Part 22
De crocketpartij, waartoe Anna was uitgenoodigd, zou uit twee dames met haar minnaars bestaan. Een dezer dames, Lisa Merkalow, was de hoofdvertegenwoordigster van een nieuwen Petersburger kring, die de imitatie van de een of andere imitatie was en zich "_Les sept merveilles du monde_" noemde. Deze kring was met dien, waarin Anna anders verkeerd had, geheel in vijandschap, en buitendien was ook de aanbidder van Lisa Merkalow, de oude Stremow, een der invloedrijkste mannen van Petersburg, een politiek tegenstander en ambtelijk concurrent van Alexei Alexandrowitsch. Met het oog hierop had Anna er eerst niet willen heengaan, waartoe zij echter in de hoop er Wronsky aan te treffen, later had besloten.
Anna kwam vroeger bij de vorstin dan de overige gasten. Op hetzelfde oogenblik, dat zij er binnen trad, kwam ook Wronsky's knecht, die met zijn lang uitgekamde bakkebaarden er uitzag als een kamerheer of procureur-generaal. Hij bleef aan de deur staan, nam de muts af en liet haar voorbijgaan. Anna herkende hem en wilde hem vragen, waar zijn heer was, wilde terugkeeren en hem een brief medegeven, maar zij vermocht het een noch het ander te doen, want reeds hoorde zij de schel, die haar bezoek aankondigde en in de open deur stond de lakei der vorstin, wachtend op haar intrede in de kamers.
"De vorstin is in den tuin. Men zal haar dadelijk bericht geven."
"Belieft u wellicht ook den tuin in te gaan?" zoo ontving haar een andere lakei in de naaste kamer.
Zij verkeerde nog in denzelfden toestand van besluiteloosheid als te huis, zij wist niet, wat te doen; zij moest blijven, hier, in een haar vreemd en in haar tegenwoordigen toestand dubbel onaangenaam gezelschap. Maar zij was in een toilet, dat zij wist dat haar goed kleedde; zij gevoelde zich niet verlaten, want zij bevond zich in de gewone, feestelijke omgeving der ledigheid en het was haar hier lichter dan te huis; zij behoefde hier niet te denken, alles ging van zelf.
"Wat verheug ik mij, dat ge gekomen zijt," zeide Betsy. "Ik wilde juist een kop thee drinken, maar gij," wendde zij zich tot Tuschkewitsch, "ga eens met Mascha naar den crocket-ground zien, daar, waar ik het grasplein heb laten aanleggen.... Zoo zullen we den tijd hebben met elkander nog wat vertrouwelijk te praten, we'll have a cosy chat, niet waar?" sprak zij weer tot Anna gekeerd en drukte haar lachend de hand.
"Te meer daar ik niet lang blijven kan. Ik moet noodzakelijk naar de oude Wrede, ik heb het haar al honderd maal beloofd," antwoordde Anna, die, hoe oprecht anders van natuur, in gezelschap en vooral nu den leugen zeer eenvoudig en natuurlijk vond.
"Neen, ik laat u niet gaan, tot geen prijs," antwoordde Betsy en zag haar daarbij uitvorschend aan. "Werkelijk, het zou mij beleedigen als ge niet blijft." "Breng de thee in het salon," gebood zij den wachtenden dienaar, daarbij, zooals zij gewoonlijk deed, als zij deze lieden aansprak, de oogen half toeknijpend. Toen nam zij van hem Wronsky's brief in ontvangst en las hem.
"Alexei heeft een faux pas gemaakt," zeide zij in het Fransch; "hij schrijft, dat hij niet kan komen," voegde zij er onbevangen en natuurlijk bij, alsof het haar niet in het hoofd kon komen, dat Wronsky voor Anna een andere beteekenis had, dan die van partner in het crocketspel. Anna was overtuigd, dat Betsy alles wist, en toch, toen zij hoorde, hoe zij over Wronsky sprak, wilde zij voor het oogenblik evenwel gaarne gelooven, dat zij van alles niets wist.
"Zoo," antwoordde Anna, alsof het haar weinig belang inboezemde.
"Vreest ge ook wellicht hier Stremow te ontmoeten?" hernam Betsy. "Laat hem en Alexei Alexandrowitsch in hun zittingen met elkander een lans breken, dat gaat ons toch niets aan. In gezelschap is hij de beminnenswaardigste man, dien ik ken en daarbij een hartstochtelijk crocketspeler. Ge zult eens zien. In weerwil van zijn komieke situatie als een verliefde oude, heeft hij anders niets belachelijks aan zich. Hij is een zeer net man. Sappho Stolz kent ge ook nog niet? Nu, die is van een geheel nieuwe soort...."
Betsy zeide dit alles op haar luchthartige manier, terwijl Anna aan haar guitige oogen bespeurde, dat zij een of ander in het schild voerde. Zij zaten in het kleine salon.
"Ik moet overigens eenige woorden aan Alexei schrijven." En Betsy ging zitten, schreef eenige regels en stak ze in een couvert. "Ik schrijf, dat hij op het diner moet komen, daar anders een dame zonder cavalier blijft. Lees het eens, of het dringend genoeg is. Excuseer me een oogenblik. Och, sluit alsjeblieft het couvert en zend den brief weg," zeide zij reeds in de deur; "ik heb nog een kleinigheid te regelen."
Zonder zich een oogenblik te bedenken, ging Anna met het briefje naar de tafel en, zonder het te lezen, voegde zij er bij: "Ik moet je noodzakelijk zien. Kom naar Wrede's tuin. Ik zal daar om zes uur zijn." Zij sloot en verzegelde het couvert en verzond den brief.
Bij de thee, die men in het koele, kleine salon binnen bracht, vormde zich tusschen deze beide vrouwen werkelijk een cosy chat, zooals de vorstin beloofd had. Zij spraken over hen, die zij verwachtten, en eindelijk kwam het gesprek op Lisa Merkalow.
"Zij is zeer aangenaam in den omgang en ik had altijd veel sympathie voor haar," zeide Anna.
"Ge moet haar lief krijgen. Zij dweept met u. Gisteren na den wedren kwam zij bij mij en was wanhopig, omdat zij u niet meer aangetroffen had. Zij meent, dat ge een echte romanheldin zijt, en dat zij, als zij een man was, om uwentwil alle dwaasheden zou begaan. Stremow zeide, dat zij dit reeds deed, zooals...."
"Maar zeg mij...." zeide Anna, na een oogenblik te hebben nagedacht en op een toon, waaraan men kon hooren, dat het voor haar geen onverschillige vraag was: "In welke betrekking staat zij tot vorst Kaluschky, den zoogenaamden Mischka? Ik heb ze bijna niet te zamen ontmoet. Hoe zit dat eigenlijk?"
Betsy's oogen lachten en zagen Anna opmerkzaam aan: "Een nieuwe manier," antwoordde zij. "In den laatsten tijd kiezen allen deze manier. Zij verbreken de boeien en werpen ze weg, maar de wijze hoe men ze wegwerpt is verschillend."
"Ja, maar in welke betrekking staat zij dan eigenlijk tot Kaluschky?"
Betsy lachte plotseling luid en lang, wat haar zelden gebeurde. "Nu stroopt ge op het gebied van vorstin Miagkaja. Dat is de vraag van een enfant terrible...." en Betsy kon niet nalaten andermaal in lachen uit te barsten. "Gij moet het haar zelf vragen...." zeide zij met tranen in de oogen.
"Neen, ge lacht," zeide Anna, die onwillekeurig mede had moeten lachen, "maar ik begrijp niet, welk een rol eigenlijk haar man daarbij speelt."
"Haar man? Die draagt haar doek achter haar en is verder tot elken dienst bereid. Wat er verder is, daar wil niemand iets van weten. Ge weet wel, dat men in beschaafd gezelschap niet eens over bizonderheden van het toilet spreekt, zelfs er niet over denkt; zoo is het ook hier."
"Zult ge bij de Rolandaky's zijn?" vroeg Anna, om het gesprek op iets anders te brengen.
"Ik geloof het niet," antwoordde Betsy, en zonder haar vriendin aan te zien, begon zij de geurige thee in de kleine, doorzichtige kopjes te schenken. Toen gaf zij Anna het kopje over en stak een cigarette aan: "Ziet ge, zoo gevoel ik mij behagelijk. Ik begrijp u en ik begrijp Lisa. Lisa is een van die naïven, die niet weten wat goed of kwaad is; ten minste vroeger, toen zij nog zeer jong was, heeft zij het niet geweten. Nu echter weet zij, dat de argeloosheid haar goed staat en daarom weet zij nu opzettelijk niet...." zeide Betsy met een fijn lachje, "en evenwel staat het haar goed. Weet ge, men kan een en dezelfde zaak tragisch beschouwen en ze tot een kwelling voor zich maken, terwijl een ander ze al heel eenvoudig en wellicht als komisch opneemt. Wellicht zijt gij geneigd de zaak te tragisch op te vatten."
"Ik ken de anderen zoo goed niet als mij zelf," zeide Anna ernstig en nadenkend.
"Une enfant terrible, une terrible enfant!" herhaalde Betsy. "Daar zijn ook de anderen."
XV.
Men hoorde schreden en een mannenstem, toen de stem eener dame en gelach, en onmiddellijk daarop kwamen de verwachte gasten binnen: Sappho Stolz en de blozende, welgedane Waszka; men kon het hem aanzien, dat zijn voedingsmethode door middel van half rauw vleesch, aardappels en Bourgondiër hem goed bekwam. Waszka boog voor de dames en fixeerde haar, maar slechts een oogenblik. Toen trad hij weer achter Sappho en volgde haar, alsof hij aan haar vastgeketend was; hij wendde zijn schitterende oogen niet van haar af, alsof hij haar verslinden wilde. Sappho Stolz was blond en had zwarte oogen. Zij naderde met korte, vaste schreden en drukte de dames op mannelijke manier krachtig de hand.
Anna had tot hiertoe deze nieuwe beroemdheid nog niet gezien en was getroffen door haar schoonheid, haar bovenmate excentriek toilet en door de koene vrijheid, waarmede zij optrad. Betsy haastte zich haar en Anna aan elkander voor te stellen.
"Denk eens, wij hebben bijna twee soldaten overreden," begon zij dadelijk te vertellen, terwijl zij Anna toeknikte en haar sleep achter zich in orde bracht. "Ik reed met Waszka ... ach ja, u kent hem toch niet...." En terwijl zij toen zijn familienaam noemde, bloosde zij en lachte verlegen, omdat zij tegenover een haar tot hiertoe onbekende hem Waszka had genoemd. Maar Waszka wendde zich dadelijk tot Sappho: "U heeft de weddingschap verloren. Wij zijn de eersten. Derhalve moet u betalen," zeide hij lachend.
Sappho lachte overmoedig: "Maar toch niet op staanden voet?"
"Dat is hetzelfde, dan krijg ik het later."
"Goed, goed!--Ach ja," wendde zij zich plotseling tot de gastvrouw, "wat ik vergeten heb: Ik heb u nog een gast medegebracht. Daar is hij!"
De onaangemelde jonge gast, dien Sappho medegebracht en intusschen vergeten had, was zulk een voorname gast, dat in weerwil van zijn jeugd de beide andere dames toch opstonden en hem welkom heetten. Het was Sappho's nieuwste aanbidder, die even als Waszka haar op elke schrede volgde.
Weldra verschenen ook vorst Kaluschky en Lisa Merkalow met Stremow. Lisa was een slanke brunette met een trage oostersche gelaatsuitdrukking, maar met bekoorlijke, gelijk allen ze noemden "onuitsprekelijke" oogen. Haar donker toilet, dat Anna dadelijk opmerkte en waardeerde, harmoniëerde geheel met haar schoonheid. Naar Anna's smaak was Lisa veel aantrekkelijker dan Sappho. Kort te voren had Betsy bemerkt, dat zij coquetteerde met den schijn en toon van een onwetend kind. Maar bij den eersten blik was Anna overtuigd, dat dit niet juist was. Zij was in werkelijkheid een onwetende, bedorven, maar aanvallige en zachte jonge vrouw; haar uiterlijk optreden was geheel aan dat van Sappho gelijk; even als deze, volgden ook haar, als vastgebonden, twee aanbidders, een jonge en een oude, maar in haar houding was iets, dat haar boven haar omgeving verhief; zij had den glans van een echten diamant, te midden van slechte Boheemsche steenen. Deze glans lichtte uit haar schoone, inderdaad niet te beschrijven oogen. De matte en toch zoo hartstochtelijke blik dezer van donkere kringen omschaduwde oogen frappeerde door zijn oprechtheid. Ieder, die in deze oogen zag, was overtuigd, dat hij haar geheel moest leeren kennen en lief krijgen. Toen zij Anna zag, verhelderde een blijde verrassing haar gelaat.
"O, wat verheug ik mij, u te leeren kennen," zeide zij op haar toegaande; "gisteren, onder den wedren, wilde ik u juist opzoeken, maar toen was u al weggereden. Ik wilde u zoo gaarne spreken, juist gisteren. Niet waar? dat was ontzettend?" en zij zag daarbij Anna aan met een blik, die haar geheele ziel scheen te openen.
"Ja, ik was er in het geheel niet op voorbereid, dat het zoo aangrijpend zijn konde," antwoordde Anna en bloosde.
Op dit oogenblik stond het gezelschap op en begaf zich naar den tuin.
"Ik ga niet," zeide Lisa en nam naast Anna plaats; "u gaat toch ook niet. Wie zou nu willen crocketspelen?"
"Ik houd er anders wel van," zeide Anna.
"Hoe maakt u het toch om u niet te vervelen? Als men u aanziet, gaat iemand het hart open. U geniet het leven en ik verveel mij."
"Hoe kan u zich vervelen? U behoort tot den interessantsten kring van Petersburg," zeide Anna.
"Het is mogelijk, dat voor hen, die niet tot ons behooren, het leven nog vervelender is, maar wij, ik tenminste ben in het geheel niet lustig te moede, altijd verveling, schrikkelijke verveling."
Sappho had intusschen een cigarette aangestoken en ging met haar beide satellieten den tuin in. Betsy en Stremow bleven bij de theetafel zitten.
"Hoe kunt ge van verveling spreken?" zeide Betsy. "Sappho vertelde, hoe goed zij zich allen gisteren bij u geamuseerd hebben!"
"Ach, ijselijk vervelend!" antwoordde Lisa. "Na den wedren waren ze allen bij mij gekomen. Maar allen dezelfden, altijd dezelfden en immer hetzelfde. Den geheelen avond hebben wij zoowat op de sopha's zitten geeuwen. Is dat nu zich goed amuseeren? Neen, hoe maakt u het toch om u niet te vervelen?" wendde zij zich weer tot Anna. "Men behoeft u maar aan te zien om te weten, dat u een vrouw is, die wel gelukkig of ongelukkig zijn kan, maar die zich nimmer zal vervelen. Zeg mij eens, hoe u dat aanlegt?"
"Ik leg in het geheel niet aan," antwoordde Anna over deze indringende vraag blozend.
"Dat is ook het best," mengde Stremow zich in het gesprek.
Stremow was een man van vijftig jaar, reeds grijs en niet schoon, maar nog frisch en met een verstandig gelaat vol uitdrukking. Lisa Merkalow was de nicht zijner vrouw en hij bracht bijna al zijn vrijen tijd bij haar door. Bij zijn ontmoeting met Anna Karenina, wier echtgenoot in de politiek zijn heftigste tegenstander en in ambtelijk opzicht zijn rival was, beijverde hij zich als een ervaren en verstandig man van de wereld, tegen haar bizonder beminnenswaardig te zijn.
"Er in 't geheel niets tegen doen," zeide hij met zijn fijn lachje tot Lisa, "dat is het beste middel. Ik heb het u altijd gezegd: om zich niet te vervelen, moet men er niet aan denken, of men zich verveelt. Dat is hetzelfde als met de slapeloosheid. In de meeste gevallen slaapt men niet in, omdat men vreest niet te kunnen inslapen. Dat is het, wat Anna Arkadiewna u gezegd heeft."
"Neen," sprak Anna afwerend, "ik zou mij verheugen, als ik mij zoo geestig had weten uit te drukken."
Daar hij Anna zelden ontmoette, had hij met haar over niets anders dan over algemeene zaken te spreken; maar in alles toonde hij, dat hij wenschte haar te behagen en haar zijn hoogachting en vereering te bewijzen.
Tuschkewitsch trad binnen. Hij berichtte, dat het overig gezelschap op de crocketspelers wachtte.
"Neen, ga toch nog niet heen," smeekte Lisa, toen zij vernam, dat Anna wilde wegrijden, en Stremow stemde met haar in.
"Dat is een groot contrast," zeide hij, "van hier naar de oude Wrede! En buitendien: u geeft haar slechts gelegenheid haar boosheid te luchten, terwijl u hier slechts goede gevoelens opwekt, die alle malice buiten sluiten."
Anna was een oogenblik besluiteloos. De vleierijen van dien schranderen man, Lisa's oprechte hartelijkheid, deze geheele luchthartige omgeving, alles was zoo aangenaam, en datgene wat haar wachtte, was zoo zwaar, dat zij een oogenblik wankelde, of zij niet het moeielijk oogenblik der beslissing nog zou verschuiven. Maar bij de voorstelling van datgene, wat te huis voor haar op handen was, als zij nu geen besluit nam, besliste zij, nam afscheid en reed heen.
XVI.
In weerwil van zijn schijnbaar lichtzinnig, wereldsgezind leven was Wronsky toch een man, die een afkeer had van wanorde en verwarring. Den morgen na den wedren zat hij, ongeschoren en ongewasschen, in een eenvoudige blouse aan een tafel te midden van afgeteld geld, rekeningen en brieven. Hij was tot de overtuiging gekomen, dat hij, als hij zijn dringendste schulden betaald had, van nu tot nieuwjaar slechts over een geringe som had te beschikken. Er bleef hem niets over, dan bij een woekeraar geld op te nemen, zijn uitgaven te beperken en zijn renpaarden te verkoopen.
Wronsky's leven was hoofdzakelijk daarom een gelukkig leven te noemen, omdat hij een voorraad van zekere grondstellingen bezat, die alles, wat men doen en niet doen mocht, juist bepaalden. Zij bepaalden, als iets onomstootelijks, dat men de schulden aan een speler, al was het ook een notorisch valsch speler, dadelijk moest betalen, een kleermaker echter niet; dat men mannen niets mocht voorliegen, maar vrouwen wel; dat men niemand mocht bedriegen, uitgezonderd getrouwde mannen; dat men niemand een beleediging vergeven, maar zelf ieder beleedigen mocht, en zoo verder. Al deze grondstellingen mochten volkomen redeloos en zelfs slecht zijn, maar zij stonden ontegenzeggelijk vast en werden algemeen erkend, en Wronsky kon, terwijl hij ze in toepassing bracht, zijn rust bewaren en het hoofd hoog dragen. Slechts in den laatsten tijd, bij zijn verhouding tot Anna, gevoelde hij somwijlen, dat zijn grondstellingen met menige daadzakelijke werkelijkheid niet overeenstemden en dat zich voor zijn voorwaartszienden blik zwarigheden en twijfelingen ophoopten, tot welker wegruiming hij geen leiddraad vermocht te vinden.
Zijn tegenwoordige verhouding tot Anna en haar echtgenoot kwam hem duidelijk en eenvoudig voor; zij was in den codex der grondbeginselen, die zijn richtsnoer waren, volkomen vastgesteld. Zij was een beschaafde dame, die hem haar liefde had geschonken, en hij beminde haar en had voor haar dezelfde, zoo niet een nog grootere achting, alsof zij zijn wettige echtgenoote geweest ware. Ook haar situatie tegenover de conversatiewereld was volkomen helder. Allen mochten weten en vermoeden, wat zij wilden, maar spreken durfde niemand er over. In het tegenovergestelde geval was hij bereid de babbelaars tot zwijgen te brengen en hen te dwingen de niet aanwezige eer der vrouw, die hij beminde, te achten.
Zijn standpunt tegenover den echtgenoot was hem het duidelijkst. Van het oogenblik af, dat Anna hem haar liefde had beleden, had hij een eenig, onbetwistbaar recht op haar. De echtgenoot was voortaan een overtollig, belemmerend persoon. Ongetwijfeld was dat voor hem een zeer onaangename positie, maar wat was daaraan te doen? Het eenige recht, dat de echtgenoot had, was, met de wapens in de hand voldoening te eischen, en van het begin af was Wronsky bereid deze te geven.
In den laatsten tijd echter had zich tusschen hem en haar een intieme omstandigheid voorgedaan, die hem verschrikte. Gisteren nog had zij hem medegedeeld, dat zij in blijde hoop verkeerde, en hij bemerkte, dat deze mededeeling en hetgeen zij deswege van hem verwachtte, iets vorderde, dat niet in den codex der hem leidende grondstellingen was vastgesteld. "Als ik haar gezegd heb, dat zij haar man moet verlaten, heb ik daarmede ook gezegd, dat zij zich met mij moet vereenigen? En hoe zal ik haar nu ontvoeren, nu ik geen geld heb? Verondersteld dat ik het toch zoo kon aanleggen; maar hoe zou ik haar kunnen ontvoeren, als ik in den dienst wil blijven? Als ik haar dat gezegd heb, dan moet ik ook tot alles bereid zijn, dat wil zeggen, ik moet den dienst verlaten...."
En hij werd nadenkend. Eerzucht was reeds de droom zijner kindsheid, een gedachte en droom, dien hij zelf niet bekende, maar die hem zoo geheel doordrong, dat die nu ook kampte met den liefdehartstocht. In de wereld zoowel als in den dienst had hij een groote fout begaan. Wenschende zijn onafhankelijken geest te toonen en zich daardoor naar boven aan te bevelen, had hij een hem aangeboden betrekking afgewezen in de hoop, door deze afwijzing een nog meer gunstige meening te winnen; maar het bleek spoedig, dat hij te koen had gerekend, want men sloeg voortaan geen acht op hem. Terwijl hij nu eenmaal aldus nolens volens een onafhankelijk karakter had aangenomen, bleef hij hieraan ook in het vervolg op eene fijne en schrandere wijze getrouw, alsof hij volstrekt niet ontevreden en beleedigd was, maar slechts dit eene wenschte, dat men hem met rust liet, omdat het hem zóó beviel. Doch reeds sedert een jaar, sedert zijn verplaatsing naar Moskou, vond hij in den grond zijns harten daarin volstrekt geen welgevallen. Hij bemerkte, dat zulk een gezochte stelling van een man, die alles had kunnen verwerven, maar niets verworven had, allengs haar waarde verloor en dat velen begonnen te denken, dat hij in werkelijkheid ook wel geen andere talenten bezitten mocht, dan die van een eerlijke en goede vent te zijn.
Zijn liaison, die zooveel opzien verwekt en hem een zekeren nieuwen glans verleend had, bevredigde hem een tijd en bracht den aan zijn hart knagenden worm tot rust, maar voor ongeveer een week had deze worm zijn aanvallen met vernieuwde heftigheid hervat.
De vriend zijner jeugd Serpuchowsky, met hem uit hetzelfde district, van gelijke afkomst en zijn vroegere corpskameraad, die overal zijn mededinger geweest was, op de schoolbank, bij alle dwaze streken en in eerzuchtige droomerijen,--deze Serpuchowsky was dezer dagen uit Midden-Azië teruggekeerd met twee ridderorden, zooals zelden aan zulk een jong generaal werden geschonken. "Wel benijd ik hem niet, maar zijn bevordering toont mij, dat, als men maar weet af te wachten, de carrière van een man van mijn soort snel gemaakt is. Voor drie jaren hadden wij beiden denzelfden rang. Verlaat ik nu den dienst, dan verbrand ik mijn schepen. Blijf ik in dienst, dan verlies ik niets. Zij heeft toch zelf gezegd, dat zij haar positie niet veranderd wenscht te zien. En in het bezit harer liefde behoef ik Serpuchowsky niet te benijden."
En terwijl hij zijn knevel draaide, stond hij op en ging eenige malen de kamer op en neer. Zijn oogen schitterden en hij gevoelde de vaste, rustige en blijmoedige gemoedsstemming terugkeeren, die hem zijn positie als zuiver en eenvoudig deed beschouwen.
XVII.
Het was ongeveer zes uur, toen Wronsky Anna's brief ontving. Om ter rechtertijd daar te zijn en om niet met zijn eigen paarden, die aan ieder bekend waren, te rijden, gebruikte hij Jawschins droschke en liet de paarden aandrijven tot een snellen rit. Op eenigen afstand van het huis liet hij stil houden, sprong uit het rijtuig en ging de laan in, die naar Wrede's woning leidde. In de laan zelf was niemand te zien, maar toen hij omzag, bespeurde hij Anna aan de rechter zijde van den tuin. Haar gelaat was door een sluier bedekt, maar zijn verheugde blik zag en omvatte alles op eens: de haar alleen eigen wijze van gaan, haar eigenaardige schouders, de houding van haar hoofd--en als een electrische stroom voer door zijn lichaam. Zij ging hem te gemoet en gaf hem een stevigen handdruk.
"Ge zijt toch niet boos, omdat ik u geroepen heb? Ik moest je zeer noodig spreken."
De vastberaden en ernstige uitdrukking van haar gelaat, die hij zelfs door den sluier opmerkte, veranderde dadelijk zijn stemming.
"Ik boos op je zijn? Maar hoe komt ge juist hierheen? Waarom...?"
"Dat is hetzelfde," zeide zij en legde haar arm in den zijnen; "kom, ik moet je spreken."
Hij bemerkte, dat er iet was voorgevallen en dat deze bijeenkomst geen verblijdende oorzaak had. In haar tegenwoordigheid had hij geen eigen wil. Zonder nog de reden van haar onrust te kennen, gevoelde hij reeds, dat zich deze onrust ook aan hem mededeelde.
"Nu? Wat is er dan?" vroeg hij en trachtte op haar gelaat te lezen.
Na eenige schreden gedaan te hebben stond zij plotseling stil.
"Ik heb je gisteren niet verteld," begon zij haastig en diep ademhalend, "dat ik bij het terugkeeren Alexei Alexandrowitsch alles heb bekend.... Ik heb hem gezegd, dat ik zijn vrouw niet meer zijn kon ... dat.... Ik heb hem alles gezegd."
Terwijl zij sprak, had hij zich onwillekeurig voorover gebogen, maar zoodra zij had uitgesproken, richtte hij zich weder hoog op en zijn gelaat nam een trotsche en sombere uitdrukking aan.