Anna Karenina

Part 27

Chapter 27 4,027 words Public domain Markdown

Zonder zijn hand los te laten, ging zij met hem het salon binnen. De vorstin begon, toen zij haar zag, snel adem te halen, daarop te weenen en terstond weer te lachen; toen ijlde zij hem te gemoet, kuste hem en bevochtigde zijn wangen met tranen.

"Dus alles tot een goed einde! Ik verheug er mij over. Ik houd veel van u!"

"Vlug gegaan!" zeide de oude vorst, trachtende onverschillig te schijnen; maar Lewin bemerkte, toen hij zich tot hem wendde, dat ook zijn oogen vochtig waren.

"Dat heb ik lang en nimmer iets anders dan dat gewenscht," zeide hij, Lewins hand grijpend: "Ook toen, toen deze dwaze...."

"Papa!" riep Kitty uit en hield hem den mond met haar hand dicht.

"Nu, dan zal ik niet ..." zeide hij; "ik verheug mij ... boven mate ... ach, wat ben ik dom."

Hij omhelsde Kitty, kuste haar gelaat, haar hand en bekruiste haar.

Een nieuw gevoel van genegenheid voor dezen hem anders vreemden man werd in Lewin opgewekt, toen hij zag, hoe teeder en lang Kitty zijn vleezige hand kuste.--

De vorstin was de eerste, die alles bij zijn naam noemde en hun gedachten op de practische levensvragen vestigde. Dit kwam allen in het eerste oogenblik recht zonderling en onaangenaam voor.

"Wanneer wilt ge de verloving ingezegend en afgekondigd hebben? En laat ons overleggen, wanneer de bruiloft kan gehouden worden. Wat dunkt u, Alexander?"

"Dat moet hij bepalen," zeide de oude vorst en wees op Lewin. "Hij is daarbij de hoofdpersoon."

"Wanneer?" vroeg Lewin blozend; "als u mij vraagt, dan wensch ik vandaag het inzegenen en morgen de bruiloft."

"Nu, mijn lieve Lewin, dat is onzin."

"Nu, dan de volgende week."

"Hij is als waanzinnig!"

"Waarom toch?"

"Mijn lieve hemel!" zeide de moeder vroolijk lachend om zijn haast: "En het uitzet?"

"Moet er dan werkelijk een uitzet en al dat andere zijn?" dacht Lewin ontsteld. "Waarom zou dat alles mijn geluk bederven?" Hij zag Kitty aan en zag dat de gedachte aan het uitzet haar niet het minst had beleedigd. "Dan moet het wel zoo zijn!" dacht hij.

Nadat de ouders hen hadden verlaten, naderde hij zijn bruid en greep haar hand. Hij was nu weer tot zich zelf gekomen en kon weer spreken en hij moest haar zooveel zeggen. Maar hij zeide altijd iets anders, dan noodig was.

"Ik wist, dat het zoo zou komen. Ik waagde nooit te hopen, maar innerlijk was ik er toch van overtuigd," zeide hij. "Ik geloof, dat het was voorbeschikt."

"En ik," zeide zij, "reeds toen...." Zij stokte, maar hem met haar oprechte oogen vastberaden aanziende, ging zij voort: "Ja toen reeds, toen ik mijn geluk van mij stiet, heb ik slechts u alleen lief gehad, maar ik was verblind. Ik moet het uitspreken: kunt ge dat vergeten?"

"Wellicht strekte het tot ons best. Ook gij moet mij veel vergeven. Ik moet u zeggen...."

Hij was dadelijk besloten haar twee dingen te bekennen, namelijk dat hij niet zoo zedelijk rein was als zij, en dat hij in godsdienstig opzicht niet geloovig was. Dat was onaangenaam, maar hij achtte het zijn plicht haar zoowel het eene als het andere dadelijk te biechten.

Hun gesprek werd door mademoiselle Linon gestoord, die met een overdreven vriendelijke, maar ook hartelijke, lachende uitdrukking in het gelaat, haar lievelingsleerlinge kwam gelukwenschen. Toen kwamen de aanverwanten en daarop begon die gelukkige en woelige drukte, waarvan Lewin voor den dag der bruiloft niet weer bevrijd zou worden. Deze drukte verveelde hem somwijlen, maar het gevoel van zijn geluk werd bij hem steeds levendiger. Hij had gedacht, dat zijn verloving niets gemeen zou hebben met die van anderen, maar eindelijk deed hij toch slechts hetzelfde, wat anderen deden.

"Maar nu zouden we bonbons kunnen eten," had mademoiselle Linon gezegd, en Lewin reed weg en ging bonbons koopen.

"Ik verheug me bizonder!" zeide een goede kennis. "Ik raad je aan de bouquetten bij Fomin te koopen."

"Zoo? Is dat noodig?" En hij reed naar Fomin.

Zijn broeder zeide: "Gij moest zorgen wat voorraad van geld te hebben, omdat er vele uitgaven zullen komen, geschenken...."

"Wat? Zijn geschenken noodig?" En hij liep in een galop naar Fuda; en overal zag hij, dat men hem verwacht had, dat men zich verheugde en hem voor den gelukkigsten mensch ter wereld hield.

Een gelijke ondervinding had ook Kitty. Toen gravin Nordston zich eens veroorloofd had aan te duiden, dat zij voor Kitty iets beters gewenscht had, wond zij zich zoo op en bewees haar zoo overtuigend, dat er in de wereld niets beters dan Lewin was, dat de gravin dit moest toestemmen en in het vervolg in Kitty's tegenwoordigheid Lewin steeds met een lachje der grootste ingenomenheid begroette.

De biecht, die hij Kitty beloofd had, was in dezen tijd een zeer gewichtige gebeurtenis. Hij had met den ouden vorst raad genomen en met instemming van dezen overhandigde hij Kitty zijn dagboek, waarin hij alles wat hem kwelde, had neergeschreven; hij had het geheel met het oog op zijn toekomstige vrouw geschreven. Zoo als gezegd is, waren het vooral twee dingen, die hem drukten: zijn ongeloof en zijn gemis van onschuld. De bekentenis van het eerste maakte niet veel indruk op haar; zij was godsdienstig, had nimmer aan de waarheden van den godsdienst getwijfeld, maar zijn ongeloof aan de waarde van de uitwendige instellingen der kerk trof haar niet, omdat zij zijn hart kende en daarin alles vond, wat zij wenschte, en dat zulk een gesteldheid des gemoeds ongeloof heette, was haar onverschillig. Maar om de andere bekentenis had zij bitter geweend.

Lewin had een zwaren inwendigen strijd gehad, vóór hij haar zijn dagboek overgaf. Maar er mocht tusschen hen geen geheim bestaan; dat het zulk een diepen indruk op haar maken konde, had hij niet vermoed. Toen hij eens op een avond uit den schouwburg kwam, zag hij een beschreid treurig gelaat vol droefheid, die hij haar had veroorzaakt en niet weer goed kon maken; toen zag hij de klove, die zijn verleden van haar engelenreinheid scheidde, en hij was ontroerd over hetgeen hij gedaan had.

"Neem het, neem het weg dit hatelijk boek!" zeide zij, het voor haar liggend beschreven boek van zich schuivend. "Waarom hebt ge het mij gegeven?--Maar neen, het is toch beter zoo," voegde zij er uit medelijden met de vertwijfeling, die uit zijn gelaat sprak, bij: "maar het is verschrikkelijk!"

Hij boog het hoofd en zweeg. Hij wist niets te zeggen.

"Ik heb het vergeven, maar het is afschuwelijk."

Zijn geluk was intusschen zoo groot, dat ook deze zijn schuldbekentenis het niet verder verstoorde, dan dat zij er een nieuwe schaduw aan verleende. Zij had hem zijn zonden vergeven; maar sedert achtte hij zich harer nog meer onwaardig, hij boog zich in zedelijk opzicht voor haar nog dieper en schatte zijn overdiend geluk slechts nog hooger.

XI.

Toen Alexei Alexandrowitsch de kamer van zijn hotel binnentrad, reikte een bediende hem twee telegrammen over. Het eene bevatte het bericht, dat Stremow benoemd was voor de betrekking, waarop Karenin zelf had gerekend. Hij wierp het telegram neder, zijn gelaat kleurde zich rood en hij begon de kamer op en neer te gaan. "Quos vult perdere Jupiter prius dementat...." zeide hij en bedoelde met "quos" juist die personen, die Stremow voor die betrekking hadden benoemd. Het veroorzaakte hem niet zoozeer verdriet, dat hij voorbijgegaan en miskend was, maar het was hem onverklaarbaar, dat men niet had ingezien, dat juist Stremow, die zwetser en phrasenheld, minder dan ieder ander voor dat ambt geschikt was. "Hoe is het mogelijk, dat zij niet begrijpen, hoe zij door deze benoeming hun prestige te gronde richten?"

Nog iets bitters van dezen aard zeide hij bij zich zelf, terwijl hij het andere telegram opende. Het kwam van zijn vrouw. De onderteekening "Anna" viel hem het eerst in het oog.

"Ik sterf. Ik smeek en bezweer u te komen. Met uw vergiffenis sterf ik geruster."

"Zou dat een listig bedrog zijn?" Dit scheen hem eerst buiten twijfel. Maar haar bevalling was op handen. "Wellicht kraamvrouwenkoorts. Maar wat is haar doel? Dat ik het kind zal erkennen? Dat ik mij compromitteer en de scheiding verijdeld wordt?" dacht hij. "Maar er staat: "Ik sterf...." Hij las de woorden nog eenmaal over en plotseling maakte hun zin een diepen indruk op hem.

"En als het nu toch eens waarheid was, als zij onder den indruk harer smarten en de nabijheid van den dood eens oprecht berouw had en ik was, omdat ik een list vermoedde, niet gekomen.... Dat zou niet alleen gevoelloos zijn en door ieder veroordeeld worden, maar het zou ook dom van mij zijn. Peter! laat het rijtuig niet weggaan. Ik vertrek dadelijk naar Petersburg!" zeide hij tot zijn bediende.

Zijn besluit was genomen, om naar Petersburg te gaan en er zijn vrouw te zien. Was haar ziekte slechts een voorwendsel, dan zou hij zwijgen en terstond weer afreizen. Was zij werkelijk den dood nabij en verlangde zij daarom naar hem, dan zou hij haar vergeven, als hij haar nog levend vond, haar de laatste eer bewijzen, als hij reeds te laat kwam.

Met een gevoel van afmatting en onfrischheid, dat men altijd van een in een wagen doorgebrachten nacht medebrengt, kwam Karenin in de droschke, die hem van het station de stad inbracht, voor zijn woning aan. De portier opende de deur, nog voor Karenin gescheld had. Petrow, de portier, zag er wonderlijk uit; hij droeg een ouden jas, geen halsdoek, en liep op pantoffels!

"Hoe gaat het met de barina?"

"Goddank! gisteren gelukkig bevallen."

Alexei Alexandrowitsch bleef staan en verbleekte. Het werd hem plotseling duidelijk, hoezeer hij op haar dood had gehoopt.

"En hoe bevindt zich de barina?"

Karnej kwam met een morgensloofje voor de trap afloopen.

"Zeer erg! Gisteren is consult gehouden en op dit oogenblik is er de dokter."

"Neem mijn goed!" zeide Karenin. Bij het bericht, dat er nog uitzicht op haar dood bestond, gevoelde hij een soort van verlichting en ging de voorkamer binnen.

Aan den standaard hing een officiersmantel. Karenin bemerkte hem dadelijk en vroeg: "Wie is daar binnen?"

"De dokter, de baker en graaf Wronsky."

"Ik wil alles verdragen, als het maar een einde neemt," dacht Karenin en ging door naar de binnenkamers. In het salon was niemand. Uit Anna's kamer kwam op het geluid zijner schreden de baker met een muts met lila linten op te voorschijn. Met de gemeenzaamheid, die de nabijheid van den dood verleent, ging zij op den huisheer toe, nam zijn hand en leidde hem het kabinet binnen.

"Goddank, dat u er is! Zij spreekt altijd van u."

"Breng toch dadelijk ijs," hoorde hij in de slaapkamer den dokter op bevelenden toon zeggen.

Aan Anna's schrijftafel zat Wronsky op een lagen stoel; hij had het gelaat met de handen bedekt en weende. Toen hij de stem van den dokter hoorde, sprong hij op, nam de handen van voor het diep verslagen gelaat en zag Alexei Alexandrowitsch voor zich. Hij werd zoo verlegen, dat hij zich weer nederzette en het hoofd voorover boog, alsof hij gaarne zou verdwijnen. Maar spoedig herstelde hij zich en zeide: "Zij sterft. De dokters geven geen hoop. Ik ben in uw macht, maar sta mij toe hier te blijven.... Overigens zooals u zult bevelen...."

Toen Alexandrowitsch Wronsky's tranen zag, overviel hem weer die ontroering, die het lijden van anderen steeds bij hem verwekte; hij wendde zijn gelaat af en ging haastig naar de deur der slaapkamer.

Uit deze werd nu Anna's stem gehoord. Deze klonk blijmoedig en zij sprak duidelijk en met nadruk. Alexei Alexandrowitsch kwam aan haar bed. Zij lag daar met het gelaat naar hem toegekeerd. Haar wangen gloeiden, haar oogen schitterden, haar kleine witte handen kwamen uit de kanten van haar nachtgewaad te voorschijn en speelden met de deken. Zij scheen niet slechts gezond en opgewekt, maar ook in de beste luim.

"Want Alexei.... Ik meen Alexei Alexandrowitsch.... Welk een verschrikkelijk, zonderling toeval, dat zij beiden Alexei heeten, niet waar?... Alexei zal niet weigeren; hij zal niet vergeten, dat hij mij heeft vergeven. Waarom komt hij niet? Hij is goed, hij weet zelf niet, hoe goed hij is. Ach, mijn God, welk lijden! Geef mij wat water! Ach, dat zal haar, mijn klein meisje, geen goed doen! Nu, geef haar een minne, het is zelfs beter zoo. Als hij komt, zal het hem genoegen doen haar te zien. Neem ze weg...."

"Alexei Alexandrowitsch is al gekomen. Hier staat hij," zeide de baker en beijverde zich Anna's aandacht op Karenin te vestigen. Maar deze zag hem voorbij.

"Ach, onzin! Geef mij het meisje, geef het mij. Hij is nog niet gekomen. Zij zeggen dat maar, omdat zij denken, dat hij niet zal vergeven; maar zij kennen hem niet. Niemand kent hem. Ik alleen, en mij is dat ook moeilijk gevallen. Men moet zijn oogen zien. Serëscha heeft geheel dezelfde en daarom kan ik ze niet aanzien. Heeft Serëscha te eten gekregen? Serëscha moet naar de hoekkamer verhuizen en men moet Marietta verzoeken, dat zij bij hem slaapt ..."

Plotseling kromp zij ineen, werd stil en verschrikt en als tot verdediging hief zij de handen beschermend naar haar gelaat op alsof zij vreesde, dat iemand haar slaan zoude. Zij had haar echtgenoot in het oog gekregen.

"Neen, neen," begon zij weer, "voor hem ben ik niet bang; ik ben bang voor den dood. Kom hier, Alexei. Ik moet mij haasten, want ik heb geen tijd. Er blijft mij niet veel tijd om te leven over; de koorts zal dadelijk terugkomen, en dan begrijp ik niets. Nu begrijp en zie ik alles."

Karenins gelaat had een diep smartelijke uitdrukking aangenomen. Hij greep haar hand en wilde spreken, maar kon niet. Zijn kin beefde, maar hij bestreed deze opwelling en vermeed haar aan te zien. Doch steeds, zoodra zijn blik haar trof, zag hij haar oogen op hem gericht met zulk een roerende, teedere innigheid, als hij nooit bij haar gezien had.

"Wacht, gij weet niet.... Wacht toch, wacht...."

Zij verzamelde haar gedachten: "Ja," begon zij toen weder: "Ja, ja! Verwonder u niet over mij. Ik ben dezelfde ... Maar in mij zit een andere, die ik vrees ... En die heeft gindschen liefgekregen en wilde u haten, maar ik kon u niet vergeten, die vroeger waart. Die andere ben ik niet. Nu ben ik de rechte. En nu sterf ik, ik weet, dat ik sterven zal; vraag het hem. En nu voel ik ook het gewicht aan mijn handen, voeten en vingers. De vingers zijn zoo groot--kolossaal! Maar dat eindigt spoedig ... Slechts eene zaak behoef ik nog. Gij moet mij vergeven, volkomen vergeven. Ik ben zeer slecht, maar de verpleegster heeft mij verhaald van de heilige zondares, hoe heet zij ook? die was nog slechter geweest. En dan ga ik naar Rome, daar is een groote woestijn, daar zal ik niemand hinderen, en neem Serëscha en het kleine meisje mede ... Neen, ik weet, gij kunt mij niet vergeven, zoo iets kan men niet vergeven ... Neen, neen, ga heen! Gij zijt te goed!"--Met een harer gloeiende handen hield zij zijn hand vast, met de andere stiet zij hem van zich.

Karenins ontroering werd hoe langer hoe grooter, zoodat hij eindelijk ophield daartegen te strijden. Een eigenaardige zielstoestand maakte zich van hem meester; een blijde geestdrift voor liefde en christelijke vergeving zijner vijanden. Hij viel op de knieën, legde zijn hoofd op haar arm, die door haar kleeding heen als vuur gloeide, en snikte als een kind. Zij omvatte zijn reeds kaal wordend hoofd, drong zich nader naar hem toe en hief, als in uitdagenden trots, haar boven naar boven.

"Daar is hij! Ik wist het immers wel! Nu vaartwel, vaart allen wel! Gij zijt weer hier? Waarom gaat gij niet?... Neem toch dezen pels weg!"

De dokter nam haar handen, legde ze voorzichtig op het kussen en bedekte haar schouders. Zij legde zich gewillig achterover en zag met schitterende oogen voor zich uit.

"Vergeet niet, dat ik niets behoef als uw vergiffenis; meer verlang ik niet.... Maar waarom komt hij niet?" vroeg zij en richtte haar blik naar Wronsky. "Kom hier, kom, geef hem de hand."

Wronsky ging naar het bed en bedekte zijn gelaat met de handen.

"Laat uw gezicht vrij--zie hem aan. Hij is een heilige!" zeide zij. "Laat toch uw gezicht vrij!" herhaalde zij geërgerd. "Alexei Alexandrowitsch, neem hem de handen van het gelaat. Ik wil hem zien."

Alexei Alexandrowitsch nam Wronsky's handen van diens gelaat. Smart en schaamte hadden het verschrikkelijk verwrongen.

"Geef hem de hand. Vergeef hem."

Karenin reikte hem de hand en kon de tranen niet weerhouden, die zijn oogen verduisterden.

"Goddank!" zeide zij: "Nu is alles in orde. Leg mij nog een weinig de voeten terecht. Zoo, zoo is het goed. Hoe smakeloos zijn deze bloemen geweven! Zij gelijken in 't geheel niet op vergeet-mij-nietjes!" sprak zij en liet haar blik over het vloerkleed gaan. "Mijn God! mijn God! wanneer neemt dit een einde? Geef mij morphine, dokter, geef ze mij. O mijn God, mijn God!" En van pijn krimpend woelde zij door het bed.

XII.

De dokters hadden Anna's ziekte voor een kraamvrouwenkoorts verklaard, die in honderd gevallen negen en negentig maal met den dood eindigde. Den geheelen dag lag zij in koorts, delirium of bewusteloosheid. Tegen middernacht lag de zieke bewusteloos en bijna zonder dat men kon bespeuren, dat het hart nog sloeg. Men verwachtte elk oogenblik haar einde.

Wronsky was naar huis gereden, maar kwam vroeg in den morgen weer om naar Anna's toestand te vernemen. Karenin ontmoette hem in de voorkamer en zeide: "Blijf. Wellicht vraagt zij naar u." Daarop bracht hij zelf hem naar het boudoir zijner vrouw.

Tegen den morgen begon zij weer zeer opgewonden te worden, haar gedachten en woorden overstroomden elkander en dan zonk zij weer in bewusteloosheid terug. Den derden dag herhaalden zich dezelfde verschijnselen, en de dokters verklaarden nu, dat er hoop op herstel bestond.

Dien dag kwam Alexei Alexandrowitsch in Anna's boudoir, trad op Wronsky toe en na de deur gesloten te hebben ging hij tegenover hem zitten.

"Alexei Alexandrowitsch," zeide Wronsky, die zag, dat het nu tot een verklaring zou komen, "ik kan niet spreken en niets begrijpen. Verschoon mij. Hoe zwaar het u ook vallen mag, geloof mij, dat ik nog verschrikkelijker lijd."

Hij wilde opstaan. Maar Karenin greep zijn hand en zeide: "Wat ik u bidden mag, hoor mij aan. Het is noodzakelijk. Ik moet u de gevoelens verklaren, die mij nu leiden en die mij in de toekomst leiden zullen. U moet ten mijnen opzichte niet in dwaling vervallen. U weet, dat ik tot echtscheiding was besloten en deze zaak reeds had ingeleid. Ik wil u niet verbergen, dat ik wankelde en mij zeer kwelde; ik beken, dat ik daarbij in de eerste plaats door den wensch geleid werd mij op u en op haar te wreken." Hij zag Wronsky openhartig en welwillend aan. "Toen ik dat telegram ontving, ging ik met dezelfde gevoelens hierheen, ja ik wil nog meer zeggen: ik wenschte zelfs haar dood. Maar ..." Hij zweeg een oogenblik, overleggende, of hij hem al zijn gevoelens zou openleggen of niet.--"Maar ik zag haar en heb haar vergeven. En de zaligheid van het vergeven heeft mij geopenbaard, wat mijn plicht is. Ik heb volkomen vergeven. Ik wil ook de andere wang toekeeren, ik wil ook den mantel laten aan hem, die mij den rok heeft ontnomen en ik wil slechts God bidden, dat Hij mij de zaligheid van vergiffenis schenken niet ontneemt."

Tranen stonden in zijn oogen. Hun aanhoudende glans trof Wronsky.

"Ziet u, dat is mijn toestand. U kan mij in het slijk treden, tot spot der wereld maken, maar ik kan haar niet verlaten en zal haar geen enkel woord van verwijt toevoegen. Mijn plicht is mij nu duidelijk: ik moet aan haar zijde blijven. Als zij wenscht u te zien, zal ik het u laten weten, maar nu, dunkt mij, is het beter u verwijderd te houden...."

Hij stond op en kon van ontroering niet verder spreken. Ook Wronsky stond op en zag hem in gebogen houding eenigszins schuin aan. Hij begreep Karenins gevoelens niet. Maar hij besefte, dat in diens levensbeschouwing iets hoogers, voor hem onbereikbaars was gelegen.

XIII.

Na dit gesprek met Karenin verliet Wronsky langs de achtertrap diens huis. Buiten gekomen stond hij stil en kon zich nauwelijks voorstellen, waar hij zich bevond en waarheen hij zich begeven wilde. Hij gevoelde zich beschaamd, vernederd, schuldig en van de mogelijkheid beroofd deze vernedering van zich af te wijzen. Hij zag zich uit het spoor geworpen, waarin hij tot hiertoe zoo licht en veilig was voortgereden. Alle gewoonten en regels van zijn leven, die hem tot nu toe zoo vast en onomstootelijk hadden geschenen, waren plotseling valsch en ontoereikend gebleken. De bedrogen echtgenoot, die hem een beklagenswaardig wezen had geschenen, een toevallige en belachelijke verstoring van zijn geluk, had zich plotseling, en wel door toedoen van Anna zelf, tot een hoogte verheven, die achting afdwong, en deze echtgenoot deed zich op deze hoogte niet kennen als kwaadwillig, valsch en belachelijk, maar als goed, eenvoudig en edelmoedig. Dat gevoelde Wronsky. De rollen waren plotseling verwisseld. De man was hooghartig in zijn ongeluk hij echter klein en nietig in zijn bedrog.

Maar dit bewustzijn van zijn eigen verachtelijkheid tegenover dien man, dien hij zoo ten onrechte had geminacht, maakte slechts het kleinste gedeelte van zijn leed uit. Hij gevoelde zich onuitsprekelijk ellendig, omdat hij gevoelde, dat zijn in den laatsten tijd schijnbaar afgekoelde hartstocht voor Anna thans, nu hij haar voor immer meende verloren te hebben, sterker dan te voren ontwaakte. Thans, nu hij in haar ziekte haar hart geheel had leeren kennen, geloofde hij haar vroeger niet recht bemind te hebben. En nu, nu hij haar beminde, zooals zij bemind moest worden, was hij voor haar vernederd en had haar voor immer verloren. Het meest vernederend oogenblik was het voor hem geweest, toen Karenin zijn handen van zijn beschaamd gelaat had getrokken. Zoo stond hij bij de trap als een verlorene en wist niet, wat te doen.

"Beveelt u een droschke?" vroeg de portier.

"Ja, een droschke!"

Toen hij te huis was gekomen, legde Wronsky zich, na drie slapelooze nachten, in zijn kleederen en met het gezicht naar beneden op de sopha. Zijn hoofd was woest. De zonderlingste beelden, herinneringen en gedachten wisselden met vreeselijke snelheid elkander af voor de oogen zijns geestes. Nu goot hij voor de zieke medicijn in den lepel en liet hem overloopen, dan zag hij de witte handen der baker of de zonderlinge stelling van Alexei Alexandrowitsch op den vloer voor het bed.

"Slapen en alles vergeten!" zeide hij bij zich zelf met het rustig vertrouwen van een gezond mensch, die, als hij vermoeid is, dadelijk inslaapt, en inderdaad, aanstonds warrelde in zijn hoofd alles dooreen en begon in den afgrond der bewusteloosheid te verzinken; de golven der vergetelheid sloegen reeds over hem te zamen, toen plotseling in hem als ware het een electrische ontploffing plaats greep. Hij kromp verschrikt ineen en sprong op de knieën omhoog. Zijn oogen waren wijd geopend, de zwaarte van het hoofd en de afmatting der leden waren plotseling verdwenen.

"Gij kunt mij in het slijk treden," hoorde hij Karenin zeggen en zag hem duidelijk voor zich, hij zag Anna's koortsig rood gelaat, haar schitterende oogen, die met teederheid en liefde niet hem, maar Alexei Alexandrowitsch aanzagen, hij zag zijn eigen ellendige houding, toen Karenin hem de handen voor het gelaat wegtrok.--Hij rekte zich uit, wierp zich weer als te voren op de sopha en sloot de oogen.

"Slapen, slapen!" zeide hij.

Doch met gesloten oogen zag hij nu Anna's gelaat nog duidelijker, maar zooals op dien gedenkwaardigen avond voor den wedren. Hij lag daar en trachtte in te slapen; hij herhaalde halfluid eenige uit hun verband gerukte woorden uit de een of andere stelling, met den wensch daardoor het ontstaan van andere voorstellingen te verhinderen, maar daarbij hoorde hij en luisterde naar een zonderling, geheimzinnig gefluister en herhaalde de woorden: "Verstond niet te waardeeren, wist niet te genieten."

"Wat is dat? Word ik waanzinnig?" vroeg hij zich zelf. "Wellicht. Waardoor wordt men anders waanzinnig? Om welke reden anders schiet men zich dood?" antwoordde hij zich zelf. "Neen, ik moet inslapen."