Anna Karenina

Part 29

Chapter 29 4,028 words Public domain Markdown

Dit gevoel had hem zoo onverwacht en eigenaardig overvallen, dat hij het niet voor de stem van zijn geweten hield, dat hem zeide, dat hij een verkeerden stap ging doen. Hij vermande zich en bestreed zijn schuchterheid.

"Ik hoop, dat ge mij zult gelooven, dat ik mijn zuster lief heb en jegens haar de oprechtste achting en gehechtheid koester."

Alexei Alexandrowitsch bleef staan, maar antwoordde niets. De uitdrukking van volkomen offervaardigheid op zijn gelaat maakte echter op Stipan Arkadiewitsch een diepen indruk.

"Ik was voornemens met je over mijn zuster en uw wederzijdsche verhouding te spreken," zeide hij, nog steeds niet geheel meester over zijn verlegenheid.

Karenin lachte weemoedig, zag zijn zwager aan en zonder te antwoorden ging hij naar de schrijftafel, nam een begonnen brief op en reikte dien Stipan over.

"Ik denk er onophoudelijk aan," zeide hij daarbij, "en ben reeds begonnen het schriftelijk uiteen te zetten, omdat ik dacht, dat dit beter was, want mijn tegenwoordigheid windt haar op."

Stipan nam verrast den brief aan, zag de matte oogen, die zoo onafgewend op hem gericht waren, en begon te lezen: "Ik zie, dat mijn tegenwoordigheid u lastig is. Hoe smartelijk het mij ook is daarvan overtuigd te zijn, zie ik toch, dat het zoo is en niet anders zijn kan. Ik wil u niet aanklagen, en God is mijn getuige, dat ik, toen ik u in uw ziekte zag, van ganscher harte besloten had al het tusschen ons voorgevallene te vergeven en een nieuw leven te beginnen. Daar heb ik geen berouw over en zal er ook geen berouw over hebben; maar ik zie, dat ik het daardoor beoogde doel, uw welzijn, het geluk uwer ziel, niet bereiken kan. Zeg mij nu zelf, wat u het geluk en de rust uws harten kan wedergeven. Ik zal mij geheel aan uw wil en rechtsgevoel onderwerpen."

Stipan Arkadiewitsch gaf den brief terug en zag zijn zwager twijfelachtig aan, daar hij niet wist, wat hij zeggen zou. Dit zwijgen werd beiden zoo onbehagelijk, dat Stipans lippen begonnen te beven, terwijl zijn blik op Alexei Alexandrowitsch bleef hechten.

"Dat is het, wat ik je zeggen wilde," sprak deze eindelijk en wendde zich af.

"Ja, ja," zeide Stipan, zonder in staat te zijn verder te spreken, want de aandoening beklemde zijn keel. "Ja, ja, ik begrijp dat...." bracht hij er eindelijk uit.

"Ik wensch slechts, haar wil te vernemen," zeide Alexei.

"Ik vrees, dat zij zelf geen klaar begrip van haar toestand heeft. Zij kan hier geen rechter zijn," antwoordde Stipan eindelijk weer zich zelf meester. "Zij gevoelt zich bedrukt, werkelijk bedrukt door je edelmoedigheid. Als zij dezen brief ontvangt, zal zij de kracht niet hebben iets te antwoorden.--Zij zal het hoofd nog meer laten hangen."

"Ja, maar wat dan te doen in dit geval? Hoe zal ik mij verklaren.... Hoe haar wil vernemen?"

"Als ge mij veroorlooft mijn meening te zeggen, dan geloof ik dat dat van u afhangt; gij moet de noodige maatregelen nemen om aan dezen toestand een eind te maken...."

"Je meent dus, er moet een eind aan gemaakt worden?" viel Karenin hem in de rede. "Maar hoe? Ik zie geen uitweg."

"Uit elken toestand is een uitweg," zeide Stipan opstaande en nieuwen moed scheppende. "Er was een tijd, dat je dezen band wildet verbreken.... Als ge u nu overtuigd hebt, dat je wederzijds bij elkander je geluk niet kunt vinden...."

"Geluk kan zeer verschillend worden opgevat. Maar veronderstellen wij, dat ik tot alles bereid ben, dat ik voor mij zelf niets wil--welken uitweg uit onzen toestand zie je dan?"

"Hoor dan mijn gevoelen," zeide Stipan met hetzelfde verzachtend, honingzoet lachje als te voren tot Anna; en dit goedhartig lachje werkte zoo overtuigend, dat Karenin al zijn eigen hulpeloosheid begreep en, zich geheel aan hem onderwerpend, bereid was alles te gelooven, wat Stipan zeggen zou. "Zij zelf zal het nimmer uitspreken." ging deze voort. "Maar slechts één ding is mogelijk dat zij wenschen kan, en dat is, dat deze geheele verhouding en alle daarmede verbonden herinnering ophouden. Ik bedoel, dat in ulieder toestand een zeer nauwkeurige bepaling uwer wederzijdsche verhoudingen noodzakelijk is. En deze kan slechts door de vrijheid van beide partijen verkregen worden...."

"Dat beteekent, door een echtscheiding," viel Alexei hem in de rede.

"Ja, ik meen de scheiding; ja, een scheiding," herhaalde Stipan blozend, "is in elk opzicht de verstandigste uitweg voor echtgenooten, die zoo met elkander staan, als gijlieden. Wat zou men anders doen, als men in het huwelijk bevindt, dat een samenleven onmogelijk is? En dit kan altijd gebeuren...."

Karenin zuchtte zwaar.

"Hier is maar dit eene te bedenken: of een der echtgenooten weer trouwen wil. Zoo niet, dan is alles zeer eenvoudig," ging Stipan voort, terwijl hij zich meer on meer van zijn bevangenheid losmaakte.

Karenin mompelde met opgewonden gelaat iets bij zich zelf, maar antwoordde niet. Alles, wat zijn zwager zoo eenvoudig voorkwam, had hij zich zelf reeds zoo dikwijls gezegd. Maar dat was niet slechts niet eenvoudig, maar volslagen onmogelijk. Een scheiding, waarvoor volgens de wetten een reden bestaan moest, kwam hem nu onmogelijk voor, daar van de eene zijde het gevoel van eigenwaarde en achting voor den godsdienst niet veroorloofden de beschuldiging van gefingeerde echtbreuk op zich zelf te nemen, en van den anderen kant kon hij nog minder toelaten, dat de vrouw, die hij beminde en die hij vergeven had, aangeklaagd en beschimpt werd. De wettige scheiding was onmogelijk, ook nog om andere gewichtige redenen.

"Wat zou er, ingeval van zulk een scheiding, van den zoon worden? Hem bij de moeder laten was onmogelijk; want deze gescheiden moeder zou weldra haar eigen onwettige familie hebben, waaronder de positie en opvoeding van den stiefzoon zeer waarschijnlijk betreurenswaardig zijn zou. Hem echter bij zich houden? Hij wist, dat dit van zijn kant wraakneming zou zijn, en deze wilde hij niet. Maar het meest onmogelijk kwam hem de scheiding om den wil van Anna zelf voor. Dolly's woord te Moskou, dat hij bij een scheiding slechts aan zich zelf dacht en daarbij niet in aanmerking nam, dat hij er Anna door te gronde zou richten, was hem in de ziel gevallen. En dit woord, in verband met zijn onbaatzuchtige, vergevensgezinde stemming en met zijn liefde voor de kinderen, verstond hij nu op zijn wijze. Zijne toestemming tot scheiding beteekende voor hem zelf een ontzegging van het leven en van de kinderen, en voor haar, haar den laatsten steun op den weg van het goede ontnemen en haar in het verderf storten. Gescheiden, zou zij zich, dat wist hij, met Wronsky vereenigen en deze verbintenis zou onwettig en misdadig zijn; want voor de echtbreukige vrouw bestaat er naar de wetten der kerk geen huwelijk, zoolang de echtgenoot leeft.

"Zij zal zich met hem vereenigen en na een of twee jaren zal hij haar weer verlaten of zij zal een nieuwe minnarij aanknoopen," dacht Karenin. "En ik, omdat ik tot deze onwettige scheiding mijn toestemming heb gegeven, zal de schuld van haar verderf dragen."

Hij geloofde dus geen woord van hetgeen Stipan zeide, op alles had hij vele tegenwerpingen, maar hij hoorde hem aan in het bewustzijn, dat zich in zijn woorden weder dat overmachtig ruw geweld deed hooren, dat zijn leven leidde en waarvoor hij eindelijk toch zou moeten bukken.

"De vraag is nu deze, op welke voorwaarden ge u over een scheiding wilt verstaan. Zij maakt op niets aanspraak en waagt niet u om iets te verzoeken, zij laat alles aan uwe edelmoedigheid over."

"Mijn God, mijn God! Waartoe dit?" dacht Alexei Alexandrowitsch, terwijl hij zich de details eener scheiding voorstelde, waarbij de man de schuld op zich nam, en met dezelfde beschaamde beweging, zooals Wronsky eens voor hem stond, hief hij zijn handen voor het gelaat.

"Je zijt opgewonden, dat begrijp ik. Maar als je het wel overlegt...."

"Als u iemand op de rechter wang slaat, keer hem ook de linker toe, en ontneemt u iemand den rok, laat hem ook den mantel...." dacht Alexei Alexandrowitsch: "Ja ja!" riep hij met zwakke, klagende stem uit: "Ik wil de schande op mij nemen en sta ook nog den zoon af; maar ... of het niet beter is het niet te doen ... Overigens, doe, wat ge wilt!"

En terwijl hij zich van zijn zwager afwendde, opdat deze hem niet zien kon, ging hij op zijn stoel bij het venster zitten. Hij had een bitter, beschamend gevoel; maar tusschen dit verdriet en deze schaamte mengde zich een inwendige blijde ontroering over de grootheid van zijn ootmoed.

Ook Stipan was ontroerd en zweeg een poos. "Alexei Alexandrowitsch, geloof mij, zij zal uw edelmoedigheid weten te waardeeren. Maar het is Gods wil," voegde hij er bij, doch nauwelijks had hij dit gezegd, of hij bedacht, dat het zeer afgezaagd en hier niet gepast was, en het kostte hem moeite een glimlach terug te houden.

Karenin wilde iets antwoorden, maar zijn ontroering belette het hem.

"Het is een fatale zaak, een ongeluk, dat moet men erkennen." sprak Stipan. "Maar ik beschouw het als een onveranderlijke daadzaak, en ik zal trachten u en haar te helpen."

Toen hij de kamer verliet, was hij ontroerd, maar dat weerhield hem niet met het gevolg van zijn pogen tevreden te zijn, want hij was overtuigd, dat zijn zwager zijn woord niet zou terugnemen. Bij deze voldoening kwam nog een ander genoegen, want hij kreeg den inval, dat hij, als deze aangelegenheid zou zijn afgeloopen, zijn vrouw en zijn kennissen de vraag wilde voorleggen: "Welk onderscheid is er tusschen mij en een veldmaarschalk? De veldmaarschalk manoeuvreert en niemand is daarmede geholpen, en ook ik heb gemanoeuvreerd en drie zijn er door geholpen; of beter: welke overeenkomst is er tusschen mij en een veldmaarschalk, als ...? Nu, ik zal het nog beter uitdenken," zeide hij met een tevreden lachje.

XVIII.

Wronsky's verwonding was, al was het hart niet getroffen, gevaarlijk. Eenige dagen zweefde hij tusschen leven en dood. Toen hij voor de eerste maal weer tot bewustzijn kwam, bevond Warja zich alleen bij hem in de kamer.

"Warja," zeide hij en zag haar somber aan, "ik heb mij toevallig gewond; zoo moet gij tot allen zeggen en niet meer daarvan spreken. Het is te dom!"

Zonder hem een antwoord te geven, boog Warja zich over hem heen en zag hem verheugd in het gelaat. Zijn oogen stonden helder en zonder teeken van koorts; maar zij hadden een sombere uitdrukking.

"Nu Goddank!" zeide zij, "hebt ge geen pijn meer?"

"Hier nog een weinig." Hij wees op zijn borst.

"Wacht een oogenblik; ik zal u verbinden."

Hij drukte zwijgend de breede kaken opeen en zag haar aan, terwijl zij hem verbond. Toen zij daarmede gereed was, zeide hij: "Ik phantaseer niet. Zorg er voor, dat men niets anders van mij zegt, dan dat ik mij toevallig verwond heb."

"Niemand spreekt daarover. Maar ik hoop, dat je niet weer toevallig op je zelf schieten zult."

"Ik zal het wel niet weer doen; maar beter was het!" En hij lachte somber.

In weerwil van deze woorden en van dit lachen, waardoor Warja zeer verschrikt was, gevoelde hij toch, toen de ontsteking had opgehouden en de genezing begonnen was, dat hij zich van een deels zijns kommers had ontlast; alsof hij zich door deze daad van de schande en vernedering, die hem te voren drukten, rein gewasschen had. Hij kon nu weer met kalmte aan Alexei Alexandrowitsch denken; hij erkende diens groote edelmoedigheid zonder zich daardoor vernederd te gevoelen. Buitendien kwam hij ook nu weer in het oude vaarvater zijns levens. Hij zag de mogelijkheid om de menschen weder zonder gevoel van schaamte in de oogen te kunnen zien en kon zich weer door zijn voormalige gewoonten laten leiden. Slechts één gevoel kon hij, ofschoon hij het voortdurend bestreed, niet uit zijn hart rukken: een aan wanhoop grenzend leedwezen _haar_ voor immer in het verderf te hebben gestort. Dat hij zich nu, nadat hij zijn schuld had gedelgd, geheel van haar losmaken en zich niet meer tusschen haar en haar echtgenoot dringen zou, stond bij hem vast; maar hij kon toch het leedwezen over haar verlies niet uit zijn hart rukken, hij kon de herinnering niet bannen aan de oogenblikken van geluk, die hij bij haar had genoten, die hij toen te weinig had weten te waardeeren en die hem nu met hun bekoorlijkheid in zijn verbeelding vervolgden.

Serpuchowsky bewerkte voor hem een verplaatsing naar Taschkent en Wronsky was zonder wankelen aanstonds bereid daaraan te voldoen. Maar hoe meer het oogenblik van vertrek naderde, des te zwaarder scheen hem het offer, dat hij meende aan zijn plicht te moeten brengen.

Zijn wond was genezen en hij ging reeds uit om de voorbereidselen voor zijn vertrek te maken.

"Slechts eenmaal zou ik haar gaarne zien, dan zal ik mij gewillig in ballingschap begraven en sterven," dacht hij en aan deze gedachte had hij bij een zijner afscheidsbezoeken woorden gegeven. Met dit bericht was Betsy naar Anna gegaan en had hem haar afwijzend antwoord teruggebracht.

"Des te beter!" dacht Wronsky bij dit bericht; "het was slechts een zwakheid, die mij mijn laatste krachten zou gekost hebben."

Den volgenden dag kwam Betsy bij hem en meldde hem, dat zij van Oblonsky het bepaald bericht had ontvangen, dat Karenin zijn toestemming tot echtscheiding had gegeven. Hij zou haar derhalve nu kunnen zien.

Zonder van Betsy afscheid te nemen, al zijn goede voornemens vergetend, zonder te vragen, of hij gelegen kwam of waar zich haar echtgenoot bevond, ijlde hij naar Karenins huis. Hij stoof de trap op, op niets of niemand acht slaande, en bijna galoppeerend snelde hij haar kamer binnen. Zonder te bedenken en zonder er op te letten, of ook iemand anders tegenwoordig was, omhelsde hij haar en bedekte haar gelaat, haar hals en haar armen met kussen.

Anna had zich op dit wederzien voorbereid; zij had overlegd, hoe zij met hem zou spreken, maar zijn onstuimige hartstocht sleepte haar mede, zoodat zij niets kon zeggen. Zij wilde hem en zich zelf tot kalmte brengen, maar dat was nu te laat. Zijn opgewondenheid deelde zich ook aan haar mede, en haar lippen beefden zoo, dat zij niet vermocht te spreken.

"Ja, ge hebt mij veroverd en ik ben nu geheel de uwe!" zeide zij eindelijk en drukte zijn handen tegen haar borst.

"Zoo moest het komen!" antwoordde hij. "En zoo moet het blijven, zoolang wij leven. Nu weet ik dat!"

"Dat is waar!" zeide zij, terwijl zij allengs bleeker en bleeker werd en intusschen zijn hoofd omvat hield. "Maar na al wat gebeurd is, blijft daarin toch iets ontzettends."

"Dat zal voorbijgaan!" zeide hij. "Alles zal voorbijgaan, en dan zullen wij gelukkig zijn! Onze liefde zal, zoo mogelijk, juist omdat daarbij wat ontzettends is, nog sterker worden," en hij hief het hoofd op en liet lachend zijn witte tanden zien.

En zij moest met een lachje het zijne beantwoorden, niet om zijn woorden, maar om zijn verliefde oogen. Zij nam zijn hand en streelde daarmede haar kort haar en koude wangen.

"Je bent met dat korte haar nauwelijks te herkennen. Je bent nog schooner geworden. Net een jongen. Maar wat ben je bleek."

"Ja, ik ben nog steeds zeer zwak," zeide zij lachend en weder beefden haar lippen.

"Wij gaan naar Italië; daar zult ge weer beter worden."

"Is het mogelijk, dat wij zullen zijn als man en vrouw? Ik met u alleen?" zeide zij en zag hem in de oogen.

"Ik zou niet weten, hoe het anders zijn kon."

"Stiwa heeft mij gezegd, dat--hij met alles instemde; maar ik kan zijn edelmoedigheid niet aannemen," zeide zij en zag nadenkend zijn gelaat voorbij. "Ik dring op geen scheiding aan, mij is alles hetzelfde. Ik laat hem zelfs mijn zoon! Wat dunkt je?"

Hij begreep niet, hoe zij in dit eerste oogenblik van hun wederzien aan haar zoon en aan de scheiding denken kon. Alsof dat niet alles onverschillig was!

"Spreek daar niet van! Denk er niet aan," zeide hij en keerde haar hand in de zijne om. Hij wilde haar opmerkzaamheid weer tot zich trekken, maar zij vermeed steeds hem aan te zien.

"Ach, waarom ben ik maar niet gestorven? Het ware beter geweest!" zeide zij en zonder dat zij snikte, vloeiden de tranen over haar wangen, maar zij deed moeite een opgeruimde uitdrukking aan haar gelaat te geven om hem niet te bedroeven.

Volgens zijn vroegere levensopvatting zou het voor Wronsky beschamend en onmogelijk geweest zijn, zijn evenzoo met eer als met gevaar verbonden verplaatsing naar Taschkent af te wijzen; maar nu zag hij er zonder aarzelen af, en daar hij bemerkte, dat hooggeplaatste personen daarover ontevreden waren, verliet hij geheel den militairen dienst.

Een maand later bleef Alexei Alexandrowitsch in zijn woning alleen met zijn zoon. Anna en Wronsky waren op weg naar het buitenland, zonder dat een scheiding, waarvan zij uitdrukkelijk had afgezien, had plaats gevonden.

XIX.

Vorstin Tscherbatzky achtte het onmogelijk het huwelijk te laten voltrekken voor de groote vasten, en wel wegens den uitzet, waarvan voor dien tijd, dat is binnen vijf weken, nauwelijks de helft gereed kon zijn. Zij moest echter toestemmen, dat men, indien men wachtte tot Paschen, gevaar liep door een sterfgeval verhinderd te worden, want een oude tante van den vorst was gevaarlijk ziek. Men sloeg dus een middelweg in door te besluiten, dat het huwelijk zou plaats hebben voor de vasten, maar dat men slechts een gedeelte van den uitzet onmiddellijk zou ontvangen en de rest na de bruiloft. Het jonge paar was voornemens, dadelijk na de plechtigheid naar het land te vertrekken en had dus niet veel noodig. De vorstin was verontwaardigd Lewin onverschillig te zien voor al deze belangen; als altijd half dwaas, ging hij voort zijn geluk en zijn persoon te beschouwen als het middelpunt, het eenige doel der schepping; om zijn zaken bekommerde hij zich niet, hij liet ze over aan de zorg zijner vrienden, overtuigd, dat zij alles ten beste zouden schikken. Zijn broeder Sergej, Stipan Arkadiewitsch en de vorstin leidden hem geheel; hij vergenoegde zich met goed te keuren, wat men hem voorsloeg.

Zijn broeder leende het geld, dat hij noodig had; de vorstin raadde hem aan Moskou na de bruiloft te verlaten, Stipan Arkadiewitsch was van gevoelen, dat een reis in den vreemde gepast zou zijn. Hij stemde alles toe.

"Beveelt wat u goeddunkt," dacht hij, "ik ben gelukkig, en wat gij ook beschikt, mijn geluk zal er niet meer of niet minder door zijn."

Maar toen hij Stipans idee aan Kitty mededeelde, hoorde hij met verwondering, dat zij dit ontwerp niet goedkeurde en dat zij voor de toekomst wel bepaalde plannen had. Zij wist, dat Lewin te huis op zijn goederen ernstige belangen had, en deze belangen, die zij niet begreep of trachtte te begrijpen, schenen haar zeer gewichtig te zijn; ook wenschte zij geen reis in het buitenland, maar gaf er de voorkeur aan zich dadelijk in hun werkelijke woonplaats te installeeren. Deze zeer bepaalde beslissing verraste Lewin, en als altijd onverschillig voor de details, verzocht hij Stipan, met den smaak, die hem kenmerkte, het toezicht te houden over de verfraaiing van zijn huis op Pokrowka. Dat was juist een kolfje naar zijn hand.

"A propos," zeide Stipan eens, nadat hij buiten alles had geregeld, "heb je het attest van de biecht?"

"Neen, waarom?"

"Zonder dat kan men niet trouwen."

"Ai, Ai!" riep Lewin uit, "denk eens: in negen jaren heb ik niet gebiecht! Ik heb er zelfs niet aan gedacht!"

"Dat is wat moois," zeide Stipan lachend; "en jij bejegent mij als een nihilist! Maar dat kan zoo niet gaan. Je moet je godsdienstplichten vervullen."

"Wanneer? Wij hebben maar vier dagen meer!"

Stipan schikte deze zaak gelijk de andere, en Lewin begon zijn godsdienstplichten te vervullen. Zelf ongeloovige, eerbiedigde hij toch de overtuiging van anderen, en vond het hard tegenwoordig te zijn bij en deel te nemen aan godsdienstplechtigheden, waaraan hij niet geloofde. In zijn teedere en sentimenteele gemoedsstemming, waarin hij nu verkeerde, was hem de dwang om te veinzen zeer hatelijk. Hoe! spelen met heilige dingen, liegen, nu zijn hart zich had geopend, nu hij zich te midden van zijn volle glorie gevoelde! was dit mogelijk? Maar wat hij deed om Stipan te dringen een middel te zoeken om een attest te bekomen zonder gedwongen biechten--deze bleef onverbiddelijk.

"Wat doet 't er toe? Twee dagen gaan spoedig voorbij en je hebt te doen met een goedigen grijsaard, die je dezen tand wel zal trekken zonder pijn."

Lewin deed onder de eerste mis, waarbij hij tegenwoordig was, zijn best om zich de godsdienstige indrukken van zijn jeugd te herinneren, die tusschen de zestien en zeventien jaar bij hem zeer levendig geweest waren, maar hij slaagde er niet in. Hij trachtte toen de godsdienstvormen te beschouwen als een oud gebruik, zonder zin, ongeveer als de gewoonte om visites te maken; dit gelukte hem evenmin, want, zooals de meesten zijner tijdgenooten, verkeerde hij in een vagen toestand ten opzichte van godsdienstige waarheden, en niet in staat om ze te gelooven, was hij het evenmin om ze geheel te onderwerpen. Deze verwarring van gevoelens veroorzaakte hem gedurende den tijd, die aan zijn devotie's gewijd was, eene beschamende verlegenheid; handelen zonder overtuigd te zijn, dit was--zoo riep hem zijn geweten toe--een slechte, leugenachtige daad.

Om niet in lijnrechten strijd te zijn met zijn overtuiging, trachtte hij eerst den een of anderen zin aan het kerkelijk ritueel toe te kennen, maar bespeurende, dat hij kritiseerde in plaats van te begrijpen, deed hij zich geweld aan om niet meer te hooren, ten einde zich over te geven aan de intieme gedachten, die zich gedurende zijn lange bezoeken in de kerk van hem meester maakten.--De mis, de vesper en de avondgebeden gingen op die wijze voorbij; den volgenden morgen stond hij vroeg op en kwam tegen acht uur nuchter in de kerk voor de morgengebeden en de biecht. De kerk was ledig; hij zag er niemand dan een soldaat, die bedelde, twee oude vrouwen en de hulpgeestelijken. Een jong diaken kwam hem te gemoet; zijn lange, magere rug teekende zich door zijn dunnen priesterrok heen in twee scherpe helften af, hij naderde een tafeltje bij den muur en begon de gebeden te lezen. Lewin bleef rechtop achter hem staan en hoorde hem op haastigen toon, met eentonige stem en afgebroken woorden lezen en telkens de woorden herhalen: «Ontferm U over ons!" die als een nagalm klonken; hij trachtte zich te verzetten tegen het luisteren en beoordeelen, om niet gestoord te worden in zijn eigen aangename gedachten.

"Welk een uitdrukking heeft zij in de handen," dacht hij, zich de soirée van den vorigen avond herinnerend, die hij met Kitty had doorgebracht in een hoek van het salon bij een tafel. Hun gesprek was niet van het minste belang; zij vermaakte zich met haar hand, die op de tafel leunde, te openen en te sluiten, terwijl zij lachte om deze kinderachtigheid. Hij herinnerde zich deze hand te hebben gekust en er de lijnen van te hebben beschouwd.

"Nog al _ontferm U over ons_," dacht Lewin het kruisteeken slaande en buigende tot op den grond, terwijl hij de lenige bewegingen van den voor hem staanden diaken gadesloeg, die zich ook nederboog.

"Vervolgens heeft zij mijn hand genomen en ze op haar beurt onderzocht. Je hebt een fameuse hand, heeft ze mij gezegd." Hij beschouwde zijn hand, vervolgens die van den diaken met stompe vingers.

"Nu zal 't spoedig uit zijn. Neen, hij begint weer te bidden. Ja toch, hij buigt tot op de steenen; dat is het einde."

De diaken ontving een billet van drie roebel, dat ongemerkt in zijn mouw gleed, en verwijderde zich haastig en deed zijn nieuwe schoenen klinken op de vloersteenen der ledige kerk; hij verdween achter het altaar, na Lewin te hebben beloofd hem in te schrijven voor de biecht. Een oogenblik daarna kwam hij terug en gaf hem een teeken. Lewin naderde het koor, beklom eenige treden, keerde rechts om en zag den priester voor zich, een grijsaard van kleine gestalte met een bijna witten baard, goedhartig en wat vermoeid van uitzicht, die bij den koorlessenaar stond en in het misboek bladerde. Na Lewin even gegroet te hebben, begon hij de gebeden te lezen, terwijl hij, aan het einde gekomen, zich tot aan den grond boog.