Part 35
Over het tafelkleed lag een ander kleedje en hierop stond een Chineesch theeservies en een zilveren theepot. Alexei Alexandrowitsch beschouwde vluchtig de tallooze, hem meest bekende portretten, die de kamer versierden, en terwijl hij zich aan tafel zette, opende hij het evangelie, dat er op lag. Het ruischen van een zijden kleed trok hem toen echter spoedig weer daarvan af.
"Ziezoo, nu zullen wij eens rustig gaan zitten," sprak zij en schoof zich met een tevreden lachend gezicht tusschen tafel en sopha. "En dan willen we bij onze thee daarover spreken."
Na eenige voorbereidende woorden gaf zij zuchtend en blozend den brief over, dien zij ontvangen had. Nadat hij dien gelezen had, zweeg hij een lange poos.
"Mij dunkt, ik heb het recht niet het haar af te slaan," zeide hij, en hief schuchter zijn oogen tot de hare op....
"Mijn vriend! Gij ziet nergens iets kwaads in."
"Integendeel! Ik zie overal het kwaad, maar of het recht is...."
In zijn gelaat was aarzeling en twijfel en te gelijk de hoop op een goeden raad te lezen.
"Neen," viel gravin Lydia hem in de rede: "Alles heeft zijn grenzen. Ik begrijp wel, dat men zedeloos zijn kan," zeide zij, maar sprak geen waarheid, want zij kon eigenlijk niet begrijpen, wat een vrouw tot zedeloosheid kon voeren; "maar ik begrijp niet, dat men wreed zijn moet, en tegen wien? Tegen u! Waarom moet zij in dezelfde stad vertoeven, waar gij zijt? Neen, men moet leeren zoolang men leeft. En ik heb uw zedelijke grootheid en de verachtelijkheid dezer vrouw leeren inzien. Vergeef mij ..."
"Maar wie mag een steen op haar werpen?" zeide Karenin met een zwakke tegenkanting. "Ik heb alles vergeven en mag haar dus ook niet berooven van datgene, wat een behoefte harer liefde, harer liefde voor haar zoon is...."
"Is dat werkelijk liefde, mijn vriend? Oprechte liefde? Veronderstellen we, ge hebt vergeven, vergeeft nog;--maar hebben we dan ook een recht op de ziel van dezen engel? Hij houdt haar voor dood. Hij bidt voor haar; hij bidt tot God, dat Hij haar de zonden vergeve.... En dat is beter zoo! Wat zal hij anders in het vervolg denken?"
"Daar heb ik niet aan gedacht," antwoordde Karenin blijkbaar zwichtend.
Gravin Lydia bedekte het gelaat met de handen en zweeg een oogenblik.
"Als gij mij om raad vraagt, dan raad ik u, het niet te doen. Zie ik niet, hoe u lijdt? Hoe uw wonden zich weer zullen openen? Maar veronderstellen wij, ge liet het toe, ge dacht als altijd het minst aan u zelf. Waartoe zou het dan leiden? Tot nieuwe smart uwerzijds en tot kwelling voor het kind! Zij moest het zelf niet wenschen. Neen, zonder aarzelen raad ik u, gedoog het niet en sta mij toe, dat ik aan haar schrijf."
En Karenin gaf toe en gravin Lydia schreef den volgenden brief in het Fransch:
"Genadige vrouwe! Een herinnering aan u kan voor uw zoon zijnerzijds tot vragen leiden, waarop men hem geen antwoord vermag te geven zonder in het hart van het kind een veroordeeling te verwekken van haar, die in zijn voorstelling een heilige moest blijven, en daarom verzoek ik u deze afwijzing in den zin der Christelijke leer op te nemen. Ik bid den Almachtige om genade voor u. Gravin Lydia."
Door dezen brief werd het doel bereikt, dat de gravin daarmede beoogde. Hij beleedigde Anna tot in het diepst harer ziel.
XXXIX.
"Nu, hoe is het, Kapitonitsch?" vroeg Serëscha, die juist van een wandeling terug kwam, met blozende wangen en vergenoegd tot den portier opziende, terwijl hij zijn overjasje den langen man toereikte, die met een vriendelijken lach op den kleinen man nederzag. "Is de beambte met den verbonden arm er weer geweest? Heeft papa hem ontvangen?"
"Ja, hij heeft hem ontvangen. Toen de kanselarijchef heenging, heb ik hem dadelijk aangediend," antwoordde de portier, terwijl hij den jas aannam.
"Serëscha!" riep de huisonderwijzer, die in de deur was blijven staan, "help u zelf!"
Maar Serëscha, ofschoon hij de zwakke stem van zijn gouverneur wel gehoord had, stoorde zich daaraan niet. Hij bleef voor den portier staan, hield zich met eene hand aan diens bandelier vast en keek hem in het gezicht.
"Nu, en heeft papa iets voor hem gedaan?"
De portier knikte bevestigend.
Serëscha en de portier stelden veel belang in den verbonden beambte, die er al zevenmaal geweest was om Karenin iets te verzoeken. Serëscha had hem eens in den gang aangetroffen en gehoord, hoe hij den portier smeekte hem toegang te verschaffen, daar hij anders met zijn kinderen ellendig moest omkomen. Sedert en vooral nadat hij hem later nog eenmaal ontmoet had, stelde Serëscha veel belang in hem.
"Was hij heel blijde?" vroeg hij verder.
"Zou hij niet? Hij danste bijna, toen hij heenging."
"Is er al wat voor mij gebracht?" vroeg hij verder.
Het was de dag voor zijn verjaardag.
"Nu, jonge heer," antwoordde de portier fluisterend en schudde het hoofd: "Iets van de gravin."
"Wat je zegt! Waar?"
"Karnej heeft het aan papa gebracht. Het zal wel wat moois zijn."
"Hoe groot? Zoo?"
"Een beetje kleiner, maar iets moois."
"Een boek?"
"Neen iets anders. Ga nu, ga nu! Wassili Lukitsch roept u!" vermaande de portier, die de weer terugkeerende schreden van den onderwijzer hoorde, en terwijl hij behoedzaam de kleine handen van zijn bandelier losmaakte, wees hij met het hoofd naar Lukitsch.
"Dadelijk, Wassili Lukitsch!" riep Serëscha met den vroolijken, hartelijken lach, waardoor Wassili Lukitsch steeds overwonnen werd.
Serëscha was te vergenoegd, te gelukkig om zijn vriend, den portier, niet de algemeene familievreugde mede te deelen, waarmede hem op zijn wandeling de kleine nicht van gravin Lydia had bekend gemaakt. Het scheen Serëscha heden een dag te wezen, waarop de geheele wereld vergenoegd moest zijn.
"Weet je het nieuws al? Papa heeft de Alexander-Newsky gekregen."
"Zou ik dat niet weten? Er zijn er al velen gekomen om te feliciteeren."
"Zoo? En is papa er blij mede?"
"Zou hij over de genade van den Czaar niet blijde zijn? Hij heeft het derhalve verdiend," zeide hij ernstig en gestreng.
Serëscha staarde nadenkend in het gelaat van den portier, dat hem tot in de kleinste bizonderheden bekend was, vooral op zijn onderkin, die van onder de punten van zijn baard nederhing en die hij maar alleen kende, daar hij ze altijd van onderen beschouwde.
"Nu, en je dochter, is het al lang, dat ze bij je was?"
Zijn dochter was een balletdanseres.
"Die kan immers niet alle dagen komen! Die moet leeren en krijgt les, en u moet ook leeren, jonge heer! Ga nu heen."
Toen Serëscha de leerkamer binnentrad, deelde hij in plaats van aan zijn opgegeven werk te gaan, zijn onderwijzer zijn vermoeden mede omtrent datgene, wat men hem gebracht had.
"Zou het een machine zijn? Wat dunkt u?" vroeg hij.
Maar Wassili Lukitsch dacht er slechts alleen aan, dat Serëscha zijn lessen nog niet geleerd had voor den onderwijzer, die om twee uur komen zou.
"Neen, zeg mij maar een ding, Wassili Lukitsch," vroeg Serëscha plotseling, toen hij reeds aan de schrijftafel zat en zijn grammatica in de hand hield: "Is er nog iets beters dan de Alexander-Newsky-orde?"
Wassili Lukitsch antwoordde, dat de Wladimir nog beter was dan de Alexander-Newsky.
"En welke is dan nog beter?"
"De hoogste is de Andrej Perwoswantjii."
"En nog hooger dan Andrej ...?"
"Dat weet ik niet."
"Wat? weet u dat niet?" En Serëscha leunde met het hoofd op de handen en verdiepte zich in gedachten. Deze waren zeer bont en verward. Hij dacht er aan, hoe zijn vader plotseling ook de Wladimir en Andrej kon bekomen hebben en hoe hij dan dientengevolge heden bij het onderwijs toegevend zou zijn; hoe hij, als hij groot was, al deze orden zou bekomen en ook diegene, die nog hooger dan de Andrej was. Men behoefde er maar aan te denken, dan zou men ze dadelijk verkrijgen. En zij zouden nog hoogere uitdenken, en ook die zou hij dadelijk verdienen.
Onder zulke gedachten ging de tijd voorbij, en toen de onderwijzer kwam, was de opgegeven taak nog niet afgemaakt, en de onderwijzer was niet slechts ontevreden, maar zeer bekommerd. Dit roerde Serëscha; hij gevoelde zich niet schuldig, omdat hij zijn werk niet afgemaakt had, want met alle inspanning had hij dit toch niet kunnen doen; maar het bedroefd uitzicht van den onderwijzer deed hem leed en hij wilde hem troosten.
Hij koos een oogenblik, dat de onderwijzer zwijgend in zijn boek zag.
"Michael Iwanowitsch, wanneer is u jarig?" vroeg hij onverwacht.
"Je deedt beter de gedachten bij het werk te hebben; buitendien hebben verjaardagen volstrekt geen beteekenis voor een verstandig wezen. Een verjaardag is juist een dag als de andere."
Serëscha keek hem opmerkzaam aan, hij zag zijn schralen, kleinen baard, zijn bril, die op den neus was afgezakt, en verviel zoo in gedachten, dat hij niets begreep van al wat zijn onderwijzer hem uitlegde. Hij besefte, dat hij niet zoo gesproken had, als hij werkelijk dacht, dit bespeurde hij aan den toon, waarop hij gesproken had. "Waarom," dacht hij, "hebben zij allen afgesproken altijd op dezelfde manier het vervelendste en onnoodigste te zeggen? Waarom houdt hij niet van mij?" vroeg hij treurig zich zelf, en wist daarvoor geen antwoord te vinden.
Op dezen onderwijzer volgde een uur onderwijs bij zijn vader. Tot deze kwam, zat Serëscha aan de schooltafel, speelde met zijn pennemes en dacht aan zijn moeder. Het hoorde tot zijne lievelingsbezigheden op zijn wandelingen te zoeken naar zijn moeder. Hij geloofde niet aan haar dood, ofschoon Lydia Iwanowna het hem gezegd en zijn vader het bevestigd had. Ja, hij zocht haar zelfs tijdens men hem gezegd had, dat zij gestorven was, reeds dadelijk bij zijn eerste wandeling. Elke vlugge, gracieuse dame met donker haar hield hij voor zijn moeder. Zag hij er zulk eene, dan verhief zich in zijn hart een verborgen gevoel van teederheid en tranen vulden zijn oogen. Hij verwachtte, dat zij hem dadelijk naderen, haar sluier terugslaan en hem haar gelaat toonen zoude; zij zou lachen, hem omhelzen, hij zou den welriekenden geur, die haar omgaf, herkennen, haar zachte handen voelen en weenen van blijdschap.
Sedert eenigen tijd zocht en verwachtte hij haar als iets geheimzinnigs, omdat hij eens toevallig van de kindermeid gehoord had, dat zij niet gestorven was, en dat Lydia Iwanowna en zijn vader hem dit zoo gezegd hadden, omdat hij haar als dood moest beschouwen, dewijl zij slecht geweest was, hetwelk hij, omdat hij haar liefhad, volstrekt niet geloofde. Heden had hij een dame met een lila sluier gezien; zijn hart had geklopt, en hij verwachtte, dat zij het zou blijken te zijn; hij volgde haar met de oogen, zoolang zij op het trottoir nader kwam; maar dicht vóór hem was zij in een zijstraat verdwenen. Heden gevoelde hij sterker dan ooit een aandrang van liefde en teederheid voor haar, en geheel daarin verzonken, staarde hij aan haar alleen denkend met schitterende oogen voor zich uit en versneed met zijn pennemes den geheelen kant van den bank.
"Papa komt!" waarschuwde Wassili Lukitsch.
Serëscha sprong op, ging zijn vader te gemoet, kuste zijn hand en keek hem opmerkzaam aan om bij hem de kenteekenen van blijdschap over de ontvangen orde te ontdekken.
"Nu, was het een aangename wandeling?" vroeg Alexei Alexandrowitsch, zette zich in zijn stoel en sloeg het boek open. Hoewel hij tot Serëscha gezegd had, dat ieder Christen de geheele Heilige Schrift van buiten moest kennen, zag hij zelf toch, wat het Oude Testament betrof, dikwijls in het boek, en Serëscha had dit zeer goed opgemerkt.
"Ja, papa, wij hebben een mooie wandeling gedaan," antwoordde Serëscha en ging op den rand van den stoel zitten en begon met dezen heen en weder te wiegelen, hetgeen hem verboden was. "Ik heb Nadenka gezien (dit was het nichtje van gravin Lydia Iwanowna). Zij heeft mij verteld, dat u een nieuwe ster heeft gekregen. Is u daar blij om, papa?"
"Ten eerste, verzoek ik je niet zoo te schommelen," vermaande Alexei Alexandrowitsch; "en ten tweede moet ons niet de belooning, maar het werk het meest genoegen geven. Ik wensch, dat gij dat goed begrijpt. Indien ge slechts wilt werken en leeren om beloond te worden, dan zal het werk je zwaar vallen, maar als je werken wilt uit liefde voor het werk, dan zal je de belooning daarvoor niet ontbreken."
Serëscha's oogen, die zooeven nog blonken van teederheid en blijmoedigheid, verloren hun glans en werden nedergeslagen voor den blik zijns vaders. Dat was de hem lang bekende toon, waarop deze steeds tot hem sprak, alsof hij ze tot een jongen der verbeelding richtte, zooals men ze wel in de boeken vindt en op wie Serëscha toch volstrekt niet geleek. En Serëscha trachtte in de tegenwoordigheid zijns vaders dien knaap uit het boek voor te stellen.
"Ik hoop, dat je mij hebt verstaan?"
"Ja, papa," antwoordde Serëscha, ook nu dien knaap der verbeelding voorstellend.
De les bestond in het vanbuitenleeren van eenige bijbelplaatsen en in het vertellen der scheppingsgeschiedenis van Mozes. De teksten kende Serëscha tamelijk goed, maar terwijl hij ze opzegde, viel zijn oog op het voorhoofdsbeen zijns vaders, dat van de wenkbrauwen zoo steil opsteeg; hierdoor kwam hij in de war en in plaats van het slot van een vers zeide hij het begin van een ander op. Dit woog bij den vader zwaar, omdat daaruit bleek, dat Serëscha zelf niet verstond wat hij zeide.
Hij fronste het voorhoofd en begon weer met dezelfde verklaring, die Serëscha al zoo dikwijls gehoord had en toch niet bevatten kon. Toen ging de vader tot de bijbelsche geschiedenis over. Serëscha vertelde vrij goed, maar als hij de oorzaken van sommige omstandigheden zou opgeven, wist hij niets, hoewel hij wegens deze zelfde zaak reeds eenmaal gestraft was geworden. Van de patriarchen vóór den zondvloed kende hij er maar één, namelijk Henoch, die levend in den hemel werd opgenomen. Vroeger had hij ook die namen van alle andere geweten, maar nu had hij ze, door belangstelling in Henoch en zijn hemelvaart, alle vergeten; deze Henoch was zijn lieveling in het geheele Oude Testament en aan zijn opvaren ten hemel knoopte zich een geheele rij voorstellingen vast, waaraan hij zich ook nu overgaf, terwijl hij met strakken blik op den horlogeketting zijns vaders staarde.
Aan den dood, waarvan men hem zoo dikwijls gesproken had, geloofde hij volstrekt niet. Hij kon het zich niet voorstellen, dat geliefde menschen sterven kunnen en nog minder hij zelf. Men had hem gezegd: alle menschen moeten sterven; hij vroeg er menschen naar, in wie hij groot vertrouwen stelde, en zij bevestigden het. Maar Henoch was toch niet gestorven, derhalve stierven toch niet allen; en waarom zou niet ieder zich voor God zoo verdienstelijk kunnen maken, dat hij levend in den hemel werd opgenomen. De slechte menschen, dat wil zeggen menschen, die niet veel van Serëscha hielden, die mochten sterven, maar de goede konden allen worden zooals Henoch.
"Nu? Wie waren de patriarchen?"
"Henoch, Enos...."
"Dat heb je al eens gezegd. Dat is verkeerd, Serëscha. Als je u geen moeite geeft om datgene te weten, wat voor ieder Christen het noodigste is, wat kan dan nog waarde voor je hebben?" zeide de vader en stond op. "Ik ben niet over je tevreden, en Peter Ignatitsch (dat was de vorige onderwijzer) is ook ontevreden over je.... Ik zal je moeten straffen."
De vader en de onderwijzer waren beide over Serëscha ontevreden, en inderdaad leerde hij slecht. En toch kon men niet zeggen, dat hij slecht begaafd was; integendeel, hij had meer begaafdheid dan die knapen, op wie de onderwijzer hem als voorbeelden wees. Volgens de meening des vaders ontbrak het hem aan lust datgene te leeren, wat men van hem vorderde; maar in werkelijkheid kon hij het niet leeren, omdat zijn hart andere eischen deed gelden, dan zijn vader en leermeester vorderden; en zoo voerde hij een strijd tegen zijn opvoeders. Hij was negen jaren oud, hij was een kind, maar zijn hart kende hij toch; hij beschermde het, en zonder den sleutel der liefde liet hij er niemand binnen. Zijn opvoeders klaagden, dat hij geen lust tot leeren had, en zijn hart dorstte naar kennis. Hij leerde bij Kapitonitsch, bij de kindermeid, bij Nadenka, bij Wassili Lukitsch, maar niet bij zijn onderwijzers. Het water, dat de vader en de onderwijzers op hun schepraderen verwachtten, was reeds te voren doorgeloopen en had op een andere plaats zijn kracht uitgeoefend.
De vader strafte Serëscha daarmede, dat hij hem niet toestond Nadenka te bezoeken. Maar deze straf bleek een geluk te zijn. Wassili Lukitsch was in een goede luim en leerde hem, hoe men windmolens kan maken. De geheele avond verliep aangenaam onder bezigheid en droomerijen, of men niet zulke molens zou kunnen maken, waarop men kon gaan zitten om dan de roeden met de hand vast te houden of zich daaraan vast te binden en zich mede te laten ronddraaien. Aan zijn moeder had hij den geheelen avond niet gedacht, maar toen hij in zijn bed lag, herinnerde hij zich haar plotseling en bad met zijn eigen woorden, dat zij morgen, als hij jarig was, mocht ophouden zich te verbergen en weer bij hem mocht komen.
"Wassili Lukitsch, weet u, wat ik nog meer gebeden heb? Wat in 't geheel niet bij het gebed behoort?"
"Vlijtiger te leeren?"
"Neen."
"Om een stuk speelgoed?"
"Neen, u zal het toch niet raden. Iets zeer schoons, een geheim. Als het komt, zal ik het u zeggen. Raad u het niet?"
"Neen, dat kan ik niet raden. Zeg het maar," zeide Wassili Lukitsch en lachte, wat hem zelden gebeurde. "Nu moet je gaan slapen, ik doe het licht uit."
"Zonder licht zie ik datgene, waar ik om gebeden heb nog duidelijker. Zooeven had ik u mijn geheim bijna verraden," hernam Serëscha en lachte vroolijk.
Nadat het licht was uitgedaan, zag en voelde Serëscha zijn moeder. Zij stond naast hem en liefkoosde hem met haar blikken. Maar daarop verschenen er windmolens, pennemessen, alles verwarde zich en vloeide ineen en hij sliep in.
VIJFDE BOEK.
I.
Toen Wronsky en Anna uit het buitenland teruggekeerd en in Petersburg aangekomen waren, hadden zij in een der Russische hotels hun intrek genomen, Wronsky op de eerste verdieping, Anna met het kind, de min en een dienstmeisje op de tweede, waar zij vier kamers bewoonde.
Den eersten dag na hun aankomst was Wronsky naar zijn broeder gereden. Hij trof daar zijn moeder aan, die voor zaken naar Moskou gekomen was. Zij en zijn schoonzuster ontvingen hem als altijd, zij spraken over zijn reis, over wederzijdsche bekenden, maar roerden met geen enkel woord zijn verhouding tot Anna aan.
Toen zijn broeder hem den volgenden morgen een tegenbezoek bracht, vroeg hij ook naar Anna. Wronsky zei hem ronduit, dat hij hun verhouding als die van echtgenooten beschouwde, en dat hij haar nog hoopte te overreden zich van haar man te laten scheiden, zooals deze haar had aangeboden; dan zou hij haar kunnen trouwen, maar reeds nu beschouwde hij haar als zijn wettige vrouw en verzocht hem, dit zijn moeder en zijn schoonzuster te willen mededeelen.
"Of de wereld dit goed- of afkeurt, is mij onverschillig," had hij gezegd, "maar wanneer mijn bloedverwanten met mij willen omgaan als met een familielid, dan moeten zij ook mijn vrouw als zoodanig beschouwen." Gregoor, die altijd veel prijs stelde op de meening van zijn jongeren broeder, wist niet recht, of dit goed of verkeerd was; de wereld moest dat beslissen, maar hij voor zich had er niets tegen, en derhalve was hij met zijn broeder Alexei bij Anna binnengetreden.
In zijn broeders tegenwoordigheid en ook in die van anderen sprak Wronsky Anna steeds met u aan, maar veronderstelde toch, als iets dat van zelf sprak, dat hij hun verhouding kende, en zij spraken er ook van, dat Anna zich naar Wronsky's landgoed zou begeven.
Ondanks zijn wereldkennis dwaalde Wronsky toch zeer in de beoordeeling zijner positie. Men zou meenen, dat hij het inzag, dat de hoogere kringen voor hem en Anna gesloten waren; maar nu kwamen in zijn hoofd allerlei denkbeelden op, dat dit vroeger wel het geval zou zijn geweest, maar dat men echter bij den tegenwoordigen vooruitgang (onbewust was hij nu een aanhanger van elken vooruitgang geworden) wel van meening veranderd zou zijn, en dat het volstrekt nog niet uitgemaakt was, of de groote wereld haar op zou nemen of niet; van het hof zouden zij natuurlijk uitgesloten blijven, maar alle andere menschen zouden het zoo beschouwen en zoo handelen, als hij zelf.
Eenige uren kan men de voeten wel in een ongemakkelijke houding onder zich houden, wanneer men zich bewust is, dat niets belet deze houding te veranderen; wanneer iemand echter weet, dat hij in deze ongemakkelijke houding blijven _moet_, dan zal hij met de beenen trekken en er aanvallen van kramp in bemerken en naar die richting stooten, waarin hij ze zou wenschen uit te strekken. Dit gevoel had Wronsky nu tegenover de hoogere kringen. Hoewel hij in den grond van zijn hart zeer goed wist, dat deze nu voor hem waren gesloten, wilde hij toch eens zien, of zij intusschen niet veranderd waren en hen ontvangen wilden. Maar hij bemerkte spoedig, dat, evenals bij het spel van de kat en de muis, de kringen zich voor hem persoonlijk openden, maar de handen, die voor hem waren opgeheven, zonken terstond voor Anna.
Een der eerste dames uit de Petersburger groote wereld, die Wronsky begroette, was zijn nicht, vorstin Betsy.
"Dus eindelijk!" riep zij hem van vreugde stralend toe. "En Anna? Hoe verheugt het mij! Waar logeert ge? Ik kan mij voorstellen, hoe vreeselijk vervelend het u nu na uw interessante reis in Petersburg moet voorkomen. Ik kan mij uw wittebroodsweken in Rome voorstellen! Hoe staat het nu met de scheiding? Heeft die plaats gehad?"
Wronsky bemerkte, hoe haar geestdrift verminderde, toen zij vernam, dat dit nog niet het geval was.
"Men zal daarom wel een steen op mij werpen, dat weet ik," zeide zij, "maar ik wil Anna toch bezoeken. Dat zal u aangenaam zijn. Ja, ik kom bepaald. Gij wilt niet lang hier blijven?"
En werkelijk kwam zij nog dienzelfden dag bij Anna; maar haar toon was reeds aanmerkelijk anders als vroeger. Zij liet zich klaarblijkelijk veel op haar moed voorstaan en verlangde, dat Anna deze trouwe vriendschap op prijs zou stellen. Zij bleef nauwelijks tien minuten, vertelde nieuwtjes en zeide bij het afscheid:
"Hoe staat het nu met uw scheiding? Al stoor ik mij ook aan niets, andere, kleingeestige menschen zullen misschien toch koel tegen u blijven, zoolang gij niet getrouwd zijt. Maar dat is nu immers heel eenvoudig. Ca se fait. Dus Vrijdag vertrekt gij reeds? Jammer, dat wij elkander vóór dien tijd niet meer zien."
Uit Betsy's houding had Wronsky kunnen afleiden, wat hij van de wereld te verwachten had, maar hij deed nog een poging bij zijn familie. Op zijn moeder rekende hij niet. Hij wist, dat deze, die in den eersten tijd der kennismaking zoo met Anna ingenomen was geweest, nu niets meer van haar weten wilde, omdat zij haar beschuldigde haar zoons carrière bedorven te hebben. Maar hij vestigde al zijn hoop op zijn schoonzuster Warja. Zij, dacht hij, zou geen steen op Anna werpen, zij zou vrijmoedig eenvoudig Anna bezoeken en haar ontvangen. Daarom was hij terstond den volgenden dag naar haar woning gereden, en daar hij haar alleen thuis vond, sprak hij zijn verwachtingen uit.