Part 39
"Zoo is het plan: Eerst rijden we tot Gwosdewo, daar is een snippenmoeras en achter Gwosdewo liggen overal mooie, groote moerassen met watersnippen; maar houtsnippen zijn er ook. Nu is het zeer warm, maar wij komen er nog voor den avond aan, twintig mijl is 't, en onderweg schieten we wat zich nog vertoont. Dan overnachten wij daar en gaan morgen naar de groote plassen."
"Is er dan onderweg niets?"
"Ja, een weinig is er wel, maar het kost ons slechts tijd en het is ook te warm!"
Lewin zelf verachtte deze plaatsen volstrekt niet; maar zij waren te dicht bij zijn huis en hij kon er alle dagen jagen; ook waren zij klein, ten minste voor drie personen.
Toen zij in de nabijheid van zulk een moeras kwamen, wilde Lewin er voorbij rijden, maar het geoefend jagersoog van Stipan bespeurde terstond een ter zijde van den weg gelegen poel. Hij verzocht Lewin stil te houden en stapte met Wesslowsky uit, terwijl Lewin als voorkomend gastheer bij de paarden bleef.
Kraak ging terstond in het boschje en Lewin liep het eerst achter hem.
Stipan was nog niet aan den poel gekomen, toen een groote snip er uit vloog. Wesslowsky schoot langs hem heen en de vogel vloog op een ongemaaide weide. Kraak vond hem daar weer, joeg hem op en Wesslowsky schoot hem neder. Daarop keerde hij naar den wagen terug.
"Nu moet gij gaan en ik blijf bij de paarden," zeide hij tot Lewin.
De lust om ook aan de jacht deel te nemen werd Lewin te sterk. Hij gaf Wesslowsky de teugels en begaf zich in het moeras.
Laska had, zich over onrechtvaardigheid willende beklagen, reeds lang gejankt. Nu liep hij rechtstreeks naar een geheel veiligen, Lewin bekenden heuvel, waar Kraak nog niet geweest was.
"Houd hem toch terug!" riep Stipan Arkadiewitsch.
"Hij zal er geen op de vlucht jagen," riep Lewin terug en snelde achter Laska aan.
Laska liep in een kring om den heuvel, herhaalde dit, kromp plotseling ineen en bleef in die houding staan.
"Stiwa, kom!" riep Lewin, die zijn hart luider voelde kloppen, en terwijl hij vasten grond voor zijn voeten zocht, naderde hij den hond. "Pil!"
Geen groote houtsnip, maar een watersnip vloog nabij den hond op; maar op het oogenblik, dat Lewin mikte, hoorde hij een geplas in het water, dat nader bij kwam en de stem van Wesslowsky, die hem luid iets toeriep. Lewin zag zelf, dat hij te laag mikte, maar hij schoot toch. Toen hij zag, dat hij gemist had, keek hij om en bespeurde, dat de paarden met den wagen niet meer op den weg, maar in den poel stonden. Wesslowsky, die bij het schieten wilde zijn, was het moeras ingereden en de paarden zakten in den grond.
"De duivel hale hem!" zeide Lewin en snelde naar den zinkenden wagen. "Waarom ben je er in gereden?" vroeg hij ontevreden en, terwijl hij den juist terugkeerenden koetsier te hulp riep, begon hij de paarden af te spannen.
Het verdroot Lewin, dat men hem in het schieten gestoord had en de paarden in den drassigen grond had laten geraken, maar vooral, dat noch Stipan Arkadiewitsch, noch Wesslowsky hem en den koetsier de geringste hulp verleende om de paarden af te spannen en te bevrijden. Want beiden hadden niet het minste begrip van aanspannen. Hij beantwoordde dus Wesslowsky's verzekeringen, dat het hier toch geheel droog was, in 't geheel niet en hield zich slechts met de paarden bezig. Toen hij echter later bemerkte, hoeveel moeite zich deze gaf den wagen uit den modder te trekken, verweet hij zich, dat hij nog onder den indruk van zijn gevoel van gisteren stond en te koel tegen Wesslowsky was. Hij gaf zich dus moeite om door vriendelijkheid zijn stroefheid van zooeven weer goed te maken.
Toen alles weer in orde gebracht was en de wagen weer op den straatweg stond, liet Lewin het ontbijt te voorschijn halen.
"Bon appetit, bonne conscience! Ce poulet va tomber jusqu'au fond de mes bottes." zei de vroolijk gestemde Wesslowsky, terwijl hij zijn tweede kuiken verslond. "Ziezoo! nu zijn onze rampen wel voorbij; nu zal alles goed gaan. Maar voor mijn misdrijf moet ik op den bok zitten, niet waar? Neen, neen! Ik ben Automedon! Gij zult eens zien, hoe goed gij u aan mij kunt toevertrouwen!" antwoordde hij Lewin, die hem niet wilde laten rijden: "Neen, ik moet mijn schuld boeten en hier op den bok zit ik heerlijk!" En hij reed heen.
Lewin vreesde wel, dat hij de paarden te hard zou behandelen, maar hij schikte zich naar zijn vroolijke luim, luisterde naar de vroolijke liederen, die Wesslowsky zong, naar zijn vertellingen en voorstellingen, hoe men op Engelsche manier four in hand moest rijden, en zoo bereikten zij in de beste stemming de Gwosdewsche moerassen.
XII.
Toen zij het groote moeras naderden, dacht Lewin er onwillekeurig over na, hoe zich van Wesslowsky te ontdoen om alleen te kunnen jagen. Ook Stipan Arkadiewitsch scheen dezelfden wensch te koesteren; Lewin zag op zijn gezicht die uitdrukking van bezorgdheid, die een waar jager steeds vóór de jacht heeft.
"Hoe zullen wij dan gaan? O, dat is een schoon moeras! Ik zie ook reeds een havik, en waar haviken zijn, daar is ook wild."
"Ziet ge, heeren," zei Lewin met eenigszins donker gelaat; "ziet gij daar dat rietgras!" Hij wees naar een donkere vlek op een reusachtig groote, zich ver op den rechter oever van de rivier uitstrekkende weide, die voor de helft reeds gemaaid was. "Daar begint het moeras, recht voor ons, waar het zoo groen wordt. Van daar loopt het naar den rechter kant verder, zooals ik nu de paarden laat gaan. Daar ziet ge eenige verhevenheden van den grond, daar zijn vele groote snippen, rondom dit rietgras heen tot aan gindsch esschenboschje en tot aan de molen Dingsda. Dat is de beste plaats. Eens heb ik daar zeventien watersnippen geschoten. Wij moeten nu in verschillende richtingen uit elkander gaan en elkaar bij den molen weer ontmoeten."
"Wie gaat rechts en wie links?" vroeg Stipan Arkadiewitsch. "Rechts is het breeder, daar moet gij beiden heengaan, dan ga ik links," zeide hij op den onschuldigsten toon ter wereld.
"Goed! Wij zullen hem alles wegschieten!" stemde Wesslowsky toe. "Laat ons gaan."
Zoo moest ook Lewin er mee instemmen, en zij scheidden; Lewin en Wesslowsky met Laska gingen rechts, Stipan Arkadiewitsch met Kraak ging links om het moeras heen. Nauwelijks waren zij aan het moeras gekomen, toen de beide honden begonnen te zoeken. Lewin kende dit behoedzame en onzekere zoeken van Laska; hij kende ook deze plaats en wachte op een zwerm watersnippen.
"Wesslowsky, blijf bij me," riep hij met halfluide stem zijn achter hem wadenden metgezel toe.
"Ik zal je niet storen. Denk niet aan mij"
"Poef, paf!" klonk het in Lewins oor. Wesslowsky had in een zwerm eenden geschoten, die boven het moeras rondvloog. Nauwlijks vond Lewin nog tijd om rond te zien, toen een watersnip zich liet hooren, een tweede, een derde,--acht watersnippen verhieven zich in de lucht.
Stipan Arkadiewitsch schoot er eene van, juist toen zij haar zigzagbeweging wilde beginnen. Toen mikte hij zonder zich te overijlen naar een tweede, die naar het riet vloog, en zij viel onder het schot.
Lewin was minder gelukkig; hij schoot op te grooten afstand en trof niet.
Stipan raapte zijn watersnip op en met een stralenden blik op Lewin zeide hij: "Zoo, nu gaan wij uit elkander."
Met Lewin placht het altijd zoo te gaan, dat, wanneer zijn eerste schoten mislukten, hij opgewonden werd, zich ergerde en ten gevolge daarvan den geheelen dag slecht schoot. Zoo ging het hem ook heden. Er waren zeer veel watersnippen voorhanden. Ieder oogenblik vlogen er eenige op en Lewin had alles weer goed kunnen maken; maar hoe meer hij schoot, des te meer geneerde hij zich voor Wesslowsky, die zonder maat en doel er lustig op los schoot, niets doodde en daarover toch niet verlegen werd. Lewin overijlde zich, hij mat den afstand niet en kwam eindelijk zoo ver, dat hij schoot zonder zelfs de hoop te koesteren nog iets te treffen. Ook Laska scheen dit te bemerken; zij zocht trager en keek onzeker en verwijtend naar de jagers om. Dezen waren voortdurend in kruitdamp gehuld, maar in hun groote weitasschen bevonden zich nog maar drie kleine, lichte watersnippen. Intusschen knalden van de andere zijde niet talrijke, maar zooals het Lewin toescheen, welgeslaagde schoten en bijna na ieder schot hoorde men Stipan Arkadiewitsch' stem: "Kraak! apporte!" Dat wond Lewin nog meer op. De watersnippen vlogen door de lucht, hun neersmakken op den grond en het knallen in de lucht van alle kanten hield niet op; de opgejaagde snippen zetten zich dicht voor de jagers neer. Te voren zweefden slechts twee haviken boven hot moeras en nu waren er tien.
Nadat Lewin en Wesslowsky meer dan de helft van het moeras waren omgegaan, kwamen zij aan een weide, die in lange stukken aan de boeren verpacht was; de helft dezer stukken was reeds gemaaid.
"Hei! jagers!" riep hun een der boeren toe, die op een uitgespannen telega zat: "sterkt u eerst met een ontbijt en een slok!"
Lewin keek om.
"Komt toch! Het zal u niet schaden!" riep een andere vroolijk gestemde boer met een rood gezicht en toonde daarbij zijn witte tanden en een groene, in de zon blinkende flesch.
"Qu'est-ce qu'ils disent?" vroeg Wesslowsky.
"Wij moeten een borrel met hen drinken. Zij zullen deze weide wel gepacht hebben. Een borrel zou nu lang niet slecht smaken!" antwoordde Lewin niet zonder slimheid, want hij hoopte, dat Wesslowsky den trek naar brandewijn niet zou kunnnen weerstaan en naar de boeren gaan zou.
"Waarom willen zij ons vrijhouden?"
"Daar hebben ze plezier in. Ga maar naar hen toe. Het is wel eens een aardige grap."
"Allons! c'est curieux!"
"Ja, ga er maar heen. Den weg naar den molen kunt ge niet missen."
Met genoegen bemerkte Lewin, dat Wesslowsky met voorovergebogen lichaam en de vermoeide voeten traag uit het moeras trekkend naar de boeren op de droge weide ging.
"Kom jij toch ook mee!" riep een der boeren Lewin toe: "wees niet bezorgd; er is nog stuk koek over!"
Lewin had gaarne deze uitnoodiging aangenomen, want hij voelde zich ook reeds vermoeid en het was telkens moeielijk de inzinkende voeten uit het moeras te trekken. Hij was een oogenblik in twijfel, maar hij zag, dat de hond stond en dus volgde hij dezen. Voor hem vloog een watersnip op; hij schoot en doodde ze. Maar Laska stond nog altijd; plotseling verhief zich voor haar een tweede watersnip. Lewin schoot. Maar hij had heden een ongelukkigen dag. Hij schoot mis en ging nu heen om de eerste te zoeken. Maar hij vond ook deze niet. Dus ook zonder Wesslowsky, wien hij van zijn ongelukkig slagen de schuld had gegeven, werd de zaak niet beter. Ook hier nog waren zeer veel watersnippen, maar Lewin schoot er herhaaldelijk voorbij.
"Neen, ik moet kalm worden!" zeide hij bij zich zelf. Hij ging het moeras uit, ging op een verhevenheid der weide zitten, trok de laarzen uit en schudde het water er uit, dronk zelf water, bevochtigde daarmee de beide heete loopen van zijn geweer en wiesch zich handen en gelaat.
Plotseling sprong Kraak van achter een essenboschje te voorschijn en berook Laska met de gebaren eens overwinnaars. Achter Kraak, in de schaduw der esschen, werd de statige verschijning van Stipan Arkadiewitsch zichtbaar. Hij kwam hen reeds hier tegen, zeer rood en verhit, met ontbloote borst, moeielijk gaande en met een vergenoegd lachje.
"Nu? veel geschoten?" vroeg hij.
"En gij?" was Lewins wedervraag. Hij behoefde niet te vragen: hij zag de boordevolle weitasch. Hij had veertien stuks geschoten.
"Het gaat goed! Een mooie plaats! Wesslowsky is u zeker wat in den weg geweest? Twee jagers met één hond, dat heeft geen eigenschap!" zeide Stipan, zijn zege daardoor verkleinend.
XIII.
Toen Lewin en Stipan Arkadiewitsch aan de molenaarswoning kwamen, was Wesslowsky daar reeds binnen gegaan. Hij zat in het midden der hut en lachte op zijn vroolijke, aanstekelijke manier, terwijl hij zich met beide handen aan de tafel vasthield en zich door een soldaat, den broeder der molenaarsvrouw, de laarzen liet uittrekken.
"Ik ben ook nu pas gekomen," riep hij de binnentredenden te gemoet; "ils ont été charmants!" Denkt een aan: niet alleen te drinken, ook te eten hebben ze mij gegeven, en welk een gebak! Delicieux! En nooit heb ik een beteren borrel gedronken! Maar zij wilden absoluut geen geld aannemen, in tegendeel, zij zeiden nog altijd: "Neem het niet kwalijk!"
"Waarom zouden zij ook geld aannemen. Zij wilden u tracteeren; en zij hebben geen brandewijn te koop," zeide de soldaat, die hem eindelijk de eene laars met de natte kous uittrok.
Ondanks het vuil in de boerenkamer, dat de jagers met hun laarzen en de beslijkte honden, die zich hevig schudden, er in hadden gebracht, ondanks modder- en kruitlucht en ondanks het gerammel van messen en vorken, gebruikten de jagers hun thee en hun avondmaal met een eetlust, die alleen de jacht te weeg brengt.
Toen, na zich gereinigd en gewasschen te hebben, begaven zij zich naar een aangeveegden hooizolder, waar de koetsier reeds het leger voor de heeren bereid had.
Hoewel het reeds donker was, had toch geen der jagers lust tot slapen.
Nadat zij elkaar een tijdlang met herinneringen, anecdoten en jachtverhalen hadden onderhouden, kwam hun gesprek op een thema, dat al hun belangstelling tot zich trok. Oblonsky had van een jacht verteld, waaraan hij den vorigen zomer op het landgoed van een zekeren heer Maltus had deelgenomen. Maltus was een bekend spoorwegkoning, die de gezelligheid zeer beminde en dien Stipan Arkadiewitsch uit den grond van zijn hart een kerel van goud noemde. Hij had verteld, hoe deze Maltus in het Twerskoïsche gouvernement groote moerassen gepacht had, hij beschreef de wagens en paarden, die de jagers daarheen hadden gebracht en de tent, die men voor het ontbijt in de nabijheid der moerassen had opgeslagen.
"Ik begrijp niet," zeide Lewin zich uit het hooi oprichtende, "dat zulke menschen u niet tegenstaan. Ik begrip wel, dat een ontbijt met Lafitte iets heel aangenaams is, maar is het mogelijk, dat zulke weelde u niet tegen de borst stond? Al deze menschen--vroeger waren zij onze brandewijnpachters--verwerven zich een groot fortuin, maar op een wijze, waardoor zij toch de verachting van ieder verdienen; deze verachting is hun echter volkomen onverschillig, want met hun op zoo oneerlijke wijze verworven geld koopen zij zich van de verachting los."
"Ja, dat is waar," bevestigde Wesslowsky; "volkomen waar! Trouwens Oblonsky doet het uit bonhommie, maar anderen zeggen toch: 'Oblonsky bezoekt ze....'"
"Neen, volstrekt niet!" Lewin hoorde, hoe Oblonsky dit lachend zeide: "Ik houd hem eenvoudig voor niets oneerlijker dan ieder rijk koopman of edelman."
"Ja, maar door welken arbeid heeft hij het verdiend? Is dat dan arbeid, als men op lage, slinksche wijze een concessie verkrijgt om die later weer te verkoopen?"
"Zeker is dat arbeid, namelijk arbeid in dien zin, dat wij zonder lieden van dit slag ook geen spoorwegen zouden hebben."
"Maar deze arbeid is toch een geheel andere dan die van een landbouwer of een geleerde."
"Dat geef ik toe, maar het is toch in zoover arbeid, als het een handeling is, waaruit iets ontstaat, zooals hier de spoorweg. Of vindt ge misschien, dat spoorwegen iets onnoodigs zijn?"
"O, zeker zijn ze nuttig. Maar iedere winst, die in geen verhouding staat tot den arbeid, die er voor verricht wordt, is oneerlijk."
"Wie kan echter hierin de juiste verhouding bepalen?"
"Een geldwinning door oneerlijke middelen, door list...." zei Lewin, die gevoelde, dat het hem niet gelukken wilde een scherpe lijn tusschen eerlijkheid en oneerlijkheid te trekken, zooals hij zich in gedachten voorstelde: "zooals ook deze inrichtingen van bankiers- en wisselaarskantoren...." ging hij voort: "kortom al deze soort van beroepen om zich zonder arbeid groote, kolossale vermogens te verwerven zijn een kwaad. Nu is slechts de vorm veranderd. Le roi est mort, vive le roi! Nauwelijks had men de brandewijnpacht opgeheven, of daar kwamen de spoorwegen, de banken: louter geldwinningen zonder arbeid."
"Dat is misschien zeer waar en geestig.... Stil, Kraak! Rustig liggen!" riep Stipan Arkadiewitsch zijn hond, die zich krabde, toe; hij was van de juistheid van zijn standpunt ten volle overtuigd en bleef dus volkomen kalm en maakte geen haast.
"Ge hebt nog altijd niet de grens tusschen eerlijken en oneerlijken arbeid getrokken. Is het dan misschien ook oneerlijk, dat ik een grooter inkomen geniet dan mijn griffier, hoewel hij misschien meer van de zaak verstaat dan ik?"
"Dat weet ik niet."
"Nu goed, dan willen wij zeggen, dat de netto opbrengst van uw goederen misschien vijfduizend roebel bedraagt, maar de boer, die er op werkt, krijgt er, hoe hij zich ook moge inspannen, niet meer dan vijftig. Zou dat niet even onrechtvaardig zijn, als dat ik meer krijg dan mijn griffier? Of dat Maltus een grooter inkomen heeft dan een van zijn stationschefs? Integendeel, ik zie in de houding der wereld tegenover deze soort lieden slechts een op niets gegronde vijandelijkheid, en ik geloof, dat het niets is als ijverzucht."
"Neen, dat is niet waar," viel Wesslowsky in. "IJverzucht kan het niet zijn. Er is en blijft iets onreins in zulk een zaak...."
"Pardon," zeide Lewin, "gij vindt het onrechtvaardig, als ik vijfduizend roebel krijg en de boer er slechts dertig verdient. Het is onrechtvaardig, dat voel ik, maar...."
"Inderdaad! Wij eten, drinken, gaan op de jacht, doen niets en hij is altijd zonder verpoozing aan het werk," zeide Wassenka Wesslowsky, in wien heden klaarblijkelijk voor de eerste maal deze gedachte was opgekomen, en die hij dus zeer open en oprecht uitsprak.
"Ja, je gevoelt dat, maar geeft hem toch uw goed niet," zeide Oblonsky eenigszins spottend tot Lewin. In den laatsten tijd, sedert zij beiden met twee zusters getrouwd waren, was er tusschen hen ongemerkt een soort van wedijver ontstaan, wie van beiden zijn leven het beste ingericht had, en deze wedijver deed zich ook nu in hun gesprek gelden, door er iets persoonlijks aan te geven.
"Ik geef het niet, omdat niemand het van mij eischt; en wanneer ik het ook wilde geven, dan zou ik het toch niet kunnen. En dan zou ik ook niet weten aan wien?"
"Geef het dezen molenaar hier; hij zal het niet weigeren."
"Nu goed, maar hoe zal ik het hem geven?"
"Dat weet ik niet. Maar wanneer gij er zoo van overtuigd zijt, dat je er geen recht op hebt...."
"Daarvan ben ik volstrekt niet overtuigd. Integendeel, ik gevoel, dat ik geen recht heb het weg te geven, dat ik plichten tegenover mijn bezittingen, tegenover mijn familie heb."
"Maar ik bid u, als gij deze ongelijkheid voor onrechtvaardig houdt, dan moet gij ook zoo handelen, dat...."
"Ik handel ook, maar negatief, d.w.z. zoo, dat ik mij geen moeite geef om het onderscheid tusschen hem en mij nog te vergrooten...."
"Neen, pardon, dat is een paradox!"
"Ja, dat is een sophistische uitlegging," bevestigde ook Wesslowsky. "O, zie daar! Onze gastheer!" zeide hij tot den molenaar gewend, die door de krakende deur binnen kwam. "Slaapt gij nog niet?"
"Neen, hoe kan ik slapen? Ik meende, dat de heeren slapen wilden, en daar hoor ik u spreken. Ik wilde mij hier nog een haak halen. Bijt hij ook?" vroeg de boer en ging voorzichtig op zijn bloote voeten de honden voorbij.
"Een kostelijke nacht!" zeide Wesslowsky. "Daar zingen immers vrouwen en lang niet kwaad! Wie zingt daar mulder?"
"Dat zijn de dienstmeisjes van de hoeve hiernaast."
"Laat ons nog wat gaan wandelen; wij slapen toch niet in. Kom Oblonsky."
"Hoe kan dat nu: hier blijven liggen en te gelijkertijd gaan wandelen?" zeide Oblonsky en rekte zich uit. "We liggen hier zoo lekker."
"Nu, dan ga ik alleen," antwoordde Wesslowsky opspringend en trok zijn laarzen aan: "Tot weerziens, heeren! Zoodra het amusant wordt, zal ik je roepen."
"Niet waar? Een kerel van goud!" zeide Oblonsky, toen Wesslowsky weg was en de boer de deur achter hem had toegedaan.
"Zonder twijfel!" verzekerde Lewin, die nog altijd aan het onderwerp van hun gesprek dacht. Hij meende toch zijn gedachten, voor zoover hij dit kon, duidelijk te hebben uitgesproken, en toch zeiden deze beide menschen, die alles behalve dom en heel oprecht waren, eenparig, dat hij zich met sophismen troostte. Dat had hem in verlegenheid gebracht. "Ja, vriendje, zoo is het: of men moet de tegenwoordig bestaande maatschappelijke verhoudingen als billijk erkennen en ze verdedigen, of men moet bekennen, dat men zich zelf op onrechtmatige wijze in een bevoorrechte positie bevindt en zich dit voordeel, zooals ik doe, maar met genoegen ten nutte maken."
"Neen, als het een onrechtmatig voordeel was, dan zoudt ook gij dat niet met genoegen kunnen genieten, ik ten minste zou het niet kunnen. Om dat te kunnen, moet ik mij er van bewust zijn dat ik niet schuldig ben."
"Wat dunkt je? Zullen wij ook nog niet wat naar buiten gaan?" vroeg Stipan Arkadiewitsch, die het moede werd zijn gedachten nog meer in te spannen. "Inslapen doen wij toch niet. Laat ons dus gaan!"
Lewin gaf geen antwoord. Het zooeven uitgesproken woord, dat hij slechts negatief rechtvaardig handelde, had hij nog niet kunnen verkroppen.
"Is het mogelijk, dat men rechtvaardig zijn kan, als men slechts negatief handelt?" vroeg hij zich af.
"Hoe sterk riekt dit versche hooi!" zeide Stipan zich oprichtend. "Ik slaap toch niet in. Wesslowsky schijnt daar wat uit te voeren. Hoor je wel, hoe ze lachen? Dat is zijn stem. Laat ons er toch ook heengaan."
"Neen, ik ga niet," antwoordde Lewin.
"Is dat misschien ook uit principe?" vroeg Stipan Arkadiewitsch lachend en zocht daarbij in het donker naar zijn muts.
"Niet uit principe; maar wat zal ik daar doen?"
"Hoor eens: jij zult je nog wat op den hals halen!" zeide Stipan, die eindelijk zijn muts gevonden had.
"Hoe zoo?"
"Meent ge, dat ik niet gezien heb, hoe je naar uw vrouw geloopen zijt? Ik heb het wel gehoord, hoe het tusschen u beiden een kwestie van het grootste gewicht was, of ge twee dagen op de jacht mocht gaan of niet. Dat is in een idylle heel mooi, maar zijn geheele leven door kan men dat niet volhouden. De man moet zorgen, dat hij altijd onafhankelijk blijft, hij heeft immers zijn eigen mannelijke belangen. De man moet man zijn...." meende Stipan en opende de deur.
"Dat wil zeggen, hij moet de dorpsmeisjes het hof maken?" vroeg Lewin.
"Waarom niet, wanneer hij er plezier in heeft? Ça ne tire pas à conséquence. Mijn vrouw gaat het er niet slechter om en ik heb er pret mede. De hoofdzaak is slechts, dat ons eigen huis ons heilig is. In huis mag niets voorvallen, voor de rest behoeft men zich zelf echter de handen niet te binden."
"'t Is mogelijk!" antwoordde Lewin droog en ging op de andere zijde liggen. "Ik wil morgen vroeg opstaan en reeds bij zonsopgang de deur uit. Van ulieden zal ik niemand wekken."
"Messieurs! Venez vite!" klonk de stem van den terugkeerenden Wesslowsky. "Charmante! Ik heb ze ontdekt! Charmante! Een waar Gretchen!"
Lewin deed, alsof hij sliep. Oblonsky stak een sigaar op, verwijderde zich met Wesslowsky en spoedig vernam men het geluid der stemmen niet meer.
Lewin kon langen tijd niet inslapen. Hij hoorde zijn paarden beneden zich het hooi eten en hoe de molenaar met zijn oudsten zoon naar de nachtweide reed. Hij dacht aan den dag van morgen. "Morgen ga ik heel vroeg en zal mij niet overijlen. Er zijn daar een menigte watersnippen en groote snippen, en kom ik dan weer hier terug, dan vind ik Kitty's brief. Ja, ik gedraag mij niet als een man tegenover haar; ik ben geheel verwijfd geworden ... Maar wat te doen? Weer slechts negatief handelen!"
In zijn halve sluimering hoorde hij het lachen en het vroolijke gebabbel van Stipan en Wesslowsky. Hij sloeg de oogen op. De maan scheen. In haar helder licht zag hij beiden in de open deur staan. Stipan zeide iets van de frischheid van het meisje en vergeleek haar bij een noot, die van den bast ontdaan was, en Wesslowsky herhaalde lachend de door een boer gesproken woorden: "Maak maar, dat je zelf een vrouw krijgt!" en Lewin zeide slaperig: "Heeren, morgen bij het aanbreken van den dag...." en sliep in.
XIV.