Part 28
Hij rukte het kussen terecht en drukte er het voorhoofd in, maar het kostte hem inspanning slechts de oogen gesloten te houden. Hij sprong op en ging zitten. "Het is met mij voorbij," zeide hij. "Ik moet overleggen, wat mij overblijft te doen."
Zijn gedachten doorvlogen zijn geheele leven, slechts niet den tijd zijner liefde voor Anna. Eerzucht ...? Serzuchowsky? De wereld? Het hof? Op niets van dit alles bleven zijn gedachten zich hechten. Dat alles had vroeger een beteekenis voor hem, nu bestond het voor hem niet meer.
Hij stond van de sopha op, maakte zijn kleederen los, ontblootte zijn borst om vrijer te kunnen ademhalen en ging eenige malen zijn kamer op en neder.
"Zoo wordt men krankzinnig," herhaalde hij, "en zoo komt men er toe zich dood te schieten ... om zich niet te schamen!" liet hij er zacht op volgen.
Hij ging naar de deur en sloot ze; toen ging hij met starren blik en de tanden op elkander geklemd naar de tafel, nam zijn revolver, onderzocht hem, laadde hem en dacht na.
"Het spreekt van zelf! Altijd dezelfde herinneringen aan een verloren geluk, dezelfde ijdelheid van alles wat nu nog overblijft, steeds hetzelfde vernederend bewustzijn.... Het spreekt van zelf!" hernam hij andermaal, en terwijl zich zijn gedachten in denzelfden kring bewogen, hief hij zijn revolver op en richtte hem tegen de linkerzijde van zijn borst en haalde, met de geheele hand, alsof hij ze tot een vuist wilde ballen, de haan over. Hij hoorde geen schot, maar een hevige slag tegen zijn borst deed hem tuimelen; hij wilde zich aan de tafel vasthouden, liet den revolver vallen en zat op den vloer, terwijl hij verwonderd rond zag. Hij herkende zijn kamer niet; hij zag den gebogen tafelpoot, de papiermand, het tijgervel.... De haastige, krakende schreden van zijn dienaar, die door het salon ging, deden hem weer tot zich zelf komen. Hij spande zijn gedachten in en zag, dat hij op den vloer lag, hij zag bloed op het tijgervel en op zijn hand en begreep, dat hij op zich zelf geschoten had.
"Dom! ik heb slecht getroffen!" zeide hij en tastte met de hand naar het wapen. Het lag naast hem. Hij zocht het verder af en zich daarbij ter zijde keerend, verloor hij het evenwicht, viel neer en zijn bloed stroomde te voorschijn.
De elegante dienaar, die bij zijn kennissen altijd over zwakke zenuwen geklaagd had, verschrok, toen hij zijn heer in dien toestand op den vloer zag liggen, zoodanig, dat hij hem liet bloeden en wegliep om hulp te halen.
Een uur later kwam Warja, de vrouw van Wronky's broeder, aangereden en met hulp van eenige haastig er bij geroepen dokters, legde zij den zwaar gewonde op zijn bed en bleef bij hem om hem te verplegen.
XIV.
Toen Karenin zich op het wederzien zijner vrouw had voorbereid, had hij een fout begaan. Hij had niet op de mogelijkheid gerekend, dat haar berouw oprecht kon zijn, dat hij haar vergeven en dat zij niet sterven zou. Deze fout erkende hij twee maanden na zijn terugkomst van Moskou in haar volle beteekenis. De reden was, dat hij voor deze laatste ontmoeting zijner vrouw zijn eigen gevoel niet kende. Aan haar ziekbed had hij voor de eerste maal in zijn leven geheel aan dat gevoel toegegeven, gedreven zoowel door het medelijden, dat anderer lijden steeds bij hem verwekte en waarvoor hij zich steeds als voor een dwaze zwakheid geschaamd had--als door berouw, dat hij op haar dood had gehoopt, en eindelijk niet het minst door de zaligheid van het vergeven, waardoor hij plotseling zijn leed verzacht gevoelde en in zijn hart een vrede en geluk inkeerde, zooals hij te voren niet gekend had.
Hij had zijn vrouw vergeven, beminde haar en had medelijden met haar om haar lijden en om haar berouw; hij had Wronsky vergeven en had medelijden met hem, toen hij zijn wanhopige daad vernam. Ook zijn oudsten zoon beminde hij nu meer dan vroeger, maar het meest het kleine meisje. Eerst bemoeide hij zich uit medelijden met het pasgeboren zwakke kind, dat het zijne niet was en gedurende de ziekte der moeder zeer verwaarloosd zou zijn geworden, als hij het zich niet aangetrokken had, en nu bemerkte hij dat hij het had liefgekregen. Eenige malen daags begaf hij zich naar de kinderkamer, de baker en de kindermeid, die hem eerst vreesden, hadden zich aan hem gewend, en geruimen tijd kon hij het kleine roodgele gezichtje beschouwen.
Maar, hoe meer de tijd verliep, des te meer werd hij overtuigd, dat, hoe natuurlijk hem zelf ook zijn tegenwoordige toestand toescheen, men er wel voor zorgen zoude hem niet rustig daarin te laten blijven. Behalve de eigen, innerlijke zelfvoldoening bemerkte hij spoedig, dat er nog een andere, grover en sterker macht was, die zijn lot bestuurde en dat deze hem de ootmoedige zielerust, die hij zocht, niet gunnen zoude. Hij besefte, dat allen hem vragend en verbaasd aanzagen, omdat zij hem niet begrepen, en dat zij de een of andere handeling van hem verwachtten. Maar vooral besefte hij het onware en onnatuurlijke van zijn verhouding tot zijn vrouw.
Toen de weekhartigheid, die het naderen van Anna's dood had verwekt, verdwenen was, bemerkte Alexei Alexandrowitsch, dat zij hem schuwde, dat hij haar lastig was en dat zij hem niet in de oogen kon zien. Alsof zij hem iets zeggen wilde, waartoe zij niet vermocht te besluiten en alsof zij vermoedde, dat hun tegenwoordige verhouding zoo niet kon voortduren, verwachtte ook zij iets van hem.
Tegen het einde van Februari werd het jongste kind ziek, dat naar zijn moeder "Anna" was gedoopt. Karenin was 's morgens vroegtijdig in de kinderkamer geweest en nadat hij had bevolen om den dokter te zenden, was hij naar het ministerie gegaan. Eerst om vier uur keerde hij naar huis terug. In de voorkamer trof hij een opgeschikten bediende aan met gouden tressen en een kraag van berenvel, die over een witten met Amerikaansch hondevel gevoerden mantel lag.
"Wie is daar?" vroeg Karenin.
"Vorstin Elizabeth Fedorowna Twerskaja." antwoordde de bediende met een snert van glimlach, die Karenin niet beviel.
Het bezoek der vorstin, van wie hij volstrekt niet hield, was hem onaangenaam en hij begaf zich daarom naar de kamers der kinderen.
In de eerste kamer lag Serëscha over de tafel gebogen en teekende onder vroolijk gebabbel. De Engelsche gouvernante, die met een handwerkje naast hem zat, stond bij Karenins binnentreden op.
Alexei Alexandrowitsch streek met de hand over het haar van zijn zoon en vroeg, wat de dokter van de kleine baby gezegd had.
"De dokter zegt, dat het niets gevaarlijks is en heeft alleen baden voorgeschreven, sir."
"Ja, maar haar scheelt toch wat," en hij luisterde naar het krijten van het kind in de aangrenzende kamer.
"Ik geloof, dat de minne niet deugt," zeide de Engelsche beslist.
"Waarom denkt u dat?" vroeg hij en bleef staan.
"Zij is ook bij gravin Pohl geweest, sir. Men dokterde steeds met het kind, en eindelijk bleek het, dat de minne geen voedsel had."
Karenin dacht na. Toen ging hij de andere kamer in. Het kind lag achterover op de armen der minne, rekte zich uit en wilde de aangeboden borst niet nemen. Het schreide in weerwil van het sussen der over haar gebogen minne.
"Gaat het nog steeds niet beter?" vroeg Alexei Alexandrowitsch.
"Zeer onrustig," antwoordde de kindermeid.
"Miss Edwards denkt, dat de minne geen voedsel genoeg heeft."
"Dat geloof ik ook, Alexei Alexandrowitsch."
"Waarom zeg je dat dan niet?"
"Wien zou ik het zeggen? Anna Arkadiewna is immers nog altijd ziek," antwoordde de dienstmeid verdrietig.
Zij was een oude dienares des huizes. Alexei Alexandrowitsch meende in haar eenvoudige woorden een toespeling op zijn toestand als echtgenoot te vinden.--Het kindje schreide nog sterker; de meid nam het van de minne over en wiegde het, terwijl zij de kamer op en neer ging, in haar armen.
"De dokter moet de minne onderzoeken," zeide Alexei Alexandrowitsch.
De oogenschijnlijk gezonde en bloeiende minne, bevreesd dat zij ontslagen kon worden, mompelde iets, terwijl zij haar borst verbergde, en lachte verachtelijk over den twijfel aan haar overvloed van melk. Ook in dien lach zag Karenin een spotten met zijn toestand.
"Arm kind," zeide de dienstmeid, terwijl zij het al op en neer gaande tot rust zocht te brengen.
Alexei Alexandrowitsch nam plaats op een stoel en keek met deelnemende uitdrukking toe. Toen het kind eindelijk in zijn wiegje gelegd en het kussen door de meid terecht geschikt was, stond Alexei Alexandrowitsch weder op en naderde, behoedzaam op de teenen gaande, de wieg; hij zag het kind een poos zwijgend en met dezelfde uitdrukking van medelijden aan, toen verhelderde zich zijn voorhoofd en hij verliet de kamer.
In de eetkamer gekomen, schelde hij en beval den dienaar, den dokter te halen. Hij ergerde zich over zijn vrouw, dat zij zich zoo weinig om het kind bekommerde, en derhalve overwon hij zich en ging naar haar kamer. Terwijl hij over het dikke tapijt de deur naderde, werd hij zonder het te willen getuige van een gesprek, dat hij niet begeerde te hooren.
"Als hij niet ging vertrekken, kon ik uw weigering begrijpen. Overigens schijnt uw man immers boven dit alles verheven te zijn," hoorde hij vorstin Betsy zeggen.
"O, niet om mijn man, maar om mijns zelfs wil! Spreek zoo niet!" antwoordde Anna's opgewonden stem.
"Maar ge moet toch zelf wenschen van een man afscheid te nemen, die zich om u wilde doodschieten."
"Juist daarom wil ik het niet...."
Alexei Alexandrowitsch bleef met verschrikt, schuldig gelaat staan en wilde weer terugkeeren. Maar hij bedacht, dat dit zijner niet waardig was, en ging hoestend naar de slaapkamer. Het gesprek verstomde en hij trad binnen.
Anna zat met kortafgesneden haar op de chaise-longue. Zooals altijd bij den aanblik van haar echtgenoot, verdween de levendigheid uit haar gelaat; zij boog het hoofd en zag verlegen naar Betsy. Deze zat overdreven modern gekleed, het lange, schrale figuur stijf opgericht, naast Anna; zij boog het hoofd en ontving Karenin met een ironisch lachje.
"Ah," zeide zij als verrast; "het doet mij genoegen, u te huis te treffen. U zelf komt nergens; sedert Anna's ziekte heb ik u niet meer gezien. Ik heb gehoord.... Ja, u is een zeldzaam man!"
Zij sprak met beteekenisvolle vriendelijkheid, alsof zij hem wegens zijn verhouding tot zijn vrouw een orde der edelmoedigheid wilde schenken.
Karenin boog zich koel en, terwijl hij zijn vrouw de hand kuste, vroeg hij, hoe het haar ging.
"Ik geloof, dat ik beter ben," antwoordde zij en vermeed zijn blik.
"Maar het schijnt mij, alsof ge een koortsachtige kleur hebt." zeide hij, op het woord "koortsachtig" den nadruk leggend.
"Wij hebben te druk gepraat," zeide Betsy. "Ik zie in, dat het zelfzuchtig van mij was en wil derhalve heengaan."
Zij stond op, maar Anna nam plotseling blozend, driftig haar hand: "Neen, wat ik u bidden mag, blijf nog. Ik wil u nog iets zeggen,--neen u!" wendde zij zich tot haar man en een donkerrood overstroomde haar hals en haar voorhoofd: "Ik kan en wil voor u geen geheimen hebben."
Alexei Alexandrowitsch knakte met de vingers en boog het hoofd.
"Betsy heeft mij gezegd, dat graaf Wronsky wenscht voor zijn vertrek naar Taschkent van ons afscheid te nemen." Zij zag haar man niet aan en haastte zich alles te zeggen, wat haar zoo zwaar viel. "Ik heb geantwoord, dat ik hem niet kon ontvangen."
"Of liever, mijn beste, dat dit van Alexei Alexandrowitsch afhing," verbeterde Betsy.
"Neen, ik kan hem niet ontvangen en het kan tot niets...." Zij brak plotseling af en zag haar man vragend aan: "Met één woord: ik wil niet...."
Alexei Alexandrowitsch kwam nader en wilde haar hand vatten. Haar eerste beweging was ze terug te trekken, maar zij beheerschte zich en drukte zijn vochtige hand vol gezwollen aderen.
"Ik dank u zeer voor uw vertrouwen." zeide hij half geërgerd en half verlegen, omdat hij datgene, wat hij anders zoo gemakkelijk had kunnen beslissen, niet wist te beoordeelen in tegenwoordigheid der vorstin, die hem voorkwam als de personificatie van dat ruw geweld, dat zijn leven in de oogen der wereld de richting zou geven en hem verhinderde zich geheel aan de gevoelens van liefde en vergiffenis over te geven.
"Nu dan, adieu, melieve," zeide Betsy en stond op. Zij kuste Anna en verliet de kamer. Alexei Alexandrowitsch deed haar uitgeleide.
"Alexei Alexandrowitsch, ik ken u als een waarachtig edelmoedig man," zeide zij, terwijl zij in het kleine salon bleef staan en zijn hand vast drukte: "Ik ben u een vreemde, maar ik bemin en acht u zoozeer, dat ik mij een raadgeving veroorloof: Ontvang hem. Alexei Wronsky is een man van eer en hij vertrekt naar Taschkent."
"Vorstin, ik ben u voor uw raad en deelneming dankbaar; maar de vraag, of zij hem ontvangen kan of niet, kan niemand uitmaken als zij zelf."
Hij zeide dit naar zijn gewoonte met waardigheid, maar dacht onmiddellijk daarna, dat, hoe zijn woorden ook zijn mochten, door den toestand der dingen voor hem geen waardigheid meer bestond. En datzelfde las hij in het bedwongen half spottend glimlachen, waarmede Betsy, toen hij zweeg, hem aanstaarde.
XV.
Karenin boog zich voor vorstin Betsy en keerde naar zijn vrouw terug. Zij had zich nedergelegd, maar toen zij zijn schreden hoorde, richtte zij zich weer op en zag hem verschrikt aan. Hij bemerkte, dat zij geweend had.
"Ik ben je zeer dankbaar voor je vertrouwen," herhaalde hij zacht de woorden, die hij te voren in Betsy's tegenwoordigheid in het Fransch tot haar gesproken had; hij sprak Russisch en zeide gedurig "jij," en dit "jij" vertoornde Anna. "En ik dank je ook zeer voor je beslissing, want ook ik ben van oordeel, dat, als hij de stad wil verlaten, het voor graaf Wronsky volstrekt niet noodig is eerst bij ons te komen. Overigens ..."
"Dat heb ik al gezegd, waarom dat dus te herhalen?" viel Anna hem met een plotselinge geraaktheid, die zij niet kon overwinnen, in de rede. "Niet noodig!" dacht zij. "Voor een man, die afscheid wil nemen van de vrouw, die hij bemint, voor wie hij zich dooden wilde en zouder wie hij niet leven kan--niet noodig!"
Zij drukte de lippen opeen en zag met haar schitterende oogen op zijn met gezwollen aderen bedekte handen neer, die hij in elkander wreef.
"Wij willen daar niet meer van spreken," liet zij er kalmer op volgen.
"Ik heb het u overgelaten deze vraag te beslissen en het verheugt mij te zien ..."
"Dat mijn wensch met den uwen overeenstemt," voltooide zij haastig, geërgerd dat hij zoo langzaam sprak, waarbij zij toch al vooruit wist, wat hij zou zeggen.
"Ja," bevestigde hij, "en de vorstin mengt zich op ongepaste wijze in deze familiezaken. En zij nog wel ..."
"Ik geloof niets van hetgeen men van haar zegt," viel zij hem snel in de rede. "Ik weet slechts, dat zij mij oprecht lief heeft."
Karenin zuchtte en zweeg. Zij speelde opgewonden met de kwasten van haar nachtkleed en zag hem aan met het kwellend gevoel van een physieken afkeer van hem, wegens welk gevoel zij zich wel beschuldigde, maar dat zij niet kon overwinnen. Zij had nu slechts één wensch: van zijn haar zoo hinderlijke tegenwoordigheid bevrijd te zijn.
"Ik heb juist om den dokter gezonden," zeide hij.
"Ik ben gezond. Waartoe heb ik een dokter noodig?"
"Neen, maar de kleine schreit, en men zegt, dat de minne te weinig voedsel heeft."
"Waarom hebt gij mij niet toegestaan haar zelf te zoogen? Ik heb er u om gesmeekt! Maar dat is hetzelfde (Karenin begreep de beteekenis van dit: "dat is hetzelfde",) het is een kind, dat in den weg is. Ik had het zelf willen zoogen, maar men veroorloofde het niet en nu doet men mij verwijten."
"Ik doe geen verwijten."
"Ja wel, u doet mij verwijten. Mijn God, waarom ben ik niet gestorven?" En zij begon te snikken, uitroepende: "vergeef mij, ik ben zenuwachtig, ik ben onrechtvaardig! Maar ga nu...."
"Neen, dat kan zoo niet blijven," zeide Karenin vastbesloten bij zich zelf, toen hij van het bed zijner vrouw in zijn kabinet was teruggekeerd. Nog nimmer was hem de onhoudbaarheid zijner positie in de oogen der wereld, de afkeer zijner vrouw van hem en bovenal die macht, die geheime, ruwe macht, die, in strijd met zijn eigen wenschen, een verandering in zijn echtelijke verhoudingen gebood, zoo verschrikkelijk duidelijk geworden als dezen dag. En hij gevoelde zich machteloos. Hij wist vooruit, dat allen tegen hem waren en dat zij datgene, wat hem als het natuurlijkste en plichtmatigste toescheen, niet toelaten, maar hem dwingen zouden datgene te doen, wat hij niet wilde, wat hij voor onrechtmatig, zij echter voor rechtmatig hielden.
XVI.
Betsy had Karenins zaal nog niet verlaten, toen Stipan Arkadiewitsch Oblonsky, die juist van Elissew kwam, waar versche oesters waren, haar in de deur ontmoette.
"Ah, vorstin, dat is wel een aangename ontmoeting!" zeide hij. "Ik kom van uw woning."
"Een korte ontmoeting, want ik wil juist wegrijden," antwoordde Betsy en trok haar handschoenen aan.
"Wacht met het aantrekken van uw handschoenen, vorstin, tot ik uw handje gekust heb. Ik ben, wat de invoering van verouderde modes betreft, voor niets meer dankbaar dan voor den handkus!" Hij kustte haar hand: "Wanneer zullen we elkander weerzien?"
"Ge zijt dien niet waard," antwoordde zij lachend.
"Pardon, ik ben dien zeer waard, want ik ben nu de ernstigste mensch van de wereld geworden. Niet slechts voor mijn eigen, ook voor anderer familiebelangen zorg ik," zeide hij met een ernstig gezicht.
"Ach, dat verheugt mij zeer," antwoordde Betsy, die dadelijk begreep, dat hij van Anna sprak. En met hem in de zaal terugkeerend, namen zij plaats in een hoek.--"Hij brengt haar nog om het leven," zeide zij fluisterend en veelbeteekenend. "Het is ondragelijk, ondragelijk ..."
"Het verheugt mij bij u deze deelneming te vinden," zeide Stipan en schudde het hoofd met een ernstige, treurige uitdrukking: "In die zaak ligt ook de reden mijner aanwezigheid hier in Petersburg."
"De geheele stad spreekt er van," antwoordde zij. "Het is een ondragelijke toestand. Zij vergaat er onder. Hij begrijpt niet, dat zij een vrouw is, die met haar gevoelens geen scherts drijft. Slechts een van beide is mogelijk: zij ontvluchten, of hij moet zich van haar laten scheiden. Maar zoo gaat zij te gronde."
"Ja, ja, zoo is het!" zeide Oblonsky met een zwaren zucht. "Deswege ben ik ook gekomen, dat wil zeggen, eigenlijk niet deswege.... Men heeft mij tot kamerheer benoemd, en ik moest hiervoor mijn dank gaan betuigen. Maar bij deze gelegenheid hoop ik ook dit te arrangeeren."
"Nu, God moge u helpen!" wenschte Betsy.
Hij deed de vorstin uitgeleide tot in den gang en nadat hij haar den pols had gekust en haar zooveel dubbelzinnigen onzin had voorgebabbeld, dat zij niet wist, of zij daarvoor lachen of zich ergeren moest, ging hij naar zijn zuster. Hij vond haar badend in tranen. In weerwil van zijne uitgelaten stemming, viel hij toch dadelijk in den deelnemenden, ietwat poëtischen toon, die bij haar gemoedstoestand paste. Hij vroeg eerst, hoe het haar ging en hoe zij den morgen had doorgebracht.
"Zeer, zeer slecht; niet slechts den morgen, den geheelen dag en alle verloopen en toekomende dagen."
"Het schijnt mij toe, dat ge u al te veel aan uw droefheid overgeeft. Men moet het hoofd opheffen, de wereld beschouwen zooals zij is. Ik weet, het is zwaar, maar ..."
"Ik heb wel eens gehoord, dat vrouwen haar mannen, die misdadig zijn, daarom nog te meer beminnen, maar ik haat hem om zijn deugden. Ik kan met hem niet leven. Begrijp eens! Zijn aanblik reeds werkt physisch op mij, ik geraak er door buiten mij zelf. Ik kan, ik kan niet met hem leven. Wat zal ik doen? Ik was te voren al ongelukkig en dacht, dat men niet ongelukkiger zijn kon, maar deze troostelooze toestand, waarin ik mij nu bevind, kon ik mij niet voorstellen. Kun je gelooven, dat ik, in weerwil dat ik weet, dat hij een goed, uitstekend man is en ik niet waard ben hem te dienen, hem evenwel haat? Ja, hem juist deswege, om zijn grootmoedigheid, haat? Er bluft mij niets meer over, dan...."
"De dood," wilde zij zeggen, maar Stipan liet haar niet uitspreken.
"Je bent ziek, opgewonden," zeide hij. "Geloof mij, je overdrijft vreeselijk. Wat is er dan zoo verschrikkelijk?" En Stipan lachte. Niemand anders in zijn plaats zou gewaagd hebben tegenover zulk een wanhoop te lachen; maar in zijn lach lag zooveel goedhartigheid, dat hij niet beleedigde, maar zelfs de smart lenigde en deed bedaren. Zijn zachte, vertroostende woorden en zijn opgeruimdheid werkten verzachtend als amandelolie. Ook Anna gevoelde dat.
"Neen Stiwa," zeide zij, ik ben verloren, neen, erger dan dat, nog niet verloren, want het einde is nog niet daar. Ik ben als een overspannen snaar, die springen moet, maar nog zoover niet is--en dat zal een verschrikkelijk einde nemen ... ja, het zal ontzettend eindigen."
"Dat doet niets; men moet de snaar maar voorzichtig ontspannen. Er is geen enkele toestand, waaruit niet een uitweg is te vinden."
"Ik heb nagedacht en nagedacht, maar slechts een...."
Weder zag hij aan de droevig sombere uitdrukking van haar gelaat, dat naar haar inzien de eenige uitweg slechts de dood was, en hij liet haar weder niet uitspreken.
"Volstrekt niet," zeide hij. "Je kunt je eigen toestand niet zoo juist beoordeelen als ik. Veroorloof mij derhalve, dat ik oprecht mijn meening zeg." Weder lachte hij behoedzaam. "Ik wil met het begin aanvangen. Je hebt een man gehuwd, die twintig jaren ouder was. Je hebt hem zonder liefde gehuwd en wist niet wat liefde was. Dat was verkeerd, nemen wij aan...."
"Een verschrikkelijke dwaling," zeide Anna.
"Maar ik moet herhalen, het is een niet weg te nemen daadzaak. Dan hadt je het ongeluk, een ander dan je man te beminnen. Dat is een ongeluk, maar ook een beslist feit; en je man heeft dit erkend en heeft je vergeven."
Hij hield bij elken zin op, alsof hij haar tegenspraak verwachtte, maar zij antwoordde niets.
"Zoo is de zaak gelegen. Nu is de vraag: Kunt ge zoo met je man voortleven? Wensch je dat? Wenscht _hij_ dat?"
"Ik weet niet, ik weet volstrekt niets!"
"Maar je hebt zelf gezegd, dat het je ondragelijk is!"
"Ik heb niets gezegd. Ik herroep dat. Ik weet en begrijp volstrekt niets."
"Ja, maar--permitteer...."
"Je kunt dat niet begrijpen. Ik gevoel, dat ik rechtstreeks naar een afgrond ga en er in zal storten, maar ik weet niet, hoe ik mij redden zal.--Ik kan het niet."
"'t Doet niets af! Wij zullen je opvangen. Ik begrijp je volkomen, ook begrijp ik, dat je het niet over je verkrijgen kunt, je geheimste wenschen uit te spreken."
"Ik wensch niets, volstrekt niets ... als slechts, dat alles een einde neemt."
"Dat ziet en weet ook hij. En denk je, dat dit hem niet evenzeer neerdrukt als u? Jij kwelt je zelf en hij kwelt zich zelf! Wat moet daaruit worden? Daarentegen lost een scheiding de geheele vraag op," zoo sprak hij nu blozend de hoofdgedachte uit en zag haar met beteekenis aan.
Zij antwoordde niet en schudde slechts ontkennend het hoofd. Maar aan de uitdrukking van haar gelaat, waarvan weder de vroegere schoonheid afstraalde, bespeurde hij, dat zij het slechts daarom niet wenschte, wijl het haar een onmogelijk geluk toescheen.
"Ik heb met je beiden diep medelijden en ik zou overgelukkig zijn, als ik dat kon arrangeeren," zeide Stipan nu nog koener lachend. "Stil! zeg niets! Als het God maar behagen mocht, dat ik aan mijn gevoelens steeds de juiste uitdrukking kon geven. Ik ga naar hem toe."
Anna zag hem met nadenkende, glanzende oogen aan en antwoordde niets.
XVII.
Stipan Arkadiewitsch trad met hetzelfde eenigszins plechtig gezicht, waarmede hij zich in de gerechtszaal in zijn directorialen zetel placht neder te zetten, Karenins kabinet binnen. Deze ging met de handen op den rug op en neder en dacht er over na, wat Stipan wel met Anna bespreken mocht.
"Stoor ik je?" vroeg Stipan, dien bij den aanblik zijns zwagers een hem anders onbekend gevoel van verlegenheid beving.
"Neen. Verlang je iets?" vroeg deze onvriendelijk.
"Ja, ik wilde.... Ik moet--ja, ik moet met je spreken," stamelde Oblonsky, zelf over zijn ongewone schuchterheid verwonderd.