Anna Karenina

Part 4

Chapter 4 4,065 words Public domain Markdown

"Nu? zijt ge van avond een der onzen, dat wil zeggen bij de Tscherbatzky's?" vroeg hij, terwijl hij de ledige oesterschalen van zich schoof en de kaas aansprak. Daarbij knipte hij veelbeteekenend met de oogen.

"Ja, ik zal daar stellig zijn," zeide Lewin blozend, "ofschoon het mij toescheen, dat de uitnoodiging van de vorstin niet recht hartelijk gemeend was."

"Onzin! Hoe kom je daaraan! Dat is zoo haar manier van doen!--Nu, maatje, breng soep!--Dat is zoo haar manier; groote dame! Ik zal ook komen, maar eerst moet ik naar de repetitie bij gravin Bonin. Wat, gij zoudt geen wilde zijn! Hoe is het dan te verklaren, dat ge zoo plotseling uit Moskou verdwenen waart? De Tscherbatzky's hebben er mij meermalen naar gevraagd, alsof ik dat weten moest! Een ding weet ik slechts en dat is, dat ge altijd doet, wat een ander niet doet."

"Ja," sprak Lewin langzaam en getroffen, "gij hebt gelijk, ik ben een wilde. Dat blijkt echter niet daaruit, dat ik toen weggegaan, maar dat ik nu teruggekomen ben. Nu ben ik gekomen...." en plotseling werd Lewin rood en zweeg.

"Och, wat zijt gij een gelukkig mensch!" riep Stipan Arkadiewitsch uit, terwijl hij Lewin in de oogen zag.

"Waarom?"

"Aan het brandmerk herken ik het moedige ros, een verliefden knaap aan zijn oogen," declameerde Stipan.

"Nu, juist geen knaap meer! Hoe oud zijt gij?"

"Vierendertig, twee jaar ouder dan gij. Maar aan de jaren ligt het niet, gij hebt een heele toekomst voor je."

"En hebt gij die misschien al achter je?"

"Neen, dat juist niet, maar gij hebt de toekomst voor je, ik slechts het tegenwoordige en dat is maar zoo, zoo!"

"Hoe dan?"

"Ach niet zoo heel mooi! Maar daar willen we het zwijgen toe doen, men kan toch ook niet alles vertellen," sprak Stipan. "Maar waarom ben je dan nu eigenlijk naar Moskou gekomen? Hei daar! afnemen!"

"Hebt gij het niet geraden?" vroeg Lewin en wendde zijn bezielden blik niet van Stipan af.

"Ik heb het misschien wel geraden, maar kan daar toch niet over beginnen te spreken. Daaraan kun je wel bemerken, of ik het mis heb of niet," zeide deze, Lewin met een fijn lachje fixeerend.

"En wat denkt ge daar wel van?" vroeg Lewin met een lichte trilling in zijn stem. "Ziet ge er licht in?"

Stipan Arkadiewitsch ledigde langzaam zijn glas chablis, zonder de oogen van Lewin af te wenden, die met inspanning zijn antwoord afwachtte.

"Ik?" vroeg hij toen. "Er is niets, dat ik zoozeer wensch als dit. Neen, waarlijk niets. Dat zou het beste zijn wat er gebeuren kon."

"Gij zijt toch niet op een dwaalspoor,--gij weet toch over wie wij spreken?" zeide Lewin en zijn gelaat werd nog rooder.--"En gij denkt, dat het mogelijk zou zijn?"

"Zeker houd ik het voor mogelijk. Waarom zou het niet mogelijk zijn?"

"Waarlijk? zou het kunnen zijn? Neen, zeg mij alles, wat ge denkt. En als ik afgewezen word? Ik ben daar eigenlijk van overtuigd...." sprak Lewin met bijna onhoorbare stem.

"Waarom, denk je dat?" vroeg Stipan en lachte om zijn opgewondenheid.

"Het komt mij dikwijls zoo voor.--Het zou verschrikkelijk zijn voor haar en voor mij!"

"Nu voor haar in elk geval niet. Jonge meisjes zijn trotsch op een aanzoek."

"Ja, elk meisje wel, maar zij niet!"

Stipan Arkadiewitsch glimlachte. Hij begreep dat gevoel van Lewin zoo goed; hij wist, dat voor hem alle meisjes in twee soorten verdeeld waren; de eene soort omvatte alle meisjes behalve haar, en die hadden allerlei menschelijke zwakheden en waren heel gewone meisjes, de andere soort was zij alleen, en die had geen enkel gebrek en was boven elke menschelijke zwakheid verheven.

"Neem toch van de saus," zeide Stipan tegen Lewin en hield diens hand, waarmede hij de sauskom van zich schuiven wilde, vast. Lewin nam ook gedwee van de saus, maar vergat, dat ook Stipan daarvan zijn deel moest hebben.

"Neen, luister!" sprak hij, "begrijp dan toch, dat het voor mij een levensvraag is. Ik heb er nog nooit met iemand anders over gesproken, ik kan dat ook niet doen. Gij en ik, wij verschillen zoo hemelsbreed van elkander in smaak en neigingen en beschouwingen, kortom in alles,--en toch weet ik, dat gij van mij houdt en mij begrijpt en daarom houd ik ook heel veel van u. Maar wees nu in godsnaam heel oprecht."

"Ik heb al gezegd hoe ik er over denk, en zal je nog meer zeggen," sprak Stipan glimlachend: "Mijn vrouw is een heel buitengewone vrouw...." "Zij heeft de gave, veel vooruit te kunnen zien; zij kent de menschen door en door. Vooral bij huwelijken weet ze precies, hoe het komen zal; zoo heeft ze b.v., vooruit gezegd, dat Schapowkaija met Brenteln zou trouwen; niemand wilde het gelooven en toch heeft zij gelijk gehad; en ze is geheel op je hand!"

"Hoe meen je dat?"

"Ja, zie je! ze houdt niet alleen van je, maar ze zegt heel bepaald, dat Kitty je vrouw zal worden."

Bij deze woorden verhelderde Lewins gelaat door een lachje, waaraan de tranen der ontroering grensden.

"Heeft zij dat gezegd?" riep hij uit. "Heb ik niet altijd beweerd, dat je vrouw een juweel is! Doch nu genoeg hiervan," sprak hij met vochtige oogen en stond op.

"Goed, dan, goed! maar blijf toch zitten."

Lewin kon echter niet zitten. Hij ging met vasten tred de kleine kamer op en neder, knipte met de oogen om de tranen te verwijderen en zette zich daarna eerst weer aan de tafel.

"Zie, dat is niet alleen liefde. Ik was wel eens meer verliefd, maar dat is heel wat anders; het nieuwe gevoel, dat mij doortintelt is een macht buiten mij, die mij gevangen houdt. Ik verliet Moskou, omdat ik mij zelf voorhield, dat er niets van komen kon, dat het een onbereikbaar geluk was, een geluk zoo groot, dat het op aarde voor mij ondenkbaar was. Maar ik heb gestreden en ben tot de overtuiging gekomen, dat het zoo voor mij geen leven is. Er moet een eind aan komen. Ach, wacht eens! Hoe dwarrelen mij de gedachten door het hoofd! Hoeveel zou ik niet willen vragen! Hoor eens! gij kunt niet begrijpen, hoe goed je woorden mij gedaan hebben. Ik ben zoo gelukkig, dat ik mij zelf bijna veracht. Ik vergeet er alles door. Maar één ding is toch verschrikkelijk.... Gij zijt getrouwd, gij moet het weten.... Het is verschrikkelijk, dat wij ouderen met een verleden juist niet van liefde, maar van zonden te rekenen hebben, en wij daarmee plotseling een rein onschuldig wezen nader treden. Dat is afschuwelijk, en daarom voelt men zich zelf onwaardig door haar bemind te worden."

"Nu gij hebt niet zooveel zonden op je geweten!"

"Ja wel, toch!" sprak Lewin:

"Blader ik slechts oogenblikken In het oude levensboek, Sidd'rend ween ik over uren, Die mij werden tot een vloek."

"Ja, wat er aan te doen? Zoo is het leven nu eenmaal," sprak Stipan.

"Mijn eenige troost is, die vervat is in mijn lievelingsgebed: richt mij niet naar mijn verdienste, maar naar Uw barmhartigheid. Zoo moet ook zij mij vergeven."

Lewin ledigde zijn glas en beiden zwegen een tijd lang.

"Ik moet je toch nog iets vragen," zeide Stipan: "Kent gij Wronsky."

"Neen, ik ken hem niet, waarom vraag je dat?"

"Waarom? omdat hij een van je rivalen is."

"Wie is die Wronsky?" vroeg Lewin, en zijn nog pas door kinderlijke verrukking verhelderd gelaat, hetwelk Stipan niet genoeg kon bewonderen, nam terstond een stroeve en toornige uitdrukking aan.

"Wronsky is een zoon van graaf Wasili Iwanowitsch Wronsky en een der beste vertegenwoordigers van de Petersburger jeunesse dorée. Ik leerde hem te Twer kennen, toen ik daar in betrekking was en hij er voor de recrutenlichting was gekomen; zeer rijk, knap, goede vooruitzichten, vleugeladjudant en daarbij een flinke fideele kerel; neen, hij is meer dan dat, hij is zeer beschaafd en ontwikkeld; deze man kan het nog zeer ver brengen."

Lewins gelaat betrok al meer en meer.

"Hij kwam kort na je vertrek naar Moskou hierheen en zooveel als ik er van gezien heb, is hij tot over de ooren toe op Kitty verliefd, en ge begrijpt, dat haar moeder...."

"Neem mij niet kwalijk, maar ik begrijp volstrekt niet," zeide Lewin; "maar genoeg hiervan, laat ons over iets anders spreken."

Lewin voelde, dat hij plotseling door een vreeselijke koude werd aangegrepen, die zich loodzwaar op zijn borst legde.

"Neen, luister nog eens even!" zeide Stipan Arkadiewitsch en stiet hem aan den arm. "Ik heb je verteld, wat ik weet en verhaal dat volgens mijn inzicht alle kansen in deze teedere, delicate aangelegenheid op je zijde zijn!"

Lewin leunde achterover in zijn stoel, zijn gelaat was bleek geworden.

"Ik zou je echter raden de zaak zoo spoedig mogelijk in orde te brengen," ging Oblonsky voort, terwijl hij Lewins glas weer vullen wilde. Deze verhinderde dit door het op zijde te schuiven.

"Neen, dank je! ik kan niet meer drinken, ik zou dronken worden. En vertel me nu eens, wat gij op 't hart hebt, en wat ge tegenwoordig al zoo uitvoert," voegde hij er bij om het gesprek op een ander onderwerp te leiden.

"Eerst dit nog: ik raad je in elk geval de zaak zoo spoedig mogelijk in het reine te brengen. Rijd er morgen vroeg heen en doe dan heel deftig je aanzoek, Gods zegen zij met je!"

"Gij zoudt nog eens bij me komen jagen. Hoe denk je daar over tegen 't voorjaar?"

Lewin betreurde het reeds van ganscher harte dit gesprek met Stipan te zijn begonnen. Zijn gevoel van eigenwaarde was gekrenkt door het bericht, dat een Petersburger officier zijn mededinger zou zijn en ook door de gissingen en raadgevingen van Oblonsky. Hij werd steeds stroever en zweeg.

"Ja, ik zal eens komen!" sprak Stipan Arkadiewitsch. "Ja, broeder, de vrouwen zijn toch de spil, waar alles om draait. Met mij ziet het er ook slecht uit tegenwoordig, erg slecht. Dat komt ook al door de vrouwen! Zeg mij nu ook eens oprecht je oordeel, geef mij nu ook eens raad." Hij nam de sigaar uit den mond en bracht de hand aan het glas.

"Waarin moet ik je raad geven?"

"Hoor eens! Stel dat ge getrouwd waart, dat ge veel van je vrouw hieldt en je toch door een andere vrouw had laten meesleepen...."

"Neem mij niet kwalijk, dat kan ik niet begrijpen, evenmin als dat ik, nu ik verzadigd ben, nog eens naar een bakkerswinkel zou gaan om een kalatsch [2] te stelen."

Oblonsky's oogen glinsterden meer dan gewoonlijk.

"Waarom niet? de kalatsch geurt somtijds toch zoo bizonder lekker, dat men wel eens niet zou kunnen nalaten....

Schoon is 't de natuur te dwingen Onder 's hemels strijdbanier; Maar mocht dit mij niet gelukken, 'k Heb dan toch een groot plezier."

Lewin moest nu toch ook even glimlachen.

"Ja, maar zonder gekheid," ging Oblonsky voort. "Denk eens door! Een arm, zachtzinnig, liefhebbend wezen, dat eenzaam en verlaten is en alles opgeofferd heeft! Nu het eenmaal gebeurd is, begrijp je, kan ik haar toch onmogelijk verlaten? Wij willen aannemen, dat men, om het huiselijk geluk niet te storen, moet scheiden, maar zou het daarom mogelijk zijn, haar niet te betreuren? Moet men ten minste haar niet verzorgen, medelijden met haar hebben en haar lot trachten te verzachten?"

"Neen, neem mij niet kwalijk, voor mij bestaan er slechts twee soorten van vrouwen, of liever, er zijn vrouwen en er zijn.... Die bekoorlijke gevallen schepsels ken ik niet en wil ze ook niet kennen; zulke als die geblankette Française met haar krullen, daar aan het buffet, zijn in mijn oog monsters even als alle gevallen vrouwen."

"En die uit het evangelie."

"Och, laat dit rusten. Christus heeft die woorden niet voor hen, die ze verkeerd begrepen willen, gesproken; en uit het geheele evangelie kent gijlieden alleen die woorden! Bovendien is het voor mij geen zaak van redeneering, maar een gevoelskwestie. Even als gij bang zijt voor spinnen, ben ik het voor deze soort vrouwen."

"Inderdaad, gemakkelijk gezegd! Gij deet als die man bij Dickens, die alle moeielijke vraagpunten met den linkerhand over den rechterschouder werpt. De ontkenning van een daadzaak is geen antwoord. Gij moet mij zeggen, wat ik doen moet: Ja, wat te doen? De vrouw wordt ouder, men is vol levenslust en voor men er eigenlijk erg in heeft, bespeurt men, dat men haar niet meer zoo bemint als vroeger, hoewel men heel veel achting voor haar koestert. Dan komt plotseling een werkelijke liefde--en men is verloren!"

Lewin glimlachte.

"Ja, verloren!" ging Oblonsky voort. "Maar wat nu te doen?"

"Geen kalatsch stelen!"

Stipan Arkadiewitsch lachte luid.

"O, gij moralist! Maar begrijp het wel: er zijn twee vrouwen; de eene staat op haar recht en dat recht is uw liefde, die gij haar niet meer geven kunt; de andere heeft alles opgeofferd en eischt niets. Wat te doen? Hoe te handelen? Het is een verschrikkelijk drama!"

"Als gij mijn oprechte meening hooren wilt, verneem dan, dat ik niet zien kan, dat hier een drama voor de hand ligt. Maar 't is heel wel mogelijk, dat gij gelijk hebt; ik weet het niet."

"Zie je," sprak Oblonsky, "gij zijt een man uit één stuk, dat dient tot je lof gezegd; maar ge hebt, daar je zelf een afgerond karakter zijt, een groot gebrek; ge wilt namelijk, dat ook het leven uit louter afgeronde en voltooide dingen bestaan zal en dat is waarlijk het geval niet. Je ziet laag neer op elken ondergeschikten werkkring, en waarom? Omdat ge wilt, dat middel en doel met elkander zullen strooken, en dat gaat niet. Gij wilt, dat de werkzaamheid van elk individu op een bepaald doel gericht zij, dat liefde, huwelijk en huiselijk leven samengaan en dat is ook al weer niet het geval; de bekoorlijkheid van het leven bestaat juist in de wisseling van licht en donker."

Lewin zuchtte zonder te antwoorden. Hij dacht aan zijn eigen aangelegenheden en hoorde niet eens, wat Oblonsky sprak. Deze bespeurde dit. Beiden gevoelden dat, hoewel zij vrienden waren en te zamen gegeten hadden, wat hen nader tot elkander had moeten brengen, ieder toch slechts aan zijn eigen zorgen dacht en zich weinig om die van den ander bekommerde.

Het was niet de eerste keer, dat Oblonsky de ondervinding opdeed, dat somwijlen na geëindigden maaltijd lichter verwijdering in plaats van wederzijdsche toenadering plaats grijpt, en hij wist wat hem bij zulk een geval te doen stond.

"De rekening!" riep hij en trad de belendende zaal binnen, waar hij een bekend officier aantrof, met wien hij zich terstond in een gesprek over een bekende tooneelspeelster en haar minnaar verdiepte.

Dit gesprek was voor Stipan een verlichting en ontspanning na het onderhoud met Lewin, die hem altijd tot een te groote geestelijke inspanning uitlokte.

Toen de Tartaar met de rekening ten bedrage van acht en twintig roebels, zonder drinkgeld, verscheen, lette Lewin er niet op, hoezeer de landbewoner anders geschrokken zijn zou van een rekening, die voor zijn deel alleen veertien roebels beliep; maar hij betaalde en reed naar huis om zich te kleeden voor het bezoek bij de Tscherbatzky's, waar zijn lot beslist zou worden.

IX.

Prinses Kitty Tscherbatzky was achttien jaar oud en had dezen winter haar intrede in de wereld gedaan. Haar succes was grooter dan dat harer beide oudere zusters, zelfs grooter dan de vorstin-moeder verwacht had. Niet alleen, dat alle jonge heeren, die de Moskouer bals bezochten, haar het hof maakten, maar in dezen eersten winter deden zich reeds twee goede partijen op: Lewin en zeer kort na diens vertrek graaf Wronsky.

Lewins optreden bij het begin van den winter, zijn veelvoudige bezoeken en zijn kennelijke neiging voor Kitty gaven aanleiding tot de eerste ernstige gesprekken over Kitty's toekomst tusschen haar ouders, alsmede tot verschil van gevoelen tusschen vorst en vorstin. De vorst was geheel op Lewins hand en wenschte voor Kitty niets beters; de vorstin echter bracht, met de aan vrouwen eigen manier om de eigenlijke vraag te ontduiken, daar tegen in, dat Lewin nog door niets getoond had ernstige plannen te hebben, dat Kitty geen neiging voor hem toonde en zoo al meer. De hoofdzaak echter, dat zij voor haar dochter een betere partij verwachtte, roerde zij niet aan, ook niet dat Lewin haar niet bizonder aantrok en dat zij hem niet begreep.

Toen Lewin zoo plotseling vertrok, was de vorstin zeer verheugd en zeide zegevierend tot haar echtgenoot:

"Ziet ge nu wel, dat ik gelijk had?"

Toen Wronsky verscheen, was haar vreugde nog grooter, terwijl zij in haar meening versterkt werd, dat Kitty niet alleen een goede, maar een schitterende partij moest doen. Voor de moeder waren Lewin en Wronsky niet op een lijn te stellen.--Bij den eersten mishaagde haar de eigenaardige ruwheid, waarmede hij zijn meening uit kon spreken; zijn stijfheid in gezelschap, die ze aan trots toeschreef, en zijn, naar haar meening, onbeschaafde levenswijze op het land, waar hij zijn dagen sleet in den omgang met boeren en vee. Verder beviel het haar niet, dat hij, ofschoon hij Kitty beminde, twee maanden lang bij hen in- en uitgegaan was en zich gedragen had, alsof hij nog op iets wachtte, of hij steeds overwoog, of het niet een al te groote eer voor Kitty zijn zou als hij een aanzoek deed. Hij moest toch begrijpen, dat men niet in een huis, waar zich een volwassen jonge dame bevond, kon verkeeren, zonder zich te verklaren. En hij! zonder verklaring was hij plotseling vertrokken. "Gelukkig, dat hij zoo wenig aantrekkelijks heeft en dat hij Kitty onverschillig is," dacht de moeder.

Wronsky daarentegen beantwoordde aan al haar wenschen. Zeer rijk, beschaafd, voornaam, op het punt zich bij het hof een schitterende militaire carrière te veroveren; kortom een door en door beminnenswaardig man. Men zou hem niet beter kunnen wenschen. Op alle bals maakte hij Kitty in het oog loopend het hof, danste met haar en bezocht regelmatig haar huis, zoodat men niet aan den ernst van zijn plannen kon twijfelen. Maar met dat al leefde de moeder den geheelen winter in buitengewone onrust en opwinding.

De vorstin had voor dertig jaar door bemiddeling van een tante haar huwelijk gesloten. De bruidegom, van wien men vooraf haarfijn alles wist, kwam om zijn bruid te monsteren en zich door haar te laten monsteren. De bemiddelaarster bespeurde de wederzijds ontvangen indrukken en deelde ze aan beide partijen mede; die indrukken waren aan beide zijden gunstig geweest. Toen was op een daarvoor bepaalden dag het aanzoek bij de ouders gedaan en aangenomen geworden. Dit was alles heel eenvoudig en gemakkelijk in zijn werk gegaan; zoo kwam het de vorstin ten minste voor.

Maar bij haar dochters deed zij de ervaring op, dat de schijnbaar zoo eenvoudige zaak, haar uit te huwelijken, in het geheel niet zoo eenvoudig en gemakkelijk was. Wat al angsten had zij uitgestaan, wat al gedachten kwelden haar, wat een geld moest er uitgegeven en wat al zwarigheden moesten er bij haar echtgenoot uit den weg geruimd worden bij het huwelijk van haar beide oudste dochters Dar-a en Natalie! En nu bij de jongste moest al die angst, al die twijfel en nog grooter verschil met haar echtgenoot op nieuw doorgeworsteld worden.

De oude vorst was, even als alle vaders, zeer gevoelig ten opzichte van de eer en deugd zijner dochters. Hij was buitengewoon ijverzuchtig op haar en bovenal op zijn lieveling Kitty. Telkens hield hij de vorstin voor, dat zij haar dochter te veel compromitteerde. De vorstin was daaraan, sedert de oudste dochters dezelfde phase waren ingetreden, reeds gewoon, maar nu gevoelde zij, dat de prikkelbaarheid van de vorst op dit punt meer grond had. Zij zag in, dat er den laatsten tijd zeer veel in de maatschappelijke zeden was veranderd en dat de plichten eener moeder zwaarder waren geworden. Zij zag, dat de jonge meisjes van Kitty's leeftijd tot vereenigingen toetraden, aan allerlei leercursussen deel namen, zeer vrij met heeren omgingen, alleen uitreden, dat velen van haar geen buiging meer maakten, en wat het ergst van alles was, zij waren stellig overtuigd, dat de keuze van een echtgenoot haar zaak en niet die der ouders was. "Nu trouwt men niet meer zoo als vroeger," dachten en spraken al die jonge meisjes en zelfs de ouderen van dagen stemden daarmede in. Zij kon echter van niemand te weten komen, hoe men dan wel trouwde. Het Fransche gebruik, waarbij de ouders geheel over het lot der kinderen beslissen, werd niet aangenomen, maar zelfs afgekeurd. De absolute vrijheid der Engelsche jonge meisjes vond ook geen bijval en was in Russische kringen zelfs geheel onbestaanbaar. De Oud-russische huwelijksbemiddeling vond men afschuwelijk; ieder lachte er om en de vorstin lachte mede. Maar hoe er dan nu eigenlijk getrouwd worden moest, dat wist niemand te zeggen. Wanneer zij er met iemand over sprak, ontving zij slechts één antwoord: "Mijn lieve hemel! Men moet zich nu van den ouden tijd los maken! De jonge lieden moeten elkander trouwen en wij ouden niet, dus moeten wij het aan hen zelf overlaten het met elkander eens te worden."

Zij, die zelf geen dochters hadden, konden gemakkelijk zoo spreken. Maar de vorstin dacht er met bezorgdheid aan, dat haar dochter op iemand zou kunnen verlieven, die haar niet trouwen wilde of geen geschikt echtgenoot voor haar was, en hoe men haar ook aan het verstand zocht te brengen, dat de jongelui in onzen tijd zelf hun leven moeten inrichten, zij kon daaraan evenmin gelooven, als dat er een tijd kon komen, dat pistolen en revolvers als geschikt speelgoed voor vijfjarige kinderen beschouwd zouden worden.

Om die reden verontrustte de vorstin zich meer om Kitty dan om haar oudere zusters. Soms vreesde zij, dat Wronsky zich tevreden zou stellen met haar dochter het hof te maken. Zij bemerkte, dat deze hem beminde. Zij troostte zich met de gedachte, dat hij, als eerlijk man van goeden huize, zoo iets niet zou doen; maar tegelijkertijd achtte zij het, bij het tegenwoordige vrije verkeer, heel gemakkelijk een jong meisje het hoofd op hol te brengen, terwijl zij wist, dat de heeren buitendien zoo iets zeer licht plachten op te nemen. De laatste week had Kitty haar moeder een gesprek met Wronsky onder de mazurka medegedeeld en dat had haar gedeeltelijk, hoewel niet geheel, gerust gesteld. Wronsky had tot Kitty gezegd, dat hij en zijn broeder, beiden, zoozeer gewoon waren zich in alles naar hun moeder te schikken, dat zij nooit een belangrijk besluit zouden nemen zonder eerst haar te raadplegen....

"En nu zie ik, als een bizonder geluk, de komst mijner moeder uit Petersburg te gemoet," had hij gezegd.

Kitty had dit verteld zonder eenige beteekenis aan die woorden te hechten. De moeder begreep dit echter anders. Zij wist nu, dat de oude dame van dag tot dag verwacht werd; zij wist, dat zij zich in de keus van haar zoon zou verheugen, maar het kwam haar zonderling voor, dat hij uit vrees van zijn moeder te beleedigen geen aanzoek durfde doen. Zij wenschte evenwel dit huwelijk, dat haar van al die zorgen zou ontheffen, al te zeer om er niet het beste van te gelooven.

Heden echter had Lewins komst haar onrust vermeerderd. Zij vreesde, dat haar dochter, die een tijdlang eenige neiging voor Lewin scheen gekoesterd te hebben, Wronsky door de groote nauwgezetheid van geweten mocht afwijzen. Lewins komst kon dus heel gemakkelijk de zaak in de war brengen of vertragen, die anders spoedig tot zulk een goed einde zou kunnen komen.

"Is hij reeds lang hier?" vroeg de vorstin, toen zij te huis waren.

"Eerst sinds vandaag, mama."

"Ik moet je dit nog eens zeggen," begon de vorstin, maar haar sterk bewogen gelaat verried Kitty, wat er zou volgen, en vol vuur haar moeder in de rede vallend zeide zij:

"Mama, mama, ach, spreek daar als het u blieft niet van!--ik weet, ik weet alles!"

Zij beminde Wronsky, beminde zooals zij nooit bemind had en nooit weer zou beminnen, en zij wist, dat haar moeder ten zijnen gunste zou spreken. Dat was haar juist onaangenaam. Ofschoon dezelfde wensch haar bezielde, krenkten haar de beweegredenen harer moeder.

"Ik wil maar zeggen, dat als men iemand hoop heeft gegeven...."

"Mama, mijn lieve, beste mama, ach, zeg toch in 's hemels naam niets meer!"

"Ik zal zwijgen." zeide de moeder, die de oogen harer dochter met tranen zag gevuld. "Een enkel woord slechts, mijn duifje; gij hebt mij beloofd voor mij geen geheimen te hebben, niet waar?"