Part 38
In Lewins huis, dat zoo lang ledig was geweest, waren nu zooveel menschen, dat bijna alle kamers bezet waren, en bijna elken dag moest de oude vorstin, voor zij aan tafel ging zitten, de hoofden tellen om het dertiende kleinkind aan een afzonderlijke tafel te plaatsen. Ook Kitty, die zich zeer druk maakte met de huishouding, had moeite genoeg al de hoenders, kalkoenen en eenden te verschaffen, die de goede eetlust harer gasten zoozeer behoefde.
Terwijl de kinderen in de kamer thee dronken, zaten de volwassenen op het balkon.
"Gij kunt er op aan, wat ik u zeg. Alexander komt niet mee," zeide de oude vorstin.
Men verwachtte namelijk met den avondtrein Stipan Arkadiewitsch, en de oude vorst had geschreven, dat hij misschien mede zou komen.
"En waarom?" ging de oude dame voort. "Hij zegt, dat men jonggetrouwden aan zich zelf moet overlaten."
"Papa heeft ons reeds genoeg alleen gelaten; hij is nog nooit hier geweest," zeide Kitty. "En welk een jong echtpaar zijn wij? We zijn reeds oud genoeg."
"Maar wanneer hij niet komt, dan neem ik ook afscheid, kinderen," zei de oude vorstin met bekommerde zucht.
"Waar denkt ge aan, mama!" vielen haar nu haar dochters aan.
"Bedenkt toch, hoe het hem, nu hij alleen is, te moede moet zijn! Want nu...." En plotseling, geheel onverwachts begon de stem der vorstin te beven. De dochters zwegen en zagen elkander aan. "Mama haalt zich altijd treurige dingen in 't hoofd," spraken haar blikken. Zij wisten niet, dat, hoe behagelijk zich de vorstin ook bij haar dochter gevoelde en hoewel zij haar aanwezigheid hier voor noodig hield, het haar en haar man treurig te moede was, sedert ook haar laatste, haar lievelingsdochter getrouwd was en haar familienest zoo geheel was verlaten.
"Wat wilt ge, Agasija Michailowna?" vroeg Kitty plotseling aan de met een geheimzinnig en gewichtig gelaat naast haar staande keukenmeid.
"Over het avondeten...."
"Ach, is het al weer zóó laat," zeide Dolly. "Ga gij nu heen om er voor te zorgen, dan zal ik intusschen met Grischa de les repeteeren. Hij is vandaag lui geweest."
"Dat is me ook een les! Neen, Dolly, ik zal gaan," riep Lewin opspringende.
Grischa, die op het gymnasium zou komen, moest voor dien tijd in dezen zomer nog al zijn lessen herhalen.
Dolly had reeds altijd in Moskou met haar zoon Latijn gewerkt, en toen zij nu bij de Lewins gekomen was, had zij het zich tot een regel gemaakt, ten minste eenmaal daags de moeielijkste Latijnsche thema's en rekenkundige voorstellen met hem te repeteeren. Lewin had aangeboden dit voor haar te doen; maar toen de moeder eens zijn onderwijs had aangehoord, bemerkte zij, dat hij anders onderwees dan de leeraar in Moskou.
Eenigszins verlegen, omdat zij Lewin niet beleedigen wilde, antwoordde zij hem toch vastberaden, dat er precies naar het boek gerepeteerd moest worden, zooals de onderwijzer gewoon was, en dat het beter was, dat zij dit zelf deed.
Het verdroot Lewin, dat Stipan Arkadiewitsch uit louter traagheid niet zelf over het onderwijs zijner kinderen waakte, maar dit aan de moeder overliet, die toch van het onderwijs, dat zij geven moest, zelf niets begrijpen kon. Daarom beloofde hij zijn schoonzuster, geheel in haar geest en in dien van den leeraar te onderwijzen, hoewel hij het volstrekt niet met deze methode eens was, en hij ging voort zich met Grischa bezig te houden. Maar hij vergat somtijds den tijd en zoo ook heden.
"Neen, Dolly, blijf zitten. Terstond zal alles in orde zijn!" zeide hij en nam het boek. "Alleen wanneer Stiwa komt en wij op de jacht mochten gaan, zal ik het uur verzuimen." En hij ging naar Grischa.
Intusschen had ook Warenka op dezelfde wijze tot Kitty gesproken. Zij wist zich ook in het gelukkige, comfortabele huis van Lewin nuttig te maken.
"Blijf gij zitten, Kitty, voor het avondeten zal ik zorgen," zeide zij en ging naar Agasija Michailowna.
"Ja, ja, maar waarschijnlijk zullen er geen kuikens te krijgen zijn. Dan moeten wij van ons eigen...." zeide Kitty.
"Zeer goed, wij zullen alles met Agasija Michailowna overleggen!" En Warenka verdween.
"Welk een net meisje!" zeide de vorstin.
"Meer dan net, mama," zeide Kitty, "zij is er een, zooals er geen tweede bestaat!"
"Dus gij verwacht Stipan Arkadiewitsch?" mengde zich Sergej Iwanowitsch in het gesprek. "Twee meer verschillende zwagers zijn er niet," voegde hij er fijntjes lachend bij; "de een levendig en als de visch in het water, slechts in de gezellige kringen thuis, de ander, onze Kostja, ook levendig, haastig en voor alles ontvankelijk, maar in gezelschappen als verstijfd, of hij slaat om zich heen als een visch op het droge."
"Ja, hij is zeer lichtzinnig," zeide de vorstin tot Sergej gewend. "Ik wou u juist verzoeken er eens met hem over te spreken, dat zij (ze wees op Kitty) onmogelijk hier kan blijven; ze moet noodzakelijk naar Moskou verhuizen. Hij zegt, dat hij een dokter wil laten komen."
"Mama, hij zal alles doen! Hij keurt alles goed!" zeide Kitty, die zich over haar moeder ergerde, omdat zij in deze aangelegenheid Sergej Iwanowitsch tot rechter wilde maken.
Midden in dit gesprek hoorde men in de allee het snuiven van paarden en het rollen van wielen over het kiezelzand.
Dolly had nog geen tijd gehad om op te staan, ten einde haar man te gemoet te snellen, toen Lewin reeds uit het venster van de kamer sprong, waar Grischa zijn les leerde en dezen er door beurde.
"Dat is Stiwa!" riep Lewin van beneden. "Wij zijn met de les klaar, Dolly! Wees onbezorgd!" voegde hij er bij.
"Is, ea, id; ejus, ejus, ejus!" riep Grischa, die hard begon te loopen en reeds in de allee zijn vader tegen sprong. Lewin snelde hem echter aan den wagen te gemoet.
"En er is nog iemand in. Wel het is papa!" riep hij van den ingang der allee terug. "Kitty! ga die steile trap niet af! Ga achterom!"
Maar Lewin had zich in zijn veronderstelling vergist, dat de naast Stipan in den wagen zittende de oude vorst was; hij bemerkte spoedig een knappen, welgedanen jongen man met een Schotsche muts met lange linten van achteren. Dit was Wassenka Wesslowsky, een verre bloedverwant der Tscherbatzky's, een Petersburg-Moskouer en elegant jong mensch, "een kapitale kerel en hartstochtelijk jager," zooals Stipan hem voorstelde.
Volstrekt niet verlegen over de teleurstelling, die hij veroorzaakt had, doordien men zijn persoon met dien van den vorst had verwisseld, begroette Wesslowsky Lewin zeer vergenoegd, terwijl hij hem aan hun vroegere kennismaking herinnerde. Toen hief hij Grischa in den wagen en zette hem op den pointer, dien Stipan Arkadiewitsch meegebracht had.
Lewin steeg niet in den wagen, maar ging er achter. Hij was eenigszins ontstemd, dat de oude vorst niet medegekomen was, van wien hij steeds meer was gaan houden, hoe meer hij hem leerde kennen; het ergerde hem ook, dat deze Wassenka Wesslowsky, een geheel vreemd en overtollig persoon, medegekomen was. Dit scheen bij hem nog meer, toen hij zag, hoe hij op de balkontrap, waar zich groot en klein verzameld had, op een beleefde en galante wijze Kitty's hand kuste.
"Ik ben uw vrouws neef, oude kennissen!" zei Wassenka, Lewins hand stevig drukkend.
"Is er veel wild?" vroeg Stipan reeds aan Lewin, hem nauwelijks tijd latend om ieder te begroeten. "Wij hebben vreeselijke plannen met hem! Hier, Tania! Dat is voor jou. Haal eens, wat daar achter in de kales ligt!" Zoo sprak hij naar alle kanten. "Hoe frisch zie je er uit, Dollinka!" zeide hij tot zijn vrouw en kuste haar voor de tweede maal de hand. Toen hield hij deze in zijn linkerhand en sloeg er zachtjes met de rechter op.
Lewin zag Stipan wrevelig aan. Alles, wat hij sprak en deed, beviel hem niet.
"Wien heeft hij gisteren wel met deze lippen gekust?" dacht hij bij het zien van zijn teederheden jegens zijn vrouw. Hij zag Dolly aan en ook zij beviel hem niet. "Zij kan toch niet aan zijn liefde gelooven! Waarom verheugt zij zich dan zoo? Afschuwelijk!"--Hij zag de oude vorstin aan, die hem nog een oogenblik te voren zoo eerwaardig had toegeschenen, maar de manier, waarop zij nu, alsof zij in haar eigen huis was, dezen Wassenka met zijn linten begroette, beviel hem ook niet. Zelfs Sergej Iwanowitsch, die juist de trap opging, scheen hem onaangenaam om de geveinsde vriendelijkheid, waarmee hij Stipan Arkadiewitsch ontving, hoewel Lewin toch wist, dat zijn broeder Oblonsky volstrekt niet lief had of achtte.--Maar het afschuwelijkst van allen scheen hem Kitty toe, die zich volkomen naar de blijde stemming voegde, waarmede deze vreemde heer zijn komst voor zich en al de overigen als een feestdag beschouwde, en hoofdzakelijk ontstemde hem het bizondere lachje, waarmede zij zijn glimlach beantwoordde.
In druk gesprek gingen allen in huis. Maar toen men plaats genomen had, keerde Lewin zich om en ging naar buiten.
Kitty bemerkte, dat er iets in haar man omging. Zij zocht een geschikt oogenblik waar te nemen om hem alleen te spreken, maar hij haastte zich om van haar los te komen en zeide, dat hij eens op de hoeve moest gaan rondzien. In lange had hem zijn bouwerij niet zoo gewichtig geschenen als nu.
"Voor haar is het altijd feestdag," dacht hij, "maar voor de zaken is er geen feestdag; zij kunnen niet wachten en zonder dezelve kan men niet leven."
IX.
Lewin keerde eerst naar haar terug, toen men hem voor het avondeten riep. Op de trap stonden Kitty en Agasija over den wijn te beraadslagen.
"Wat maakt ge toch voor omhaal? Denzelfden als gewoonlijk."
"Neen, dien drinkt Stiwa niet.... Kostja! Wacht toch! Wat scheelt je?" zeide Kitty en ging achter hem aan. Maar onbarmhartig, zonder op haar te wachten, ging hij met groote stappen naar de eetkamer en nam terstond deel aan een levendig gesprek, dat Stipan en Wassenka daar met elkander voerden.
"Nu? Hoe is het? Gaan we morgen op de jacht?" vroeg Stipan.
"Ja, toe, laat ons gaan," zei Wesslowsky, terwijl hij zijdelings op een stoel ging zitten en zijn welgedaan been onder zich trok.
"Zeer gaarne! Laat ons gaan! Zijt ge dit jaar al op de jacht geweest?" zeide Lewin, terwijl hij opmerkzaam Wesslowsky's been beschouwde, met geveinsde beleefdheid, die Kitty zoo goed in hem kende, en die hem volstrekt niet goed stond. "Ik weet niet, of wij snippen zullen vinden, maar watersnippen zijn er veel. Maar wij moeten vroeg opstaan. Zult gij ook niet te vermoeid zijn? Zijt gij niet moede, Stiwa?"
"Ik moede, ik ben nog nooit moede geweest. Wat mij aangaat, behoeven wij den geheelen nacht niet te slapen. Wij zullen gaan wandelen."
"Inderdaad! Dat zou heerlijk zijn!" bevestigde ook Wesslowsky.
"O, daarvan zijn wij overtuigd, dat gij niet behoeft te slapen en anderen ook geen tijd tot slapen zult gunnen!" zeide Dolly tot haar man met nauwelijks merkbare ironie, waarmede zij zich nu bijna altijd tot hem wendde. "Mij dunkt, het zou nu reeds tijd zijn.... Ik ga en eet van avond niet."
"Neen, blijf toch, Dollinka!" zeide hij en ging om de tafel heen naar haar toe; "ik heb u nog zooveel te vertellen."
"'t Zal wel niet veel bizonders zijn!"
"Weet gij: Wesslowsky is bij Anna geweest. Zij wonen nu slechts zeventig werst van hier. En ik wil er ook bepaald heenrijden. Wassenka! kom eens hier!"
En Wassenka ging naar de dames en nam naast Kitty plaats.
"Och, toe! Vertel ons eens! Gij zijt bij haar geweest? Hoe gaat het haar?" wendde zich Dolly tot hem.
Lewin bleef aan het andere eind van de tafel zitten en zonder zijn gesprek met Sergej en de vorstin af te breken, zag hij, dat zich tusschen Stipan, Dolly, Kitty en Wesslowsky een levendig en geheimzinnig gesprek ontspon; en dat niet alleen, hij zag ook op het gezicht zijner vrouw de uitdrukking van een ernstig gevoel, terwijl zij onafgewend in het knap gelaat van Wesslowsky zag, die levendig iets vertelde.
"Het is heel prettig bij hen," verhaalde hij van Wronsky en Anna; "ik mag mij trouwens geen oordeel aanmatigen, maar men gevoelt zich bij hen, alsof men tot de familie behoort."
"Wat denken zij te doen?"
"Ik geloof, dat hun plan is den winter in Moskou door te brengen."
"Hoe goed zou het zijn, als wij elkaar allen bij hen ontmoetten! Wanneer gaat gij weer naar hen toe?" vroeg Stipan aan Wassenka.
"Ik denk de maand Juli bij hen door te brengen."
"En gij? Wanneer wilt gij er heen?" vroeg hij zijn vrouw.
"Ik heb het reeds lang willen doen en ga er bepaald heen," antwoordde Dolly. "Ik heb medelijden met haar. Ik ken haar. Zij is een uitstekende vrouw. Ik ga alleen, wanneer gij weg zijt; dan val ik niemand lastig. Het is zelfs beter zonder u."
"Zeer goed," zeide Stipan. "En gij, Kitty?"
"Ik? Wat zou ik daar doen?" vroeg Kitty rood wordend. En zij wendde haar oogen naar Lewin.
"Kent gij Anna Arkadiewna?" vroeg Wesslowsky haar; "zij is een buitengewoon aantrekkelijke vrouw."
"Ja!" antwoordde zij nog sterker blozend, stond op en ging naar Lewin.
"Gaat ge morgen op de jacht?" vroeg ze.
Zijn ijverzucht was in deze weinige oogenblikken, vooral toen hij den blos zag, die haar wangen bedekte, terwijl zij met Wesslowsky sprak, reeds zeer hoog gestegen. Nu legde hij haar woorden op zijn manier uit. Hoe dwaas het hem ook later scheen, nu was het hem duidelijk, dat zij deze vraag slechts tot hem richtte, omdat zij gaarne dit genoegen wilde bereiden aan Wesslowsky, op wien ze naar zijn voorstelling nu reeds verliefd was.
"Ja zeker!" antwoordde hij met een onnatuurlijke stem, die hem zelf onaangenaam toeklonk.
"Maar zou het niet beter zijn, dat gij morgen nog thuis bleeft? Anders heeft Dolly niets aan haar man. Gij kunt dan overmorgen gaan." De eigenlijke zin dezer woorden werd zoo door Lewin verklaard: "scheid mij niet zoo spoedig van hem. Of gij heengaat, is mij onverschillig, maar gun mij morgen nog het gezelschap van dezen bekoorlijken jongen man.--Zoo ge wilt, kunnen wij ook morgen nog thuis blijven!" antwoordde Lewin met gemaakte beleefdheid.
Intusschen was ook Wesslowsky, die niet vermoedde, welk lijden zijn aanwezigheid veroorzaakte, van tafel opgestaan en Kitty met een vriendelijk lachenden blik volgend, naderde hij haar weer. Lewin zag dezen blik. Hij verbleekte en een oogenblik begaf hem de adem.
"Dus morgen? Mooi, dan gaan we!" zei Wesslowsky, viel op een stoel neer en trok zijn been weer onder zich. Lewins ijverzucht groeide aan. Hij zag zich reeds als bedrogen echtgenoot, wien de vrouw en haar minnaar slechts noodig hadden om hen de genoegens en gemakken des levens te verschaffen.--Toch vroeg hij zijn gast vriendelijk en beleefd naar zijn jachtpartijen, zijn geweer, zijn laarzen en sprak met hem af morgen op de jacht te gaan.
Tot Lewins geluk maakte de oude vorstin een eind aan zijn lijden, door op te staan, terwijl zij Kitty den raad gaf dadelijk naar bed te gaan. Maar ook dit liep niet zonder nieuwe smart voor Lewin af. Toen namelijk Wesslowsky van de gastvrouw afscheid nam, wilde hij haar weer de hand kussen, maar Kitty onttrok ze hem met naïve ruwheid, waarvan haar moeder haar later een verwijt maakte, terwijl ze zeide:
"Dat is bij ons geen gewoonte."
In Lewins oogen echter had zij schuld, omdat zij deze verhouding reeds zoover had laten komen, en nog meer, omdat zij hem haar misnoegen daarover zoo onbeleefd te kennen gaf.
"Hoe kan men nu reeds slapen!" zeide Stipan Arkadiewitsch, die nu na den bij het avondmaal gedronken wijn in zijn geliefkoosde, zalige stemming geraakt was.
"Zie, Kitty," ging hij voort en wees naar de achter de linden opkomende maan: "Hoe schoon! Nu een serenade, Wesslowsky! Weet ge, hij heeft een heel mooie stem. Wij hebben onderweg gezongen. Hij heeft twee zeer schoone romancen meegebracht, de nieuwste. Hij moet ze eens met Warenka Andrejewna zingen."
X.
Toen men elkander goeden nacht gezegd had, gingen Oblonsky en Wesslowsky nog lang in de allee op en neer, en men hoorde hun stemmen, toen zij de nieuwe romancen, zongen.
Lewin, die nu met zijn vrouw alleen was, beantwoordde geruimen tijd haar herhaalde vraag niet, wat hem toch scheelde? Maar eindelijk, toen zij zelf hem met een bedeesd lachje vroeg:
"Is u misschien iets aan Wesslowsky niet bevallen?" toen barstte hij los, het eene woord viel er na het andere uit en hij zeide haar alles.
Wat hij toen uitsprak, deed hem zelf zeer, maar daardoor wond hij zich nog meer op.
Hij stond voor haar, met van toorn stralende blikken en grimmig samengetrokken wenkbrauwen; hij drukte zijn gespierde handen tegen de borst, als moest hij al zijn krachten inspannen om zich in te houden. Zijn houding zou belachelijk geweest zijn, als zich daarin niet al zijn kwellend zelfbedwang had uitgesproken. De uitdrukking van zijn gelaat zou hard, ja wreed geweest zijn, wanneer die niet tevens een hevig lijden, waardoor hij zich vernederd gevoelde, verraden had. Zijn kin beefde en zijn stem was gebroken. "Jaloersch ben ik niet! Dat is een belachelijk woord! Ik kan niet jaloersch zijn en denken, dat.... Ik kan niet uitspreken, wat ik gevoel, maar het is verschrikkelijk.... Ik ben niet jaloersch, beleedigd ben ik, vernederd, omdat iemand het wagen kan te gelooven ... het wagen kan u met zulke oogen aan te zien...."
"Met welke oogen?" vroeg Kitty, terwijl zij zich zoo nauwkeurig mogelijk alle woorden en gebaren van dien avond zocht te herinneren. In den grond van haar hart vond zij trouwens, dat er iets in dien blik gelegen had, waarmee hij haar van het andere eind van de tafel was gevolgd, maar dat waagde zij zich zelf niet te bekennen, veel minder kon zij er toe besluiten het Lewin mee te deelen en daardoor zijn lijden slechts te vergrooten. "En wat zou er aan mij dan voor aantrekkelijks zijn...."
"Ach!" riep hij en greep zich naar het hoofd: "Hadt ge dat toch niet gezegd! Dus, wanneer gij aantrekkelijk waart...."
"Ach neen, Kostja, wacht toch! Hoor dan toch!" zeide zij deelnemend en medelijdend: "Hoe kunt ge zoo iets denken? Mogen er dan voor mij in 't geheel geen menschen bestaan, geen.... Zeg, wilt ge dan, dat ik niemand zien zal?"
In het eerste oogenblik had zijn jaloezie haar beleedigd; het ergerde haar, dat haar zelfs de kleinste en onschuldigste verstrooiing verboden zou zijn, maar nu had zij gaarne deze kleinigheden, ja alles opgeofferd om hem slechts gerust te stellen en van het lijden, dat hem kwelde, te bevrijden.
"Begrijp toch het angstige en belachelijke mijner positie" ging hij in vertwijfeling fluisterend voort: "Hij bevindt zich als gast in mijn huis, hij doet eigenlijk niets onbehoorlijks, maar deze te groote vrijheid, de manier, waarop hij zijn been onder zich trekt.... Hij houdt dat voor een goeden, ja den besten toon--en zoo moet ik de rol van voorkomend gastheer tegen over hem spelen!"
"Maar Kostja! Gij overdrijft!" zeide Kitty, die zich in haar hart over de kracht zijner liefde voor haar, die zich nu in zijn jaloezie uitte, verheugde en ze toch vreesde.
"Hoofdzakelijk echter dit: gij zijt nu eenmaal voor mij iets zoo heiligs, wij zijn zoo gelukkig met elkander, zoo gelukkig op onze eigen manier, en nu komt plotseling deze erbarmelijke.... Neen, geen erbarmelijke--waarom hem uit te schelden? Wat gaat mij dat aan? Maar waarom moet uw en mijn geluk...?"
"Weet ge, nu wordt het mij duidelijk, waardoor dit gekomen is!" viel Kitty hem in de rede.
"Nu? Waardoor? waardoor dan?"
"Ik heb bemerkt, hoe gij ons aanzaagt, toen wij ons daar aan tafel met elkander onderhielden...."
"Nu ja! Ja!" zeide Lewin geheel verschrikt.
Zij vertelde hem alles, wat zij daar gesproken hadden. Lewin hoorde zwijgend toe, toen zag hij onderzoekend in haar bleek, bedeesd gelaat en greep zich plotseling naar het hoofd.
"Kitty, vergeef mij! Ik heb u gekweld, mijn lieveling! Dat is immers niets als waanzin! Katja, ik heb groot ongeluk. Hoe kan men zich nu om zulken onzin kwellen!"
"Neen, ik heb met u te doen...!"
"Met mij? Wat ben ik? Een waanzinnige...! En daaronder zoudt gij lijden? Maar het is verschrikkelijk te denken, dat ieder vreemd mensch ons geluk zou kunnen verstoren!"
"Dat is waar! Dat is bepaald beleedigend!"
"Maar nu zal hij juist den geheelen zomer bij ons blijven en ik zal hem met attenties overladen!" zei Lewin haar de handen kussend: "Gij zult zien! Reeds morgen.... Ja, dat is waar, morgen gaan wij immers op de jacht...."
XI.
Den volgenden morgen, voor de dames waren opgestaan, hielden de jachtwagens voor de trap stil en Laska, die reeds lang begrepen had, dat men op de jacht ging, zat, nadat hij zich moe gesprongen en gejankt had, naast den koetsier op den bok, van waar hij onrustig, opgewonden en afkeurend door de deur naar de jagers keek, die nog steeds niet kwamen.
De eerste, die verscheen, was Wassenka Wesslowsky met hooge nieuwe laarzen, die tot over de helft der welgedane dijen reikten, met een groen jachtbuis, met een nieuwe, sterk naar leer riekende patroontasch omgord, met zijn muts met linten en met een nieuw Engelsch geweer zonder ring aan den riem. Kort daarop ging weer een deur open en zich draaiend en keerend sprong Kraak, de bont-gevlekte pointer van Stipan Oblonsky, naar buiten, en deze zelf verscheen met een geweer in de hand en een sigaar in den mond.
"Tubo, tubo, Kraak!" riep hij vriendelijk den hond toe, die hem met zijn pooten tegen den buik en de borst opsprong en er mee in de weitasch bleef hangen. Stipan was getooid met een soort schoenen uit één stuk leer, met een gescheurde broek en een kort jasje; op zijn hoofd zat de ruïne van een hoed, maar zijn geweer, een geweer van het allernieuwste systeem, geleek op een speeltuig, en wei- en patroontasch, hoewel er versleten uitziende, waren van het beste materiaal.
Wassenka Wesslowsky had tot nu toe geen denkbeeld gehad van deze echte jacht-chique om zich in lompen te kleeden, maar zijn jachtbenoodigdheden waren altijd in den besten staat. Eerst nu begreep hij dit, toen hij de elegante weldoorvoede en lustige jonkersgestalte van Stipan in zijn lompen aanschouwde, en hij besloot zich op de volgende jacht ook zoo te kleeden.
"Nu? en waar blijft onze gastheer?" vroeg hij.
"Een jonge vrouw!" zei Stipan lachend.
"Ja en zulk een bekoorlijke!"
"Hij was reeds in aantocht. Hij zal wel weer naar haar toegeloopen zijn."
Stipan Arkadiewitsch had juist gegist. Lewin was weer naar zijn vrouw geloopen om haar nog eens te vragen, of zij hem zijn domheid van gisteren wel geheel vergeten had, en haar te smeeken om Gods wil toch ook heel voorzichtig te zijn. "Gij moet u vooral de kinderen van het lijf houden, zij zouden u kunnen stooten!" En toen moest zij hem nogmaals verzekeren, dat ze niet meer boos op hem was; twee dagen zou hij wegblijven, maar hij verzocht haar echter hem morgen een briefje te zenden, slechts twee woorden, opdat hij wist, of het haar goed ging. Daarna had hij nog allerlei schikkingen, de zaken betreffende, te maken, en eindelijk reed het jachtgezelschap weg.
Toen Lewin alle zorgen over zijn zaken en zijn gezin achter zich had, gevoelde hij zulk een levensvreugde en blijde verwachting, dat hij niet in staat was te spreken.
Oblonsky ging het eveneens. Hij was ook niet spraakzaam. Maar Wesslowsky babbelde onophoudelijk. Terwijl Lewin naar hem luisterde, schaamde hij zich, dat hij gisteren zoo onrechtvaardig tegen hem geweest was. Wesslowsky was werkelijk een beste jongen, eenvoudig, goedhartig en zeer vroolijk. Zijn optimistische opvatting van het leven en een zeker nobel laisser aller deden echter Lewin eenigszins onaangenaam aan; hij scheen van meening, dat zijn lange nagels, zijn met linten getooid mutsje en zulke dingen meer hem een hooge beteekenis gaven; maar dat kon men in hem verontschuldigen om zijn net gedrag en zijn goedhartigheid.
Nadat zij drie werst gereden hadden, bemerkte Wesslowsky plotseling, dat hij zijn brieventasch miste. Hij moest ze onderweg verloren of thuis gelaten hebben. Er bevonden zich driehonderd en zeventig roebel in, en dus werd de koetsier met één paard teruggezonden om te zoeken, terwijl Lewin nu met de beide andere zelf reed.
"Welke marschroute nemen we?" vroeg Stipan.