Part 26
Allen, behalve Lewin en Kitty, hadden aan dit algemeen gesprek deelgenomen. Deze beiden echter voerden een eigen gesprek met elkander of ten minste een geheimzinnige wisseling van gedachten, die hen elke minuut elkander nader bracht en in beiden het gevoel van een vroolijken schrik voor iets onbekends, welks oplossing zij naderden, te voorschijn riep.
Het eerst moest Lewin haar van de ontmoeting op de landstraat, toen hij haar des morgens had gezien, vertellen.
"Het was vroeg, zeer vroeg in den morgen. Het scheen, dat u zooeven was ontwaakt. Uw mama sliep nog in den hoek. Het was een zeldzaam schoone morgen. Ik ga daar heen en denk: Wie rijdt daar met dat vierspan? En in het zelfde oogenblik zweefde u mij voorbij, ik keek het venster in en u zat daar, hield met de handen de banden van uw mutsje vast en scheen in nadenken verzonken," zeide hij lachend. "Hoe gaarne had ik geweten, waaraan u dacht. Was het iets gewichtigs?"
"Wat moet ik er verwaaid hebben uitgezien!" dacht zij, maar toen zij zijn gelukkig lachje zag, bemerkte zij, dat zij integendeel een goeden indruk op hem moest gemaakt hebben. Zij bloosde even en glimlachte blijmoedig. "Waarlijk ik weet het niet."
"Hoe lustig lacht die Turowzin," zeide Lewin en bewonderde Turowzins vroolijke oogen en huppelende houding.
"Kent u hem al lang?" vroeg Kitty.
"Wie kent hem niet?" vroeg Lewin.
"Ik zie echter, dat u hem voor een verkeerd mensch houdt."
"Niet voor een verkeerd, maar voor een onbeduidend mensch."
"Dat is echter niet zoo en spoedig zal u anders over hem denken," zeide Kitty; "ik had eerst ook geringe gedachten van hem, maar hij is een zeer aangenaam en goedhartig mensch. Zijn hart is uitmuntend. Den vorigen winter, kort nadat--u by ons was," zeide zij met een beschaamd, maar vertrouwend lachje, "werden Dolly's kinderen aangetast door het roodvonk en hij bezocht ze eens. En denk eens," sprak zij zacht, "hij had zulk een medelijden, dat hij er bleef en haar hielp in de oppassing der kinderen; ja, drie weken bleef hij in haar huis en verpleegde de kinderen als een dienstmeid."
Lewin zag Turowzin nog eens aan en verwonderde zich, dat hij tot hiertoe de deugd van dezen mensch nog niet opgemerkt had.
"Vergeef mij, ik zal voortaan over niemand meer ongunstig denken," zeide hij vroolijk en hij gevoelde, dat hij zijn oprechte meening uitsprak.
VII.
Het gesprek over vrouwenrechten had intusschen een voor de tegenwoordigheid der dames kritieke wending genomen; het had zich namelijk gericht op de ongelijkheid der rechten in het huwelijk. Peszow had reeds herhaalde aanduidingen in deze richting gedaan, die Sergej Iwanowitsch en Alexei Alexandrowitsch steeds voorzichtig hadden weten af te leiden. Nu wendde Peszow zich rechtstreeks tot Alexei Alexandrowitsch en voerde als bewijs der grootste ongelijkheid tusschen de mannelijke en vrouwelijke rechten de daadzaak aan, dat de ontrouw van den man en die der vrouw verschillend werden beoordeeld, zelfs zoowel van de zijde der wetten als van die der openbare meening.
Stipan naderde snel zijn zwager en bood hem aan te rooken.
"Neen, ik rook niet," zeide Karenin kalm, alsof hij uitdrukkelijk toonen wilde, dat hij het gesprek niet vreesde en wendde zich toen met een koelen lach tot Peszow:
"Mij dunkt, dat de grond daarvoor in de gesteldheid der dingen zelf is te zoeken," zeide hij en wilde tot iets anders overgaan. Maar plotseling zeide Turowzin tot hem:
"Heeft u reeds van Wassja Priasnitschnikow gehoord? Men heeft mij vandaag verteld, dat hij een duel met Kritschky gehad en hem gedood heeft."
"Het schijnt dat men altijd de gewonde plek moet aanraken," dacht Stipan. Hij wilde zijn zwager ter zijde voeren, maar deze vroeg nieuwsgierig, waarom Priasnitschnikow dan geduelleerd had.
"Wegens zijn vrouw. Hij heeft recht gehandeld, hij daagde den ander uit en doodde hem."
"Zoo!" zeide Alexei Alexandrowitsch onverschillig en ging met opgetrokken wenkbrauwen het salon in.
"Wat ben ik blijde, dat ge gekomen zijt," zeide Dolly hier tot hem met een verlegen lachje; "ik moet eenige woorden tot u spreken. Laat ons gaan zitten."
"Ik wilde u juist verzoeken mij te verontschuldigen, daar ik afscheid moet nemen. Ik moet morgen verder reizen."
Darja Alexandrowna was vast van Anna's onschuld overtuigd; zij voelde dat zij verbleekte en dat haar lippen uit verontwaardiging tegen dien kouden, gevoelloozen man, die zoo bedaard haar onschuldige vriendin wilde te gronde richten, begonnen te trillen.
"Alexei Alexandrowitsch," zeide zij en zag hem vastberaden in de oogen. "Ik heb u eerst naar Anna gevraagd en ge hebt mij geen antwoord gegeven. Hoe gaat het haar?"
"Ik geloof, dat zij gezond is, Darja Alexandrowna," antwoordde hij, zonder op te zien.
"Alexei Alexandrowitsch, vergeef mij, ik heb geen recht ... maar ik heb liefde en achting voor Anna; ik bid en bezweer u, zeg mij, wat er tusschen u is voorgevallen? Waarom beschuldigt ge haar?" Zijn voorhoofd rimpelde zich, en terwijl hij de oogen sloot, boog hij het hoofd.
"Ik veronderstel, dat uw echtgenoot u de reden zal medegedeeld hebben, waarom ik het noodig acht mijn tegenwoordige betrekking tot Anna Arkadiewna te veranderen," zeide hij, zonder haar in de oogen te zien, terwijl hij intusschen ontevreden naar Tscherbatzky zag, die door het salon ging.
"Dat geloof ik niet, dat kan ik niet gelooven," riep Dolly met een afwijzend gebaar en wrong haar magere handen. Zij stond haastig op en legde haar hand op zijn arm. "Men zal ons hier storen; ik smeek u, kom mede."
Haar opgewondenheid deelde zich ook aan hem mede. Hij stond op en volgde haar gewillig naar de leerkamer. Zij zette zich aan de tafel, die met wasdoek was bedekt, dat door pennemessneden was doorkorven.
"Neen, dat geloof ik niet," sprak Dolly en trachtte hem in de oogen te zien.
"Men moet daadzaken toch geloof schenken, Darja Alexandrowna," zeide hij, op het woord "daadzaken" den nadruk leggende.
"Wat heeft zij dan gedaan? Wat eigenlijk?"
"Zij heeft haar plicht vergeten en haar man bedrogen. Dat heeft zij gedaan."
"Neen, neen! dat is niet mogelijk! Om Godswil, neen! Ge hebt u vergist!" riep Dolly uit, terwijl zij met de handen de slapen bedekte en de oogen sloot.
Alexei Alexandrowitsch lachte koel, maar deze warme verdediging opende de wonde weder, zonder hem echter in zijn besluit te doen wankelen. Hij begon nu met meer levendigheid te spreken.
"Aan een dwaling is wel moeielijk te denken, als de vrouw zelf haar man verklaart, dat acht jaren vereenigd leven, dat zoon en familie, dat alles slechts een dwaling was en dat zij beginnen wil van voren af aan te leven," zeide hij heftig door den neus ademend.
"Anna en misdrijf! Hoe voegt dat samen? Dat kan ik niet gelooven!"
"Darja Alexandrowna," zeide hij en zag haar nu rechtstreeks in het opgewonden, goedhartig gelaat; hij voelde zijn tong ontbloeid. "Ik had er veel voor gegeven, als nog een twijfel mogelijk was. Toen ik nog twijfelde, was het mij zwaar, doch lichter dan nu. Toenmaals had ik nog hoop, maar nu ook dat niet meer; nu twijfel ik aan alles zoo, dat ik zelfs mijn zoon haat en somwijlen niet geloof, dat hij werkelijk mijn zoon is. Ik ben zeer ongelukkig."
Dat behoefde hij niet te zeggen; dat begreep Darja Alexandrowna terstond, toen hij haar in het gelaat zag en zij had medelijden en was in haar geloof aan de onschuld harer vriendin geschokt. "Och, dat is verschrikkelijk, ontzettend! Maar is het werkelijk waar, dat ge besloten zijt, van haar te scheiden?"
"Ik ben tot dezen laatsten stap besloten. Er blijft niets anders meer over."
"Niets anders over?" vroeg zij met tranen in de oogen. Zij wist, dat er nog een zaak overbleef, datgene, wat zij zelf gedaan had--haar kruis op zich te nemen. "Neen, er blijft toch nog iets over!" zeide zij.
"Het ergste is, dat men in zulk een ongeluk niet zoo doen kan, als bij iets anders. Bij verlies door den dood moet men zijn kruis dragen, maar hier moet men handelen," zeide hij, alsof hij haar gedachten wilde raden. "Uit zulk een vernederenden toestand moet men zich bevrijden; het is niet mogelijk met drieën te leven."
"Ik begrijp dat," zeide Dolly en boog het hoofd. Zij zweeg en dacht aan haar eigen leed, maar plotseling hief zij met een gevoel van energie het hoofd op en legde de handen als bezwerend ineen. "Maar bedenkt, dat gij een Christen zijt! Denk aan haar; wat zal er van haar worden, als gij haar verlaat?"
"Ik heb daaraan gedacht, Darja Alexandrowna, en wel veel gedacht." Roode vlekken bedekten zijn gelaat. Met buitengewoon schitterende oogen staarde hij haar aan. Dolly had hartelijk medelijden met hem. "Ik heb dat gedaan, juist destijds, toen zij mij haar schande beleed, en ik wilde alles bij het oude laten. Maar wat is daaruit geworden? Zij heeft niet eens de geringste voorwaarde vervuld om ten minste de welvoeglijkheid te bewaren," sprak hij opgewonden. "Een mensch, die niet te gronde wil gaan, kan men wel redden, maar als de natuur reeds zoo bedorven is, dat hem zelfs de ondergang als redding voorkomt, wat kan men dan doen?"
"Alles, slechts geen scheiding!" antwoordde Dolly.
"Maar wat noemt gij alles?"
"Neen, dat is ontzettend. Zij zou de vrouw noch van den een noch van den ander zijn! Zij zou te gronde gaan!"
"Derhalve, wat kan ik doen?" vroeg Karenin de schouders en de wenkbrauwen optrekkend. De herinnering aan de laatste overtreding zijner vrouw vertoornde hem zoodanig, dat hij weer koel en bezonnen werd als bij het begin van het gesprek. "Ik ben u voor uw deelneming zeer dankbaar,--maar ik moet nu vertrekken," zeide hij en stond op.
"Neen, wacht nog een weinig? Ge moogt haar niet te gronde richten. Wacht nog, ik wil u wat zeggen. Ook ik ben gehuwd en mijn man heeft mij bedrogen; uit toorn en ijverzucht wilde ik ook alles verlaten, alles opgeven, maar ik kwam tot bezinning en wie, wie heeft mij gered? Anna! En ik leef, de kinderen groeien voorspoedig op, mijn man behoort zijn familie weer toe en heeft berouw over zijn onrecht, wel niet altijd, maar hij gevoelt het, hij wordt reiner en beter, en ik leef niet ongelukkig.... Ik heb vergeven en gij moet ook vergeven."
Alexei Alexandrowitsch luisterde, maar haar woorden oefenden op hem geen invloed uit. In zijn ziel was al de toorn van den dag, toen hij tot de scheiding besloten had, opgehoopt. Hij bewoog zich heen en weer en zeide met zijn doordringende, scherpe stem: "Vergeven?" Ik kan en wil niet vergeven, ik houd dat voor onrechtmatig. Voor deze vrouw heb ik alles gedaan, maar zij heeft alles, wat haar eigen is, in het slijk vertreden. Tk ben geen boos mensch: ik heb nimmer iemand gehaat, maar haar haat ik met alle krachten mijner ziel en ik kan haar onmogelijk vergeven, omdat ik haar te zeer haat om al het kwaad, dat zij mij heeft aangedaan." Dit sprak hij met tranen des toorns in zijn stem.
"Doe wel degenen, die u haten," fluisterde Darja Alexandrowna verlegen.
Alexei Alexandrowitsch lachte verachtelijk. Hij kende dat schriftwoord lang genoeg, maar in dit geval was het niet te passen.
"Ja, maar hen, die men niet liefhebben kan, omdat zij iemand het hart verscheuren, omdat zij voortgaan zijn geheele menschelijke natuur te tergen en in oproer te brengen.... Vergeef mij, dat ik u ontroerd heb. Ieder heeft zijn eigen leed...."
En terwijl hij zijn bedaardheid herwon, nam Karenin kalm afscheid en reed naar zijn hotel terug.
VIII.
Toen het diner was geëindigd, wilde Lewin zich met Kitty naar het salon begeven, maar hij vreesde, dat hij haar door haar zoo blijkbaar het hof te maken lastig zou vallen. Derhalve bleef hij in het gezelschap der heeren terug en nam deel aan het algemeen gesprek; maar zonder Kitty te zien, droeg hij toch kennis van haar bewegingen, van haar blik en de plaats, waar zij zich in het salon had nedergezet. Plotseling was het hem, alsof zij hem naderde; hij keerde zich om en zag haar werkelijk met Tscherbatzky in de deur staan en naar hem kijken. Hij stond op en ging naar haar toe.
"Ik dacht," zeide hij, "dat u zich aan de piano had gezet. Muziek is iets, dat mij op het land ontbreekt."
"Neen, wij zijn gekomen om u te roepen. Ik dank u, dat u gekomen zijt." En zij beloonde hem met een lach als met een geschenk. "Welk genoegen kan het u geven, hier te zitten strijden. Men overtuigt elkander toch niet."
"Ja, dat is waar," antwoordde Lewin. "Meestal strijdt men opgewonden voor eigen meening zonder te begrijpen, wat de tegenpartij bewijzen wil."
Tscherbatzky verwijderde zich van hem, en terwijl Kitty aan een opgeslagen speeltafeltje ging zitten, nam zij een stukje krijt in de hand en begon allerlei strepen en kringen op het groene doek te teekenen. In haar oogen lag een stille glans, en hij, zich geheel in haar toestand verplaatsend, gevoelde door geheel zijn wezen een immer sterker wordende, gelukkige spanning.
"Ik wilde u al lang iets vragen," zeide hij en ging naast haar zitten. Hij zag in een paar vriendelijke, hoewel verschrikte oogen.
"Ik bid u, vraag het."
"Hier!" zeide hij, nam het krijt en schreef de eerste letters van den volgenden zin:
"Toen u mij zeide: het kan niet zijn, beteekende dit nimmer of slechts toenmaals?"
Het was onmogelijk, dat zij dezen gecompliceerden zin zou begrijpen, maar hij zag haar zoo aan, alsof zijn leven er van af hing, dat zij deze woorden wist te raden.
Zij zag hem vrijmoedig aan, toen steunde zij nadenkend het gefronst voorhoofd met de hand en bestudeerde de letters. Een paar maal zag zij hem vragend aan: "Is het dat wel, wat ik denk?"
"Ik heb het verstaan," zeide zij eindelijk blozend.
"Wat beduidt dat woord?" vroeg hij en wees op de n, die "nimmer" moest beteekenen.
"Dat wil zeggen "nimmer," maar het is niet waar." Hij wischte het haastig weer uit en reikte haar het krijt over. Zij schreef T.k.i.n.a.a.
Dolly had zich reeds eenigszins van de bekommering, door haar gesprek met Karenin bij haar verwekt, hersteld, toen zij bij haar binnenkomst dadelijk deze beide gestalten aanschouwde. Kitty met het krijt in de hand, den schuchteren, gelukkigen blik naar boven op Lewin gericht, en zijn schoone over de tafel gebogen gestalte, zooals hij met schitterende oogen nu op haar, dan op de tafel nederzag.
Plotseling ontvlamden zijn oogen; hij had begrepen, dat de letters beteekenden: "Toen kon ik niet anders antwoorden."
Hij zag haar vragend en twijfelend aan: "Slechts toen?"
"Ja," antwoordde haar lach.
"En--en nu?" vroeg hij.
"Lees het maar. Ik schrijf datgene wat ik zeer wensch, zeer wensch."--Zij schreef de eerste letters van: "Ik verzoek mij te vergeven en het gebeurde te vergeten."
Hij greep het krijt en met een hand, die van opgewondenheid beefde, schreef hij: "Ik heb niets te vergeven en te vergeten; ik heb niet opgehouden u te beminnen."
Zij zag hem ademloos aan.
"Ik heb het begrepen," fluisterde zij.
Hij zette zich neder en schreef nu een lange phrase. Zij verstond alles, nam het krijt en antwoordde dadelijk.
Hij kon het een poos niet ontcijferen en zag haar dikwijls in de oogen. Het was hem of door louter zaligheid een verduistering over hem kwam; in de bekoorlijke, van geluk stralende oogen las hij alles, wat hij weten wilde. En nu schreef hij drie letters, maar hij had ze nog niet voltooid toen zij ze reeds ontraadseld had en tot antwoord schreef: "Ja."
"Je schijnt hier secretarisje te spelen?" vroeg de oude vorst, die hen was genaderd. "Maar we moeten opbreken, als je nog bij tijds in den schouwburg wilt zijn."
Lewin stond op en geleidde Kitty tot aan de deur.
In hun spel was alles gezegd; hij wist, dat zij hem beminde en dat zij haar ouders zeggen zou, dat hij morgen komen wilde.
IX.
Toen Kitty was weggereden, gevoelde Lewin zich zoo verlaten, door zulk een onrust aangegrepen en door zulk een ongeduldig verlangen om de uren tot den eerstvolgenden dag zoo snel mogelijk te dooden, om haar maar weder te zien en zich dan voor immer met haar te vereenigen, dat hij voor deze veertien uren, die hij nog zonder haar moest doorbrengen, als voor den dood vreesde. Het was hem een behoefte, met iemand samen te komen en te praten om den tijd te verdrijven. Het aangenaamst gezelschap was Stipan voor hem, maar deze reed, zooals hij zeide, naar een soirée, maar in werkelijkheid naar het ballet. Lewin vond nog slechts zooveel tijd om hem te zeggen, dat hij gelukkig was en dat hij veel van hem hield en nimmer, nimmer vergeten zou, wat hij voor hem gedaan had. Stipan had niets geantwoord, maar zijn schitterende oogen en zijn lachend gelaat toonden, dat hij dit gevoel wist te waardeeren, dat hij wist, dat dit gevoel verhevener was dan alle woorden--en zoo drukte hij hem geroerd de hand.
Toen Lewin van Darja Alexandrowna afscheid nam, zeide zij, nadat zij hem gefeliciteerd had: "Wat ben ik blijde, dat gij het met Kitty gevonden hebt; men moet oude vriendschap in waarde houden."
Deze woorden deden Lewin onaangenaam aan. Dolly kon onmogelijk begrijpen, hoe alles bij hen verheven en voor haar onbereikbaar was.
Zoo nam Lewin afscheid van hen, maar om niet alleen te blijven, sloot hij zich bij zijn broeder aan.
"Waar gaat ge heen?"
"Naar de zitting."
"Nu, als ge er niets tegen hebt, rijd ik mede."
"Waarom niet? Kom, wij rijden heen. Wat is er van daag met je?"
"Wat er met mij is? Geluk is er met mij," antwoordde Lewin en liet het rijtuigvenster vallen. "Het hindert je toch niet, 't is hier binnen zoo benauwd. Ja, ik heb geluk. Waarom ben jij niet getrouwd?"
Sergej lachte.
"Ik verheug er mij zeer over. Zij schijnt een uitmuntend meisje...."
"Zeg niets, zeg niets!" riep Lewin uit, greep zijn pelskraag met beide handen en trok hem over de ooren. "Zij schijnt een uitmuntend meisje," waren zulke gewone, eenvoudige woorden, dat zij zijn gevoel volstrekt niet uitdrukten.
Sergej lachte vroolijk en luid.
"Maar ik mag toch zeggen, dat ik er mij zeer over verheug?"
"Morgen kunt ge dat, morgen, maar nu niets meer! Hoor je? Nu zwijgen!"
Zij reden naar de zitting, en alle menschen, die Lewin daar zag, kwamen hem goed en beminnelijk voor. Maar de zitting was reeds om negen uur geëindigd en derhalve zocht Lewin, om den tijd maar door te komen, nog eenigen zijner vrienden op, zoodat het twee uur in don nacht was geworden, toen hij in zijn hotel terugkwam. Hij verschrok bij de gedachte, dat hij nu, met zijn ongeduld alleen, nog tien uren moest wachten. De huisknecht, die den nachtdienst had, stak voor hem het licht op en wilde weer gaan maar Lewin hield hem terug. Deze huisknecht Gregoor op wien Lewin vroeger niet gelet had, bewees nu een zeer verstandig en braaf en, wat de hoofdzaak was, een gevoelig mensch te zijn, even als heden alle andere menschen waren.
"Valt het je niet zwaar, dat je niet moogt slapen, Gregoor?"
"Wat zal men doen? Dat brengt de dienst zoo mede. In een privaat huis is het gemakkelijker, maar hier verdien ik meer."
Het bleek, dat Gregoor familie had, drie zoons en een dochter, die naaister was en binnen kort met een zadelmakersknecht zou trouwen.
Dit gaf Lewin gelegenheid aan Gregorius zijn gevoelen mede te deelen, dat in den echt de liefde de hoofdzaak is; want met deze zou men altijd gelukkig zijn, daar men dan het geluk in zich zelf droeg.
Gregorius luisterde oplettend naar Lewins betoog en maakte om het te bevestigen de voor Lewin verrassende opmerking, dat hij vroeger bij goede heeren gediend had, en ook nu was hij met zijn meester tevreden, hoewel deze een Franschman was.
"Een buitengewoon goed mensch," dacht Lewin.
"Nu, en jij, Gregoor, toen jij trouwde, heb je toen je vrouw lief gehad?"
"Hoe zou ik ze niet lief gehad hebben?" antwoordde Gregoor.
Op dit oogenblik klonk de bel en Gregoor snelde heen.
Lewin had den geheelen dag bijna niets gebruikt, maar hij dacht aan geen avondeten. Hij had den geheelen nacht niet geslapen en toch dacht hij ook nu aan geen slaap. Het was koel in de kamer en evenwel drukte hem de warmte. Hij opende de beide ventilators in het venster en ging daartegenover aan de tafel zitten. Achter een besneeuwd dak zag hij een bouwvallig kruis uitsteken en daarboven den driehoek van den Wagen en de zacht glanzende Capella. Hij staarde nu op het kruis, dan naar de ster, ademde de koude binnendringende winterlucht in en ging voort zich, als in den droom, met de opdagende beelden en herinneringen bezig te houden.
Ten zeven ure verschenen de knechts om te boenen, er werd voor de mis geluid, en Lewin bemerkte, dat hij koud werd. Hij sloot de vensters, trok zijn pels aan en ging de straat op.
X.
Op de straten was het nog geheel ledig, Lewin ging tot aan het huis der Tscherbatzky's. De inrijpoort was nog gesloten en alles sliep. Hij ging naar het hotel terug, in zijn kamer en bestelde de koffie. Hij beproefde te drinken en een kalatsch er bij te eten, maar dit laatste wilde niet gelukken. Hij trok zijn overjas aan en ging weer naar buiten. Hij wandelde door de straten, terwijl hij elk oogenblik naar de klok zag en blijmoedig naar alle zijden in het rond keek.
Veel van hetgeen hij daarbij opmerkte, had hij vroeger niet gezien. Hoofdzakelijk de schoolkinderen, de grijze duiven, die van de daken op het plaveisel nedervlogen, de met meel bestrooide saïki's (een soort boterkoeken), dien een onzichtbare hand voor het uitstalvenster schoof--dit alles maakte indruk op hem. Deze saïki, twee schoolknapen en de duiven waren voor hem bekoorlijke voorwerpen. Een der knapen liep achter de duiven en keek Lewin lachend aan, de duiven klapten met de vleugels en vlogen weg, in de lucht zweefden enkele kleine sneeuwvlokjes, die glinsterden in de zon en uit de vensters stroomde de geur van verschgebakken brood. Alles was zoo schoon, dat Lewin bijna van blijdschap lachte en weende.
Zoo had hij een geruimen tijd de straten doorgewandeld en eindelijk was het twaalf uur geworden. Hij nam een droschke en reed naar de Tscherbatzky's.
De portier wist alles reeds volkomen. Dat was aan den glimlach te bespeuren, waarmede hij zeide: "U is in lang niet bij ons geweest, Constantin Dimitritsch."
"Allen reeds opgestaan?"
"Kom u binnen!"
"Bij wien beveelt u, dat ik u aandien?" vroeg de bediende.
Deze bediende was nog een jonge, praatzieke vlasbaard, maar toch een best mensch, die alles ook goed begreep.
"Bij den vorst--bij de vorstin--bij de prinses"--antwoordde Lewin.
De eerstvolgende persoon, die hij ontmoette, was mademoiselle Linon. Zij ging door de zaal en haar lokken en gezicht blonken. Hij wilde haar juist aanspreken, toen op dat oogenblik het geruisch van een kleed zich achter de deur liet hooren en mademoiselle Linon verdween uit zijn oogen. De blijde verwachting van zijn naderend geluk doortrilde hem. Mademoiselle haastte zich weg te komen en liet hem alleen. Nauwelijks was zij heengegaan, toen snelle, zeer snelle schreden op het parket werden gehoord en--zijn geluk, zijn leven, het beste deel van hem zelf naderde hem haastig, zeer haastig. Zij ging niet, zij vloog hem door een onzichtbare hand opgeheven te gemoet. Zij stond voor hem, hief haar armen op en sloot ze in elkander. Zoo snel zij kon, was zij naar hem toegeijld en gaf zich verheugd en schuchter geheel aan hem over. Hij omhelsde haar en drukte zijn lippen op de hare, die zijn kus zochten.
Ook zij had den geheelen nacht niet geslapen en hem den geheelen langen morgen verwacht. De ouders stemden volkomen toe en waren gelukkig in haar geluk.
"Kom mee naar mama," zeide zij en greep zijn hand. Hij vermocht een geheele poos niets te zeggen, niet omdat hij vreesde door woorden de diepte zijner gevoelens te kort te doen, maar veeleer, omdat telkens, als hij spreken wilde, tranen zijn stem verstikten. Hij greep haar hand en kuste ze.
"Is dit werkelijkheid?" vroeg hij met doffe stem. "Ik kan het in het geheel niet vatten, dat jij mij bemint!"
Zij lachte tevreden bij dit "jij" en over de schuchterheid, waarmede hij haar beschouwde.
"Ja!" zeide zij langzaam, vol beteekenis: "Ik ben zoo gelukkig."