Part 31
Niet in staat te bevatten, wat men van hem verlangde, deed Lewin het tegenovergestelde. Eindelijk, op het oogenblik dat men, ontmoedigd, hem aan zijn eigen ingeving wilde overlaten, begreep hij, dat hij, zonder van houding te veranderen, met zijn rechterhand de hand zijner bruid moest nemen. De priester deed daarop een paar stappen en bleef voor den lessenaar staan. De aanverwanten en de genoodigden volgden het jonge paar; er verspreidde zich een gemurmel van stemmen en het geruisen van japonnen. Iemand boog zich om den sleep der bruid terecht te brengen, vervolgens ontstond er zulk een diepe stilte in de kerk, dat men de druppels was van de kaarsen kon hooren vallen.
De oude priester met een kapje op het witte haar, dat blonk als zilver, trok zijn kleine gerimpelde handen van onder den met zilverstof versierden breeden kasuifel, waarop een gouden kruis prijkte, naderde den lessenaar en bladerde in het misboek.
Stipan Arkadiewitsch kwam hem iets toefluisteren, gaf Lewin een teeken en trok zich terug.
De priester stak twee met bloemen versierde kaarsen aan, en ze in de rechterhand houdend, zonder zich er om te bekommeren, dat het was er afdroop, wendde hij zich tot het jonge paar. Het was dezelfde grijsaard, die Lewin de biecht had afgenomen. Nadat hij een oogenblik beide met zijn treurige en vermoeide oogen had aangezien, zegende hij met de rechterhand de bruid, daarop liet hij ze met een bijzondere teederheid een poos op Kitty's gebogen hoofd rusten, gaf de waskaars over, verwijderde zich langzaam en nam het wierookvat.
"Is dat alles wel werkelijkheid?" dacht Lewin, wierp van ter zijde een blik op zijn bruid en bemerkte aan de beweging harer lippen en aan haar oogwimpers, dat zij zijn blik gevoelde. Zij hief het hoofd niet op, maar hij hoorde een onderdrukten zucht en zag haar in een langen handschoen gestoken hand beven, terwijl zij de kaars vasthield.
Alles verdween plotseling uit zijn herinnering: zijn te late komst, de ontevredenheid zijner vrienden, de dwaze geschiedenis van het overhemd; hij gevoelde niets dan een aandoening van schrik en vreugde.
De aartsdiaken in dalmatica van zilverlaken, een schoon man, met het haar in tweeën gescheiden, naderde hen, nam met een vlugge, gemakkelijke beweging de stool op en bleef voor den priester staan.
"Heer, schenk ons Uwen zegen!" sprak hij langzaam, en de woorden klonken plechtig door de ruimte.
"Dat de Heer u zegene nu en in alle eeuwigheid," antwoordde de oude priester met een zachte en musicale stem, terwijl hij voortging in het boek te bladeren.
En het antwoord, door het onzichtbaar koor gezongen, vulde de kerk met een omvangrijken en vollen toon, die sterker werd, toen een oogenblik ophield en eindelijk zacht wegstierf.
Men bad, als gewoonlijk, voor de eeuwige rust en het heil der zielen, voor de synode en den czaar, vervolgens ook voor Gods dienstknecht en dienstmaagd, Constantijn en Catharina.
"Laat ons God bidden om hun Zijn liefde, Zijn vrede en Zijn hulp te schenken," scheen de geheele menigte door de stem van den aartsdiaken te zeggen.
Lewin hoorde deze woorden en was er door getroffen.
"Hoe hebben zij begrepen, dat datgene, waaraan ik juist behoefte heb, hulp is, ja hulp? Wat weet ik wat kan ik zonder hulp?" dacht hij en herinnerde zich zijn twijfelingen en de nog onlangs gevoelde onrust en ontroering.
Toen de diaken had geëindigd, wendde de priester zich tot het huwelijkspaar met een boek in de hand:
"Allerhoogste God, die door een onverbreekbaren band hen vereenigt, die gescheiden waren, zegen Uw dienstknecht Constantijn en Uw dienstmaagd Catharina en stort Uw weldaden over hen uit. In den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, nu en altijd tot in alle eeuwigheid...."
"Amen," zong het onzichtbare koor.
"Die door een onverbreekbaren band hen vereenigt, die gescheiden waren!" Wat beantwoordden deze diepzinnige woorden aan hetgeen men op dit oogenblik gevoelt!--"Zou zij ze begrijpen zooals ik?" dacht Lewin.
Uit de beteekenis van Kitty's blik besloot hij, dat zij het begreep gelijk hij; maar hij bedroog zich: overstelpt door het gevoel, dat meer en meer haar hart veroverde en vervulde, had zij den kerkdienst nauwelijks gevolgd. Zij smaakte de groote vreugde eindelijk verkregen te hebben, wat sedert zes weken beurtelings haar gelukkig gemaakt en verontrust had. Sedert het oogenblik, waarin zij, gekleed in haar bruine japon, Lewin was genaderd om zich geheel aan hem te geven, was--zij gevoelde het--het verledene uit haar ziel gerukt en had plaats gemaakt voor een nieuw bestaan, zonder dat haar uitwendig leven was veranderd. Deze zes weken waren een tijdstip geweest, even gelukzalig als zwellend. Al haar hoop en verlangen vereenigde zich op een onbegrijpelijke wijze op dezen man, tot wien een gevoel haar dreef, dat zij nog minder begreep en die, haar bij afwisseling nu aantrekkende dan afstootende, haar een volkomen onverschilligheid voor haar verleden inboezemde. Haar gewoonten van weleer, de dingen, die zij had bemind, tot haar ouders toe, die haar ongevoeligheid bedroefde,--niets van haar vorig loven bestond nu meer; en hoewel verschrikt over deze verandering, verheugde zij zich over het gevoel, dat er de oorzaak van was. Maar kon zij zich nu van dat nieuwe leven, dat nog niet was aangevangen, een juist begrip vormen? Geenszins; het was een zachte en verschrikkende verwachting van het nieuwe, het onbekende, en deze verwachting, evenals het leedwezen van het verledene niet te kunnen betreuren, ging nu een einde nemen! Zij was bevreesd, dit was natuurlijk, maar het tegenwoordig oogenblik was toch slechts de wijding van het uur, dat reeds voor zes weken haar lot beslist had.
De priester, zich naar den lessenaar keerende, had moeite Kitty's kleinen ring aan het eerste lid van Lewins vinger te steken.
"Ik vereenig u, Constantijn, dienstknecht van God, met Catharina, dienstmaagd van God," en hij herhaalde dezelfde formule, terwijl hij een grooten ring aan Kitty's kleinen, fijnen vinger liet glijden.
De gehuwden trachtten te begrijpen, wat men van hen wilde, maar vergisten zich telkens, en de priester wees hen met zachte stem terecht. Men glimlachte en fluisterde rondom hen, maar zij bleven ernstig en eerbiedig.
"O God, die in het begin der wereld den man hebt geschapen," ging de priester voort, "en hem de vrouw hebt gegeven tot een onafscheidelijke hulpe, zegen Uw dienstknecht Constantijn en Uw dienstmaagd Catharina, vereenig de zielen dezer echtelieden en stort in hun hart het geloof, den vrede, de liefde."
Lewin voelde zijn borst zwellen, onwillekeurige tranen kwamen in zijn oogen, en al zijn voorstellingen van het huwelijk en van de toekomst verdwenen. Hetgeen nu vervuld werd, had voor hem een strekking, die hij tot hiertoe niet had begrepen en nu minder begreep dan ooit.
XXIII.
Bijna de geheele groote wereld van Moskou was by het huwelijk tegenwoordig. Onder deze menigte fraai gekleede dames en heeren met witte dassen werd veel gefluisterd, door de heeren vooral, want de dames waren verdiept in de beschouwing der honderd details dezer plechtigheid, waarin zij het hoogste belang stelden.
Een groep intiemen omringde de bruid, en daaronder bevonden zich haar beide zusters, Dolly en madame Lwof, die uit het buitenland was gekomen.
"Waarom is Maria bij een huwelijk in lila verschenen? Dit is bijna rouwkleeding," zeide madame Korsunsky.
"Bij haar teint staat dat goed," antwoordde mevrouw Drubetzky. Maar waarom kiest men den avond voor die plechtigheid. Daaruit spreekt de man van zaken."
"Dat maakt meer effect. Ik ben ook 's avonds getrouwd," zeide mevrouw Korsunsky met een zucht, en herinnerde zich, hoe schoon zij toen was en hoe bespottelijk verliefd haar man zich aanstelde. Dat alles was wel veranderd!
"Men beweert, dat zij, die meer dan tienmaal in hun leven bruidsjonkers geweest zijn, nimmer trouwen; ik heb me op die wijze tegen het huwelijk willen assureeren, maar de plaats was bezet," zeide graaf Senjawin tot de jonge prinses Tscharsky, de vues op hem had.
Deze antwoordde slechts door een lach. Zij beschouwde Kitty en dacht wat zij zou doen, als zij op haar beurt met Senjawin in denzelfden toestand verkeerde; wat zou zij zich dan wreken over zijn gekscheren!
Tscherbatzky vertrouwde aan een oude hofdame der keizerin zijn voornemen om den krans te plaatsen op Kitty's chignon ten einde haar geluk aan te brengen.
"Waartoe die chignon?" antwoordde zij, vast besloten, indien de weduwnaar, op wien zij het oog had, zich aan het huwelijk wilde onderwerpen, eenvoudig te trouwen. "Ik houd niet van die soort van opschik."
Sergej Iwanowitsch schertste met de dame naast hem en beweerde dat in de toegenomen gewoonte om na het huwelijk op reis te gaan lag opgesloten, dat de gehuwden zich in het algemeen over hun keus schaamden.
"Uw broeder kan evenwel trotsch zijn. Zij is wegsleepend. Ge moogt hem benijden!"
"Ik ben dien tijd voorbij, Darja Dimitriewna," antwoordde hij en zijn gelaat drukte een plotselinge droefheid uit.
Stipan Arkadiewitsch deelde zijn schoonzuster een woordspeling op de echtscheiding mede.
"Men moest haar krans terechtzetten," antwoordde zij zonder te luisteren.
"Hoe jammer, dat zij er minder goed dan anders uitziet, zeide mevrouw Lwof.
"Maar met dat al kan hij toch in haar schaduw niet staan, niet waar?"
"Ik ben het niet met u eens, hij bevalt mij zeer, en niet slechts als schoonbroeder," antwoordde mevrouw Lwof. "Wat heeft hij een goede houding! Het is in zulk een geval zoo moeielijk niet belachelijk te zijn. Hij is niet belachelijk en niet stijf, men ziet, dat hij bewogen is."
"Hadt je dat huwelijk verwacht?"
"Zoo wat. Hij heeft haar altijd bemind."
"Nu, wij zullen zien, wie van beiden het eerst den voet op het tapijt zet. Ik heb Kitty aangeraden het 't eerst te doen."
"Dat zou nutteloos zijn," antwoordde mevrouw Lwof, "in onze familie zijn wij onderworpen aan onze mannen."
"Ik heb er met voordacht den voet haastig opgezet en jij, Dolly?"
Dolly hoorde hem aan zonder te antwoorden; zij was bewogen, tranen vulden haar oogen en zij zou niet hebben kunnen spreken zonder te weenen. Zich verheugende in het geluk van Kitty en Lewin, keerde zij in haar gedachten terug naar haar eigen trouwdag en, een blik werpende op den schitterenden Stipan Arkadiewitsch, vergat zij de werkelijkheid en herinnerde zich slechts haar eerste, onschuldige liefde. Zij dacht ook aan andere vrouwen, haar vriendinnen, die zij zich in dat eenig en plechtig uur van haar leven herinnerde, waarin zij met blijdschap haar verleden leven vaarwel gezegd en met hoop en vrees in het hart een geheimzinnige toekomst aanvaard hadden. Onder het getal der gehuwden zag zij terug op haar geliefde Anna, wier plannen tot echtscheiding zij zooeven had vernomen; zij had ook haar gezien, bedekt met een witten sluier, rein en onschuldig, als Kitty onder haar krans van oranjebloemen. En nu? "Het is verschrikkelijk!" mompelde zij.
De zusters en de vriendinnen waren niet de eenigen, die met belangstelling de bizonderheden der plechtigheid volgden; er waren vreemde toeschouwsters, die den adem inhielden om geen enkele beweging van het huwelijkspaar te verliezen, en wrevelig antwoordden op de aardigheden en laffe gezegden der mannen en deze somwijlen zelfs niet eens hoorden.
"Waarom is zij zoo ontroerd? Trouwt zij tegen haar zin?"
"Tegen haar zin? Zulk een schoon man! Is hij vorst?"
"Die in wit satijn is de zuster. Hoor de diaken eens brullen: zij zal haar man gehoorzamen."
"Zijn de zangers van Tschoudow?" [12]
"Neen van de synode.
"Ik heb den knecht ondervraagd. Hij zegt, dat haar man haar medeneemt naar zijn landgoed. Hij is verschrikkelijk rijk, zegt men. Daarom heeft men haar uitgehuwelijkt."
"Het is een mooi paar."
"En jij hebt beweerd, Maria Wassiliewna, dat men geen crinolines draagt. En zie dan die dame in een donkerbruine japon eens--een ambassadrice, zegt men--hoe zij gekleed is! Zie je wel?"
"Wat een lief, onschuldig wezentje is die bruid. Men gevoelt zich onwillekeurig bewogen."
Op die wijze spraken de toeschouwsters, die slim genoeg geweest waren om binnen de kerk te komen.
XXIV.
Op dit oogenblik spreidde een der dienstdoende geestelijken een groot stuk rooskleurige stof op den vloer, terwijl het koor een moeielijk uit te voeren psalm aanhief, waarin de bas en tenor elkander antwoordden; de priester gaf het bruidspaar een teeken door naar het tapijt te wijzen.
Zij kenden beiden het vooroordeel, dat wil, dat diegene der echtgenooten, wiens voet het eerst het tapijt betreedt, de werkelijke heerschappij krijgt in het huisgezin, maar noch Lewin noch Kitty herinnerden zich deze omstandigheid. De vreemdsoortige opmerkingen rondom hen ontgingen evenzeer hun aandacht.
Een nieuwe handeling van den dienst begon. Kitty luisterde naar de gebeden en trachtte ze te begrijpen zonder dat haar dit gelukte. Hoe meer de ceremonie voortging, hoe meer haar hart overvloeide van blijdschap, die haar belette er haar aandacht op te vestigen.
Men bad God voor de gehuwden om de gaven der wijsheid en eener talrijke nakomelingschap, men herinnerde hen, "dat de eerste vrouw was geschapen uit een rib van Adam," "dat de vrouw vader en moeder moest verlaten om haar man aan te hangen"; men bad God "hen te zegenen als Izaak en Rebecca, als Mozes en Sippora, en hen kinderen te doen aanschouwen tot in het derde en vierde geslacht."
Toen de priester de kransen aanbood en Tscherbatzky dien van de jonge vrouw met zijn handschoen met drie knoopen bevende vasthield, beduidde men hem fluisterend van verschillende kanten, dat hij hem Kitty op het hoofd moest zetten.
"Zet hem mij op," fluisterde deze glimlachend.
Lewin zag naar haar zijde en getroffen door den blijden glans van haar gelaat, gevoelde hij zich, even als zij, gelukkig en verruimd.
Zij luisterden met blijdschap in het hart naar het lezen van het hoofdstuk en het rollen der stem van den diaken bij de laatste woorden, die zeer gewaardeerd werden door het vreemde publiek, dat ze met ongeduld verwachtte. Zij dronken met vreugde den wijn met water, die half warm in den beker was gegoten, en volgden bijna vroolijk den priester toen hij hen rondom den lessenaar voerde, hun handen in de zijne houdende. Tscherbatzky en Tschirikow volgden het paar, eveneens glimlachend en telkens struikelende over den sleep van Kitty's japon. De glans van vreugde, op Kitty's gelaat ontstaan, scheen zich aan de aanwezigen mede te deelen. Lewin was overtuigd, dat de priester en de diaken er evenzeer den indruk van ondergingen als hij.
Nadat de kransen waren afgenomen, las de priester de laatste gebeden en wenschte het jonge paar geluk. Lewin zag Kitty aan en meende haar nimmer zoo schoon gezien te hebben; het was de schoonheid van haar jubelend innerlijk wezen, die haar bestraalde; hij wilde spreken, maar hield zich stil, vreezende, dat de ceremonie nog niet was geëindigd. De priester zeide hem zacht met een goedigen lach:
"Omhels uw vrouw, en gij, omhels uw man," en nam hem de kaarsen uit de handen.
Lewin omhelsde zijn vrouw met omzichtigheid, nam haar arm en met den nieuwen en vreemden indruk van geheel met haar te zijn vereenigd, verliet hij de kerk. Hij had tot hiertoe niet gedacht aan de werkelijkheid van al wat nu gebeurd was, en begon er eerst geloof aan te slaan toen hun verwonderde en schuchtere blikken elkander ontmoetten; hij besefte nu, dat zij nu wel werkelijk slechts één geheel uitmaakten.
Denzelfden avond vertrokken de jonggehuwden naar het land.
XXV.
Wronsky en Anna reisden sedert drie maanden te zamen in het buitenland; zij hadden Venetië, Rome en Napels bezocht en waren nu in een kleine Italiaansche stad aangekomen, waar zij eenigen tijd dachten te vertoeven.
Een statige maître d'hôtel met het haar vol pommade en in het midden tot aan den nek toe gescheiden, met zwarten rok, breed voorhemd en breloques, die op den ronden buik bengelden, antwoordde onverschillig, met de handen in den zak, op de vragen, die een heer tot hem richtte.
Schreden op de trap aan den anderen kant van het perron deden den schitterenden majordomus omkeeren, en toen hij den Russischen graaf bemerkte, den huurder van het fraaiste appartement van het hotel, trok hij de handen uit zijn zakken en eerbiedig buigende deelde hij den graaf mede, dat de bode was komen berichten, dat de opzichter van het palazzo, waarover men in onderhandeling was, bereid was het huurcontract te teekenen.
"Zeer goed." zeide Wronsky. "Is madame te huis?"
"Madame is uit geweest, maar zij is juist te huis gekomen," antwoordde de maître d'hôtel.
Wronsky nam zijn slappen hoed met breeden rand af, wischte met zijn zakdoek langs zijn voorhoofd en over zijn haar, dat naar achter was gestreken om zijn kaalheid te verbergen, en wilde toen verder gaan, terwijl hij een verstrooiden blik wierp op een heer, die hem stond op te nemen.
"Mijnheer is een Rus en heeft naar u gevraagd," zeide de maître d'hôtel.
Wronsky keerde zich nog eens om, ontstemd omdat het hem maar niet gelukken wilde ontmoetingen te vermijden, maar aan den anderen kant verheugd een afleiding te vinden, welke die dan ook zijn mocht; zijn oogen en die van den vreemde begonnen op eens te stralen:
"Golinitschef!"
"Wronsky!"
Het was inderdaad Golinitschef, een kameraad van Wronsky uit het page-corps; hij behoorde er tot de liberale partij en had het met een civielen graad verlaten zonder het minste plan om in dienst te treden. Sedert hadden zij elkander slechts eenmaal ontmoet. Bij die enkele ontmoeting had Wronsky gemeend, dat zijn vroegere kameraad van de hoogte zijner uiterst liberale beginselen de militaire loopbaan verachtte; hij had hem daarom koel en uit de hoogte behandeld, hetgeen Golinitschef onverschillig had gelaten, maar hen niet had doen wenschen elkander weder te zien. En toch was het met een uitroep van vreugde, dat zij elkander herkenden. Misschien was Wronsky zich er van bewust, dat de oorzaak van zijn blijdschap bij het wederzien van Golinitschef gelegen was in de vreeselijke verveling, waaraan hij zich ten prooi gevoelde; maar het verleden vergetende, reikte hij hem de hand, en de ietwat beklemde uitdrukking in Golinitschefs gelaat maakte plaats voor die van blijkbare voldoening.
"'t Doet me bizonder genoegen je te zien!" zeide Wronsky met een gullen glimlach, die zijn fraaie tanden zichtbaar maakte.
"Men heeft mij je naam genoemd, ik wist niet, of gij het waart; het verheugt mij zeer."
"Maar kom binnen. Wat doe je hier?"
"Ik ben hier sedert een jaar. Ik werk."
"Waarlijk?" zeide Wronsky met belangstelling. "Laat ons toch binnen gaan."
En volgens de aan Russen eigen gewoonte Fransch te spreken als zij niet door de bedienden verstaan willen worden, zeide hij in het Fransch:
"Je kent Anna Karenina? Wij reizen te zamen, ik wilde juist naar haar toegaan." En terwijl hij sprak, gaf hij nauwkeurig acht op Golinitschefs gelaat.
"Ah zoo! dat wist ik niet," antwoordde hij onverschillig. (Hij wist het zeer goed.)
"Ben je al lang hier?"
"Drie dagen," antwoordde Wronsky, terwijl hij voortging zijn vriend gade te slaan.
"Hij is een man van opvoeding, die de dingen in het ware licht beschouwt; ik kan hem aan Anna presenteeren," zeide hij bij zich zelf, een gunstige uitlegging gevende aan de wijze, waarop Golinitschef het gesprek had afgeleid.
Sedert hij met Anna reisde, had zich bij elke nieuwe ontmoeting hetzelfde gevoel van aarzeling van Wronsky bemachtigd; meestal had men de situatie opgevat "zooals zij opgevat moest worden!" Hij zou verlegen gestaan hebben, als hij had moeten verklaren, wat hij daarmede bedoelde. Het eigenlijke was, dat men niets wilde begrijpen en zich tevreden stelde met een bescheiden terughouding zonder toespelingen te maken of vragen te doen, juist zooals het welopgevoede lieden tegenover een kieschen en ingewikkelden toestand betaamt.
Golinitschef behoorde bepaald tot deze beschaafde lieden, en toen Wronsky hem aan Anna had voorgesteld, deed het hem dubbel genoegen hem ontmoet te hebben, daar zijn houding zoo was, dat men die niet beter had kunnen wenschen en klaarblijkelijk zonder dat dit hem de minste inspanning kostte.
Golinitschef kende Anna niet, wier schoonheid en eenvoudigheid hem troffen. Zij bloosde toen zij de beide mannen zag binnentreden, en deze kinderlijke blos bekoorde haar gast uitermate. Hij was verrukt over de natuurlijke wijze, waarop zij haar positie deed blijken door Wronsky bij zijn verkleinnaam Alexei te noemen en te zeggen, dat zij zich gingen inrichten in een huis, dat men den weidschen naam van palazzo gaf, met de houding van iemand, die vermijden wil, dat een vreemdeling omtrent hem in dwaling verkeert.
Golinitschef, die Alexei Alexandrowitsch kende, kon niet nalaten, deze jonge, levendige vrouw, vol energie, gelijk te geven; hij was van oordeel, dat Anna nauwelijks zich zelf begreep, dat zij gelukkig en vroolijk kon zijn al had zij haar echtgenoot en haar zoon verlaten en haar goeden naam verloren.
"Dit palazzo staat in den gids," zeide Golinitschef. "Gij zult er een prachtigen Tintoret volgens zijn laatste manier zien."
"Ik weet wat: het weer is mooi, laten we terugkeeren om het te zien," zeide Wronsky zich tot Anna wendende.
"Zeer gaarne, ik ga mijn hoed halen. Je zegt, dat het warm is?" zeide zij op den drempel van de deur, terwijl zij zich tot Wronsky wendde en op nieuw bloosde.
Wronsky begreep, dat Anna, niet juist wetende wie Golinitschef was, zich zelf afvroeg, of zij wel den juisten toon jegens hem had getroffen.
Hij zag haar lang en teeder aan en antwoordde: "Neen niet te warm."
Anna begreep, dat hij over haar tevreden was, en hem met een glimlach antwoordende, verwijderde zij zich met haar vluggen en bevalligen tred.
De vrienden zagen elkander met een zekere verlegenheid aan; Golinitschef als iemand, die gaarne zijn bewondering zou willen uitdrukken, maar het niet durft, Wronsky als iemand, die een compliment verlangt, maar het toch vreest.
"Je hebt je dus hier gevestigd?" zeide Wronsky, om het een of andere gesprek te beginnen. "Houdt ge u altijd met dezelfde studiën bezig?"
"Ja, ik schrijf het tweede deel van _Deux Origines_," antwoordde hij bij deze vraag geheel oplevende, "of, om juister te spreken, ik verzamel de stof en maak die gereed. Het zal veel grooter worden dan het eerste deel. Men wil bij ons in Rusland maar niet begrijpen, dat wij de opvolgers zijn van Byzantium...." En hij begon een lange dissertatie.
Het maakte Wronsky verlegen van dit werk niets te weten, waarvan de schrijver sprak als van een bekend boek, maar naarmate Golinitschef zijn denkbeelden ontwikkelde, begon hij er belang in te stellen, hoewel hij met leedwezen de zenuwachtige opgewondenheid bemerkte, die zich van zijn vriend meester maakte. Zijn oogen begonnen vuur te stralen toen hij de argumenten van zijn tegenstanders weerlegde, en zijn gelaat nam een toornige en pijnlijke uitdrukking aan.
Wronsky herinnerde zich Golinitschef in het page-corps; hij was toen klein van gestalte, maar vol vuur en leven; een goede jongen, bezield door edele gevoelens en altijd de eerste in zijn klasse. Waarom was hij zoo prikkelbaar geworden? Wronsky kreeg bijna medelijden met hem.
Golinitschef, die vol was van zijn onderwerp, bemerkte niet eens, dat Anna was binnengekomen. Deze bleef in wandeltoilet en met een parasol in de hand bij de sprekenden staan, en Wronsky was blijde, dat hij het oog van den strakken en koortsachtigen blik van den spreker kon afwenden om het met welgevallen te doen rusten op de elegante gestalte van de vrouw, die hij liefhad.
Het kostte Golinitschef eenige moeite zich zelf weer meester te worden. Maar Anna wist hem spoedig afleiding te geven door haar vroolijk en beminnelijk onderhoud. Zij bracht het gesprek langzamerhand op de schilderkunst, waarover hij als een kenner sprak; aldus kwamen zij wandelende aan het palazzo en gingen het bezien.