Anna Karenina

Part 30

Chapter 30 3,936 words Public domain Markdown

"Christus is onzichtbaar bij uw biecht tegenwoordig," zeide hij zich naar Lewin keerend en wees op het crucifix. "Gelooft gij in alles, wat de heilige apostolische kerk ons leert?" ging hij voort, zijn handen onder de stola kruisende.

"Ik heb getwijfeld, ik twijfel nog aan alles," zeide Lewin met een stem, die hem zelf onaangenaam in de ooren klonk, en toen zweeg bij.

De priester wachtte eenige seconden, sloot de oogen en zeide zeer snel:

"Twijfelen is aan de zwakke menschheid eigen, wij moeten den Almachtige bidden, u te versterken. Welke zijn uw voornaamste zonden?"

De priester sprak in een adem door, alsof hij vreesde tijd te verliezen.

"Mijn voornaamste zonde is de twijfel, die mij niet wil verlaten; ik twijfel aan alles en bijna altijd."

"Twijfelen is de zwakke menschheid eigen," herhaalde de priester; "waaraan twijfelt gij hoofdzakelijk?"

"Aan alles. Ik twijfel somtijds zelfs aan Gods bestaan," antwoordde Lewin bijna in weerwil van zich zelf verschrikt door de ongepastheid dezer woorden. Maar zij schenen op den priester niet den indruk te maken, dien hij vreesde.

"Welke gronden van twijfel aan het bestaan van God hebt gij dan?" vroeg de priester met een schier onmerkbaren glimlach.

Lewin zweeg.

"Welken twijfel kunt gij hebben omtrent den Schepper, als gij Zijn werken beschouwt? Wie heeft het hemelgewelf versierd met zijn sterren, de aarde getooid met al haar pracht. Hoe zouden al deze dingen bestaan zonder den Schepper?" En hij vestigde een ondervragenden blik op Lewin.

Lewin besefte de onmogelijkheid van een philosophische discussie met een priester en antwoordde op de laatste vraag:

"Ik weet het niet."

"Gij weet het niet? Maar waarom twijfelt gij dan, dat God alles heeft geschapen?"

"Ik begrijp er niets van," antwoordde Lewin blozend, en gevoelde de ongerijmdheid der antwoorden, die in het tegenwoordig geval niet anders dan ongerijmd zijn konden.

"Bid tot God, neem uw toevlucht tot Hem; de kerkvaders zelf hebben getwijfeld en God gesmeekt hun geloof te versterken. De duivel is machtig en wij moeten hem wederstaan. Bid tot God, bid tot God, bid tot God," herhaalde de priester zeer snel.

Toen bewaarde hij een oogenblik het zwijgen, alsof hij nadacht.

"Gij zijt voornemens, zooals men mij gezegd heeft, een huwelijk te sluiten met de dochter van mijn parochiaan en geestelijken zoon, vorst Tscherbatzky?" liet hij met een glimlach volgen. "Dat is een voortreffelijk meisje."

"Ja," antwoordde Lewin blozend. "Wat heeft hij noodig zulke vragen bij de biecht te doen?" vroeg hij zich zelf.

De priester ging voort:

"Gij denkt aan het huwelijk, en God zal u misschien nakomelingen geven. Welke opvoeding zult gij uw kleine kinderen geven, als gij er niet toe komt de verzoekingen des duivels te overwinnen, die u aanspoort tot ongeloof? Indien gij uw kinderen lief hebt, dan zult gij niet slechts wenschen hun rijkdom, weelde en aanzien na te laten, maar als een goed vader zorgen voor het heil hunner ziel door het licht der waarheid,--is dat niet zoo? Wat zult gij antwoorden, als het onschuldig kind u vraagt: Vader, wie heeft alles gemaakt, wat mij bekoort op de aarde: het water, de bergen, de zon, de bloemen en planten? Zult gij het antwoorden: Ik weet het niet? Kunt gij ontkennen, wat God in Zijn oneindige goedheid u heeft voor oogen gesteld? En indien het kind u vraagt: Wat staat mij te wachten na den dood? Wat zult gij het zeggen, als gij niets weet? Hoe zult gij het antwoorden? Zult gij het overgeven aan de verleiding der wereld en des duivels? Dat is niet goed," zeide hij het hoofd op zijde buigend om Lewin aan te zien met zijn goedige, zachte en bescheiden oogen.

"Gij gaat een phase van het leven in," vervolgde de priester, "waarin men zijn richting moet kiezen en er zich aan houden. Bid God, dat Hij u helpe en in Zijn barmhartigheid u ondersteune; en om te besluiten: Onze Heer en God, Jezus Christus, zal u in Zijn genade voor de menschheid vergeven, mijn zoon...." En de priester, de formulen der absolutie voltooiend, gaf hem zijn zegen en liet hem gaan.

Lewin kwam dien dag verheugd in huis terug bij de gedachte, dat hij uit een valschen toestand was bevrijd zonder dat hij had behoeven te liegen. Hij droeg bovendien van het korte gesprek van den grijsaard den vagen indruk mede, dat hij in plaats van ongerijmdheden dingen gehoord had, die de moeite waard waren overdacht te worden.

"Natuurlijk nu niet," dacht hij, "maar later."

Lewin gevoelde levendig, dat er in zijn ziel een nevelachtig, donker gebied was verborgen; en wat den godsdienst betrof, verkeerde hij geheel in het geval van Swijaschsky en eenige anderen, wier begrippen zonder samenhang hem steeds onaangenaam troffen.

De soirée, die Lewin met zijn bruid bij Dolly doorbracht, was zeer vroolijk; hij vergeleek zich in zijn discours met Stipan Arkadiewitsch met een hond, dien men africht om door een hoepel te springen, en die, verheugd dat hij eindelijk de les heeft begrepen, in zijn blijdschap kwispelstaartend op de tafel en op de vensterbank wil springen.

XX.

De vorstin en Dolly namen nauwkeurig de vastgestelde gebruiken in acht, ook stonden zij Lewin niet toe op den trouwdag zijn bruid te zien; hij dineerde in zijn hotel met drie ongehuwde heeren, met wie hij toevallig te zamen was: Kattawassow, een vroegere makker van de universiteit, thans professor in de natuurkundige wetenschappen, die Lewin ontmoet en hier heen gevoerd en uitgenoodigd had op het diner, Tschirikow, zijn bruidsjonker vrederechter te Moskou en zijn metgezel op de berenjacht, en eindelijk Sergej Iwanowitsch.

Het diner was zeer opgewekt. Sergej Iwanowitsch was in een goed humeur, en Katawassows originaliteit vermaakte hem buitengemeen; deze ziende, dat hij in den smaak viel, overtrof zich zelf en ook Tschirikow hielp vroolijk de conversatie onderhouden.

"Daar is nu onze vriend Constantin Dimitritsch," zeide Katawassow op den langzamen spreektoon van den professor, die gewoon is, dat men naar hem luistert, "de middeleeuwsche knaap van weleer! Ik spreek van hem in het verledene, want hij bestaat niet meer. Toen hij de universiteit verliet, beminde hij de wetenschap en stelde belang in de menschheid; thans besteedt hij een gedeelte van zijn vermogens om zich illusies te maken, en het andere om aan zijn hersenschimmen een schijn van grond te geven."

"Ik heb nimmer een beslister vijand van het huwelijk ontmoet dan u," zeide Sergej Iwanowitsch.

"Geenszins; ik ben eenvoudig deelgenoot in de vervulling van de algemeene taak. Zij, die nergens geschikt voor zijn, zijn goed om de soort te vermeerderen. De anderen moeten bijdragen tot de geestelijke ontwikkeling, tot het geluk van hun natuurgenooten. Dat is mijn gevoelen. Ik weet, dat een menigte lieden geneigd zijn deze beide takken van arbeid te verwarren; maar ik behoor niet tot dat getal."

""Wat zou ik dan blijde zijn, als ik hoorde, dat gij verliefd waart!" riep Lewin uit. "Ik bid je, verzoek mij op je bruiloft."

"Maar ik ben al verliefd."

"Ja op de mollusken. Gij weet," zeide Lewin zich naar zijn broeder keerende, "Michaël Seminitsch schrijft een werk over de voeding en ..."

"Ik bid je, haspel de zaken niet dooreen! Het doet er weinig toe wat ik schrijf, maar het is waarheid, dat ik de mollusken bemin."

"Dat zal je niet beletten een vrouw te beminnen."

"Neen, maar mijn vrouw zou zich verzetten tegen mijn liefde voor de mollusken."

"Waarom dat?"

"Je zult het wel zien. Je houdt op dit oogenblik van de jacht, van de landbouwkunde; nu, wacht maar eens."

"Ik heb vandaag Archi ontmoet," zeide Tschirikow; "hij beweert, dat men te Prudnow een menigte eilanden, zelfs beren vindt."

"Je zult er jacht op maken zonder mij."

"Zie je wel," zeide Sergej Iwanowitsch. "Wat de berenjacht betreft, die kun je vaarwel zeggen; uw vrouw zal 't niet toestaan."

Lewin glimlachte. De gedachte, dat zijn vrouw hem de jacht zou verbieden, scheen hem zoo bekoorlijk, dat hij gaarne voor altijd zou afzien van het pleizier een beer te ontmoeten.

"Het gebruik om afscheid te nemen van zijn vrijgezelsleven is niet zinledig," zeide Sergej Iwanowitsch. "Hoe gelukkig men zich gevoelt, men betreurt altijd zijn vrijheid."

"Beken maar, dat zooals bij den bruidegom van Gogol het geval was, de lust bij u opkomt om uit het venster te springen."

"Zeker, maar hij zal het niet bekennen," zeide Katawassow luid lachende.

"Het venster is open ... vertrekken we naar Twer! Wij kunnen den beer in zijn hol vinden. Inderdaad, we kunnen den trein van vijf uur nog halen," zeide Tschirikow glimlachende.

"Welnu," antwoordde Lewin eveneens lachende, met de hand op het hart: "ik kan in mijn ziel niet het minste spoor van berouw over het prijsgeven van mijn vrijheid ontdekken."

"Je ziel verkeert in zulk een chaos, dat je er in het eerste kwartier niets in onderscheiden kunt. Wacht tot 't er wat meer helder wordt en dan zul je eens zien. Je bent een sujet, dat weinig hoop overlaat! Laat ons drinken op je genezing."

Na het diner gingen de gasten uiteen, omdat zij zich moesten omkleeden voor de huwelijksplechtigheid.

Toen hij alleen was gebleven, vroeg Lewin zich zelf nog af, of hij werkelijk de vrijheid betreurde, waarvan zijn vrienden zooeven hadden gesproken, en dit denkbeeld deed hem glimlachen.

"De vrijheid? Waartoe de vrijheid? Het geluk bestaat voor mij in beminnen, in de gedachte aan haar, in het verlangen naar haar, zonder eenige vrijheid. Zie daar het geluk!"

"Maar kan ik haar gedachten kennen, haar wenschen, haar gevoelens?" De glimlach verdween van zijn lippen. Hij verzonk in een diepe droomerij en gevoelde zich aangegrepen door vrees en twijfel.

"En indien zij mij niet beminde? Indien zij mij enkel trouwde om te trouwen? Indien zij dat deed zonder zedelijk besef? Misschien zal zij haar dwaling inzien en, nadat zij met mij gehuwd is, begrijpen, dat zij mij niet bemint en mij niet kan beminnen?" En de voor Kitty meest kwetsende gedachten voeren hem door het hoofd; hij begon op nieuw, zooals een jaar vroeger, een geweldige jaloerschheid tegen Wronsky te gevoelen; zijn herinnering voerde hem terug naar dien avond, toen hij hen op de soiree te zamen had gezien, en verdacht haar, dat zij hem nog niet geheel had vergeten.

"Neen," dacht hij wanhopig van zijn stoel opstaande, "ik kan in dezen toestand niet blijven; ik ga naar haar toe, ik zal met haar spreken en tot haar zeggen: 'Wij zijn vrij, is het niet beter niet verder te gaan? Alles is beter dan het ongeluk van een geheel leven, dan de schande en de ontrouw!'" En buiten zich zelf, vol haat tegen de menschheid, tegen zich zelf, tegen Kitty, snelde hij naar haar woning.

Hij trof haar aan bij een groote kist, bezig om met de kamenier japonnen van allerlei kleuren uit te spreiden op de vloer en op de ruggen der stoelen.

"Hoe?" riep zij met een van blijdschap stralend gelaat uit, toen zij hem zag. "Jij hier, jij zelf? Dat had ik niet gedacht. Ik ben bezig mijn meisjescostumes te verdeelen."

"Ah, dat is goed!" antwoordde hij, de kamenier met een somberen blik aanziende.

"Ga nu maar, Douniascha, ik zal je roepen," zeide Kitty; en dadelijk toen zij was heengegaan, vroeg zij: "Wat is er?"--Zij was getroffen en verschrikt door het ontdaan uitzicht van haar bruidegom.

"Kitty, ik word gepijnigd!" zeide hij op wanhopigen toon en bleef met een smeekende houding om in haar oogen te lezen, voor haar staan.

Deze heldere oogen, vol liefde hem aanziende, bewezen hem dadelijk, hoe ongegrond zijn vrees was, maar hij gevoelde een onweerstaanbare behoefte om gerustgesteld te worden.

"Ik ben gekomen om u te zeggen, dat het nog niet te laat is, dat alles nog kan worden hersteld."

"Wat? Ik begrijp je niet. Wat bedoel je?"

"Ik ... zooals ik honderdmaal dacht en zeide ... ik ben u niet waardig. Ge hebt eerst niet kunnen toestemmen mij te trouwen. Bedenk dat wel. Gij bedriegt u misschien. Denk er goed over. Ge kunt mij niet beminnen ... Indien ... ge moet het liever bekennen ...." ging hij voort, zonder haar aan te zien. "Ik zal ongelukkig zijn, maar dat komt er niet op aan; je moet zeggen wat je wenscht; alles is beter dan duurzame rampzaligheid! Nu, nu het nog tijd is...."

"Ik begrijp je niet," antwoordde zij hem verschrikt aanziende; "wat wilt ge? Terugtrekken, afbreken?"

"Ja, indien je me niet bemint."

"Je raaskalt!" riep zij uit, blozende van opkomende drift. Maar op het zien van zijn bedroefd gelaat verdween haar toorn, en de japonnen, die de stoelen bedekten, wegstootend, kwam zij dicht bij hem.

"Waar denk je aan? Zeg mij alles."

"Ik denk, dat je mij niet kunt beminnen. Waarom zoudt ge mij beminnen?"

"Mijn God! wat zal ik er aan doen?" zeide zij en brak in tranen uit.

"Wat heb ik gedaan!" riep hij dadelijk, en zich voor haar op de knieën werpend, bedekte hij haar handen met kussen.

Toen de vorstin vijf minuten later de kamer binnentrad, waren zij geheel verzoend. Kitty had haar bruidegom van haar liefde overtuigd. Zij had hem uitgelegd, dat zij hem beminde, omdat zij hem volkomen begreep, omdat zij wist, dat zij behoefte had om te beminnen, en dat al wat hij lief had goed en edel was.

Lewin vond de uitlegging volkomen afdoende. Toen de vorstin binnenkwam, waren zij naast elkander op den grooten koffer gezeten, de japonnen beschouwende en raadplegende over haar bestemming. Kitty wilde de bruine japon, die zij droeg toen Lewin haar hand vroeg, aan Douniascha geven, en hij stond er op, dat zij ze aan niemand zou geven en dat Douniascha de blauwe zou bekomen.

"Maar denk je er dan niet aan, dat, daar zij een brunette is, de blauwe haar misstaan zou? Ik heb aan dat alles gedacht."

Toen de vorstin vernam, waarom Lewin gekomen was, werd zij boos en lachte te gelijk; zij zond hem heen om zich te kleeden. want Charles zou dadelijk komen om Kitty te kappen.

"Zij is buitendien al opgewonden genoeg," zeide zij; "zij eet niets dezer dagen, ook valt zij zichtbaar af; je zult haar nog geheel in de war brengen met je dwaasheden! Kom maak je uit de voeten, mijn jongen."

Lewin kwam beschaamd en verlegen, maar gerustgesteld in het hotel terug. Zijn broeder, Darja Alexandrowna en Stipan wachtten hem reeds in groot toilet om hem te zegenen met de heiligenbeelden. Er was geen tijd te verliezen. Dolly moest naar huis om haar zoontje te halen, die voor deze gelegenheid zorgvuldig van pommade voorzien en gefriseerd was; het kind was belast om het heiligenbeeld voor bruid en bruidegom uit te dragen. Vervolgens moest er een rijtuig gezonden worden aan den bruidsjonker, terwijl de andere, die Sergej Iwanowitsch moest geleiden, aan het hotel zou terugkomen. Er waren dien dag de meest ingewikkelde combinaties in acht te nemen. Men moest zich haasten, want het was al halfzeven.

Aan de plechtigheid van den zegen ontbrak de ernst. Stipan Arkadiewitsch nam aan de zijde van zijn vrouw een plechtige en komieke houding aan, hief het beeld op, dwong Lewin om zich diep neder te buigen, terwijl hij hem zegende met een welwillenden en ondeugenden glimlach om de lippen; hij eindigde met hem driemaal te omhelzen, hetgeen ook Dolly haastig deed, daar zij moest vertrekken en vooral zorg had over de schikking met het rijtuig.

"Wij zullen zoo doen: gij gaat hem halen met ons rijtuig, en misschien zal Sergej Iwanowitsch de goedheid hebben dadelijk te komen en het zijne terug te zenden

"Best, met veel genoegen."

"Wij zullen te zamen komen. Is de bagage verzonden?" vroeg Stipan Arkadiewitsch.

"Ja," antwoordde Lewin, en hij riep zijn bediende om hem te kleeden.

XXI.

De schitterend verlichte kerk was sterk bezet, vooral door vrouwen; zij, die niet tot het binnengedeelte konden doordringen, woelden dooreen bij de vensters, verdrongen elkander en twistten om de beste plaatsen.

Meer dan twintig rijtuigen stonden achter elkander in de straat onder toezicht van gendarmen. Een commissaris van politie, onverschillig voor de koude, bleef stand houden tusschen de colonnade, waar de eene equipage na de andere elk oogenblik nu dames in groot toilet afzette, die de slepen harer japons ophielden, dan heeren, die het hoofd ontblootten om de heilige plaats binnen te gaan. Het licht der aangestoken lusters en waskaarsen voor de beelden overstroomde het op rooden grond prijkend verguldsel, het snijwerk der heiligen, de groote zilveren kandelaars, de wierookvaten, de vaandels der zangers, de trappen van het koor, de verkleurde oude misboeken en het priestergewaad. Onder de elegante menigte aan de rechterzijde der kerk heerschte een halfluid gemompel; men sprak er met opgewektheid, en het dof gemurmel van deze gesprekken weerklonk zonderling onder het hooge gewelf. Telkens als de deur met een klagend geluid open ging, hield het gemurmel der stemmen op, en aller blikken richtten zich naar de deur, in de hoop het huwelijkspaar te zien verschijnen. Maar de deur was al meer dan tienmaal geopend om doorgang te verleenen, hetzij aan den een of ander, die te laat was gekomen en zich ging voegen bij de groep aan de rechter zijde, hetzij aan eenige toeschouwers, die het gelukt was den commissaris van politie te bedriegen of te vermurwen. Vrienden en publiek hadden reeds alle toestanden van het wachten verduurd; men had eerst geen gewicht gehecht aan de vertraging der gehuwden; daarop had men zich steeds vaker omgewend, vragende wat de oorzaak zijn kon; eindelijk namen bloedverwanten en genoodigden het onverschillig voorkomen aan van lieden, die geheel verdiept zijn in hun gesprekken, om zoo de onrust te ontveinzen, die zich van hen had meester gemaakt.

De aartsdeken, om te bewijzen, dat hij een kostbaren tijd verloor, deed nu en dan de glasruiten trillen door ongeduldig te hoesten; de zich vervelende zangers beproefden op het koor hun stemmen; de priester zond sacristijns en diakenen om te informeeren naar de komst van den stoet en verscheen zelf in zijn lila soutane met geborduurden gordel aan een der zijdeuren. Eindelijk zeide een dame, na op haar horloge te hebben gezien, tot een dame naast haar: "Dat wordt zonderling!" En dadelijk gaven alle genoodigden hun verwondering en ontevredenheid te kennen. Een der bruidsjonkers ging op tijding uit.

Gedurende dien tijd wachtte Kitty in haar witte japon, langen sluier en den krans van oranjebloemen op het hoofd en in gezelschap harer zuster Lwof en de assistent-moeder [11] in het salon te vergeefs, dat de bruidsjonker de aankomst van haar bruidegom kwam berichten.

Van zijn zijde wandelde Lewin in zwarte pantalon, maar zonder vest of jas de kamer van het hotel op en neder; telkens opende hij de deur om in den corridor te zien, dan keerde hij ontstemd terug en wendde zich met wanhopig gebaar tot Stipan Arkadiewitsch, die bedaard rookte.

"Heb je ooit iemand in ongerijmder toestand gezien?"

"Dat is waar," bevestigde Stipan Arkadiewitsch met zijn kalmen glimlach. "Maar wees gerust, men zal het dadelijk wel brengen."

"Ja wel" zeide Lewin met moeite zijn woede bedwingend. En men kan dan nog met die ellendige open vesten niets beginnen. Onmogelijk," ging hij voort, de geheel verkreukelde plooien van zijn overhemd beschouwende. En als nu mij koffers reeds naar het spoor verzonden zijn?" riep hij buiten zich zelf uit.

Toen de oude knecht Kosma op Lewins bevel al het goed van zijn meester ingepakt en naar de Tscherbatzky's gebracht had, vanwaar het met den spoortrein moest worden verzonden, had hij er niet aan gedacht een schoon overhemd ter zijde te leggen. Datgene, wat Lewin sedert den morgen droeg, was niet vertoonbaar; naar de Tscherbatzky's zenden zou te veel tijd vereischen; daar het Zondag was waren de magazijnen niet open. Nu liet men een overhemd van Stipan Arkadiewitsch halen; het was voor hem bespottelijk wijd en kort. Wanhopig door het ongeval, moest hij nu naar de Tscherbatzky's zenden om een koffer te openen. Derhalve liep de ongelukkige bruidegom, terwijl men hem in de kerk wachtte, door zijn kamer heen en weer, als een wild dier in zijn kooi.

Eindelijk stormde de schuldige Kosma buiten adem de kamer binnen met een overhemd in de hand.

"Ik ben juist nog bij tijds gekomen, men stond op het punt de bagage naar het spoor te brengen."

Drie minuten later liep Lewin met groote stappen door den corridor, zonder op het horloge te zien om niet zijn kwelling te vermeerderen.

"Je kunt er niets aan veranderen," troostte Stipan Arkadiewitsch, die hem langzaam en glimlachend volgde. "Ik zeg u, dat alles zich wel zal schikken."

XXII.

"Dat zijn ze. Kijk, daar. Welke? Is het de jongste? En zij, men zou denken, dat ze half dood is!" mompelde men onder de menigte, toen Lewin met zijn bruid binnentrad.

Stipan Arkadiewitsch verhaalde zijn vrouw de oorzaak der vertraging en een lachend gefluister ging door de geheele groep der genoodigden. Wat Lewin betreft, hij zag niets of niemand en wendde zijn oogen niet af van zijn bruid. Kitty was onder haar bruidskrans minder schoon dan gewoonlijk, en algemeen vond men haar minder bevallig; maar zoo was niet de meening van Lewin. Hij beschouwde haar hoog kapsel, haar bloemen, haar witten sluier, het garnituur van haar japon, dat zedig haar langen teederen hals omsloot en dien van voren een weinig onbedekt liet, haar buitengewoon fijne taille--en zij scheen hem schooner dan ooit. Het was echter niet de Parijsche japon, noch het geheel van haar tooi,--die niets aan haar schoonheid toevoegde; het was de uitdrukking van dit bekoorlijk gelaat, haar blik, haar lippen met haar uitdrukking van onschuld en oprechtheid, die onder al dien toestel was bewaard gebleven.

"Ik dacht, dat je de vlucht hadt genomen," zeide zij lachend tot hem.

"Wat mij overkomen is, is zoo dwaas, dat ik mij schaam er over te spreken!" antwoordde hij blozend en wendde zich tot Sergej Iwanowitsch.

"Ze is mooi, je geschiedenis van het overhemd!" zeide deze, het hoofd met een glimlach opheffend.

"Ja, ja," antwoordde Lewin, zonder een woord te begrijpen van hetgeen tot hem gezegd werd.

"Kostja, nu is het oogenblik gekomen om een zeer gewichtig besluit te nemen," kwam Stipan Arkadiewitsch hem zeggen, zich houdend of hij in groote verlegenheid verkeerde; "de vraag is ernstig en gij zult er al het gewicht van gevoelen. Men komt mij vragen, of de kaarsen nieuw of reeds gebruikt moeten zijn; het maakt een verschil van tien roebel," voegde hij er bij, op het punt van te lachen. "Ik heb het beslist, maar ik weet niet of je het zult goedkeuren."

Lewin begreep, dat het een grapje gold, maar kwam er niet toe om te lachen.

"Wat besluit je? nieuw of aangebrand? ziedaar de vraag."

"Ja, ja, nieuw."

"Best, de vraag is beslist," zeide Stipan. "Wat beteekent een mensch toch weinig in zulk een positie," mompelde hij tegen Tschirikow, terwijl Lewin na hem een verstrooiden blik te hebben toegeworpen, zijn bruid naderde.

"Geef acht, Kitty! zet het eerst uw voet op het tapijt," zeide gravin Nordstone, terwijl ze bij haar kwam....

"Gij maakt het mooi!" liet zij zich tot Lewin wendend er op volgen.

"Zijt ge niet bevreesd?" vroeg Maria Dimitriewna, een oude tante.

"Ben je niet een weinig koud? Je bent bleek. Ga een oogenblik zitten!" zeide madame Lwof, haar schoone armen opheffend om een kleine afwijking, die in het kapsel harer zuster ontstaan was, te herstellen.

Dolly naderde haar op haar beurt en wilde spreken, maar de ontroering belette het haar, en zij begon zenuwachtig te lachen.

Kitty beschouwde hen, die haar omringden, met een even afgetrokken voorkomen als Lewin.

Intusschen hadden de hulpgeestelijken zich in hun kerkelijk gewaad gekleed, en de priester, vergezeld van den diaken, kwam zich voor den lessenaar plaatsen, die bij den ingang van het Allerheiligste stond; hij richtte eenige woorden tot Lewin, welke deze niet begreep.

"Neem uw bruid bij de hand en treed nader," fluisterde een bruidsjonker hem in.