Anna Karenina

Part 36

Chapter 36 4,135 words Public domain Markdown

"Gij weet, Alexei," zei ze na hem te hebben aangehoord, "hoe veel ik van je houd, en hoe ik bereid ben alles voor je te doen. Maar ik heb gezwegen, daar ik wist, dat ik u en Anna Arkadiewna ..." Zij zeide niet alleen Anna, maar uitdrukkelijk Anna Arkadiewna. "Ik bid u, meen niet, dat ik haar veroordeel! Dat nooit! Ik had in haar plaats misschien ook zoo gehandeld. Maar laat ons daar niet van spreken! "Wij behoeven niet in bizonderheden te treden, zeide zij, en zag hem verlegen in het betrokken gelaat. "Maar men moet de zaak toch bij haar naam noemen. Gij wilt, dat ik haar zal bezoeken en ontvangen om haar zoo weer in de wereld te rehabiliteeren, maar gij moet het inzien, dat _kan_ ik niet. Mijn dochters zijn volwassen en om harentwil moet ik in de wereld leven. Dus kort en goed: ik bezoek Anna Arkadiewna, dan zal zij toch inzien, dat ik haar niet bij mij kan uitnoodigen, of ik zou het zoo moeten inrichten, dat zij degenen, die daar omtrent een andere meening hebhen, niet ontmoet; en dat zal haar beleedigen. Verheffen kan ik haar niet, integendeel ik zou ..."

"Ik echter meen, dat zij niet dieper gevallen is, dan honderd andere vrouwen, die gij ontvangt," viel Wronsky haar onvriendelijk in de rede en daar hij zag, dat haar besluit vast stond, zweeg hij stil en stond op.

"Alexei! wees niet boos op mij! Ik bid je, begrijp toch, dat ik geen schuld heb!" zeide zij en zag hem met een verlegen lachje aan.

Maar zijn voorhoofd werd niet weder effen. "Ik ben niet boos op u," zeide hij. "Maar het spijt mij zeer. Het spijt mij, omdat onze vriendschap er door verbroken, ten minste er zeer door verminderd wordt. Gij zult begrijpen, dat dit voor mij ook niet anders mogelijk is." En hiermee verliet hij Warja.

Wronsky zag nu in, dat verdere pogingen vergeefsch waren en dat zij de weinige dagen in Petersburg als in een vreemde stad moesten doorbrengen. Zij moesten alle aanraking met hun vroegeren vriendenkring vermijden om zich niet aan onaangenaamheden en beleedigingen bloot te stellen. De grootste onaangenaamheid in Petersburg echter was deze, dat, zooals het scheen, Alexei Alexandrowitsch en zijn naam overal waren. Men kon geen gesprek aanknoopen, zonder dat het op Alexei Alexandrowitsch viel, men kon nergens heen rijden zonder hem te ontmoeten. Zoo ten minste scheen het Wronsky toe, als een mensch met een zeeren vinger; al gaat hij er nog zoo voorzichtig mee om, overal stoot hij er zich mede.

Het verblijf in Petersburg was voor Wronsky nog pijnlijker door de omstandigheid, dat hij Anna in een geheel nieuwe, voor hem onbegrijpelijke stemming zag. Nog pas op hem verliefd, werd zij terstond daarna koud, prikkelbaar en ongenaakbaar. Er kwelde haar iets, dat zij voor hem geheim hield; de beleedigingen, die zijn leven vergiftigden, scheen zij niet te bemerken en daardoor maakte zij ze voor hem nog te pijnlijker.

II.

Een van de redenen, die Anna bewogen hadden naar Rusland terug te keeren, was het verlangen naar haar zoon. Sedert den dag, dat zij uit Italië teruggekeerd waren, had de gedachte, dat zij hem weer zou zien, haar niet verlaten. Hoe meer zij Petersburg naderden, des te grooter scheen haar de vreugde en de beteekenis van dit wederzien. Zij vroeg zich af, hoe haar dit zou gelukken; het scheen haar zoo eenvoudig en natuurlijk, als zij met hem in dezelfde stad was. Maar reeds terstond na haar aankomst in Petersburg werd haar haar tegenwoordige verhouding tot de wereld duidelijk en zij begon in te zien, dat het lang niet gemakkelijk zou zijn haar zoon te zien.

Reeds twee dagen was zij in Petersburg geweest en de gedachte aan haar zoon had haar geen oogenblik verlaten, maar nog had zij hem nergens gezien. Hem in zijn huis te bezoeken, waar zij Alexei Alexandrowitsch zou kunnen ontmoeten, daar had zij het recht niet toe. Men zou haar kunnen afwijzen en beleedigen. Aan haar man te schrijven was haar een kwellende gedachte. Haar zoon eens toevallig op een wandeling te ontmoeten was haar niet voldoende; zij had zich zoo op dit weerzien voorbereid, zij had hem zooveel te zeggen, zij wilde hem omarmen en kussen! Serëscha's oude kindermeid had haar met raad en daad kunnen bijstaan, maar deze woonde niet meer bij Karenin. Met dergelijke overleggingen waren twee dagen voorbijgegaan.

Den derden dag eindelijk, nadat zij de betrekking tusschen gravin Lydia Iwanowna en Alexei Alexandrowitsch vernomen had, besloot zij aan deze een brief te schrijven, die haar zeer veel zelfbeheersching kostte en waarin zij met opzet liet doorschemeren, dat de toestemming om haar zoon te zien van de grootmoedigheid van Alexei Alexandrowitsch zou afhangen, want zij wist, dat, indien hem deze brief in handen kwam, hij niet zou kunnen weigeren zijn begonnen grootmoedige rol te spelen.

De bode had haar het minst verwachte en wreedste bericht teruggebracht, dat zij geen antwoord zou ontvangen. Dat vond zij verschrikkelijk. Nog nooit had zij zich zoo vernederd gevoeld als bij het verhaal van den bode van zijn ontvangst, zijn lang wachten en het eindelijk ontvangen bericht, dat men geen antwoord zou geven; maar zij begreep, dat de gravin van haar standpunt gelijk had. Haar smart was des te grooter, nu zij die alleen moest dragen; zij kon en wilde die Wronsky niet mededeelen. Zij wist, dat voor hem, die toch de hoofdoorzaak van haar ongeluk was, een ontmoeting met haar zoon van weinig belang was; zij wist, dat hij nooit in staat zou zijn haar gevoel te begrijpen; zij wist, dat zij hem haten zou om den koelen toon, waarop hij hiervan zou spreken, en dit vreesde zij het allermeest en hield het zorgvuldig voor hem geheim. Zij bleef den geheelen dag thuis en peinsde op middelen om haar zoon te kunnen zien. Eindelijk besloot zij aan haar man zelf te schrijven. Zij had den brief reeds af, toen haar een brief van gravin Lydia gebracht werd. Had het zwijgen der gravin haar vernederd, de brief en alles, wat zij tusschen de regels las, beleedigde en griefde haar zoo zeer, deze boosaardigheid tegenover haar hartstochtelijke, rechtmatige teederheid voor haar zoon scheen haar zoo vreeselijk toe, dat zij nu nog slechts toorn tegen anderen gevoelde en ophield zich zelf aan te klagen.

"Deze koelheid is een verloochening van hun gevoel! Zij willen mij alleen beleedigen en het kind martelen, opdat ik mij aan hen onderwerp. Maar dit in geen geval! Zij zijn slechter dan ik, want ik veins ten minste niet!" En terstond besloot zij morgen, op haar zoons verjaardag, rechtstreeks naar het huis van haar man te rijden, de bedienden om te koopen of te misleiden en het ging hoe het ging, haar zoon te zien en dit afschuwelijk samenweefsel van leugens, waarmee zij het kind omsponnen, voor hem te ontwarren.

Zij begaf zich naar een speelgoedwinkel, kocht wat speelgoed en vormde haar plan. Zij wilde reeds 's morgens om acht uur, als Alexei Alexandrowitsch zeker nog sliep, er heen rijden, geld in de hand nemen om dit den portier en den bediende te geven en hun zeggen, dat zij uit naam van een van Serëscha's peetooms hem kwam gelukwenschen, en dat haar uitdrukkelijk was opgedragen het speelgoed voor zijn bed te zetten. Zij overlegde ook bij zich zelf, met welke woorden zij haar zoon zou verklaren, waarom men hen gescheiden had.

III.

Den volgenden morgen om acht uur steeg Anna uit een huurkoets en schelde aan de groote poort van haar vroeger huis.

"Ga eens zien, wat zij wil. Het is een dame," zei Kapitonitsch, die nog niet gekleed was en op pantoffels en een haastig aangeschoten jas door het venster de dame, die voor de deur stond, gewaar werd.

Nauwelijks had zijn helper, een jonge man, die Anna onbekend was, de deur geopend, of zij trad binnen, nam uit haar mof een banknoot van drie roebels en drukte hem die snel in de hand.

"Serëscha, Sergej Alexeïtsch!" stotterde zij en trad vooruit. Na een blik op den banknoot geworpen te hebben, hield haar de helper van den portier bij de tweede glazen deur staande.

"Wie verlangt u te zien?"

Maar zij hoorde en antwoordde niet.

Nu ging Kapitonitsch, die de verlegenheid der vreemde bemerkte, zelf naar haar toe en vroeg, wat zij begeerde.

"Van vorst Skorodumof aan Sergej Alexeïtsch!" antwoordde zij.

"Nog niet opgestaan," zei de portier en beschouwde haar opmerkzaam. Anna had niet verwacht, dat de zoo geheel onveranderd gebleven inrichting van de voorkamer in dit huis haar zóó zou aangrijpen. Smartelijke en blijde herinneringen verdrongen zich in haar geest en voor een oogenblik vergat zij geheel, waarom zij gekomen was.

"Wil u zoo goed zijn een oogenblik te wachten," zei Kapitonitsch en nam haar den pelsmantel af. Toen zag hij haar in 't gezicht, herkende haar en maakte zwijgend een diepe buiging.

"Wees zoo goed binnen te treden, excellentie!" zei hij hierop.

Zij wilde spreken, maar de stem begaf haar. Zij zag den oude met een smeekenden blik aan en ijlde met snelle, lichte schreden de trap op. Dewijl hij zich ver voorover boog en de pantoffels verloor, liep Kapitonitsch haar na om haar in te halen.

"Misschien is de onderwijzer daar nog niet gekleed, ik wil hem zeggen...." Maar Anna klom verder de haar wel bekende trap op, zonder iets te verstaan van hetgeen de oude zeide.

"Hier, links, excellentie! Hij woont nu in de oude hoekkamer," zeide de portier hoestend; "ik zal eens gaan zien!" ging hij voort en bleef voor de hooge deur staan. "Uw excellentie zal het verontschuldigen, dat er nog niet opgeredderd is." En hij verdween achter de deur, om terstond weer te verschijnen: "Zij zijn juist wakker!"

Anna zag en hoorde niets om zich heen. Zij kon nauwelijks het geluk bevatten, dat zij hem terstond zien zou. Maar op het oogenblik, dat de deur weer door den portier geopend werd, hoorde zij een kind geeuwen. Aan dit geluid herkende zij haar zoon en zij zag hem als levend voor zich.

"Goed, goed! ga maar heen!" zeide zij en opende de deur.

De knaap zat in zijn bed met voorovergebogen lichaam en hield juist met geeuwen op. Zijn lippen sloten zich tot een zalig, droomerig lachje en toen legde hij zich weer langzaam en welbehagelijk neer.

"Serëscha!" fluisterde zij bijna onhoorbaar en naderde hem. Dat was hij, maar toch niet zooals zij hem zich had voorgesteld. Gedurende hun scheiding en in haar vurig verlangen naar hem, had zij zich hem als kind van vier jaren voorgesteld, toen zij hem het meest bemind had. Nu was hij zelfs niet meer zoo, als toen zij hem verlaten had, hij had zich van het vierjarig kind nog verder verwijderd en was nog grooter en magerder geworden! Wat is dat? Hoe mager is zijn gezicht en hoe kort is zijn haar! Hoe lang zijn zijn armen! Wat is hij veranderd, sedert zij hem verlaten heeft! Maar hij was het toch, hij, hij, hij! Dat was de vorm van zijn hoofd, dat waren zijn lippen, zijn poezel halsje, zijn breede schouders!

"Serëscha!" herhaalde zij.

Hij richtte zich weer in het bed op, wendde het hoofd naar beide zijden, alsof hij iets zocht en opende de vastgesloten oogen. Stil en vragend zag hij zijn moeder, die voor hem stond, aan, lachte gelukkig en sloot de oogen weer, ging echter niet weer liggen, maar boog zich knielend naar haar toe.

"Serëscha! Mijn lieve jongen!" sprak zij met bijna verstikte stem en sloeg de armen om zijn teeder lichaam, dat zich welbehagelijk tegen haar aanvleide.

Slaperig, met gesloten oogen en steeds glimlachend omhelsde hij haar over de bedleuning heen, terwijl hij haar bedekte met dien zoeten, warmen adem, die slechts aan kinderen eigen is, en begon met zijn gezicht haar hals en schouders te streelen.

"Dat wist ik," zeide hij en opende de oogen. "Vandaag ben ik jarig, ik wist dat u komen zou. Ik zal dadelijk opstaan."

Anna drukte hem hartstochtelijk tegen zich aan. Zij zag, hoe hij gedurende haar afwezigheid gegroeid en veranderd was. Zij herkende zijn lange beenen, die van onder de deken te voorschijn kwamen, maar toch kwamen ze haar vreemd voor. Zij herkende de ingevallen wangen en de kort afgeknipte haarlokjes in den nek, dien zij zoo dikwijls gekust had. Zij betastte dit alles en kon niets zeggen; tranen verstikten haar stem.

"Waarom schreit u, mama?" vroeg hij plotseling geheel wakker. "Mama, waarom schreit u?" riep hij op klagenden toon

"Ik? Ik zal niet meer schreien.... Ik schrei van vreugde. Ik heb je in zoo lang niet gezien. Ik zal het niet meer doen!" zei ze, terwijl zij de tranen inslikte en zich afwendde. "Zoo! Nu moet ge u echter aankleeden." hernam ze weer bedaard en zonder zijn hand los te laten ging zij naast zijn bed op den stoel zitten, waarop zijn kleeren gereed lagen. "Hoe kunt ge u zonder mij aankleeden? Hoe...." wilde zij vragen en eenvoudig en hartelijk met hem spreken, maar zij vermocht het niet en moest zich weder afwenden.

"Ik wasch mij niet meer met koud water, dat wil papa niet hebben. Heeft u Wassili Lukitsch gezien? Hij zal dadelijk komen. En u, u zijt op mijn kleeren gaan zitten."

En Serëscha lachte. Zij zag hem aan en lachte ook.

"Mama! lief moedertje!" riep hij uit en wierp zich in haar armen. Alsof hij eerst aan de werkelijkheid geloofde, nu hij haar zag lachen. "Dat is niet noodig," zeide hij en nam haar den hoed af, en toen, als zag hij haar eerst op dit oogenblik, wierp hij zich weer in haar armen en kuste haar.

"Nu? en wat hebt ge dan van mij gedacht? Je hebt toch niet gemeend, dat ik gestorven was?"

"Dat heb ik nooit geloofd."

"Heb je het wezenlijk nooit geloofd, mijn jongen?"

"ik wist dat het niet waar was, ik wist het!" herhaalde hij en greep haar hand, die zijn haar liefkoosde, en drukte ze aan zijn mond en begon ze te kussen.

IV.

Intusschen was Wassili Lukitsch gekomen. Eerst begreep hij niet, wie de dame was, maar toen hij uit het gesprek afleidde, dat zij de moeder was, die haar echtgenoot verlaten had en die hij niet kende, daar hij eerst na haar heengaan in het huis was gekomen, twijfelde hij, of hij binnen zou treden of niet, of hij er al of niet Alexei Alexandrowitsch kennis van moest geven. Na dit bij zich zelf overlegd ie hebben kwam hij tot het besluit, dat het zijn plicht was Serëscha op het gewone uur te wekken en dat hij er dus niet over behoefde na te denken, wie daar zat, de moeder of iemand anders; hij had slechts zijn plicht te vervullen. Dus had hij zich aangekleed, was naar de deur gegaan en opende ze nu. Maar de teederheid tusschen moeder en zoon, de klank hunner stemmen en dat, wat zij spraken, deden hem van plan veranderen. Hij schudde het hoofd en sloot de deur weer met een zucht.

"Ik zal nog vijf minuten wachten," zeide hij bij zich zelf, terwijl hij hoestte en zijn tranen afdroogde.

Intusschen waren de bedienden des huizes in rep en roer geraakt. Allen hadden gehoord, dat de Barinja teruggekomen was, dat Kapitonitsch haar had binnengelaten, dat zij nu in de kinderkamer was, dat mijnheer toch altijd precies om acht uur opstond en dadelijk zelf naar de kinderkamer ging, en allen begrepen, dat een ontmoeting der echtgenooten in ieder geval moest vermeden worden. Karnej, de kamerdienaar, kwam beneden in de portierskamer en vroeg, wie haar binnengelaten had. Toen hij vernam, dat Kapitonitsch zelf haar ontvangen en naar boven geleid had, berispte hij den oude. Kapitonitsch zweeg hardnekkig, maar toen Karnej tot hem zeide, dat hij daarom uit het huis verdiende gejaagd te worden, sprong hij op hem toe, schudde de vuist tegen hem en zeide:

"Ja, jij zoudt de Barinja niet binnen hebben gelaten, hoewel je tien jaar bij haar gediend en niets als goeds van haar ondervonden hebt. Wil je dan nu niet naar haar toegaan en tot haar zeggen: Ik verzoek u heen te gaan? Jij hebt immers verstand van hooge politiek! Zoo is het! Maar jij denkt slechts aan je zelf, hoe je u ten koste van je heer verrijken zult!"

"Soldaat!" zei Karnej en wendde zich tot de binnentredende kindermeid: "Oordeel zelf, Marfa Efimonowna, hij heeft haar binnengelaten en er niemand iets van gezegd. Alexei Alexandrowitsch zal terstond uit zijn vertrekken komen en naar de kinderkamer gaan."

"O hemel!" zeide de kindermeid, "Karnej Wassilitsch,gij moet, het ga hoe het ga, mijnheer terughouden, en ik zal heengaan om haar op de een of andere wijze te verwijderen. O hemel, o hemel!"

Toen de kindermeid de kinderkamer binnentrad, vertelde Serëscha zijn moeder juist, hoe hij met Nadenka van den berg gegleden en driemaal gevallen was. Zij luisterde naar het geluid zijner stem, beschouwde zijn gelaat on volgde zijn gebarenspel, bevoelde zijn hand, maar begreep niet, wat hij zeide. Zij dachten gevoelde slechts dit ééne, dat zij heengaan en hem verlaten moest. Zij had de schreden van Wassili Lukitsch gehoord, hoe hij de deur opende en hoestte; zij hoorde ook de schreden der naderende kindermeid, maar zij zat daar als versteend, zij kon niet spreken en evenmin opstaan.

"Barinja, lieve barinja," zeide de kindermeid en kuste haar de handen en schouders: "Welk een vreugde heeft God ons jarig kind bereid! U is ook in 't geheel niet veranderd."

"Ach, lieve vrouw, ik wist niet, dat gij nog hier zijt...." zeide Anna zich een oogenblik bezinnend.

"Ik woon ook niet hier, ik woon bij mijn dochter en ik ben slechts gekomen om geluk te wenschen. Ach, Anna Arkadiewna, lieve...."

De kindermeid begon plotseling te weenen en kuste haar weer de handen.

Serëscha's oogen straalden, en terwijl hij met de eene hand de moeder en met de andere de kindermeid vasthield, sprong hij lachend met zijn bloote voeten op het vloerkleed. De teederheid der kindermeid jegens zijn moeder bracht hem in verrukking.

"Mama, zij bezoekt mij dikwijls, en als zij komt...." begon hij maar bleef steken, toen hij zag, dat de kindermeid zijn moeder iets influisterde, waarna zich op haar gelaat schrik en schaamte teekenden, wat zijn moeder volstrekt niet goed stond. Zij trad naar hem toe.

"Mijn lieveling...."

Zij vermocht niet te zeggen 'vaarwel!' maar haar gelaat zeide dat en hij verstond het: "Mijn lieve, lieve Kutik!" zei ze en noemde hem bij den lievelingsnaam, dien ze hem als klein kind gegeven had: "Zult ge mij niet vergeten? Gij...." Zij kon niet verder.

Hoeveel had ze hem willen zeggen; zij had hem willen verklaren, waarom ze van hem gescheiden was; en nu gevoelde zij de onmogelijkheid daarvan. Maar Serëscha had alles begrepen, wat zij hem zeggen wilde; hij begreep zelfs, wat de kindermeid haar toegefluisterd had. De woorden: "altijd tegen acht uur...." waren hem niet ontgaan en hij wist, dat men van zijn vader sprak en dat deze en zijn moeder elkander niet mochten ontmoeten. Dit alles begreep hij, maar hij kon niet vatten, waarom op haar gelaat schaamte en schrik stonden uitgedrukt. "Zij heeft niets gedaan en is toch bang voor hem en schaamt zich voor iets." Hij wilde een vraag doen, opdat hem dit raadsel werd opgelost, maar dat mocht hij niet. Hij zag, dat zij leed en dat deed hem pijn. Hij drukte zich zwijgend vast tegen haar aan en zeide fluisterend:

"Ga nog niet heen; hij zal nog niet dadelijk komen."

Zij schoof hem van zich af om zoo te zien, of hij wist, wat hij zeide, en aan de verschrikte uitdrukking van zijn gezicht bemerkte zij, dat hij er zich niet alleen van bewust was, wat hij gezegd had, maar dat hij ook nog scheen te vragen, wat hij van zijn vader moest denken.

"Serëscha, liefste," zeide zij, "heb hem lief, hij is beter en edeler dan ik, en ik ben schuldiger dan hij. Wanneer gij volwassen zijt, zult gij dat alles inzien."

"Er is niemand, die beter is dan gij!" riep hij wanhopig weenend, en haar met kracht om de schouders vattend, drukte hij haar met van inspanning bevende handen tegen zich aan.

"Mijn hartje, mijn kleine!" zeide Anna zacht, als een kind schreiende.

Op dit oogenblik werd de deur geopend en Wassili Lukitsch trad binnen. Achter de deur hoorde men schreden; de kindermeid fluisterde verschrikt:

"Hij komt!" en reikte Anna haar hoed aan.

Serëscha wierp zich op het bed terug en weende luid, terwijl hij zijn gezicht met de handen bedekte. Anna nam deze handjes weg, kuste nog eens zijn natte oogen en ging met snelle schreden naar de deur. Alexei Alexandrowitsch trad haar te gemoet. Toen hij haar zag, stond hij stil en boog het hoofd.

V.

Hoe vurig Anna ook verlangd had haar zoon weer te zien en hoewel zij zich in alle opzichten daarop had voorbereid, had ze toch niet gedacht, dat deze ontmoeting haar zóó zou aangrijpen. In het hotel teruggekeerd, kon ze geruimen tijd niet begrijpen, waarom ze daar was.

"Ja, alles is weer voorbij en ik ben weer alleen," sprak ze in zich zelf en zonder den hoed af te zetten ging ze op den stoel zitten, die bij den haard stond. Met starenden blik keek zij naar de bronzen pendule, die op de console tusschen de beide vensters stond.

De Italiaansche min bracht het kleine meisje en hield het Anna toe. Het kleine, dikke, wel doorvoede kindje draaide evenals altijd, wanneer het zijn moeder zag, de ronde, volle armpjes met de handpalm naar beneden, lachte met het nog tandelooze mondje, en, evenals een visch met zijn vinnen doet, begon het met de handjes op zijn gesteven rokje te slaan. Men moest glimlachen, het kind kussen, en het den vinger toehouden, dien het juichend en met het geheele lichaam opspringend greep, en dan moest men het de lippen toehouden, die het in plaats van ze te kussen inzoog.

Dat alles deed Anna, nam het op den arm, liet het springen en kuste het de frissche wangen en de bloote armpjes, maar bij den aanblik van dit kind, werd zij zich bewust, dat zelfs het gevoel, dat zij voor het kindje koesterde in vergelijking van dat voor Serëscha geen liefde kon genoemd worden. Alles in dit kleine meisje was bekoorlijk, maar het roerde haar hart niet. Op het eerste kind, hoewel van een onbeminden man, had zij al de kracht harer liefde, die geen bevrediging gevonden had, vereenigd; aan het kleine, onder de moeielijkste omstandigheden geboren meisje was niet het honderdste deel van de zorg besteed, die men eens aan Serëscha had gewijd. Buitendien was de kleine nog geheel verwachting, Serëscha daarentegen was reeds bijna een mensch, een geliefd mensch en in hem bewogen zich reeds gedachten en gevoelens; hij begreep en beminde haar en kon zich reeds een oordeel vormen. En van hem was zij nu voor altijd, niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk gescheiden, en daaraan was niets meer te veranderen!

Zij gaf het kleine meisje aan de min terug en nam een album waarin zich alle photographieën van haar zoon in zijn verschillende levensjaren bevonden. Zij beschouwde ze en daarbij viel haar blik ook op Wronsky's portret.

"Dat is hij!" zeide zij en dacht daarbij aan hem als aan dengene, die de schuld was van haar tegenwoordigen, ongelukkigen toestand. Den ganschen morgen had zij niet aan hem gedacht. Maar nu haar plotseling dit mannelijk schoone, welbekende, dierbare gelaat tegenstraalde, nu gevoelde zij een onverwachte opwelling van liefde voor hem.

"Waar is hij? Waarom laat hij mij nu zoo alleen met mijn smart?" dacht zij plotseling met een treurig gevoel van verwijt, maar toch ook van liefde, terwijl ze vergat, dat zij zelf voor hem alles, wat haar zoon betrof, geheim had gehouden. Zij zond naar hem toe om te vragen, of hij terstond bij haar wilde komen. De bode kwam met het antwoord terug, dat hij bezoek had, maar dat hij spoedig zou komen en of hij vorst Jawschin mocht meebrengen.

"Hij komt niet alleen, hoewel hij mij sedert gisteren middag niet gezien heeft," dacht zij, en plotseling kwam de gedachte in haar op, dat hij haar reeds lang niet meer liefhad en dat nu voor haar geheim zocht te houden. Het weerzien van haar zoon, de ontmoeting met haar echtgenoot, al haar herinneringen aan het verleden, alles had zij nu vergeten. "Ja, hij bemint mij niet meer! Hoe is het mogelijk, dat ik dit niet reeds eerder bemerkt heb!" En terwijl zij alle gebeurtenissen van den dag in haar geest naging, vond zij in alles met ontzetting de bevestiging van dit vreeselijk vermoeden. Dat hij gisteren middag niet te huis bij haar gegeten had, dat hij er op had aangedrongen, dat zij in Petersburg ieder voor zich een afzonderlijke woning zouden nemen, en dat hij nu met zijn gast bij haar kwam, alsof hij een ontmoeting met haar alleen vermijden wilde...."