Anna Karenina

Part 24

Chapter 24 4,002 words Public domain Markdown

Sedert zijn bijeenkomst met Anna in den tuin van Wrede waren zijn inzichten zeer veranderd. Zijn eerzuchtige gedachten waren op den achtergrond getreden, hij besefte, dat hij uit dien kring was geraakt, waarin alles zich naar vaste regels bewoog; daarom gaf hij zich nu geheel aan zijn neiging over en deze kluisterde hem sterker en immer sterker aan haar.

Hij trad haar kamer binnen.

"Neen!" riep zij uit, toen zij hem zag, en de tranen kwamen haar in de oogen: "Neen, als het zoo voortgaat, zal het nog veel vroeger komen!"

"Wat, melieve?"

"Wat? Ik wacht en kwel mij hier, een uur, twee uren.... Maar neen, ik wil niet, ik kan niet met je twisten! Je zult wel niet vroeger hebben kunnen komen! Neen, ik wil niet verwijten."

Zij had haar beide handen op zijn schouder gelegd en zag hem een geruimen poos diep, verrukt, uitvorschend in de oogen.

XXI.

"Gij hebt hem dus ontmoet?" vroeg zij, nadat zij aan de tafel was gaan zitten, die door de lamp werd beschenen; dat is er een straf voor, dat je te laat zijt gekomen."

"Ja, maar hoe is dat gekomen? Hij moest toch bij de zitting zijn?"

"Hij is daar ook geweest, maar al weer teruggekeerd om nu ergens anders heen te rijden. Maar spreek daar niet van. Waar zijt gij geweest? Altijd bij uw prins?"

Zij kende alle bizonderheden van zijn leven. Hij wilde haar verhalen, dat hij den geheelen nacht onrustig geweest was en daarom den tijd had verslapen, maar toen hij haar opgewonden, gelukkig gelaat zag, schaamde hij zich daarover. En hij zeide, dat hij had moeten uitgaan om de afreis van den prins te melden.

"Maar nu is toch ook alles ten einde? Hij is dus vertrokken?"

"Goddank, ja, nu is alles ten einde. Gij kunt niet denken, hoe onuitstaanbaar het mij was."

"Waarom dan? Dat is toch het gewone leven van u jonge mannen allen!" antwoordde zij met gefronste wenkbrauwen en begon, zonder Wronsky aan te zien, met zekere opmerkzaamheid uit een haakwerk, dat op tafel lag, de haakpen los te maken.

"Ik heb dat leven al lang opgegeven," zeide hij, verwonderd over de verandering in haar gelaat. "En ik beken," voegde hij er lachend bij, "in deze week heb ik mijn leven als in een spiegel gezien, en dat was voor mij volstrekt niet vleiend."

Zij hield het haakwerk in de hand en beschouwde hem met een bizonder fonkelenden, bijna vijandigen blik.

"Heden morgen heeft Lisa mij bezocht.--Zij ontziet zich nog niet mij te bezoeken in weerwil van Lydia Iwanowna," voegde zij er bij--"en die heeft mij van je Atheensche avondfeest verteld. Wat zijn dat voor afschuwelijkheden?"

"Ik moet je zeggen...." Maar zij viel hem in de rede: "Was dat dezelfde Thérèse, die je vroeger gekend hebt?"

"Ik wilde je zeggen...."

"Hoe afschuwelijk zijt gij mannen! Kun je u dan in het geheel niet voorstellen, dat een vrouw dat niet kan vergeten? Vooral een vrouw niet, die je tegenwoordig leven niet kan kennen. Wat weet ik daarvan? Wat heb ik vroeger er van geweten? Slechts dat, wat gij er mij van verteld hebt. En waardoor weet ik, dat ge mij steeds de volle waarheid hebt gezegd...?"

"Anna, ge beleedigt mij! Gelooft ge mij dan niet? Heb ik u niet gezegd, dat ik geen gedachte heb gekoesterd, die ik u niet medegedeeld heb?"

"Ja, ja!" zeide zij, met den wensch, haar opwellingen van jaloerschheid tegen te gaan. "Maar als je slechts wist, hoe zwaar het mij is! Ik geloof, ik geloof je.... Wat wilde je ook zeggen?"

Maar hij kon zich dat niet meer herinneren. Deze aanvallen van ijverzucht kwamen in den laatsten tijd meermalen over haar, en hij bespeurde dit met schrik; hoezeer hij zich dit ook wilde ontveinzen, koelden zij toch zijn liefde af, al wist hij ook, dat ze slechts uit liefde voor hem ontstonden. Hoe dikwijls had hij vroeger tot zich zelf gezegd, welk een geluk het moest zijn haar liefde te bezitten; en nu beminde zij hem, zooals slechts een vrouw kan beminnen, voor wie de liefde het geheele leven is, en toch was hij nu verder van alle geluk verwijderd, dan destijds, toen hij haar naar Moskou nareisde. Destijds hield hij zich voor ongelukkig, maar het geluk wenkte hem in de toekomst, thans bemerkte hij, dat het beste geluk reeds achter hem lag. Degene, die hij in den eersten tijd had leeren kennen, was zij niet meer; lichamelijk en geestelijk was zij veranderd en niet in haar voordeel. Welk een booze, onbehagelijke trek, die haar geheel ontsierde, lag zooeven, toen zij van die tooneelspeelster sprak, op haar gelaat. Hij zag haar aan, zooals iemand een door hem geknakte en spoedig verwelkte bloem aanziet; de vroegere schoonheid, om welke hij haar geplukt had, was niet weder te vinden. Maar in weerwil dat hij, zooals hem toescheen, nu geen liefde meer voor haar gevoelde, was hij zich toch bewust, dat hun verbintenis een onbreekbare was.

"Nu? Wat wildet gij mij ook van den prins vertellen? Ik heb nu dezen demon verbannen," voegde zij er bij. Demon noemde zij haar ijverzucht. "Waarom viel het je zoo zwaar met hem?"

"O, volstrekt ondragelijk," antwoordde Wronsky. "Bij nadere kennismaking won hij vooral niet. Men zou hem kunnen vergelijken bij een schoon, goed gemest stuk vee, dat op de tentoonstelling den eersten prijs bekomt. En dan is zijn beschaving ook van een bizonderen aard; men ziet, dat hij slechts deshalve beschaafd is om het recht te hebben alle beschaving, met uitzondering van dierlijk genot, te verachten."

"Maar gij allen bemint die dierlijke genietingen," merkte zij aan en weder zag hij dien donkeren blik, die hem vermeed.

"Gij neemt hem dus in bescherming?" vroeg hij lachend.

"Ik verdedig hem volstrekt niet; mij is hij geheel onverschillig; maar ik bedoel, als je zelfs niet van deze genietingen hieldt, had ge u kunnen laten verontschuldigen. Maar het verschafte u een genoegen Thérèse in Eva's kostuum te zien."

"Daar is hij toch weer, de demon," zeide Wronsky, terwijl hij haar op tafel liggende hand greep en ze kuste.

"Ja, maar ik kan niet anders. Je vermoedt niet, wat ik heb doorgestaan, terwijl ik op je wachtte. Ik ben niet jaloersch; ik geloof in u, als ge bij mij zijt, maar als je ergens anders uw voor mij onbegrijpelijk leven leidt...."

Zij keerde zich van hem af, bevrijdde eindelijk de haakpen uit het werk, haastig werd het eene vakje aan het andere gelegd en snel en zenuwachtig bewoog zich de fijne rechterhand in de geborduurde manchette. "Nu, alzoo ontmoette je Alexei Alexandrowitsch," deed zich plotseling op eenigszins onnatuurlijken toon haar stem hooren.

"Wij stieten in de deur op elkander."

"En hij heeft je zóó gegroet...?" Zij zette een lang gezicht, legde de handen ineen, sloot half de oogen, en Wronsky zag plotseling in haar schoon gelaat dezelfde uitdrukking, waarmede Karenin hem gegroet had. Hij lachte en ook zij lachte vroolijk, van ganscher harte.

"Ik begrijp hem niet," zeide Wronsky. "Als hij nog na uw verklaring geheel met je gebroken of mij tot een duel uitgedaagd had--maar hoe hij dezen toestand kan verdragen, begrijp ik niet. Men kan het hem toch aanzien, dat hij er onder lijdt...."

"Hij?" zeide zij lachend--"hij is zeer tevreden."

"Alles kon toch goed zijn.--Waarom kwellen wij allen ons?"

"Slechts hij niet. Ken ik dan deze geveinsdheid niet, waarvan hij geheel doortrokken is? Kan een man, die slechts eenig gevoel bezit, leven met een vrouw, zooals ik voor hem ben? Kan men met haar spreken op welwillenden toon? Neen, dat is geen man, geen mensch, maar slechts een pop. Buiten mij weet dat niemand. O, was ik in zijn plaats, ik had al lang zulk een vrouw gedood, in stukken gescheurd in plaats van haar nog ma chère Anna te noemen en op vertrouwelijken toon tot haar te spreken. Dat is geen mensch, maar een politieke machine. Hij begrijpt het niet, dat ik uw vrouw ben en dat hij daarnaast een vreemdeling, een geheel overtollige is.... Maar spreken wij er niet meer van."

"Dat is niet recht van u, melieve," zeide Wronsky, om haar neder te zetten. "Vertel mij liever, wat u deert; wat is dat voor een ongesteldheid? Wat zegt de dokter? Maar het is zeker in 't geheel geen ziekte, als ik juist vermoed? Het is slechts in uw toestand gelegen? Wanneer zal het dan zijn?"

De spotachtige schittering in haar oogen verdween en werd vervangen door een anderen, stillen, weemoedigen glimlach ontstaan door de kennis van datgene, wat hem nog onbekend was.

"Spoedig, spoedig! Gij zegt, dat onze toestand pijnlijk is en spoedig moet ophouden. Als gij wist, hoe zwaar het mij is, wat ik geven wilde om u vrij en openlijk te kunnen beminnen! Dan zou ik mij zelf niet kwellen en ook u niet door mijn ijverzucht.... En dat zal spoedig zijn, maar niet zoo, als gij vermoedt...."

En de gedachte aan datgene, wat komen zoude, stemde haar zoo treurig, dat haar de tranen in de oogen drongen en zij niet verder vermocht te spreken.

"Ik wilde het u in het geheel niet zeggen, maar ge dwingt er mij toe. Spoedig, zeer spoedig zal zich alles oplossen en wij allen zullen tot rust komen en ons niet meer kwellen."

"Ik begrijp je niet...." zeide hij.

"Je vraagt: wanneer? Spoedig! Maar ik zal het niet overleven ... val mij niet in de rede...." En zij haastte zich voort te gaan: "Ik weet het zeker. Ik zal sterven en verheug mij er over, dat ik sterven zal en u van mij bevrijden...."

De tranen vloeiden haar uit de oogen. Hij boog zich over haar hand en kuste ze om zijn ontroering te verbergen, die naar zijn overtuiging ongegrond was, maar die hij toch niet kon overmeesteren.

"Ja, zoo is het, en zoo is het ook het beste," zeide zij en drukte krachtig zijn hand; "dat is het eenige wat ons over blijft."

Wronsky hernam zijn kalmte en hief het hoofd op.

"Welk een onzin! Wat dwaze dingen praat je toch!"

"Neen, het is waar!"

"Wat is waar?"

"Dat ik sterf. Ik heb het in den droom gezien."

"In den droom?" herhaalde hij, en plotseling viel hem zijn droom van dien boer in, en andermaal voer een huivering door zijn leden.

"Ja, in den droom." zeide zij. "Het is reeds tamelijk lang geleden. Ik zag, dat ik haastig door mijn slaapkamer liep om iets te zoeken of iets te weten te komen: Je weet, hoe het in den droom gaat," sprak zij en als op nieuw ontsteld sperde zij haar oogen wijd open. "En daar in de slaapkamer stond iemand in een hoek...."

"Och, welk een onzin! Hoe kan men nu gelooven...."

Maar zij liet zich niet in de rede vallen; haar verhaal scheen haar te gewichtig:

"En toen keerde zich die iemand om en ik zag, dat het een boer was met een stoppeligen baard, klein en afschrikwekkend! Ik wilde wegloopen, maar daar bukte hij zich over een zak en woelde met de handen daarin om...."

Zij wees, hoe hij met de handen had rondgewoeld; ontzetting sprak uit haar gelaat; Wronsky dacht aan zijn eigen droom en voelde zich door dezelfde ontsteltenis aangegrepen.

"... Zoo grabbelde hij en zeide daarbij in het Fransch: Snel, snel! en, weet je, zoo kort achtereen: Il faut battre le fer, le broyer, le pétrir.... Van angst wilde ik wakker worden, ik ontwaakte ook, maar ontwaakte slechts in den droom, en ik vroeg mij zelf: wat kan dat beteekenen? En Kornei zeide tot mij: Bij de geboorte, bij de geboorte, moedertje, zult gij sterven. En toen eerst ontwaakte ik werkelijk...."

"Welk een onzin! welk een onzin!" zeide Wronsky, maar hij besefte zelf, dat de overtuiging aan zijn woorden ontbrak.

"Maar wij willen daarvan niet meer spreken. Schel eens, ik zal de thee bestellen. Ja, wacht maar, nu zal het niet lang meer duren voor ik...."

Zij brak plotseling af. De ontsteltenis en opgewondenheid weken voor een stille, ernstige, in zich zelf gekeerde opmerkzaamheid. Hij begreep de beteekenis dezer gevoelswisseling niet. Zij voelde in zich de beweging eens nieuwen levens.

XXII.

Na zijn ontmoeting met Wronsky was Karenin overeenkomstig zijn plan naar de Italiaansche opera gereden. Hij bleef gedurende het tweede bedrijf en zag allen, die hij zien moest. Toen hij weer te huis kwam, keek hij oplettend naar den kapstok en toen hij daar geen militairen paletot ontdekte, ging hij naar zijn kamer. Maar tegen zijn gewoonte ging hij niet te bed, maar ging tot drie uur in den nacht zijn kamer op en neder. Het gevoel van toorn tegen zijn vrouw, die de welvoegelijkheid niet bewaren en de eenige haar gestelde voorwaarden niet vervullen wilde, ontnam hem de rust. Zij had niet aan zijn verlangen voldaan, derhalve moest hij haar straffen en zijn bedreiging volvoeren--de scheiding bewerkstelligen en haar den zoon ontnemen! Hij kende al de omslachtigheid, die daarmede gepaard zou gaan, maar nu moest het geschieden.

Hij kon den geheelen nacht niet slapen; zijn toorn en ergernis klom bij toeneming en had tegen den morgen het toppunt bereikt. Hij kleedde zich haastig, alsof hij vreesde iets uit de volle schaal van zijn toorn te storten, begaf zich dadelijk naar zijn vrouw om niet met zijn toorn ook zijn energie te verliezen.

Toen Anna, die meende haar echtgenoot zoo wel te kennen, hem zag, was zij getroffen. Zijn voorhoofd was gerimpeld, zijn oogen stonden somber en vermeden haar aan te zien, zijn lippen waren vast en verachtend opeen geklemd. In zijn houding, zijn beweging, in den klank zijner stem lag een vastberadenheid, die zijn vrouw tot hiertoe niet in hem gekend had. Hij trad de kamer binnen en, zonder haar te groeten, ging hij terstond naar haar schrijftafel, nam den sleutel en opende een schuiflade.

"Wat wilt ge?" riep zij uit.

"De brieven van uw minnaar!" antwoordde hij.

"Die zijn daar niet," zeide zij en wilde de lade toeschuiven, maar aan deze beweging bemerkte hij, dat zijn vermoeden juist was, en, terwijl hij haar hand ruw wegduwde, greep hij snel de schrijfportefeuille, waarin hij wist, dat zij haar gewichtigste brieven placht te bewaren. Zij wilde ze hem ontrukken, maar hij stiet haar van zich.

"Ga zitten; ik moet met u spreken," zeide hij en drukte de portefeuille zoo vast onder den arm, dat de schouder omhoog kwam.

Zij zag hem verrast en bevreesd aan.

"Ik heb u gezegd, dat ik u niet toesta uw minnaar hier te ontvangen."

"Ik moest hem zien om...."

Zij hield op, omdat zij geen reden wist te vinden.

"Ik wil de bizonderheden niet weten, waarom een vrouw haar minnaar moet zien."

"Ik wilde slechts...." riep zij opstuivend uit. Zijn grofheid tergde haar en gaf haar den moed terug. "Gevoelt gij dan niet, hoe gemakkelijk het voor u is mij te beleedigen?" zeide zij.

"Beleedigen kan men slechts een eerlijk mensch, maar als men tot een dief zegt, dat hij een dief is, is dit slechts het vaststellen van eene daadzaak."

"Dezen nieuwen trek van wreedheid heb ik tot hiertoe nog niet in u gekend."

"Gij noemt het wreedheid, als een man zijn vrouw alle mogelijke vrijheid geeft en haar naam een eerbaar schild, slechts onder voorwaarde, de welvoegelijkheid te bewaren; dus dat is wreedheid?"

"Het is erger dan wreedheid, het is gemeenheid, als gij het weten wilt," riep Anna in een oproer van woede uit en stond op om heen te gaan.

"Neen," riep hij met piepende stem, die nu nog een noot hooger klonk. En terwijl hij met zijn groote vingers haar arm zoo heftig greep, dat de drukking van den armband roode sporen achter liet, drong hij haar met geweld op haar stoel terug.

"Gemeenheid? Als gij dit woord wilt gebruiken, dan is het gemeenheid, dat een vrouw voor een minnaar haar man, wiens brood zij eet, en haar zoon verlaat!"

Zij boog het hoofd. Zij dacht nu niet aan haar woorden van gisteren tot den beminde, dat _deze_ slechts haar man, maar haar echtgenoot een overtollig persoon was;--zij besefte nu slechts de volle waarheid zijner woorden en zeide zacht: "Gij kunt mijn toestand niet erger schilderen, dan ik zelf mij dien voorstel. Maar waarom zegt gij mij dit alles?"

"Waarom ik het zeg? Waartoe?" ging hij toornig voort: "Opdat ge zoudt weten, dat ik mijn maatregelen nemen zal om aan dezen toestand een einde te maken!"

"Die zal ook wel spoedig een einde nemen," zeide zei en wederom kwamen haar bij de gedachte aan den nu zoo gewenschten dood de tranen in de oogen.

"Ja, het zal een vroeger einde nemen, dan gij het met uw minnaar gedacht hebt! (Hij bezigde dit woord bizonder dikwijls). Gij hebt voldoening noodig voor uw zinnelijke hartstochten...."

"Alexei Alexandrowitsch, het is niet slechts niet grootmoedig, het is onwelvoegelijk, een machtelooze te slaan."

"Ja aan u zelf denkt gij, maar het lijden van een mensch, die uw echtgenoot was, treft u niet. Het is u onverschillig, of zijn leven is verwoest, dat hij uit ... uitgeleden...."

Hij sprak zoo snel, dat hij in de war geraakte en begon te stotteren. Het werd haar belachelijk, maar dadelijk schaamde zij zich over deze opwelling in dit oogenblik. Hij hield op en tot haar verrassing bemerkte Anna, dat zijn oogen zich met tranen vulden. En voor de eerste maal verplaatste zij zich voor een oogenblik in zijn toestand en had zij medelijden met hem. Maar wat kon zij zeggen of doen? Zij boog het hoofd en zweeg. Ook hij zweeg een poos; toen begon hij weer te spreken, maar op minder scherpen en kouden toon:

"Ik wilde u zeggen, dat ik morgen afreis naar Moskou en niet weer in dit huis zal terugkeeren. Mijn advocaat zal u mijn besluiten mededeelen. Mijn zoon zal naar mijn zuster gaan."

"Gij hebt Serëscha noodig om mij smart aan te doen," zeide zij op kleinmoedigen toon: "Gij houdt niet van hem.... Laat mij Serëscha!"

"Ja, zelfs de liefde voor mijn zoon heb ik verloren, omdat met hem mijn afschuw tegen u is verbonden; maar in weerwil daarvan neem ik hem met mij--Adieu!"

Hij wilde gaan, maar nu hield zij hem staande: "Alexei Alexandrowitsch, laat mij Serëscha," vroeg zij andermaal op zachten toon.

"Ik heb niets meer te zeggen. Laat Serëscha tot mijn terugkomst...."

"Ik zal spoedig--bevallen. Laat hem mij!"

Alexei Alexandrowitsch werd rood. Hij onttrok haar zijn hand en verliet zwijgend de kamer.----

VIERDE BOEK.

I.

Met het doel om een gewichtige aangelegenheid te onderzoeken had Alexei Alexandrowitsch besloten naar een verwijderd gouvernement te reizen. Op zijn doorreis daarheen bleef hij drie dagen in Moskou. Den tweeden dag bracht hij den gouverneur-generaal zijn bezoek.

Op een hoek van de straat, waar de equipages en droschken waren opgestuwd en hij dus langzamer moest rijden, hoorde Alexei Alexandrowitsch zich plotseling door een luide, vroolijke stem bij zijn naam roepen, zoodat hij in die richting moest uitzien. Op den hoek van het trottoir stond Stipan Arkadiewitsch in een korten modernen paletot, een kleinen scheefstaanden hoed op, met zijn witte, blinkende tanden tusschen de roode, tot lachen geopende lippen; hij stond daar vroolijk, jeugdig en schitterend en zijn roepen klonk zoo dringend en hardnekkig, dat Karenin wel moest ophouden. Hij hield met eene hand den greep der trede van zijn rijtuig vast, uit welks venster een dameshoofd in een zijden hoed en twee kinderhoofdjes gluurden en wenkte lachend met de andere zijn zwager toe. Ook de dame lachte vriendelijk en wenkte met de hand Alexei Alexandrowitsch toe. Het was Dolly met haar kinderen.

Alexei Alexandrowitsch wilde eigenlijk geen zijner bekenden in Moskou opzoeken en het minst den broeder zijner vrouw. Hij nam den hoed af en wilde verder rijden, maar Stipan Arkadiewitsch beval den koetsier stil te houden en ijlde door de sneeuw der straat naar hem toe.

"Nu, maar dat is niet zoo als het behoort, ons volstrekt geen bericht te geven! En gisteren nog was ik bij Dusseau en lees aan de tafel den naam van 'Karenin,' maar ik vermoedde niet, dat gij dat zijn kondt; anders had ik je opgezocht. Hoe verheugt het mij je te zien!" en Stipan legde den eenen voet over den anderen om de sneeuw er af te schudden: "Waarlijk, het is te erg, ons in het geheel geen bericht te zenden!" herhaalde hij en opende het portier.

"Ik ben om zaken hier--ik kon niet," antwoordde Karenin op koelen toon.

"Kom een oogenblik bij mijn vrouw: zij zal u gaarne zien."

Alexei Alexandrowitsch haalde zijn voeten uit den plaid en begaf zich met Stipan door de sneeuw naar Dolly.

"Wat is dat, Alexei Alexandrowitsch? Waarom gaat gij ons zoo voorbij?" vroeg Dolly lachend.

"Ik was zeer door ambtszaken gebonden. Ik verheug me zeer u te zien. Hoe gaat het u?"

"Nu, hoe gaat het onze lieve Anna?"

Karenin mompelde iets onverstaanbaars en wilde heengaan, maar Stipan hield hem terug en zeide:

"Dolly, vraag hem morgen te dineeren; wij zullen ook Kosnischew en Peszow vragen om hem met de keur der Moskousche vernuften op te wachten."

"Derhalve smeek ik je te komen," zeide Dolly; "wij zullen je tusschen vijf en zes uur verwachten. Hoe gaat het de lieve Anna? Het is reeds zoo lang geleden...."

"Zij vaart wel," mompelde Alexei Karenin met gefronst voorhoofd. "Het is mij aangenaam geweest u te zien!" En hij keerde naar zijn rijtuig terug.

"Dus kom je morgen?" riep Dolly hem na.

Hij antwoordde iets, wat Dolly echter wegens het geraas der rijtuigen niet verstond.

"Ik kom morgen nog bij je," riep ook Stipan hem na.

Karenin zette zich weer in zijn rijtuig en leunde zoover mogelijk achterover om niemand te zien en door niemand herkend te worden.

"Een zonderling!" zeide Stipan tot zijn vrouw, en nadat hij op het horloge gezien had, maakte hij tegen zijn vrouw en de kinderen een vriendelijke handbeweging en verwijderde zich vroolijk op het trottoir.

"Stiwa! Stiwa!" riep Dolly blozend.

Hij keerde zich om.

"Ik moet voor Grischa en Tania paletots koopen! geef mij toch wat geld."

"Niet noodig! zeg maar, dat ik het betalen zal!" En hij verdween, nadat hij vroolijk een kennis had toegeknikt.

II.

De eerstvolgende dag was een Zondag. Stipan Arkadiewitsch reed naar den grooten schouwburg om de repetitie voor het ballet bij te wonen en gaf daar aan Mascha Tschibissow, een schoone, op zijn aanbeveling geëngageerde danseres, de gisteren haar beloofde koralen en kuste achter de coulissen in het donker van den schouwburg haar van blijdschap stralend gezicht. Toen sprak hij met haar een rendez-vous na het ballet af en beloofde haar bij de laatste acte te komen en haar af te halen voor een souper. Van daar reed Stipan naar den Ochotny Rjad, zocht zelf de visch en asperge voor de middagtafel uit en om twaalf uur was hij bij Dusseau, waar hij bij drie personen, die in het logement hun intrek hadden genomen, bezoeken had af te leggen, namelijk bij Lewin, die zooeven van een reis in het buitenland was teruggekeerd, dan bij zijn nieuwen chef, die juist was aangekomen om zijn hoogen post te aanvaarden en die Moskou wenschte te leeren kennen, en eindelijk bij zijn zwager Karenin, dien hij bepaald ontvoeren wilde voor het diner.

Stipan Arkadiewitsch hield van een goed diner: maar nog meer hield hij er van een diner te geven, geen groot, maar een fijn, wat de keuze der gerechten, der wijnen en der gasten betrof. Het tegenwoordige menu beviel hem zeer: versche baars, asperge en--als pièce de résistance--: een eenvoudig, maar buitengewoon goed roastbeef, en de daarbij behoorende wijn. Als gasten zouden bij hem zijn: Kitty en Lewin en, opdat dit niet opviel, nog een nicht en een jongere Tscherbatzky en--als pièce de résistance onder de gasten:--Sergej Kosnischew en Alexei Alexandrowitsch, Sergej Iwanowitsch, de Moskouer philosoof en Alexei Alexandrowitsch, de Petersburger staatsman! En buitendien wilde hij nog den als origineel bekenden Peszow uitnoodigen, een liberale babbelaar, liefhebber van muziek, historicus en de beminnenswaardigste van alle vijftigjarige jongelingen. Het geld voor het bosch had hij van den koopman ontvangen en het was nog niet uitgegeven; ook was Dolly in den laatsten tijd zeer aardig en vriendelijk tegen hem.