Part 25
Zoo was hij in de beste stemming. Slechts twee onaangename dingen bestonden er nog voor hem; maar deze verdwenen beide in de zee van vroolijke onbezorgdheid, die zijn ziel vervulde. Het eerste was, dat hij gisteren bij de ontmoeting met Alexei Alexandrowitsch diens koele terughouding bemerkt had; uit zijn houding en uit de omstandigheid, dat hij gekomen was zonder daarvan iets te laten weten, in verband met de geruchten, die hem van Anna en Wronsky waren ter ooren gekomen, vermoedde Stipan, dat iets tusschen man en vrouw niet richtig zijn moest. Hij had met zijn vrouw, aan wier gave om vooruit te zien hij geloofde, hierover gesproken en zij had hetzelfde gedacht. Dolly had gezegd: "Aan slechtheid bij Anna geloof ik niet, maar men zal gebabbeld en haar belasterd hebben. Spreek open met hem; hij schijnt zulk een koel, droog mensch te zijn; ik ben bang voor hem. En wat is hij veranderd; hij is geheel verschrompeld en een grijsaard geworden."
"Neen," had Stipan Arkadiewitsch geantwoord, "ik begrijp dat niet. Maar ik breng hem bepaald mede op het diner en dan tirez lui les vers du nez; gij kunt dat beter."
De andere onaangenaamheid was, dat den nieuwen chef gelijk alle nieuwe chefs, het gerucht vooruitging van een vreeselijk man te zijn, die des morgens vroeg om zes uur opstond, werkte als een paard en een gelijke inspanning van zijn ondergeschikten verlangde. Buitendien werd van hem gezegd, dat hij in het verkeer een rechte beer was en de tegenovergestelde neigingen en levensgewoonten van den tegenwoordigen chef bezat, die meer naar Stipans manier geleefd had. Zoo was dan de gedachte door hem niet vriendelijk ontvangen te worden geen aangename. Maar Stipan Arkadiewitsch had een vermoeden, dat alles wel terecht zou komen.
"Allen zijn menschen en zondaars zijn we allemaal. Waarom dan zich te ergeren en elkander te vreezen?" dacht hij, terwijl hij het hotel inging. "Goeden morgen, Wassili," zeide hij in den corridor tot den hem goed bekenden kellner: "Heb je den baard laten staan! Lewin in nummer zeven? O! breng mij bij hem en vraag of graaf Anischkin (dat was de nieuwe chef) mij ontvangen kan."
"Om u te dienen!" antwoordde Wassili.
Lewin stond met een boer uit Twersk midden in de kamer en mat met een maatstok een versch afgetrokken berenvel, toen Stipan binnen trad.
"Ha, heb je dien neergelegd?" riep Stipan uit. "Een prachtig exemplaar! Een berin? Goeden dag, Archiz!"
Hij drukte den boer de hand en zonder jas of hoed af te leggen, ging hij op een stoel zitten.
"Ontdoe je toch en maak het je gemakkelijk," zeide Lewin en nam hem zijn hoed af.
"Neen, ik heb geen tijd, slechts een oogenblik!" antwoordde Stipan, maar knoopte toch zijn jas los, trok hem toen uit en bleef langer dan een uur, terwijl hij zich door Lewin en den boer van de laatste jacht liet vertellen.
Reeds sedert veertien dagen was Lewin uit het buitenland teruggekeerd; hij was een tijd lang te huis geweest en was nu voor een berenjacht overgekomen. Na een verblijf van vier weken in het buitenland was hij als een geheel ander mensch teruggekeerd. Hoe deze verandering was ontstaan, wist hij zelf niet te verklaren. In den laatsten tijd zag zijn oog in de wereld en aan de menschen slechts goeds en schoons, en uit zijn vroegere hopelooze stemming was hij allengs overgegaan tot zulk een blijmoedige levensbeschouwing, als hij tevoren niet gekend had.
"Maar ik moet gaan," zeide Stipan en maakte zich wel voor de vijfde maal tot vertrek gereed.
"Neen, neen, blijf toch nog wat," drong Lewin en drukte hem weder op zijn stoel. "Wanneer zien wij elkander weer? Want morgen vertrek ik."
"Nu dat is niet anders. Ik ben opzettelijk daarom hier gekomen. Je moet bepaald van daag bij ons dineeren; uw broeder zal er ook zijn en mijn zwager Karenin."
"Is die hier?" vroeg Lewin en wilde ook naar Kitty vragen. Hij had gehoord, dat zij in het begin van den winter bij haar zuster, de vrouw van een diplomaat, was gelogeerd, maar wist niet, of zij daar nog was of al was teruggekeerd. Maar hij kwam er niet toe het te vragen.
"Nu," dacht hij, "of zij daar is of niet, dat is het zelfde."
"Je zult dus komen?"
"Zeker, ik zal gaarne komen."
"Om vijf uur en eenvoudig gekleed!" En Stipan Arkadiewitsch stond op en begaf zich naar beneden naar zijn nieuwen chef. Zijn vermoeden had hem niet bedrogen. De nieuwe, verschrikkelijke chef bleek een zeer welwillend man te zijn en Stipan Arkadiewitsch ontbeet met hem en bleef zoo lang bij hem, dat hij eerst omstreeks vier uur bij Alexei Alexandrowitsch kon komen.
III.
Nadat Karenin met zijn ambtsbezigheden, waarvoor hij naar Moskou was gekomen, den geheelen voormiddag was bezig geweest, ging hij een brief zitten schrijven aan zijn advocaat. Zonder aarzelen gaf hij hem volmacht om geheel naar zijn eigen inzicht te handelen. Hij legde in dit schrijven drie brieven van Wronsky aan Anna, welke hij in haar portefeuille had gevonden. Sedert Alexei Alexandrowitsch zijn huis had verlaten met het voornemen niet meer tot zijn familie terug te keeren, sedert hij kort daarna met zijn advocaat gesproken en deze levensvraag tot een rechtsvraag gemaakt had, sedert had hij zich meer en meer in zijn besluit versterkt en erkende de mogelijkheid het uit te voeren.
Hij verzegelde juist dezen brief, toen hij de luide stem van Stipan hoorde, die met een bediende twistte en verlangde toegelaten te worden.
"Nu, 't zij zoo," dacht Karenin. "Des te beter! Ik zal dadelijk mijn verhouding tot zijn zuster uiteenzetten en hem verklaren, waarom ik van middag niet bij hem dineeren kan.--Binnen!" riep hij luid en schoof het geschrevene in de portefeuille.
"Nu, zie je, dat je gelogen hebt en dat hij thuis is?" hoorde men Stipans stem tot den bediende, en onmiddellijk daarop kwam hij, zijn overjas onder het gaan uittrekkend, lachend de kamer in.
"Het verheugt mij zeer je te zien! Derhalve ik mag hopen...." begon hij op vroolijken toon, maar, toen hij de sombere gelaatsuitdrukking van zijn zwager bemerkte, hield hij op.
"Ik kan niet komen," antwoordde Alexei Alexandrowitsch op koelen toon, terwijl hij staan bleef en zijn gast niet uitnoodigde om te gaan zitten. Het was dadelijk zijn plan zich tegenover den broeder zijner echtgenoot, tegen wie hij zoo even een aanklacht tot scheiding voorbereid had, in een gepaste koele verhouding te plaatsen, maar hij had niet gerekend op de zee van goedhartigheid, die aanstonds in Stipans ziel buiten de oevers trad. Deze opende wijd zijn schitterende, heldere oogen.
"Waarom komt ge dan niet? Wat wil je daarmede zeggen?" vroeg hij in het Fransch en schoof zijn das om den blanken hals terecht. "Neen, gij moogt niet meer weigeren: wij rekenen allen op je."
"Ik wil daarmede zeggen, dat ik niet bij u komen kan, omdat de familiebetrekking tusschen ons zal ophouden."
"Wat? wat bedoelt ge? Waarom?" riep Stipan met een krampachtig lachje uit.
"Omdat ik mij van uw zuster, mijn vrouw, wil laten scheiden. Ik ben daartoe gedwongen...."
Maar Alexei Alexandrowitsch had nog niet uitgesproken, toen Stipan Arkadiewitsch zuchtte en zich in een stoel liet vallen.
"Hoe, Alexei Alexandrowitsch, wat zegt ge daar?" riep hij uit en een groote smart lag in zijn trekken.
"Het is zoo."
"Neen, excuseer me, dat kan--ik kan het niet gelooven...."
Karenin ging ook zitten en hij besefte, dat zijn woorden volstrekt niet die werking hadden, die hij er zich van voorgesteld had, en dat, hoe hij zich ook verklaren en van den toestand opening geven mocht, zijn verhouding tot zijn zwager onveranderd dezelfde blijven zou.
"Ja, ik ben voor de treurige noodzakelijkheid geplaatst, een scheiding te vragen."
"Ik zeg maar dit eene, Alexei Alexandrowitsch: Ik ken u als een voortreffelijk en stipt rechtvaardig man, ik ken Anna--verontschuldig mij, ik kan mijn gevoelens omtrent haar niet veranderen--als een goede, prachtige vrouw, en daarom--houd het mij ten goede--kan ik daaraan niet gelooven. Hier bestaat een dwaling," zeide hij en sloeg met de hand op de tafel, "dat is zeker!"
"Ja, als het maar een dwaling was...."
"Met je verlof, ik begrijp je," viel Stipan hem in de rede; "voorzeker ... maar één ding: men mag zich niet overijlen ... in geen geval overijlen!"
"Ik heb mij niet overijld," antwoordde Karenin op koelen toon. "En in zulke zaken kan men ook niemand om raad vragen. Ik ben vastbesloten...."
"Ach, dat is verschrikkelijk!" zeide Stipan en de tranen kwamen hem in de oogen. "Ik zou één ding doen, Alexei Alexandrowitsch, ik bezweer je, doe dat. Zooals ik begrijp, heeft de zaak nog geen aanvang genomen. Vóór gij een klacht indient, spreek eerst met mijn vrouw. Zij houdt veel van Anna als van een zuster en zij houdt veel van u, met een woord, zij is een merkwaardige vrouw. Om Godswil, spreek eerst met haar. Doe het ter liefde van mij, ik bezweer het u!"
Karenin dacht een oogenblik na en Stipan zag hem deelnemend aan, zonder hem in zijn zwijgen te storen.
"Derhalve: gij gaat naar haar toe."
"Ik weet niet. Juist daarom ben ik niet bij u geweest. Mij dunkt, dat ook onze verhouding moet veranderen...."
"Waarom toch. Dat zie ik niet in. Je zult mij toch veroorloven te veronderstellen, dat gij buiten onze verwantschappelijke betrekking ook nog andere, vriendschappelijke gevoelens voor mij koestert, even als ik die u, met een oprechte achting gepaard, toedraag," zoo zeide Stipan en drukte Alexei de hand. "Als ook uw ergste vermoedens bevestigd werden, zou ik mij toch nimmer veroorloven over de een of andere partij mijn oordeel te vellen, en derhalve zie ik geen reden, waarom onze verhouding zou veranderen.... Doe mij alzoo het genoegen bij mijn vrouw te komen."
"Ja, wij beschouwen de zaak verschillend," antwoordde Karenin koel; "overigens zullen wij er maar niet meer over spreken."
"Neen, maar zult ge dan komen? Slechts vandaag op het diner. Mijn vrouw verwacht je bepaald. Ik bid je, kom toch. En de hoofdzaak is: Spreek met haar. Zij is een zeldzame vrouw. Gij moogt niet weigeren."
"Nu, als gij het zoozeer wenscht, dan kom ik," zeide Alexei Alexandrowitsch met een zwaren zucht.
IV.
Het liep al naar zes uur en reeds waren eenige gasten verschenen, voor de gastheer zelf te huis was gekomen. Hij kwam te gelijk met Peszow en Kosnischew binnen. In het salon bevonden zich reeds vorst Tscherbatzky, de vader, en de jonge Tscherbatzky, verder Turowzin, Stipans metgezel bij zijn drinkgelagen, een goedhartige jonkman van vijf en twintig jaren, en Kitty.
Stipan zag dadelijk, dat in het salon niet alles in orde was. Darja Alexandrowna, in haar grijs zijden paradekleed, was blijkbaar bekommerd, omdat de kinderen in hun kamer alleen moesten eten, en ook, omdat haar man zoolang uitbleef. Zij verstond het niet het gezelschap naar behooren te vermengen. Allen zaten, volgens de uitdrukking van den ouden vorst, als poppenvrouwtjes op een visite, in het onzekere waarom zij eigenlijk hierheen geraakt waren, en zij persten er eenige woorden uit om niet geheel te zwijgen. De goedhartige Turowzin gevoelde zich blijkbaar niet op zijn plaats, en het lachen zijner dikke lippen, toen Stipan binnen kwam, scheen te zeggen: "Nu, vriendje, hier heb je mij onder pleizierige lui geplakt! In het Chateau de fleurs behoor ik beter thuis!"--De oude vorst zat daar zwijgend en beschouwde met zijn kleine oogen van ter zijde Karenin, en Stipan zag het hem aan, dat hij reeds een kwinkslag had uitgedacht, waardoor hij dezen grooten staatsman wilde stempelen.--Kitty keek naar de deur en verzamelde al haar krachten om bij het binnenkomen van Constantin Lewin niet te blozen. De jonge Tscherbatzky, dien men verzuimd had aan Karenin voor te stellen, beijverde zich te toonen, dat hij zich deswege niet geneerde, en Karenin zelf was, naar Petersburgsche zeden, als dames aan het diner deel nemen, in rok en witte das verschenen. Stipan zag het hem aan, dat hij slechts gekomen was om zijn woord te houden en dat hij met zijn aanwezigheid in dit gezelschap een zwaren plicht vervulde. Hij droeg ook de schuld van de kilheid, die alle gasten tot aan Stipans komst bevangen hield.
Bij zijn intrede in het salon verontschuldigde Stipan zich met de verklaring, dat hij door zekeren vorst lang was opgehouden (deze was de bestendige zondenbok zoo dikwijls hij zich verlaatte) en toen stelde hij in een oogenblik allen aan elkander voor: Alexei Alexandrowitsch bracht hij bij Sergej Kosnischew en gaf hun tot thema de Russificeering van Polen, waarover zij terstond met Peszow in gesprek geraakten. Terwijl hij daarop Turowzin op den schouder klopte, fluisterde iemand hem iets zots in en zette hem tusschen zijn vrouw en den ouden vorst. Daarop zeide hij tot Kitty, dat zij er heden bizonder goed uitzag en stelde den jongen Tscherbatzky aan Karenin voor. Op die wijze had hij spoedig het gezelschappelijk deeg bijeen gekneed, zoodat het in het salon recht levendig werd en de stemmen luid klonken.
Alleen Constantin Lewin was er nog niet. Maar dat was ook recht goed, want toen Stipan door de eetzaal ging, bemerkte hij dadelijk, dat de portwijn en sherry van Depré en niet van Lewé gehaald waren; hij gebood daarom den koetsier nog aanstonds naar Lewé te rijden. In de eetzaal ontmoette Lewin hem.
"Kom ik te laat?"
"Wanneer kom je niet te laat?" antwoordde Stipan en nam Lewins arm onder den zijnen.
"Heb je groot gezelschap? Wie zijn er?" vroeg Lewin onwillekeurig blozend, terwijl hij met de handschoenen de sneeuw van zijn muts klopte.
"Alleen onze intiemste vrienden. Kitty is ook hier. Kom ik zal je aan Karenin voorstellen." In weerwil van zijn liberale gevoelens was Stipan Arkadiewitsch toch overtuigd, dat de bekendheid met Karenin voor ieder vleiend moest zijn, en daarom tracteerde hij nu zijn vrienden op hem. Maar op dit oogenblik was Lewin niet in de stemming om de eer van die kennismaking ten volle te waardeeren. Sedert dien avond, toen hij Wronsky bij haar had getroffen, had hij Kitty niet wedergezien, behalve in dat oogenblik toen zij hem op de landstraat voorbij reed.
Hij had het vermoed, dat hij haar heden hier vinden zou; maar, om de vrijheid zijner gevoelens te bewaren, had hij getracht zich zelf te overreden, dat hij er niets van wist. Toen hij nu van haar aanwezigheid hoorde, overviel hem plotseling zulk een blijde schrik, dat hij geen woord kon spreken. Hoe zou hij haar wedervinden? Als dezelfde, die zij vroeger was, of als degene, die hij in het rijtuig gezien had? Maar wat, als Dolly de waarheid had gezegd? En waarom zou dat ook niet waar zijn?" Dit waren ten naastebij zijn gedachten.
"Och wees zoo goed en stel me aan Karenin voor," zeide hij, met moeite eenigszins zijn bedaardheid hernemende, ging met gedwongen vaste schreden het salon binnen en--zag haar.
Zij was niet meer de vroegere, ook niet degene, die hij in het rijtuig gezien had, zij was een geheel andere en Dolly had de waarheid gesproken. Zij was verschrikt, schuchter, beschaamd en daardoor een des te bekoorlijker jong meisje. Zij zag hem dadelijk, toen hij binnen kwam. Zij was verheugd en schaamde zich over haar blijdschap in dier mate, dat er een oogenblik was--namelijk dat, waarin hij de gastvrouw naderde en daarop haar weer aanzag--waarin het Dolly, die alles opmerkte, toescheen, alsof zij wilde weenen. Zij bloosde, verbleekte, bloosde weer en verwachtte hem met bevende lippen. Hij trad op haar toe, boog zich en reikte haar zwijgend de hand. Hadden haar lippen niet getrild en had een vochtig waas haar oogen niet beneveld, dan had haar lachje kalm kunnen schijnen, terwijl zij tot hem sprak:
"Wij hebben elkander in langen tijd niet gezien!" en met een wanhopig besluit drukte haar koude hand de zijne.
"U heeft mij niet gezien, maar ik u wel!" antwoordde Lewin, terwijl hij van geluk straalde. "Ik heb u gezien, toen u van het station naar Pokrowka reed."
"Wanneer?" vroeg zij verwonderd.
"U reed naar Pokrowka," antwoordde Lewin, die gevoelde, dat het geluk zoozeer zijn hart overstroomde, dat hij er bijna in stikte. "En," dacht hij: "hoe heb ik met dit fijn gevoelend wezentje iets kunnen verbinden, dat niet volkomen onschuldig is? Ja het schijnt waar te zijn, wat Dolly gezegd heeft."
Stipan Arkadiewitsch nam hem bij de hand en geleidde hem naar Karenin.
"Zeer aangenaam de bekendschap te vernieuwen," zeide Karenin koel en drukte Lewin de hand.
"Hoe? reeds met elkander bekend?" vroeg Stipan verwonderd.
"Wij hebben op reis drie uren te zamen in een waggon gezeten," antwoordde Lewin lachend.
"O zoo! Maar ik verzoek u," zeide Stipan en wees in de richting der spijszaal.
De heeren traden binnen en begaven zich naar de tafel voor het tweede ontbijt, waarop zes verschillende soorten van wotki en even zooveel verschillende soorten van kaas, kaviaar, haring en conserven benevens borden en wittebrood gereed stonden.
Door de nabijheid van den geurigen wotki en de verwachting van den maaltijd werd het gesprek over de Russificeering van Polen tusschen Kosnischew, Karenin en Peszow gestaakt.
"Deze kaas kan ik u aanbevelen. Verkiest u?" zeide de gastheer. "Doet ge nu weer aan de gymnastiek?" wendde hij zich tot Lewin en bevoelde met de linkerhand diens spieren. Lewin lachte, kromde den arm en onder Stipans vingers vormde zich een veerkrachtige ronding als van kneedbaar staal, voelbaar door het fijne laken van den jas.
"Wat een Simson!"
"De berenjacht vereischt wel een groote kracht?" meende Alexei Alexandrowitsch, die van zulk een jacht een zeer onduidelijk begrip had. Lewin lachte.
"Volstrekt niet. Een kind kan een beer nederleggen," antwoordde hij en maakte met een lichte buiging voor de dames plaats, die met de gastvrouw bij het buffet kwamen.
"Ik hoor, u heeft een beer geschoten?" vroeg Kitty, terwijl zij tevergeefs trachtte met den vork een glibberigen paddestoel op te nemen en daarbij het geborduurd bezetsel van haar mouw terugschoof. "Heeft u dan beren in uw streek?" liet zij volgen, haar bekoorlijk hoofdje half naar hem omkeerend.
Het was niets bizonders wat zij zeide, maar welk een niet te beschrijven beteekenis lag in elken klank, in elke beweging der lippen, der oogen en der handen, terwijl zij sprak! Er lag daarin een bede om vergeving en vertrouwen, een schuchtere en teruggehouden teederheid, een beloven, een hopen en een liefde jegens hem, waaraan hij gelooven moest en die hem met een onmetelijk geluk vervulde.
"Neen, maar in het gouvernement Twersk. Op de terugreis van daar ontmoette ik uw zwager in den spoortrein. Dat was een komieke ontmoeting."
En schertsend en levendig vertelde hij, hoe hij na een doorwaakten nacht, in een boerenpels gehuld, Karenins coupé was binnengestormd. "De conducteur wilde mij uithoofde van mijn gewaad er uit transporteeren; toen begon ik hem met groote woorden te imponeeren; "maar ook u," wendde hij zich tot Karenin, "wilde eerst den boerenpels er uitjagen, doch daarna nam u mijn partij, waarvoor ik u zeer dankbaar ben."
"De rechten der passagiers in de keuze hunner plaatsen zijn in het algemeen moeielijk te bepalen," zeide Karenin.
"Ik zag ook, dat u in het onzekere waart," antwoordde Lewin met een goedig lachje, "en daarom haastte ik mij om door een beschaafd gesprek mijn schaappels weer van schuld te bevrijden."
Sergej Iwanowitsch, die, terwijl hij zich met de gastvrouw onderhield, met een half oor naar zijn broeder luisterde, zag hem nu van ter zijde aan en dacht: "Wat is er met hem vandaag?" Hij vermoedde niet, dat Lewin zich vleugels voelde wassen, want--zij luisterde naar zijn woorden en dat alleen interesseerde hem; dat gaf hem heden zelfvertrouwen en hij gevoelde zich op een hoogte geheven, waarop hem schier het hoofd duizelde en daar ergens ver beneden hem waren deze goede, prachtige Karenins, Oblonsky's en de geheele overige wereld!
Als toevallig en zonder het te bedoelen, plaatste Stipan Kitty naast Lewin, alsof voor haar geen andere plaats meer over was. Het diner was even kostbaar als het tafelgereedschap. De soep Louise was voortreffelijk uitgevallen. De kleine pasteitjes waren onberispelijk; zij smolten in den mond. Behalve Matjeff vervulden twee bedienden met witte dassen hun plicht onmerkbaar, stil en rustig.
Doch niet slechts de materiëele zijde van het diner was gelukt, maar ook de minder materiëele. Het gesprek was algemeen en opgewekt, het stokte nergens en werd tegen het einde zoo levendig, dat de heeren, zelfs nadat zij opgestaan waren, hun thema niet loslieten en dat zelfs Alexei Alexandrowitsch zich opgewekt gevoelde.
V.
Nadat het gesprek over verscheiden onderwerpen had geloopen, was het ook op het thema van vrouwen-emancipatie gekomen.
Alexei Alexandrowitsch had gezegd, dat men gewoon was een beschaafde vrouw voor een vrijdenkende vrouw te houden, en dat dit volstrekt niet was te billijken.
Hierop antwoordde Peszow: "Ik meen integendeel, dat deze beide vragen niet van elkander zijn te scheiden. Het gebrek aan beschaving heeft de vrouwen van haar rechten beroofd, en het ontbrak haar aan beschaving, omdat zij die rechten misten."
"U spreekt van rechten," zeide Sergej Iwanowitsch, "derhalve zoo wat rechten om gezworenen, leden der regeering, parlementsleden te worden...?"
"Voorzeker!"
"Maar verondersteld, dat er bij zeldzame uitzondering eenige dames waren, die deze plaatsen konden vervullen, dan schijnt mij daarvoor de uitdrukking "rechten" niet geheel juist gekozen. Juister ware het daar van "plichten" te spreken. Want als wij een derglijken post als b.v. van telegraafbeambte of regeeringsraad bekleeden, dan zijn wij ons bewust, dat wij daardoor een plicht vervullen. En dus zouden wij juister zeggen: De vrouwen verlangen plichten op zich te nemen, en dat zou volkomen rechtmatig zijn; want haar wensch om aan den algemeenen menschelijken arbeid deel te nemen, kan men slechts billijken."
"Volkomen juist," bekrachtigde Alexei Alexandrowitsch; "het is slechts de vraag, of zij de bekwaamheden bezitten om zulke plichten te vervullen."
"Deze bekwaamheden zouden zij bepaald hebben," bracht Stipan nu in, "als men haar de noodige opleiding liet te beurt vallen. Wij zien dat...."
"Hoe zegt het spreekwoord?" viel de vorst hem in de rede, die reeds lang met zijn kleine, spotachtig glinsterende oogen dit gesprek had gehoord; "slechts in tegenwoordigheid mijner dochter durf ik het zeggen: Haar haar is lang, maar kort is haar verstand...."
"Zoo heeft men ook van de negers tot aan hun bevrijding gedacht," zeide Peszow verdrietig.
"Ik moet mij slechts verwonderen, dat de vrouwen naar nieuwe plichten verlangen, waaraan de mannen, zooals wij zien, zich somwijlen gaarne onttrekken."
"Plichten zijn met rechten verbonden, met macht, geld en invloed; daarnaar trachten ook de vrouwen," antwoordde Peszow.
"Dat is juist zoo, als dat ik trachten zou naar het recht om minne te worden; het is een beleediging, dat men daarvoor slechts vrouwen wil aannemen en betalen en niet mij," zeide de oude vorst.
Turowzin barstte in een luid gelach uit en Sergej Iwanowitsch betreurde het, dat hij zelf dat niet gezegd had. Zelfs Alexei Alexandrowitsch lachte.
"Ja, maar een man kan toch niet zoogen," zeide Peszow; daarentegen vrouwen...."
"O jawel, een Engelschman heeft op een schip zijn eigen kind gezoogd," viel de oude vorst in, die zich zulk eene vrijheid in tegenwoordigheid zijner dochter veroorloofde.
"En zooveel zulke Engelschen er zijn, even zooveel vrouwen zijn er, die beambte zijn kunnen," sprak nu Sergej Iwanowitsch.
"Maar wat zal een meisje beginnen, dat geen familie heeft?" bracht Stipan weder in het midden terwijl hij onder dit gesprek voortdurend de danseres Tschibissow in het oog had.
"Maar wij komen voor het beginsel op, voor het ideaal," zeide Peszow met zijn basstem. "De vrouw wil het recht hebben, vrij onafhankelijk en goed ontwikkeld te kunnen zijn. Het bewustzijn, dit doel niet te kunnen bereiken, benauwt haar en drukt haar neder."
"En ik voel mij benauwd en neergedrukt, dat men mij niet als minne in het weeshuis wil aanstellen," hernam de oude vorst tot groote blijdschap van Turowzin, die van lachen de asperge met het dikke einde in de saus doopte.
VI.