Part 3
"Neen, neen, ik kom stellig!" en terwijl hij vergat Stipan's collega's te groeten, ging Lewin met stijve houding en vastberaden stap de deur uit.
"Dat schijnt een zeer energiek heer te zijn!" zeide Grinewitsch, toen Lewin vertrokken was.
"Ja, vadertje!" antwoordde Stipan, "dat is nu eerst een gelukkige: drie duizend desjatinen in het Ezremowsche district, nog een schoone toekomst voor zich en daarbij zoo oorspronkelijk--zoo geheel anders als wij."
"En wat hebt gij dan te klagen, Stipan Arkadiewitsch?"
"'t Is erg, ach, heel erg," sprak deze bij zich zelf en slaakte een diepe zucht.
VI.
Toen Oblonsky aan Lewin vroeg, waarom hij eigenlijk was gekomen, was hij rood geworden en had zich over zich zelf geërgerd, dat hij het werd, want hij kon toch niet antwoorden: "Ik ben gekomen om je schoonzuster Kitty ten huwelijk te vragen," hetgeen toch het doel zijner reis was. De Lewins en Tscherbatzky's behoorden tot oudadellijke familiën en hadden altijd in vriendschappelijke betrekking tot elkander gestaan.
Dit verkeer werd nog vertrouwelijker in den tijd, dat Lewin de hoogeschool bezocht, waar hij met den jongen vorst Tscherbatzky, den broeder van Dolly en Kitty, studeerde. In dien tijd kwam hij zeer dikwijls bij de familie Tscherbatzky en verliefde daarop; hoe zonderling het klinken moge, het was waar. Lewin was verliefd op het huis, op de familie, vooral op de vrouwelijke leden dezer familie Tscherbatzky. Hij had zijn moeder nooit gekend, zijn eenige zuster was veel ouder, zoodat hij sinds den vroegen dood zijner ouders zeer eenzelvig was opgegroeid. In het huis van vorst Tscherbatzky werd hij voor het eerst in een oudadellijk, beschaafd en hoogst achtenswaardig gezin opgenomen.
Alle leden dezer familie, vooral de vrouwelijke, waren voor hem als van een geheimzinnigen, poëtischen sluier omgeven, en hij zag niet alleen geen feilen, maar onder dien sluier vermoedde hij de edelste en uitstekendste beginselen en deugden.
Waarom de drie jonge meisjes altijd om den anderen dag Fransch en Engelsch spreken en om beurten op bepaalde uren piano spelen moesten; waarom op bepaalde tijden leeraars in de Fransche en Italiaansche letterkunde, in muziek, teekenen en dansen kwamen; waarom de drie jonge dames op bepaalden tijd met mademoiselle Linon in een kales naar den Twerskoyboulevard reden, allen in met atlas gevoerde pelzen gehuld, Dolly in een langen, Natalie in een halflange en Kitty in een korten, zoodat haar slanke voetjes in de strak getrokken kousen zichtbaar werden; waarom zij daar onder geleide van een met goud gegalloneerden bediende op en neder moesten wandelen; waarom zij allerlei verrassingen voor hun vader instudeeren moesten, zooals concertstukken op twee piano's of Fransche tooneelvoorstellingen; waarom men Dolly later een horloge schonk, haar een lang kleed naaide en naar het eerste bal geleide,--dat alles begreep hij niet, maar hij wist, dat het zoo behoorde en dat het noodig was en hij was betooverd door de geheimzinnige wijze, waarop dat alles gebeurde.
Het was hem, alsof hij noodzakelijk op een der dochters verlieven moest, hij wist maar niet op welke. Als student was Dolly zijn ideaal; die trouwde echter spoedig met Oblonsky. Nauwelijks was Natalie in de wereld gebracht, of zij trouwde met een diplomaat, Lwoff genaamd. Kitty was nog een kind, toen Lewin de universiteit verliet.
De jonge Tscherbatzky had bij de marine dienst genomen en verdronk kort daarop in de Oostzee. Na dien tijd verflauwden de relatie met de Tscherbatzky's.
Dit jaar was hij bij het begin van den winter om een veetentoonstelling naar Moskou gekomen, en nu hij Kitty in een lang kleed had weergezien, Kitty, die er als jong meisje oneindig bekoorlijker uitzag dan vroeger als kind, nu werd het hem helder, op welke van de drie het hem voorbeschikt was te verlieven.
Oogenschijnlijk was er voor hem, een twee-en-dertig-jarig man, die eer rijk dan arm was, niets eenvoudiger, dan de vorstin Tscherbatzky ten huwelijk te vragen, want naar alle omstandigheden te oordeelen was hij een goede partij. Maar Lewin was werkelijk verliefd en daarom kwam Kitty hem in alle opzichten als een zoo volmaakt, zoo boven al het aardsche verheven wezen voor en beschouwde hij zich zelf als zulk een nietswaardig schepsel, dat hij er in de verste verte niet aan denken durfde, dat anderen hem waardig achten zouden haar te bezitten.
Nadat hij als in een droom twee maanden te Moskou doorgebracht en Kitty bijna dagelijks gezien had, zeide hij plotseling tot zich zelf, dat er niets van komen kon, en ging naar zijn goederen terug. Hij zag in zich zelf twee groote gebreken, die hem het recht ontnamen aan haar te denken: ten eerste, dat hij slechts een eenvoudig grondbezitter en volgens zijn eigen meening alles behalve een knap man was. Dan zag hij een anderen hinderpaal in zijn vroegere betrekking tot Kitty, de verhouding van een volwassen man tot een kind.
Hij hield zich zelf voor een eenvoudig, lang niet innemend man, en zoo iemand, dacht hij, kon men wel als vriend beminnen, maar om bemind te worden met zulk een liefde, als hij Kitty toedroeg, moest men in alle opzichten boven velen uitblinken. Hij had er wel eens van gehoord, dat vrouwen dikwijls leelijke en alledaagsche menschen lief hadden, maar dit geloofde hij niet; hij beoordeelde anderen naar zich zelf, en hij kon slechts schoone, belangwekkende en schitterende vrouwen beminnen.
Na twee maanden alleen op het land doorgebracht te hebben, gevoelde hij echter, dat het geen voorbijgaande neiging was, zooals hem in zijn eerste jeugd wel voor korten tijd bedwelmd had, maar dat dit gevoel hem nu geen oogenblik rust liet, dat hij niet leven kon zonder de vraag beantwoord te weten, of zij zijn vrouw wilde worden ja of neen; daarom was hij naar Moskou gekomen met het vaste voornemen het aanzoek te doen en te trouwen, als hij aangenomen mogt worden, of.... Neen hij kon zich niet voorstellen, hoe het zijn zou, als zijn hoop onvervuld bleef.
Met den morgen trein te Moskou gekomen, begaf hij zich naar zijn oudsten broeder Kosnischeff, kleedde zich en trad diens kabinet binnen met het voornemen hem zijn plan mede te deelen en zijn raad in te winnen. Zijn broeder was echter niet alleen. Een bekend professor in de philosophie was zijn gast.
Sergei Iwanowitsch ontving zijn broeder met het zelfde vriendelijke, koele lachje, waarmede hij iedereen begroette, en zette na de wederzijdsche voorstelling zijn gesprek met den professor voort. Na verloop van een half uur vertrok de gast en wendde Sergei zich tot zijn broeder.
"Het verheugt mij zeer dat ge gekomen zijt! Hoe gaat het buiten met onze zaken?"
Lewin wist, dat zijn oudste broeder zich weinig om de bezittingen bekommerde en er alleen naar vroeg om hem genoegen te doen. Daarom sprak hij enkel over den tarweoogst en van hun geldzaken. Hij gaf het voornemen om zijn broeder zijn huwelijksplannen mede te deelen op, want nadat hij diens gesprek met den professor had gevolgd en daarna den beschermenden toon had opgemerkt, waarmede Sergei naar de oeconomische aangelegenheden vroeg (het vaderlijk erfgoed was niet verdeeld en Lewin beheerde het voor beide partijen), gevoelde hij, dat deze zijn plannen anders zou beoordeelen, dan hij het wenschte, en hij dus niet met hem daarover kon spreken.
VII.
Precies om vier uur steeg Lewin voor den zoölogischen tuin uit de droschke en sloeg met kloppend hart den weg in naar de ijsbergen en de rijbaan, ten volle gerustgesteld _haar_ daar te zullen aantreffen, want hij zag het rijtuig der Tscherbatzky's voor de poort wachten. 't Was een helder vriezende dag, voor den ingang stond een langen rij droschken, sleden en gendarmen. Onder de menigte wandelaars kwam hem een bekende tegen, die hem iets toeriep, Lewin herkende hem in het geheel niet. Hij kwam in de nabijheid der sneeuwbergen en hoorde het rammelen der kettingen, waarmede de sleden de hoogten op- en afgetrokken werden, het stommelen der naar beneden glijdende sleden en vroolijke stemmen. Na nog enkele schreden gegaan te zijn, stond hij bij de ijsbaan en herkende terstond te midden van alle schaatsenrijders _haar_.
Zij stond aan de overzijde in gesprek met een andere dame. Oogenschijnlijk was er niets bizonders aan haar, noch in haar houding, noch in haar kleeding, maar voor Lewin was het even gemakkelijk haar onder die menigte uit te vinden als een roos onder brandnetels.
"Zou ik werkelijk op het ijs durven gaan en haar naderen?" dacht hij; de plaats, waar zij stond, scheen hem een ongenaakbaar heiligdom, en een oogenblik stond hij op het punt om weer heen te gaan. Hij moest zich alle geweld aandoen om het ijs te betreden en vermeed het haar lang aan te zien, als ware zij de zon, maar even als deze zag hij haar toch, zonder tot haar op te zien.
Op dezen tijd van den dag placht zich hier een clubje onder elkander bevriende menschen te vermaken; in Lewins oogen waren die allen hoogst gelukkig, daar ze in haar nabijheid waren; en toch reden ze haar allen zeer onverschillig voorbij, spraken eens met haar en schenen zich, zonder verder acht op haar te slaan, over het spiegelgladde ijs en het heerlijke weder te verheugen.
Nicolai Tscherbatzky, Kitty's neef, zat met korte jas en nauwe broek en schaatsen onder de voeten op een bank en riep, zoodra hij Lewin gewaar werd, dezen toe:
"Aha, de champion der schaatsenrijders! Sedert wanneer hier? Waar hebt ge de schaatsen?"
"Ik heb er geen meegebracht," antwoordde Lewin, zeer verwonderd over zich zelf, dat hij in haar tegenwoordigheid zoo onbevangen spreken kon. Hij gevoelde, dat de zon hem naderde.
Zij had juist een wending gemaakt en reed nu de kleine, hooggeschoeide voetjes eenigszins stijf houdende, voorzichtig op hem toe. Een jongen in Russisch kostuum, die geweldig met de armen zwaaide en wiens neus bijna den grond raakte, joeg haar voorbij.
Zij reed tamelijk onvast, nam de handen uit den mof, die aan een koord om haar hals hing, om er mede te balanceeren, en hield haar blik strak op Lewin, dien zij herkend had, gericht, terwijl zij, half verheugd over de ontmoeting en half verlegen over haar onbeholpenheid, hem toelachte.
Door een zwenking reed zij vlak tegen Tscherbatzky aan, hield zich aan dezen vast en knikte Lewin lachend toe. Zij was nog schooner, dan hij zich voorgesteld had.
"Zijt gij reeds lang hier?" vroeg zij en stak hem de hand toe.
"Ik dank u," voegde zij er bij, toen hij haar haar zakdoek, die gevallen was, weergaf.
"Ik--nog maar kort ... gister--ik meen van daag--ben ik gekomen!" antwoordde Lewin, die in zijn opgewondenheid haar vraag niet dadelijk begreep. "Ik was bij u aan huis," voegde hij er bij. Bij de herinnering aan het doel van zijn bezoek werd hij verlegen en bloosde.
"Ik wist niet, dat gij zoo goed schaatsen reedt!"
Zij beschouwde hem oplettend, als wilde zij de reden van zijn verlegenheid uitvorschen. "Zulk een lof van u zegt veel, want uw goede naam als eerste schaatsenrijder is hier bewaard gebleven," hernam zij en klopte met de kleine gehandschoende hand de sneeuw van den mof.
"Ja, vroeger was ik een hartstochtelijk liefhebber en deed mijn best er een matador in te worden."
"Ik geloof, dat ge alles met hartstocht doet," sprak zij lachend. "Ik zou u gaarne eens zien rijden. Neem spoedig een paar schaatsen, dan zullen wij eens samen rijden."
"Samen, met haar te zamen?" dacht hij en sprak luide: "Ik zal ze terstond aandoen." Haastig verwijderde hij zich om er een paar machtig te worden.
"Wat zijt gij lang niet hier geweest," sprak de baanveger, terwijl hij hem de ijzers aangespte. "Er was na u geen zoo'n meester in 't rijden! Zitten ze zóó goed?"
"Ja goed, goed, alles goed," zeide Lewin, een gelukkig lachje, dat onwillekeurig zijn gelaat verhelderde, terug dringend. "Ja!" dacht hij, "dit is leven, dit is geluk! Zal ik het haar terstond zeggen? Neen, nu durf ik er haar niet van spreken, nu ik zoo gelukkig ben, gelukkig door de hoop, maar dan? Maar ik moet, ik wil het toch doen! Weg met alle zwakheid!"
Nu stond hij op zijn schaatsen, trok den overjas uit en gleed zonder de geringste inspanning over de gladde vlakte, alsof zijn wil alleen zijn bewegingen versnelde en vertraagde of er de richting aan gaf. Bevangen naderde hij haar, maar haar vriendelijk lachje schonk hem moed. Zij reikte hem de hand en zij gingen naast elkander, allengs hun vaart versnellend; maar hoe sneller zij reden, hoe vaster hij den druk harer hand in de zijne voelde.
"Met u had ik het gauwer geleerd," sprak zij, "met u voelt men zich zoo zeker."
"Ik gevoel mij ook zoo zeker, als gij op mij steunt," antwoordde hij en schrok tegelijkertijd over dat antwoord en bloosde. En inderdaad, nauwelijks waren die woorden gesproken, of even als de zon achter de wolken, verdween de vroolijkheid van haar gelaat en Lewin werd daarop die eigenaardige verandering gewaar, die een dieper nadenken er op te voorschijn placht te roepen. Op het anders zoo gladde voorhoofd vertoonden zich lichte rimpels.
"Hindert u iets? Maar ik heb geen recht daarnaar te vragen," sprak hij haastig.
"Waarom niet? Neen er is niets, dat mij drukt," antwoordde zij koel en liet er terstond op volgen: "Hebt ge mademoiselle Linon al begroet?"
"Neen, nog niet!"
"Och, ga dan naar haar toe; zij heeft zooveel met u op."
"Wat is dat? Ik heb haar beleedigd.... Mijn God, help mij!" dacht Lewin en begaf zich naar de Française met de grijze haren, die op een bank was gezeten.
Deze ontving hem als een oud vriend, terwijl ze lachend haar valsche tanden zien liet.
"Ja, kinderen worden groot!" sprak zij, met de oogen op Kitty duidend, "men wordt ouder! Rijd toch maar door, houd u niet op. Rijdt mijn Kitty niet goed?"
Lewin snelde weer naar Kitty toe. Haar gelaat was niet meer gestreng, haar oogen hadden een zachte en openhartige uitdrukking. Zij sprak vroolijk over haar oude gouvernante, over haar eigenaardigheden, en zeide hem zelfs, dat haar moeder mademoiselle niet genoeg waardeerde.
Dit oordeel over haar moeder tegenover hem uitgesproken gaf Lewin weer nieuwen moed. Zij sprak _met hem_ over haar moeder; zij geloofde alzoo aan de mogelijkheid, dat zij bij hem meer instemming zou vinden dan bij haar eigen moeder.
"Hoe is het mogelijk, dat gij u in den winter niet op het land verveelt?" vroeg zij.
"Vervelend vind ik het er nooit, wel eenzaam!"
Zij zag hem aan.
"Zou het toch mogelijk zijn," dacht hij.
"Blijft gij lang hier?" vroeg Kitty.
"Dat weet ik nog niet."
"Weet ge dat niet?"
"Ik weet het niet. Het hangt van u af!" sprak hij.
Of zij zijn woorden gehoord had of niet, plotseling was het of zij struikelde; zij stiet tweemaal met haar schaatsen krachtig op het ijs en gleed van hem weg. Zij schoot op mademoiselle Linon toe, wisselde eenige woorden met haar en begaf zich toen naar het huisje, waarin de dames gewoonlijk haar schaatsen afdeden.
"Ach, dat had ik nu nog niet moeten zeggen!" dacht hij, "mijn God, help mij!" Behoefte gevoelend zijn gemoed eens lucht te geven, nam hij een aanloop en beschreef allerlei kringen en figuren, waardoor hij spoedig aller opmerkzaamheid tot zich trok.
Op dat oogenblik kwam er juist een jongmensch, de beste der jongere schaatsenrijders, uit een restauratie. Hij had de schaatsen onder de voeten en een sigaar in den mond, liep met veel beweging en allerlei sprongen de trappen af en gleed op het ijs in eens door vooruit, zonder de houding van lichaam en armen merkbaar te veranderen.
"Aha, dat is een nieuw kunststuk," zeide Lewin en ging tegelijkertijd naar boven om het na te doen.
"Bezeer je maar niet," riep Tscherbatzky hem toe, "dat gaat zoo maar niet zonder oefening!"
Lewin ging tot aan den drempel der restauratie, stiet met kracht af en vloog langs de trappen naar beneden. Bij de onderste trede struikelde hij even, maar nauwelijks den grond met de hand aanrakend, stond hij weer recht op en vloog verder.
"Die goede, beste vriend!" dacht Kitty, die juist met mademoiselle Linon uit het huisje te voorschijn kwam, en zag hem met een teeder, vriendelijk lachje, als een geliefden broeder na.
"Is het mogelijk, dat ik schuld heb? Heb ik waarlijk verkeerd gedaan? Men noemt dat coquetteeren. Maar ik weet, dat ik hem niet bemin, en toch ben ik zoo gaarne met hem samen. Hij is zoo goed! Waarom heeft hij dat ook gezegd?" dacht zij.
Toen Lewin zag, dat Kitty met haar moeder het ijs verliet, stond hij stil en overlegde, wat te doen. Hij bond de schaatsen los en haalde bij den uitgang van het park moeder en dochter in.
"Ik verheug mij zeer u te zien!" sprak de vorstin. "Donderdags wachten wij altijd bezoeken af."
"Heden dus?"
"Het zal ons veel genoegen doen u te zien!"
De vorstin ging door, Lewin merkte iets stroefs en koels in haar toon op. Dat deed hem pijn.
Kitty voelde dit misschien ook en kon niet nalaten de stroefheid harer moeder te verzachten. Zij wendde het hoofd om en zeide met een vriendelijk lachje: "Tot weerziens!"
Op dat oogenblik kwam Stipan Arkadiewitsch, den hoed eenigszins scheef op het hoofd, met vroolijk lachend gelaat, dat niet de minste onrust verried, den tuin binnen. Zoodra hij zijn schoonmoeder naderde, teekende zijn gelaat meer schuldgevoel. Hij beantwoordde de vragen naar Dolly's welstand met bedrukt gelaat, maar nadat hij eventjes zacht en neerslachtig met de vorstin gesproken had, richtte hij het hoofd weer vroolijk op en nam Lewin onder den arm. "Kom, zullen wij maar terstond wegrijden? Ik heb telkens aan je gedacht en verheug mij, dat ge gekomen zijt." Daarbij zag hij hem veelbeteekenend in de oogen, "Ja wij willen heengaan," sprak de gelukkige Lewin, die met zijn oogen Kitty tot in het rijtuig volgde.
"Naar het hotel Angleterre of de Hermitage?"
"'t Is mij om 't even."
"Nu dan maar naar Angleterre," zeide Stipan en koos Angleterre, omdat hij daar de meeste schuld had, en het om die reden voor beter hield, dit hotel niet te vermijden. "Hebt gij een droschke? Zoo, dat is goed, ik heb mijn rijtuig weggezonden."
Onderweg zwegen de beide vrienden. Lewin dacht er over na, wat toch de zoo dikwijls afwisselende uitdrukking op Kitty's gelaat zou kunnen beteekenen. Stipan Arkadiewitsch dacht inmiddels over het menu voor het diner.
"Houdt ge van tarbot?" vroeg hij Lewin, toen zij voor het hotel stil hielden.
"Wat?" vroeg Lewin, "tarbot? Ja! ik houd heel veel van tarbot."
VIII.
Toen Lewin met Oblonsky het hotel binnentrad, bemerkte hij op het gelaat en in de houding van den laatste iets heel bizonders, een onderdrukte levendigheid. Oblonsky ontdeed zich van zijn overjas, trad met den hoed een weinig scheef op het hoofd de eetzaal binnen en gaf den hem op den voet volgenden Tartaar zijn bevelen. Terwijl hij rechts en links de zich daar bevindende gasten groette, naderde hij het buffet, gebruikte een glaasje likeur en een stukje visch en had daarbij een schertsend woord ten beste voor de achter het buffet zittende, gepoederde en geheel met linten, kant en krulletjes bedekte Française.--Lewin echter dronk alleen daarom geen likeur, omdat die Française met de valsche haren, poudre de riz en vinaigre de toilette hem verschrikkelijk ergerde. Hij vermeed haar omgeving als een bezoedelde plaats. Zijn geheele ziel was met Kitty's beeld vervuld, en uit zijn oogen lachten hoop en geluk.
"Hier mijnheer, als ik u verzoeken mag, hier wordt mijnheer niet gestoord," zeide de oude, breedgeschouderde Tartaar, spreidde een sneeuwwit tafelkleed op de ronde, met bronzen candelabres versierde tafel en schoof er twee fauteuils bij. Daarna bleef hij met het servet over de arm voor Stipan staan en wachtte diens bevelen af.
"Indien mijnheer soms een afzonderlijk kabinet mocht verlangen, dan zal er terstond een vrij zijn.... Vorst Galizin met een dame.... Wij hebben versche oesters gekregen...."
"Aha! oesters." Stipan overlegde.
"Zouden wij ons plan niet wijzigen, Lewin?" zeide hij met den vinger de spijskaart doorloopend, terwijl zijn gelaat groote besluiteloosheid teekende.
"Ja, laten wij oesters bestellen!"
"Zeg, hoor eens, jij, zijn ze werkelijk goed?"
"Flensburgsche, mijnheer! geen van Ostende!"
"Flensburgsche, ja! maar zijn ze wel versch?"
"Gister pas aangekomen."
"Dan moeten wij maar met oesters beginnen en ons menu geheel veranderen."
"'t Is mij om 't even! Ik had het liefst tsji met gort! Maar zoo iets kan men hier toch niet krijgen."
"Wenscht u misschien gort à la Russe," vroeg de Tartaar en boog zich over Lewin heen als een voedster over een kind.
"Neen zonder gekheid! zoek uit, wat je bevalt; ik ben van het schaatsenrijden zeer hongerig geworden en geloof, dat ik je keus alle eer zal aandoen. Ik zal met genoegen van al dat heerlijks eten."
"Nu dat zou ik denken," antwoordde Oblonsky, "want ge zult moeten toestemmen, dat dit toch een van de hoofdzaken van het leven is!--Dus maatje, geef ons twee of liever drie dozijn oesters, soep met groente...."
"Printanière!" zeide de Tartaar.
Maar Stipan Arkadiewitsch gunde hem het genoegen niet de gerechten Fransche namen te geven.
"Met groenten, versta je! Dan bot met dikke saus, dan--roastbeaf, maar pas op, dat die goed is! en dan misschien kapoen en ingelegde vruchten."
De Tartaar, die de eigenaardigheid van Stipan kende om de gerechten nooit Fransche namen te geven, sprak hem niet na, maar kon zich het genoegen niet ontzeggen de geheele bestelling volgens de Fransche spijskaart te herhalen.
"Soupe printanière, turbot sauce Beaumarchais, poularde à l'estragon, macedoine de fruits!"
Daarna overhandigde hij hem terstond de wijnkaart.
"Ja, wat zullen wij drinken?"
"Ik drink, wat je wilt, champagne," zeide Lewin.
De Tartaar vloog weg en verscheen eenige oogenblikken later met een schotel oesters en een flesch.
Lewin at van de oesters, hoewel hij liever brood met kaas zou gehad hebben; maar hij bewonderde Oblonsky, en zelfs de Tartaar, die een parelenden wijn in de fijngeslepen glazen schonk, zag met vergenoegden blik op Oblonsky neer.
"Gij schijnt niet veel om oesters te geven!" zeide Stipan Arkadiewitsch zijn glas ledigend, "of hebt ge misschien zorgen?"
Hij wenschte Lewin vroolijk te zien, maar deze gevoelde zich minder bekommerd dan beklemd. Hij vond het onaangenaam, zich met dat wat hem op het hart lag, in een hotel te bevinden, midden tusschen kabinetjes waar men met dames dineerde, te midden van al dat heen en weer geloop en die vreeselijke onrust; deze geheele omgeving van bronzen sieraden, spiegels, gas en Tartaren hinderde hem; hij vreesde, dat zij hetgeen zijn geheele ziel vervulde zou kunnen verontreinigen.
"Ik? Ja, ik heb zorg.... Bovendien hindert mij dit alles hier.... Gij kunt je ook niet voorstellen, hoe vreemd dit alles is voor iemand zooals ik, die pas van het land komt, zooals bij voorbeeld de nagels van dien heer, dien ik bij je aantrof."
"Ja, ik zag wel, dat je veel belangstelde in de nagels van den armen Grinewitsch," sprak Stipan Arkadiewitsch lachend.
"Dat kan ik niet uitstaan," zeide Lewin. "Probeer je eens in mijn plaats, als buitenmensch, te stellen. Wij plattelandsbewoners zorgen er voor onze handen zoo te onderhouden, dat men er gemakkelijk mee kan werken; daarom houden wij onze nagels kort en stroopen zelfs dikwijls de mouwen op. Hier laten ze de nagels zoo lang mogelijk groeien."
Stipan Arkadiewitsch antwoordde met een vroolijken lach:
"Dit is juist een teeken, dat zij niets met grof werk te maken hebben. Zij werken met hun hoofd."
"Misschien wel! Maar het komt mij toch vreemd voor, even als dit, dat wij buitenmenschen ons best doen om zoo spoedig mogelijk verzadigd te worden en weer gauw aan het werk te kunnen gaan, terwijl wij hier juist moeite doen om zoo lang mogelijk niet verzadigd te worden en daarom oesters eten."
"Zeer natuurlijk!" hernam Stipan Arkadiewitsch, "want dit is juist het doel van alle beschaving, alles met bewustzijn te genieten."
"Als dat uw levensdoel is, dan zou ik nog liever een wilde zijn."
"Dat ben je toch al, alle Lewins zijn wilden."
Lewin zuchtte. Oblonsky roerde terstond de hoofdzaak aan.