooals ik nog nooit geleden heb," voegde hij er bij met een dreigende uitdrukking tegen den een of ander, die hem met dit zware kruis belast had. "Dus, Darja Alexandrowna, grijp ik zonder bedenken naar u als naar een reddingsanker. Help gij mij Anna overreden om aan haar echtgenoot te schrijven en hem om de scheiding te verzoeken."
"Ja zeker," antwoordde Dolly weifelend, terwijl zij zich haar laatste gesprek met Alexei Alexandrowitsch voor den geest riep. "Ja zeker!" herhaalde zij beslist, toen zij aan Anna dacht.
"Doe uw invloed op haar gelden, bewerk, dat zij schrijft. Ik zelf zou niet gaarne en kan ook bijna niet met hem daarover spreken."
"Goed, ik zal er met haar over spreken. Maar hoe denkt zij er zelf over?" zeide Dolly, terwijl haar plotseling Anna's eigenaardig aanwendsel inviel om de oogen toe te knijpen, als het gesprek op onderwerpen van haar intiemste leven kwam. "Alsof zij haar oogen tegen haar leven wil sluiten om niet alles daarin te zien!" dacht Dolly.--"Zeer zeker! om harentwil en om mij zelf zal ik met haar daarover spreken," antwoordde zij op de uitingen van zijn dank, en zij stonden op en gingen op het huis toe.
XXIII.
Anna was reeds vóór Dolly daarheen teruggekeerd. Zij zag haar opmerkzaam in de oogen, alsof zij naar het gesprek met Wronsky wilde vragen. Maar zij vroeg toch niets.
"Nu is het al weer tijd voor het diner," zeide zij. "Wij komen er in 't geheel niet toe elkander te zien. Nu reken ik op den avond. Nu moet men toilet maken. Wij hebben ons in het nieuwe gebouw geheel vuil gemaakt."
Dolly ging in haar kamer, maar het was haar belachelijk te moede. Zij had niets om zich om te kleeden, want zij had haar beste kleed aangetrokken. Om zich nu toch ook voor den middag voor te bereiden, liet zij door haar kamermeisje haar kleed afslaan, stak zich een anderen strik voor en koos andere kanten voor haar hoofd.
"Dat is alles, wat ik doen kon," zeide zij glimlachend tot Anna, toen deze reeds in het derde, weer zeer eenvoudige kleed bij haar binnentrad.
"Ja, wij kleeden ons hier te veel! Alexei is met uw bezoek zoo gelukkig, als anders zelden met iets. Hij is bepaald op u verliefd," zeide Anna. "Maar zijt gij ook niet moede?"
Voor den middag vonden zij ook geen tijd meer om haar gedachten uit te spreken. In het salon vonden zij vorstin Warwara en de heeren in het zwart gekleed; slechts de architect droeg een frak. Wronsky stelde zijn gast den dokter en den Duitschen rentmeester voor. Den architect had zij reeds in het ziekenhuis leeren kennen.