Anna Karenina

Part 33

Chapter 33 3,820 words Public domain Markdown

De eenige aanmerking, die ik zou willen maken, als gij het mij veroorlooft...."

"Ik bid u, doe het," antwoordde Michaïlof met een gedwongen glimlach.

"Dat is, dat gij een God geworden mensch en niet den mensch geworden God hebt geschilderd. Maar ik weet, dat dit uw bedoeling was."

"Ik kan Christus niet anders schilderen dan zooals ik hem opvat," zeide Michaïlof met een donkeren blik.

"In dat geval moet gij een gezichtspunt verontschuldigen, dat mij eigen is; uw schilderij is zoo schoon, dat deze opmerking haar niet zou kunnen benadeelen.... Laten we Iwanof dan eens als voorbeeld nemen. Waarom verlaagt hij Christus tot een gewone historische figuur? Dan kondt gij ook wel een nieuw onderwerp vinden, dat minder afgesleten is."

"Maar indien dat onderwerp voor de kunst het verhevenste van alle is?"

"Als men zoekt zal men wel iets anders vinden. Over de kunst valt volgens mij niet te twisten; nu moet men voor de schilderij van Iwanof de vraag stellen: is het een God? en de eenheid van den indruk gaat aldus verloren."

"Waarom dat? Het schijnt mij toe, dat verlichte menschen deze vraag niet meer stellen moeten," antwoordde Michaïlof.

Golinitschef was niet van deze meening en zich sterk gevoelende door de onwrikbaarheid zijner overtuiging versloeg hij den schilder in een discussie, waarbij deze zich niet wist te verdedigen.

XXX.

Anna en Wronsky, die zich ergerden aan het geleerd gebabbel van hun vriend, wisselden blikken van verveling; zij kwamen er eindelijk toe, alleen het bezoek in het atelier voort te zetten en stonden voor een kleine schilderij stil.

"Welk een juweeltje! hoe bekoorlijk!" zeiden zij als uit één mond.

"Wat zou hun zoo bevallen?" dacht Michaïlof. Hij had dit stukje, dat hij voor drie jaren geschilderd had, volkomen vergeten. Als eens een doek voltooid was, bezag hij het niet gaarne meer, en hij had dit slechts ten toon gesteld, omdat een Engelschman het wenschte te koopen.

"Het is niets; een oude studie," zeide hij.

"Maar het is uitstekend!" hernam Golinitschef, die zich geheel door de bekoorlijkheid der schilderij liet meesleepen.

Twee kinderen waren aan het hengelen in de schaduw van een boom. Het oudste, dat geheel in zijn werk verdiept was, trok zijn hengel voorzichtig uit het water; het jongste, dat in het gras lag, ondersteunde zijn blond, verwaaid hoofd met zijn hand, terwijl hij met zijn groote, peinzende oogen in het water staarde. Waaraan dacht hij?

De geestdrift door dit stuk verwekt, deed Michaïlof op nieuw ontroeren, maar hij vreesde nuttelooze herinneringen aan het verledene en wilde zijn gasten naar een derde schilderij geleiden. Wronsky mishaagde hem door te vragen, of de studie te koop was; deze kwestie van geld scheen hem ongepast en hij antwoordde, terwijl hij het voorhoofd fronste:

"Zij is tot verkoop tentoongesteld."

Toen de bezoekers vertrokken waren, ging Michaïlof voor zijn schilderij van Christus en Pilatus zitten, en ging in zijn geest alles na, wat door hen gezegd en te kennen gegeven was. Het was vreemd! de opmerkingen, die zoo gewichtig schenen in hun tegenwoordigheid en wanneer hij zich zelf op hun standpunt plaatste, verloren nu alle beteekenis. Terwijl hij zijn werk met zijn kunstenaarsblik onderzocht, herkreeg hij de volle overtuiging van zijn volkomenheid en hooge waarde, en geraakte bijgevolg weer in een stemming, die noodig was om zijn arbeid voort te zetten.

Het been van Christus, dat het verst af was, had echter toch een gebrek; hij nam zijn palet en terwijl hij dit gebrek wegnam, bezag hij op den achtergrond het hoofd van Johannes, dat hij beschouwde als het toppunt van volmaking en dat de bezoekers zelfs niet hadden opgemerkt. Hij trachtte hieraan ook nog iets bij te werken, maar om goed te arbeiden moest hij minder bewogen zijn en den juisten middelweg vinden tusschen koelheid en geestdrift. Voor het oogenblik beheerschte hem zijn ontroering; hij wilde zijn schilderij bedekken, maar hield hiermede een oogenblik op, terwijl hij het gordijn met de eene hand omhoog hield, en glimlachte met verrukking tegen zijn Johannes.

Toen hij zich eindelijk met moeite aan zijn beschouwing had ontrukt, liet hij het gordijn vallen en keerde vermoeid, maar gelukkig naar huis terug.

Wronsky, Anna en Golinitschef kwamen vroolijk weer in hun palazzo aan, terwijl zij over Michaïlof en zijn schilderijen spraken. Het woord _talent_ kwam dikwijls in hun gesprek voor; zij verstonden daardoor niet alleen een aangeboren, bijna physieke gave, onafhankelijk van geest en hart, maar nog iets meer, dat zij niet door woorden konden weergeven.

"Talent," zeiden zij, "zeker, dat heeft hij, maar dit talent is door te weinig geestelijke vorming niet genoeg ontwikkeld, een gebrek, dat aan alle Russische kunstenaars eigen is."

XXXI.

Wronsky kocht de kleine schilderij en haalde zelfs Michaïlof over het portret van Anna te maken. De kunstenaar kwam op den bepaalden dag en begon een schets, die na afloop van de vijfde zitting Wronsky trof door de gelijkenis en door een zeer fijn gevoel voor de schoonheid van het model.

"Ik worstel al zoo lang zonder iets verder te komen," zeide Wronsky, terwijl hij van zijn eigen portret van Anna sprak, "en hij heeft haar slechts aan te zien om haar goed weer te geven; dat noem ik zijn beroep verstaan."

"Dat zal komen met de praktijk," zeide Golinitschef om hem te troosten; want in zijn oogen had Wronsky talent en bezat buitendien een ontwikkeling, die het kunstgevoel in hem moest verhoogen. Voor het overige werd Golinitschefs overtuiging versterkt door zijn behoefte aan Wronsky's lof en sympathie voor zijn eigen werken; het was een ruiling van vriendschapsdiensten.

Michaïlof scheen buiten zijn atelier een ander mensch; in het paleis vooral betoonde hij zich gemaakt eerbiedig, terwijl hij zorg droeg elke intimiteit te vermijden met lieden, die hij in den grond niet achtte. Hij noemde Wronsky nooit anders dan "Uw Excellentie", en ondanks de herhaalde uitnoodigingen van Anna om bij hen te dineeren, nam hij die nooit aan en vertoonde zich slechts op de uren der zittingen; Wronsky behandelde hem met de uiterste beleefdheid en wenschte zijn meening te hooren over zijn schilderijen. Golinitschef verzuimde geen gelegenheid hem gezonde denkbeelden omtrent de kunst in te prenten; Michaïlof bleef onder dit alles steeds even koel. Anna gevoelde echter, dat hij haar gaarne zag, hoewel hij elk onderhoud vermeed; wat de raadgevingen, die Wronsky verlangde, betreft, trok hij zich terug in een halsstarrig stilzwijgen, beschouwde de schilderstukken zonder een woord te spreken en verborg de verveling niet, die Golinitschefs gesprekken hem veroorzaakten.

Deze stomme vijandelijkheid maakte een pijnlijken indruk, en men gevoelde zich onderling verlicht, toen na geëindigde zittingen, Michaïlof het palazzo verliet, tot herinnering aan hem een bewonderenswaardig portret achterlatende. Golinitschef was de eerste om de gedachte uit te spreken, dat de schilder afgunstig was op Wronsky.

"Wat hem boos maakt is, dat hij in u een rijk en hooggeplaatst man ziet, die--wat hem vooral nijdig maakt--graaf is op den koop toe, die er toe gekomen is, zonder zich veel moeite te geven, even goed, misschien beter te werken dan hij; hij heeft zijn leven aan de schilderkunst gewijd, maar gij bezit een geestbeschaving, waartoe de menschen als Michaïlof nooit zullen komen."

Wronsky, ofschoon hij voor den schilder partij trok, gaf in den grond zijn vriend gelijk, want naar zijn eigenlijke overtuiging, vond hij het zeer natuurlijk, dat een persoon in een ondergeschikten positie hem benijdde.

De beide portretten van Anna hadden hem de oogen openen en hem overtuigen moeten, welk een onderscheid er bestond tusschen Michaïlof en hem; hij besefte het genoeg om van het zijne af te zien en het voor overtollig te verklaren, en zich te vergenoegen met zijn tafereel der middeleeuwen, waarover hij even voldaan was als Golinitschef en Anna, omdat het, veel meer dan al wat Michaïlof had vervaardigd op een tafereel uit de oudheid scheen te gelijken.

De kunstenaar van zijn zijde was, in weerwil van de aantrekkelijkheid, die Anna's portret voor hem had gehad, gelukkig bevrijd te zijn van de gesprekken van Golinitschef en van de schilderstukken van Wronsky; men kon zeker dezen niet beletten zich te amuseeren, want de diletanten hadden ongelukkig het recht te schilderen, wat zij wilden; maar hij had geleden onder deze tijdpasseering van den liefhebber. Niemand kon een mensch verbieden voor zich een wassen pop te maken en ze te omhelzen, maar hij moest ze niet gaan liefkoozen in tegenwoordigheid van twee verliefden! Wronsky's schilderstuk was voor hem een voortbrengsel zonder voldoende overeenstemming met den tijd, dien het moest voorstellen; het kwetste hem, het deed hem rillen; hij vond het belachelijk en ellendig.

Wronsky's liefhebberij voor de schilderkunst en de middeleeuwen was overigens van korten duur; hij had genoeg kunstgevoel om zijn stuk niet te voltooien en neerslachtig te erkennen, dat de gebreken, die in het begin weinig in het oog vielen, schreeuwend zouden worden, naarmate hij meer vorderde. Hij was in het geval van Golinitschef, die volkomen de ledigheid van zijn geest gevoelende, zich voedde met illusies en zich verbeeldde zijn voorraad te vermeerderen en zijn ideeën te doen rijpen. Maar datgene, wat deze ergerde en verbitterde, liet Wronsky volkomen kalm; niet in staat zich zelf te misleiden, liet hij met zijn gewone beslistheid van karakter eenvoudig de schilderkunst varen, zonder te trachten zich te rechtvaardigen of te verklaren.

Maar het leven zonder bezigheid werd spoedig in deze kleine stad ondragelijk, het palazzo scheen hem oud en leelijk; de vlekken der gordijnen namen een armoedig voorkomen aan, de bersten in het mozaïek, de beschadiging der kornissen, de eeuwige Golinitschef, de Italiaansche professor en de Duitsche reiziger werden allen ondragelijk vervelend, en Wronsky gevoelde een dringende behoefte om van toestand en omgeving te verwisselen.

Anna was verwonderd over deze spoedige onttoovering, maar stemde er gaarne in toe naar Rusland terug te keeren en op het land te gaan wonen.

Wronsky wilde Petersburg aandoen om er een acte van boedelscheiding met zijn broeder te doen passeeren, en Anna om er haar zoon te zien. Zij zouden er den zomer slijten op Wronsky's voorvaderlijk landgoed.

XXXII.

Sedert drie maanden was Lewin gehuwd. Hij was gelukkig, maar op een geheel andere wijze, dan hij verwacht had. Bij elke schrede vond hij een nieuwe ontgoocheling zijner vroegere droomen, maar ook een nieuwe, onverwachte bekoorlijkheid. Hij was gelukkig, maar sedert zijne intrede in het huwelijksleven ervoer hij, dat het een geheel ander was, dan hij zich had voorgesteld. Toen hij vroeger als jonkman in een vreemd huwelijksleven zoovele kleingeestige zorgen, kibbelarijen en afgunstigheden aanschouwde, had hij bij zich zelf minachtend daarom gelachen; hij was overtuigd dat in zijn toekomstig huwelijksleven niets dergelijks kon plaats grijpen. En nu vormde zich zijn leven met zijn vrouw niet slechts op geen bizondere wijze, maar al die kleine, onbeduidende nietigheden, die hij zoo veracht had, verkregen nu tegen zijn wil een zeer groot en onloochenbaar gewicht. Ofschoon hij gemeend had zich de juiste voorstelling van het huwelijksleven gemaakt te hebben, had hij zich toch, zooals de meeste mannen, daaronder slechts een liefdesgenot gedacht, dat niemand hinderlijk was en waarvan geen kleingeestige zorgen afleiden konden. Naar die voorstelling wilde hij zijn arbeid verrichten en daarvan uitrusten in het geluk der liefde. De vrouw zou slechts het beminde voorwerp zijn, verder niets; dat ook zij werken moest, vergat hij geheel, zooals de meeste mannen. Hoe was het ook mogelijk, dat zij, deze bekoorlijke, poëtische Kitty, niet slechts in de eerste weken, neen, reeds in de eerste dagen van haar huwelijksleven zich met tafellakens en bedden voor de logeerkamers moest bezig houden, aan theebladen, aan den kok en aan het middageten kon denken? Reeds als bruidegom was hij verrast geweest door de beslistheid, waarmede zij een reis in het buitenland afgewezen en zich voor een oponthoud op het land verklaard had, alsof zij er ook iets van wist, wat noodig was, en behalve aan de liefde nog aan iets anders denken kon! Dat had hem toenmaals verdroten, en ook nu ergerden hem dikwijls haar kleine zorgen en tobberijen. Maar hij zag, dat zij daaraan behoefte had; en daar hij haar beminde, moest hij haar bewonderen, hoewel hij niet begreep, waarom zij deze zorgen noodig had, waar hij toch slechts om lachen kon. Hij moest er om lachen zooals zij haar uit Moskou medegebrachte meubels plaatste, dat zij haar en zijn kamer geheel nieuw stoffeerde, dat zij de gordijnen koos, dat zij eene kamer voor sommige gasten, eene voor Dolly en eene voor haar nieuw dienstmeisje uitzocht, dat zij bij zijn ouden kok het eten bestelde en met Agasija Michaïlowna in eenige uiteenzettingen geraakte om haar uit de provisiekamer te verdringen. Hij zag, hoe de oude kok lachte, haar verbaasd aanstaarde en haar onervarene, onmogelijke bevelen aanhoorde; hij zag, hoe Agasija Michaïlowna, nadenkend, maar vriendelijk over de beschikkingen der jonge meesteres in de provisiekamer het hoofd schudde; hij zag, dat het haar bijzonder goed stond, als zij lachend en weenend bij hem kwam met de klacht, dat het eene meisje, Mascha, zich aangewend had haar voor een ongetrouwde dame te houden en haar als zoodanig betitelde, zoodat niemand haar wilde gehoorzamen. Alles kwam hem behoorlijk voor, maar, wat vreemd was, hij dacht: zonder dat was het toch beter,

Hij had niet, zooals zij, het gevoel eener veranderde levenswijs. Had zij te huis een keer trek gehad in zuurkool, bitterkoekjes of bonbons, dan was die begeerte niet altijd te bevredigen geweest; nu kon zij voor zich bestellen, wat zij wilde, kon geheele bergen bonbons koopen en geld uitgeven en de meelspijzen bestellen, waarvan zij hield. Zij wist zelf niet waarom, maar de huishouding boezemde haar in den hoogsten graad belangstelling in.

Een andere ontgoocheling en een andere bekoorlijkheid waren voor Lewin hun kleine kibbelarijen. Naar zijn voorstelling konden tusschen hem en zijn vrouw slechts teederheid, liefde en achting voorkomen, en toch hadden zij reeds dadelijk in de eerste dagen getwist; zij had hem gezegd, dat hij haar niet beminde, maar slechts zich zelf, zij was begonnen te weenen en had de handen ineen geslagen. Deze hun eerste twist was daardoor ontstaan, dat Lewin zich bij een zeker voorbereidend werk tot aanplanting een half uur langer had opgehouden, dan hij oorspronkelijk gewild had. Onderweg dacht hij slechts aan haar, aan haar liefde, aan zijn geluk, en hoe nader hij bij haar kwam, des te sterker werd zijn teeder gevoel voor haar. Hij ijlde in de kamer naar haar toe in dezelfde spanning als vroeger naar de Tscherbatzky's toen hij haar hand wilde vragen; maar plotseling ontving hem een donkere blik, dien hij tot hiertoe bij haar nog niet gekend had. Hij wilde haar kussen, maar zij stiet hem terug.

"Wat is er?"

"Je amuseert je...." begon zij en trachtte in alle kalmte scherp te zijn. Maar nauwelijks had zij den mond geopend, of daaruit stroomde een geheele vloed van zinnelooze, jaloersche verwijten en alles, wat haar het laatste half uur, dat zij onbewegelijk aan het venster had doorgebracht, gekweld had.

Nu kwam hij voor de eerste maal helder tot bewustzijn omtrent dat gevoel, waarover hij niet tot klaarheid had kunnen komen, toen hij haar na het trouwen uit de kerk voerde; hij werd zich bewust, dat zij hem niet slechts zeer na stond, maar zoo na, dat hij niet wist waar zij ophield zij te zijn en hij aanving hij te zijn; dat werd hem nu eerst door het kwellend gevoel hunner tweespalt recht duidelijk; hij gevoelde zich in het eerste oogenblik beleedigd, maar aanstonds begreep hij, dat hij door haar niet beleedigd kon worden, daar zij hij zelf was. Het was hem als een mensch, die plotseling van achteren een sterken stoot voelt en zich toornig met het doel zich op den schuldige te wreken omkeert, maar dadelijk ontdekt, dat hij zich over niemand ergeren kan en de pijn moet verdragen, daar hij zich toevallig zelf gestooten heeft. Dit werd hij zich later niet weer zoo klaar bewust als deze eerste maal. Een natuurlijk gevoel in hem eischte, dat hij zich rechtvaardigde en haar aantoonde dat zij ongelijk had; maar deed hij dat, dan zou hij haar nog meer opwinden en dan werd de kloof verbreed. Het was onaangenaam zulk een ongegronde beschuldiging op zich te laten zitten, maar zich rechtvaardigen en haar leed doen was nog erger. Zij werden spoedig verzoend; zij zag zelf haar schuld in en werd deswege teederder jegens hem, en zoo ondervonden zij een nieuw, verdubbeld geluk hunner liefde.

Maar dit verhinderde niet, dat zulke schermutselingen zich herhaalden en wel het meest bij onverwachte, nietige oorzaken; de reden was hoofdzakelijk daarin gelegen, dat de een niet wist wat voor den ander gewichtig was en dat zij beiden in dezen geheelen eersten tijd meermalen slecht geluimd waren. Was de een in goede en de ander in slechte luim, dan werd de vrede niet verstoord; zoodra echter beiden slecht geluimd waren, geraakten zij om onbegrijpelijk nietige redenen in botsing, zoodat zij somwijlen zelf niet wisten, waarover zij eigenlijk gekrakeeld hadden. Waren beiden goed geluimd, dan verdubbelde zich alleszins hun levensvreugde. Maar toch was deze eerste tijd voor beiden moeielijk. Dezen geheelen tijd gevoelden zij zich beiden aan een ketting gebonden, waaraan nu de een dan de ander trok. Bovendien kwamen hun de wittebroodsweken, waaraan Lewin overeenkomstig de traditie zulke groote verwachtingen gehecht had, volstrekt niet als wittebroodsweken voor, maar zij bleven in beider herinnering de lastigste en beschamendste tijd van hun leven. Zij beijverden zich door hun volgend leven alle onbehoorlijke dwalingen van dien ongezonden tijd, waarin zij zelden in normalen gemoedstoestand verkeerden, goed te maken. Eerst in de derde maand na hun terugkomst uit Moskou, waar zij zich een maand lang hadden opgehouden begon hun huwelijksleven gelijkmatig daarheen te vloeien.

XXXIII.

Zij waren te huis gekomen en genoten van hun eenzaamheid. Lewin zat aan zijn bureau te schrijven; Kitty was gezeten op een lederen rustbank, die in het werkkamertje stond, zooals in den tijd van Lewins vader en grootvader; zij hield zich bezig met Engelsch borduurwerk en was gekleed in een violetkleurige japon, waarvan Lewin zooveel hield, omdat zij ze in de eerste dagen van hun huwelijk had gedragen. Terwijl hij nadacht en schreef, genoot hij van de tegenwoordigheid zijner vrouw; zijn werk over de hervorming van de agronomische toestanden in Rusland was niet opgegeven; maar schenen ze hem vroeger, toen zijn leven treurig en somber was, ellendig, thans, te midden van zijn vol geluk, vond hij de bezwaren onbeduidend. Voorheen was de studie voor hem het grootste heil; thans behoedde zij zijn leven voor een al te gelijkmatig genot. Terwijl hij zijn werk herlas, erkende Lewin met genoegen, dat het waarde had, in weerwil van sommige overdreven denkbeelden, en op nieuw het geheel van het vraagstuk overziende, werden vele leemten en gapingen aangevuld. Een hoofdstuk, dat handelde over ongunstige omstandigheden, die den landbouw in Rusland drukten, werd geheel herzien. Volgens hem was de armoede niet de eenige oorzaak van het onevenredig grondbezit en der valsche oeconomische verhoudingen, maar vooral de ontijdige invoering van de Europeesche beschaving, de spoorwegen en politieke geschriften, een overdreven centralisatie, de ontwikkeling van weelde,--en bijgevolg het ontstaan van nieuwe industriëele ondernemingen ten koste van den landbouw,--de overdreven uitbreiding van het crediet en der speculatie. Hij meende, dat de normale vergrooting van den rijkdom eens lands geenszins deze teekenen van uitwendige beschaving gedoogde zonder dat de landbouw een evenredige ontwikkeling had bereikt.

Terwijl Lewin schreef, dacht Kitty aan zijn vreemde houding in den vooravond van hun vertrek van Moskou, toen de jonge prins Tscharsky haar met weinig tact een beetje het hof maakte. "Hij is jaloersch," dacht zij. "Mijn hemel, wat is hij verstandig en dwaas! Indien hij eens wist, welk een indruk zij allen op mij maken! Juist als Peter de kok!" En zij wierp een eigenaardigen blik als eigenares op den forschen nek en hals van haar echtgenoot. "'t Is jammer hem te storen, maar hij zal den tijd hebben om later te werken; ik wil zijn gezicht zien; zal hij voelen dat ik hem bekijk? Ik wil, dat hij zich omkeert...." En zij opende zeer wijd de oogen, als om meer kracht aan haar blik te geven.

"Ja, zij trekken de beste sappen tot zich en geven een valschen schijn van rijkdom," mompelde Lewin, terwijl hij de pen neerlegde en gevoelde, dat de blik zijner vrouw op hem was gevestigd. Hij keerde zich om:

"Wat is het?" vroeg hij opstaande met een glimlach.

"Hij heeft zich omgekeerd," dacht zij.--"Niets, ik wilde dat ge u zoudt omkeeren," en zij zag hem aan om te weten, of hij ontevreden was, dat zij hem gestoord had.

"Wat is het goed met ons beiden te zijn! Voor mij ten minste," zeide hij en naderde haar, terwijl zijn gelaat straalde van geluk.

"Ik bevind me hier zoo goed, dat ik volstrekt niet meer van hier zal gaan, vooral niet naar Moskou."

"Waar dacht je aan?"

"Ik! ik dacht.... Neen, neen, ga maar schrijven, laat je niet aftrekken," antwoordde zij even pruilend den mond vertrekkend. "Kijk, ik moet nu al deze knoopsgaten knippen."

En zij nam haar borduurschaartje.

"Neen, zeg mij waar je aan denkt," hernam hij zich bij haar nederzettend en volgde de bewegingen van haar kleine schaar.

"Waaraan ik dacht? Aan Moskou en aan u."

"Wat heb ik gedaan om dat geluk te verdienen? Het is niet natuurlijk," zeide hij haar de hand kussende.

"En ik, hoe gelukkiger ik ben, hoe meer ik dat natuurlijk vind."

"Hier is een haarlokje los," zeide hij, haar hoofd voorzichtig een weinig ter zijde draaiend.

"Een haarlokje? Laat het maar zitten; wij houden ons met ernstige zaken bezig."

Maar zij werden in hun ernstige zaken gestoord, en toen Kosma de thee kwam aankondigen, verwijderden zij zich snel van elkander als betrapte schuldigen.

Toen hij alleen was gebleven, bergde Lewin zijn beschreven papier in een vloeiboek, dat zijn vrouw had gekocht, waschte toen zijn handen in een elegante waschkom, die ook door haar gekocht was, en, over zijn gedachten lachend, hief hij het hoofd op met een gevoel, dat geleek op wroeging. Zijn leven was te weelderig, te verbasterd. Het was een leven van genot, waarover hij zich een weinig beschaamd gevoelde.

"Zulk een bestaan deugt niets," dacht hij. "'t Zijn nu bijna drie maanden dat ik aan 't flaneeren ben. Vandaag heb ik mij voor de eerste maal aan het werk gezet en nauwelijks ben ik begonnen, of ik heb het al weer neergelegd. Ik verzuim zelfs mijn gewone bezigheden, ik geef nergens meer acht op, ik voer volstrekt niets uit. Nu spijt het mij haar te verlaten, en dan vrees ik, dat zij zich verveelt; ik, die nog wel dacht, dat het leven voor het huwelijk een ernstige beteekenis had en dat het eerst daarna een recht werkelijk leven zou worden! En zie, het zijn bijna drie maanden dat ik mijn tijd doorbreng op een wijze, die men wel leegloopen kan noemen. Dat kan niet voortduren. Het is haar schuld niet en men kan haar het minste verwijt niet doen. Ik had mijn fermiteit, mijn gezag als man moeten toonen, want ik zou op die wijze voortgaande slechte gewoonten aannemen."