Anna Karenina

Part 40

Chapter 40 3,763 words Public domain Markdown

Het was tegen tien uur 's morgens, toen Lewin moede, hongerig en zeer opgeruimd van een gelukkige jacht met dertien stuks watersnippen en een eend naar den molen terugkeerde. Zijn kameraden waren intusschen ook reeds ontwaakt en zaten aan het ontbijt.

"Wacht eens, wacht eens!" zeide Lewin. "Ik weet, er waren er negentien in 't geheel!" en voor de tweedemaal werden de bloedige op zijde gebogen koppen der watersnippen en groote snippen geteld, die er nu niet meer zoo trotsch uitzagen, als toen ze waren uitgevlogen. De rekening kwam uit, en Stipans ijverzucht deed Lewin goed. Nog een tweede genoegen wachtte hem. De door Kitty uitgezonden bode te paard bracht haar brief.

"Ik ben gezond en welgemoed," schreef zij. "Gij kunt omtrent mij gerust zijn. Mijn nieuwe lijfwacht, Marie Wlassnewja, (het was de vroedvrouw, voortaan een nieuw en gewichtig personage in Lewins familieleven) is gekomen om naar mij te zien. Zij heeft mij volkomen gezond bevonden, maar toch willen wij haar tot uw thuiskomst hier houden. Ook al de overigen zijn gezond en vroolijk, ik bid u, haast u om onzentwille niet en, gaat de jacht goed, blijf dan nog maar een dag."

Deze beide redenen tot vreugde, de gelukkige jacht en het briefje zijner vrouw, wogen volkomen op tegen twee kleine onaangenaamheden, die hem wachtten. De eene was, dat het handpaard zich gisteren overwerkt had en daarom vandaag niets eten wilde en moedeloos voor zich uit stond te kijken. De andere onaangenaamheid, die in het eerste oogenblik zijn goede luim geheel scheen te zullen bederven, was, dat van al den mondvoorraad, dien Kitty hun zoo overvloedig had meegegeven, dat men had kunnen gelooven, dat zij dien in een week niet hadden kunnen verteren, niets meer was overgebleven. Toen Lewin nu moede en hongerig terugkeerde, zweefden de pasteien en vooral het koude gebraad zoo levendig voor zijn verbeelding, dat hij ze reeds meende te ruiken en te proeven. Hij zond daarom den koetsier Philip terstond heen om hem er van te brengen. Doch ziedaar! er waren geen kuikens meer en ook geen vleesch.

"Ja, die daar heeft een fameusen eetlust!" zeide Stipan naar Wesslowsky wijzend. "Ik lijd nu juist ook niet aan gebrek aan eetlust, maar met dien.... Neen, dat is iets verwonderlijks!"

"Nu, dan is er niets aan te doen," antwoordde Lewin en zag Wesslowsky donker aan. "Breng mij dan wat van de pasteien, Philip."

"Er zijn ook geen pasteien meer," antwoordde Philip.

Dat speet Lewin zeer, zoodat hij op geraakten toon zeide, dat zij toch ook wel iets voor hem hadden kunnen overlaten.

"Nu, maak deze watersnippen dan schoon," wendde hij zich tot Philip; zijn stem beefde van toorn en hij vermeed het Wesslowsky aan te zien! "Doe er brandnetels in en breng mij eerst melk."

Later, toen hij zich met melk verzadigd had, schaamde hij zich, dat hij zijn verdrietige stemming aan zijn gasten had getoond en schertste hij over zijn hongerige boosheid.

Des avonds jaagden zij nog een veld af en keerden des nachts vroolijk naar huis terug. De terugrit deed aan vroolijkheid voor den heenrit niet onder. Wesslowsky zong voortdurend en herinnerde zich met verrukking zijn avontuur bij de boeren, die hem met brandewijn vrijgehouden en daarbij gedurig gezegd hadden: "Neem het niet kwalijk;" dan weer sprak hij van de noten en de dorpsmeisjes en van den boer, die hem gevraagd had, of hij al getrouwd was en die, toen hij vernam, dat dit nog niet het geval was, groot medelijden met Wesslowsky had gehad; bizonder koddig schenen hem echter de woorden van den boer: "je moet de vreemde vrouwen niet aankijken, maar zorgen, dat je er zelf een krijgt."

"Over 't geheel ben ik over dit uitstapje zeer voldaan. En gij, Lewin?"

"Ik ben ook zeer tevreden," antwoordde Lewin, voor wien het een groote voldoening was, dat hij geen vijandig gevoel meer tegen Wesslowsky koesterde, maar dat hij integendeel zeer vriendschappelijk jegens hem gezind was.

XV.

Den volgenden morgen, nadat Lewin zijn landgoed geïnspecteerd had, klopte hij aan Wesslowsky's deur.

"Entrez!" riep deze hem toe. "Ge moet mij excuseeren! Ik heb eerst zooeven mijn ablutions voleindigd," zeide hij toen met een fijn lachje en stond in zijn hemd voor hem.

"Ik bid u, geneer je niet," antwoordde Lewin en ging aan het venster zitten. "Heb je goed geslapen?"

"Als een os. Gaan we vandaag weer op de jacht?"

"Wil je thee of koffie drinken?"

"Noch het een, noch het ander. Ik zal slechts wat eten. Ik moet mij waarlijk schamen. De dames zullen al wel op zijn? Nu zou een kleine wandeling zeer aangenaam wezen. Laat mij toch uw paarden eens zien."

Na een kleine wandeling in den tuin gingen ze naar den stal, gymnastiseerden samen een tijdlang aan den rekstok, gingen daarop het huis weer binnen en Lewin trad met zijn gast in het salon.

"Wij hebben een heele mooie jacht gehad en aardige dingen beleefd," zeide Wesslowsky tot Kitty, die achter den samowar zat. "Hoe jammer, dat de dames van zulke genoegens beroofd zijn!"

"Hm! Wat schaadt het? Hij moet toch met de vrouw des huizes spreken!" dacht Lewin. Maar toch scheen hem weer in het lachje in de zegevierende wijze, waarop hij zich tot Kitty richtte, iets te zijn, dat....

De vorstin, die met Marie Wlassnewja en Stipan Arkadiewitsch aan de andere zijde zat, riep Lewin bij zich en begon met hem een gesprek over de opwindende vragen: wanneer er om Kitty's bevalling naar Moskou verhuisd zou worden en hoe men daar hun woning zou inrichten.

Voor Lewin waren al deze voorbereidselen onaangenaam, zij kwetsten de verhevenheid van de naderende gebeurtenis, waarvan men het tijdstip op den dag af op de vingers uitrekende op een wijze, die voor hem stuitend was. Hij gaf zich moeite al de gesprekken, hoe het pasgeboren kind ingewikkeld zou worden, niet te hooren en wendde zich af om die geheimzinnige, eindeloos lange, gehaakte strepen en zekere driehoekige doeken van linnen, waaraan Dolly een bizondere opmerkzaamheid en zorg wijdde, niet te zien. De geboorte van een zoon--Lewin was er vast van overtuigd, dat het een zoon zou zijn--waarvan men tot hem sprak en waaraan hij toch nog niet geloofde, scheen hem zulk een ongehoorde gebeurtenis, zulk een overgroot en daarom schier onmogelijk geluk, en van den anderen kant weer zulk een geheimzinnig iets, dat hem deze aanmatigende voorwetenschap en vooruitbepaling van de dingen, die nog komen moesten, en de voorbereidselen daartoe, als voor iets geheel gewoons, voor iets, dat door menschen tot stand gebracht kon worden, stuitend en vernederend toeschenen.

Maar de vorstin begreep zijn gevoel niet; zij hield dus zijn onwil om er over te spreken en te beraadslagen voor lichtzinnigheid en onverschilligheid en liet hem nu in 't geheel geen rust meer. Zij had Stipan Arkadiewitsch reeds opgedragen een woning te zoeken en riep Lewin nu bij zich.

"Ik weet er niets van, vorstin," zeide hij: "doe, zooals u wil."

"Wij moeten toch beslissen, wanneer gij zult verhuizen."

"Dat weet ik waarlijk niet. Ik weet slechts, dat milioenen kinderen zonder Moskou en zonder dokter geboren worden.... Waarom dan...."

"Goed, wanneer ge dat meent...."

"Neen, zooals Kitty wil."

"Met Kitty kan men daarover niet spreken. Wilt ge misschien, dat zij bang gaat worden? Nog in dit voorjaar is Natalie Golizin door de schuld van een slecht verloskundige gestorven."

"Wat gij zegt. Ik stem er immers volkomen in toe," zeide hij norsch.

De vorstin begon hem nu allerlei dingen uit te leggen, maar hij luisterde er niet naar. Doch niet alleen het gesprek met de vorstin ontstemde hem, maar veeleer datgene, wat hij bij den samowar waarnam.

"Neen, dat is niet mogelijk!" dacht hij van tijd tot tijd, toen hij naar den naar Kitty gebogen Wesslowsky keek, die met zijn innemend lachje iets tot haar zeide, waarover zij bloosde en zich scheen op te winden. Er lag iets onkiesch' in Wesslowsky, in zijn houding, in zijn blik, in zijn glimlach. Lewin bespeurde ook zelfs iets onkiesch in Kitty's houding en blik. Hij gevoelde zich weer even als gisteren plotseling van het toppunt van zijn geluk, van zijn vrede, van zijn waardigheid naar beneden gestort in een afgrond vol vertwijfeling, boosheid en schande. Weer stonden alle dingen en menschen hem tegen.

"Doe, wat u wil, vorstin," zeide hij, zich afwendend.

"Zwaar is de muts van den Monomach!" zeide Stipan Arkadiewitsch schertsend tot hem, minder doelende op het gesprek met de vorstin, dan wel op de reden van Lewins opgewondenheid. "Wat kom je van morgen laat, Dolly!" Allen stonden op om Dolly te begroeten. Alleen Wesslowsky verhief zich slechts even en met de aan onze tegenwoordige jonge mannen eigene onbeleefdheid tegenover dames, groette hij nauwelijks en zette zijn gesprek met Kitty voort.

"Mascha heeft mij zoo geplaagd. Zij heeft slecht geslapen en is nu heel stout," zeide Dolly.

Wesslowsky had weder hetzelfde onderwerp als gisteren gekozen, hij sprak namelijk over Anna en of men de liefde hooger moest stellen dan de bestaande maatschappelijke instellingen.

Voor Kitty was dit gesprek onaangenaam, het onderwerp wond haar op, ook de toon, waarop hij het behandelde, vooral, omdat zij wist, hoe het op haar echtgenoot werken zou. Maar zij was te eenvoudig en te onschuldig om te begrijpen, hoe zij aan dit gesprek een einde moest maken en om het oppervlakkige genoegen te verbergen, dat haar toch de klaarblijkelijke opmerkzaamheid van dezen jongen man veroorzaakte. En hoe en waarom zou ze het onderwerp van hun gesprek ook veranderen? Zij wist, dat, hoe zij zich ook mocht houden, haar man het bemerken en ten kwade duiden zou.

"Zullen wij vandaag niet eens uitrijden om paddestoelen te zoeken?" vroeg Dolly.

"O ja wel, dat moeten we doen! Ik rijd ook mee!" zeide Kitty blozend. Uit beleefdheid wilde zij Wesslowsky vragen, of hij mede wilde gaan, maar zij liet het na; daarentegen vroeg zij met een schuldige uitdrukking in 't gelaat aan haar man, die hen juist met vasten tred voorbij ging: "Waar gaat ge heen, Kostja?" Deze schuldige houding bevestigde al zijn twijfel.

"De machinist is aangekomen. Ik heb hem nog niet gesproken," antwoordde hij zonder haar aan te zien.

Hij ging naar beneden, maar hij had nog nauwelijks zijn kamer weer verlaten, toen hij de schreden zijner vrouw vernam, die onvoorzichtig snel achter hem aan kwam.

"Wat wil je?" vroeg hij droog; "wij hebben het druk."

"Excuseer," wendde hij zich tot den Duitschen machinist; "ik heb slechts eenige woorden met mijn man te spreken."

De Duitscher wilde zich verwijderen; maar Lewin wendde zich tot hem:

"Laat u niet storen."

"Gaat de trein om drie uur?" vroeg de Duitscher. "Ik zou mij niet gaarne verlaten!"

Lewin ging met zijn vrouw naar buiten.

"Wat hebt ge mij dan te zeggen?" vroeg hij in het Fransch. Hij vermeed haar blik; hij wilde niet zien, hoe zij in haar toestand over het geheele lichaam sidderde en er vernietigd en ongelukkig uitzag.

"Ik.... Ik wil zeggen, dat men zoo niet leven kan, dat het een kwelling is...." zeide zij.

"Er zijn menschen in de buffetkamer," antwoordde hij verdrietig: "maak geen scène."

"Dan willen wij hier binnengaan."

Zij bevonden zich in de voorkamer. Kitty wilde in de kamer daar naast gaan, maar daar gaf juist de Engelsche les aan Tanja.

"Laat ons in den tuin gaan!"

Maar in den tuin kwam hen een boer tegen, die de paden schoonmaakte. Maar zij dacht er niet meer aan, dat de boer haar beschreid en opgewonden gezicht zien kon, zij dacht er niet aan, dat zij er uitzagen als menschen, die een ongeluk getroffen heeft; haastig schreden zij voort, met het besef, dat zij zich moesten verklaren, dat zij met elkander alleen blijven en zich van de kwelling bevrijden moesten, die zij beiden ondervonden.

"Zoo kan men niet verder leven! Ik lijd. Gij lijdt. Waarom?" zeide zij, nadat zij eindelijk een eenzame bank gevonden had, in den laatsten hoek naast de lindenlaan.

"Zeg mij slechts één ding: lag er in zijn toon iets ongepasts, onbeleefds, vernederends?" vroeg hij en ging weer in dezelfde houding voor haar staan als in den bewusten nacht, namelijk met de vuisten voor de borst.

"Ja, er was zoo iets," antwoordde zij snikkend; "maar, Kostja, ziet gij dan niet in, dat ik geen schuld heb. Reeds terstond vanmorgen wilde ik een bepaalden toon aanslaan.... Maar deze soort van menschen.... Waarom is hij toch gekomen? Wij waren immers zoo gelukkig!"

Wat zou de vorstin gezegd hebben, als zij nu haar dochter bijna in haar tranen stikkend had gezien?

De tuinman, die hen eerst tot zijn verbazing had zien heen-snellen, alsof zij vervolgd werden, zag hen nu weer met kalme, van vreugde stralende gezichten naar huis terugkeeren, hoewel ze toch niets verblijdends op de bank konden hebben gevonden.

XVI.

De machinist moest toch den trein van drie uur verzuimen, want Lewin had hem geheel vergeten. Nadat hij zijn vrouw naar boven geleid had, was hij naar Dolly's kamer gegaan. Ook deze had heden veel reden tot smart. Zij ging in de kamer op en neer en sprak toornig tot het in den hoek staande en schreiende kleine meisje.

"En je zult den geheelen dag daar alleen in den hoek blijven staan en van middag alleen eten en je zult geen pop te zien krijgen en je nieuwe jurk wil ik ook niet meer voor je naaien!" zei ze en wist niet meer hoe ze haar nog meer bestraffen zou. "Foei, wat is dat een ondeugend kind!" wendde zij zich tot Lewin. "Hoe komt ze toch aan die afschuwelijke neigingen?"

"Wat heeft zij dan misdaan?" vroeg Lewin tamelijk onverschillig. Hij was gekomen om in zijn eigen aangelegenheid raad te vragen, en nu hinderde het hem, dat hij op zulk een ongelegen tijd kwam. Darja Alexandrowna vertelde nu Mascha's misdaad.

"Dat zijn volstrekt geen afschuwelijke neigingen, maar 't is eenvoudig stoutheid," stelde Lewin de opgewonden moeder gerust.

"Maar gij schijnt ook slecht geluimd. Om welke reden komt gij?" vroeg Dolly. "Is er iets gebeurd?"

Aan den toon dezer vraag voelde Lewin, dat het hem licht zou vallen datgene te zeggen, wat hij zich voorgenomen had.

"Ik was daar juist alleen met Kitty in den tuin. Wij hebben weer met elkaar getwist, reeds voor de tweede maal, sedert Stiwa hier is."

Dolly's schrandere oogen zeiden hem, dat zij hem begreep.

"Zeg jij me nu eens met de hand op het hart: lag er niet, ik meen niet in Kitty's gedrag, maar in het gedrag van dezen heer, iets onaangenaams, ik meen iets dat veel te vrij was, iets beleedigends voor een echtgenoot? Of hoe zal ik het u toch zeggen...?"

"Blijf daar! Jij moet daar in den hoek blijven staan!" wendde zich Dolly tot Mascha, die zich bij het eerste, nauwelijks merkbare glimlachje harer moeder had omgekeerd. "De meening der wereld zal deze zijn, dat hij zich juist gedraagt als alle andere jongelieden. Il fait la cour à une jeune et jolie femme, en een man, die zijn wereld kent, mag zich daardoor slechts gestreeld gevoelen."

"Ja, ja," zeide Lewin wrevelig. "Dus gij hebt het ook bemerkt?"

"Ik niet alleen, Stiwa ook. Hij zeide dadelijk na de thee tot mij: 'je crois, que Wesslowsky fait un petit brin de cour à Kitty.'"

"Nu, dat is goed. Nu ben ik gerust. Ik zal hem het huis uitjagen," verzekerde Lewin.

"Wat komt je in den zin! Ben je dol?" riep zij verschrikt uit. "Bezin je toch, Kostja," voegde zij er toen lachend bij. "Je kunt nu naar Fanny gaan," zeide zij tot Mascha. "Neen, hoor eens, als ge wilt, zeg ik het liever aan Stiwa. Hij zal hem wel met goed fatsoen weg zien te krijgen. Hij kan zeggen, dat gij andere gasten verwacht. Hij past trouwens ook niet in ons huis."

"Neen, neen! Ik wil er zelf voor zorgen."

"Maar gij zult met hem in twist geraken!"

"Volstrekt niet. Het zal heel amusant zijn," zeide Lewin en zijn oogen schitterden inderdaad vroolijk. "En nu, vergeef haar maar. Zij zal het niet weer doen," zeide hij met het oog op de kleine misdadige, die nog niet naar Fanny gegaan was, maar besluiteloos naast haar moeder stond en met gebogen hoofd een blik van deze zocht op te vangen.

De moeder zag haar aan, het kind begon te snikken en verborg haar gezichtje tusschen de knieën harer moeder, en deze legde haar tengere, magere hand op haar hoofdje.

"Wat heeft zich al niet in mijn huis genesteld!" dacht Lewin en ging heen om Wesslowsky te zoeken.

In de voorkamer gaf hij het bevel de kales aan te spannen, daar deze terstond naar het station moest rijden.

"Er is gisteren een veer van gebroken," zeide de bediende.

"Nu, dan de tarantas! Maar vlug! Waar is onze gast?"

"Die is juist in zijn kamer gegaan."

Lewin trof Wesslowsky juist op het oogenblik, dat hij zijn goed had uitgepakt en de beide romancen had gereed gelegd; nu paste hij zijn nieuwe rijslobkousen aan.

Had nu Lewin iets bizonders in zijn gezicht of had Wesslowsky zelf het gevoel, dat ce brin de cour, dat hij op touw had gezet, in deze familie niet op zijn plaats was? Genoeg, hij werd bij Lewins binnentreden een weinig verlegen, voor zoo ver een man van de wereld verlegen kan worden.

"Dus, gij rijdt met slobkousen weg?"

"Ja, dat is veel zuidelijker," antwoordde Wesslowsky, zette zijn welgedaan been op den stoel, liet de onderste veer inspringen en lachte goedig.

Hij was zonder twijfel een goede vent en Lewin had medelijden met hem; deze schaamde zich voor zich zelf als huisheer, toen hij de verlegenheid in Wesslowsky's blik bemerkte.

Op de tafel lag het einde van een stok, dien zij 's morgens bij het gymnastiseeren gebroken hadden. Lewin nam dit stuk in de handen, begon het gespleten einde te breken, daar hij niet wist, hoe hij beginnen zou.

"Ik wilde...." Hij zweeg een oogenblik, maar plotseling herinnerde hij zich Kitty en al het voorgevallene, en vastberaden blikte hij hem in de oogen en zeide: "Ik heb de paarden voor u laten aanspannen, gij komt nog bij tijds voor het vertrek van den trein."

"Hoe meent ge dat?" begon Wesslowsky: "Wie zou wegrijden?"

"Gij, naar het spoor!" zei Lewin norsch.

"Ik? Wat is er dan gebeurd?"

"Er is niets gebeurd, ik verwacht gasten!" zeide Lewin nu heftiger en brak met zijn sterke vingers de gespleten einden van den stok af. "Of ik verwacht ook geen gasten en er is niets gebeurd. Maar ik verzoek u te vertrekken. Vat mijn onbeleefdheid op, zooals ge wilt."

Wesslowsky richtte zich hoog op.

"Ik verzoek u mij te willen verklaren...." zei hij waardig en eindelijk begrijpend.

"Ik kan het u niet verklaren," zeide Lewin langzaam en zacht, terwijl hij moeite deed het beven van zijn kin te verbergen. "En het is beter, wanneer gij niet vraagt."

En daar de gespleten einden reeds alle afgebroken waren, brak Lewin den stok zelf door en ving voorzichtig met de hand een afgevallen splinter op.

Misschien overtuigden de aanblik van deze gespierde handen, die hij dien morgen bij het gymnastiseeren had leeren kennen en ook de schitterende oogen, de zachte stem en de bevende kin Wesslowsky meer dan Lewins woorden. Hij haalde de schouders op en boog met een verachtelijk lachje.

"Kan ik Oblonsky nog eens spreken?"

Het schouderophalen en het glimlachje maakten op Lewin geen indruk. "Wat blijft hem anders over?" dacht hij.

"Ik zal hem terstond bij u zenden."

"Maar wat is dat voor een onzin?" zeide Stipan Arkadiewitsch nadat hij van zijn vriend vernomen had, dat men hem uit het huis had weggezonden, tot Lewin, dien hij wandelende in den tuin vond, wachtende op het vertrek van zijn gast. "Mais c'est ridicule! Wat voor een vlieg heeft je gestoken? Mais c'est du dernier ridicule! Wat kun je daar nu achter zoeken, wanneer een jonge man...."

Maar de plaats, waar de vlieg Lewin gestoken had, scheen nog zeer te doen; hij verbleekte weer, toen hij Stipan Arkadiewitsch de reden wilde zeggen en brak daarom kort af. "Ik bid u, laten wij alle verklaringen achterwege. Ik kan niet anders. Ik schaam mij voor u en hem. Maar voor hem zal het wel geen groot verlies zijn van hier weg te moeten, mij en mijne vrouw daarentegen is zijn tegenwoordigheid lastig."

"Maar het is een beleediging voor hem. Et puis, c'est ridicule!"

"En hij is voor mij een beleediging en een plaag. En ik ben geheel onschuldig en behoef niet te lijden."

"Nu, dat had ik van u niet verwacht. On peut être jaloux, mais à ce point, c'est du dernier ridicule."

Lewin keerde zich snel om en verwijderde zich verder in de allee, waar hij weer op en neer begon te gaan. Weldra hoorde hij het rollen van de tarantas en zag door de boomen, hoe Wesslowsky op het hooi zat (ongelukkig bevond zich op de tarantas geen bank) met zijn schotsch mutsje, bij iederen stoot in de hoogte vloog, en zoo de allee inreed. "Nu? Wat is dat?" dacht Lewin, toen hij plotseling zag, dat hem uit het huis een bediende kwam naloopen en de tarantas stil liet houden.

Het was de Duitsche machinist. Deze boog zich, sprak iets met Wesslowsky, besteeg toen de tarantas en beiden reden heen.

Stipan Arkadiewitsch en de vorstin lieten nu Lewin geen rust om hem wegens zijn handelwijze beschaamd te maken. Hij gevoelde zich toen ook in den hoogsten graad ridicule en schaamde zich, maar in den grond van zijn hart bleef hij kalm, en terwijl hij zich afvroeg, hoe hij op een anderen keer onder gelijke omstandigheden zou handelen, zeide hij bij zich zelf: "volkomen zooals nu!"

Ondanks dit belachelijk voorval waren allen tegen het einde van dezen dag zeer vroolijk en opgewekt, evenals kinderen na een straf of als volwassenen na een lastige, officiëele receptie. Des avonds sprak men van Wassenska's verdrijving als van iets, dat lang geleden gebeurd was. En Dolly, die van haar vader de gave geërfd had hoogst komiek te vertellen, liet allen bijna van het lachen van hun stoel vallen, toen zij voor de derde of vierde maal, maar steeds in veranderden poëtisch humoristischen vorm, vertelde, hoe zij, toen zij juist begonnen was zich ter eere van den gast met nieuwe strikken te tooien, plotseling het ratelen van het oude voertuig gehoord had, en wie zat daarin? Hij zelf, Wesslowsky, met zijn Schotsch mutsje, met zijn romancen en slobkousen, midden in het hooi.

"En als gij nog de koets hadt laten aanspannen! Daar hoor ik plotseling: Halt, halt! Ach, denk ik nu, men heeft zich toch nog over hem erbarmd! Ik kijk naar buiten en ziedaar, men zet den Duitscher nog bij hem in en voorwaarts gaan ze....En al mijn strikken en linten waren nutteloos...."

XVII.