Anna Karenina

Part 21

Chapter 21 4,031 words Public domain Markdown

"Ja, maar hoe moet ik het aanvangen?" zeide hij tot zich zelf en trachtte over alles, waarover hij in dezen beslissenden nacht had nagedacht, tot klaarheid te komen. Zijn gedachten hadden zich vooral naar drie richtingen bewogen; de eerste was, dat hij zich van zijn tot hiertoe geleid leven moest losmaken, van deze doellooze bezigheid, deze nuttelooze verstandsbeschaving en dan vooral van zijn droomerijen van een familieleven, zooals hij het zich tot hiertoe voorgesteld had. Deze losmaking van zijn oud leven was hem licht en verschafte hem zelfs een genot. Anderzijds richtten zich zijn gedachten en voorstellingen op het nieuwe leven, dat hij nu zich voorgenomen had te leiden. Hij was overtuigd, dat hij in de eenvoudigheid, onschuld, natuurlijkheid en zekerheid van hetzelve die rust en zelfvoldoening zou vinden, welker gemis hij nu zoo ziekelijk gevoelde. Een derde richting zijner gedachten betrof de vraag, hoe den overgang van het oude tot het nieuwe leven te bewerkstelligen. En in dit opzicht was hem nog niets helder geworden. "Een vrouw--dat is het eerste en belangrijkste--den arbeid en de noodzakelijkheid om te werken.... Moet ik Pokrowskaja opgeven? Nog wat land koopen? Mij in een dorpsgemeenschap laten opnemen? Een boerenmeisje trouwen? Hoe dat nu te maken?"

Hij vond geen antwoord.

"Overigens heb ik den geheelen nacht niet geslapen en kan mij derhalve van alles geen volle rekenschap geven. Het zal mij later wel helder worden. Maar mijn vroegere droomerijen van familieleven zijn onzin. Dat alles is veel eenvoudiger en beter...."

Hij ging van de weide over den landweg naar het dorp. Een zachte wind was opgekomen; het werd nevelachtig en de lucht betrok.

Lewin was wat koud geworden en drukte de armen tegen het lichaam, terwijl hij snel voortging met den blik op den grond gevestigd. "Wat is dat? Daar rijdt iemand!" dacht hij, toen hij schelgeluid hoorde, en zag op. Nauwelijks veertig schreden van hem verwijderd kwam hem op den breeden landweg een met vier paarden bespannen en met koffers en doozen beladen voertuig tegen rijden. Zonder er aan te denken, wie daar in kon zitten, keek Lewin in het rijtuig. In een hoek zat een oude dame te slapen en voor het venster een jong meisje, dat blijkbaar pas ontwaakt was. Zij zag, terwijl haar gelaat in het morgenlicht duidelijk zichtbaar was en zij in gedachten scheen verzonken, over hem heen naar de opgaande zon. Op het oogenblik, dat die verschijning al haast weer voorbij was, richtte zij eindelijk haar nu wakkere oogen op hem. Zij had hem herkend en een glans van blijde verrassing ging over haar gelaat. Hij kon zich nu niet meer vergissen. Er waren maar twee zulke oogen op de wereld. Slechts één wezen was er, dat voor hem het kort begrip van alle leven en geluk was. Dat was zij, dat was Kitty. Hij begreep dadelijk, dat zij juist van het spoor was gekomen en naar Klekotok reed. En plotseling was alles, wat Lewin in dezen slapeloozen nacht gevoeld en gedacht had, verdwenen. Slechts daar, in dien wegsnellenden wagen bevond zich de oplossing van alle raadselen des levens, die hem kwelden! Zij zag hem niet meer aan. Het geluid van het rijtuig was niet meer te hooren, het geluid der schellen nog slechts even. Hondengeblaf duidde aan, dat het rijtuig door het dorp reed en voor hem bleven slechts de ledige, doode velden terug en het dorp voor hem; hij zelf was verlaten en voor allen een vreemdeling.

Hij zag weer naar den hemel, die, ofschoon de helft daarvan met kleine, witte wolkjes was bedekt, meer en meer blauw en helder werd, maar even ver en ongenaakbaar was als vroeger. "Neen, alles was dwaasheid! Slechts in gemeenschap met haar kan ik mij denken! Ik heb niet opgehouden en zal niet ophouden haar te beminnen."

X.

De woorden zijner vrouw, die zijn ergste vrees bevestigden, hadden Alexei Alexandrowitsch een gruwelijke smart veroorzaakt. Deze smart was nog vermeerderd door het gevoel van medelijden, dat haar tranen steeds bij hem verwekten. Want weenende vrouwen en kinderen kon hij nooit zien. Toen Anna hem haar verhouding tot Wronsky verhaald had en daarbij in tranen was uitgebarsten, ontwaarde hij, in weerwil van zijn toorn en opgewondenheid, dien aandrang van een medelijdend gevoel, dat haar tranen steeds bij hem opwekten. Maar nu hij alleen in het rijtuig was achtergebleven, gevoelde hij zich plotseling van alle mededoogen bevrijd, maar ook van de kwellingen van twijfel en ijverzucht, die in den laatsten tijd hem geplaagd hadden. Het was hem alsof men hem een tand had uitgetrokken, die hem langen tijd pijn had veroorzaakt. De smart was hevig, maar toch voorbijgaande geweest. Slechts één gevoel bleef over, dat van toorn tegen haar, omdat zij al zoo lang zijn leven had bedorven.

"Zonder eer, zonder gevoel, zonder godsdienst! Een geheel bedorven vrouw! Ik heb gedwaald, toen ik mijn leven met haar verbond, maar in deze dwaling ligt geen slechtheid en daarom kan ik niet ongelukkig worden. Ik heb geen schuld, maar zij. Zij gaat mij niets meer aan. Zij bestaat voor mij niet meer...." Alles, wat haar en haar zoon, jegens wien zijn gevoel eveneens was veranderd, betrof, hield hem niet meer bezig. Hij stelde er nu slechts belang in, hoe hij op de beste, welvoegelijkste, geschikste en derhalve ook rechtmatigste wijze zich van het vuil, waarmede zij hem in haar val bespat had, kon reinigen, om daarna zijn werkzaam, eerlijk en nuttig leven voort te zetten.

"Darjalow had deswege een duel.... Maar is de moord eens menschen een verstandig middel om den toestand te ontwarren en de positie eener eerlooze vrouw en haar zoon te bepalen? Of wat mogelijk, ja, zeker geschieden zou--ik zou gedood of gewond worden--ik, de onschuldige partij, werd gewond of gedood. Dat zou nog onzinniger zijn. Maar ook geheel daarvan afgezien, zou de uitdaging van mijn zijde een oneerlijke daad zijn. Want ik weet al vooruit, dat mijn vrienden zulk een duel nimmer zouden toelaten; zij zouden niet dulden, dat het leven van een staatsman, dat voor Rusland noodig is, aan zulk een gevaar werd blootgesteld. Het zou slechts beteekenen, dat ik mij door zulk een duel een valschen schijn zou geven. Derhalve, een duel is onmogelijk en niemand zal het van mij verlangen. Een proces tot scheiding zou een schandaal verwekken, dat mijn vijanden zouden bezigen om mij voor de wereld te belasteren en te vernederen...."

"Bovendien was het duidelijk, dat, als door een scheiding Anna's betrekking tot haar man werd verbroken, zij zich dan dadelijk met haar minnaar zou vereenigen. Maar in weerwil van de volkomen onverschilligheid voor Anna, die hij zich zelf toekende, had hij toch een gevoel voor haar, dat hem deed wenschen, dat zij zich niet met Wronsky vereenigen en uit haar misdrijf voordeel trekken mocht. De voorstelling van dit laatste verbitterde hem zoozeer, dat hij reeds bij de bloote gedachte daaraan van smart steunde en van plaats in de coupé verwisselde; en nog lang daarna wikkelde hij met een gefronst voorhoofd zijn magere beenen in den donzigen plaid. Na langdurig overleg kwam Karenin tot het besluit, dat er maar één uitweg voor hem was: haar bij zich te behouden, het gebeurde voor de wereld te verbergen en alle hem ten dienste staande middelen te bezigen om die liefdesbetrekking te verhinderen en te doen eindigen en wel, hetgeen hij zich zelf echter niet beleed, hoofdzakelijk om haar te straffen.

"Zoo handel ik overeenkomstig de voorschriften van den godsdienst," zeide hij tot zich zelf. "Ik stoot de gevallen vrouw niet van mij, maar geef haar de mogelijkheid om zich te verbeteren, en hoe zwaar het mij ook vallen moge, ik zal een deel mijner krachten aan haar verbetering en redding wijden."

Hij dacht er met voldoening aan, dat ook in deze moeielijke zaak niemand hem zou kunnen verwijten, dat hij niet gehandeld had naar de voorschriften van den godsdienst, welks banier hij, te midden van de algemeene koelheid en onverschilligheid, zoo hoog had gehouden. Alexei Alexandrowitsch zag volstrekt niet in, waarom zijn verhouding tot zijn vrouw nu niet dezelfde zou kunnen blijven als vroeger. Wel is waar zou hij haar zijn achting niet kunnen teruggeven, maar er waren geen gronden voorhanden, waarom hij zich zijn leven moest laten bederven, dewijl zij een slechte en ontrouwe vrouw was. De tijd, de alles terechtbrengende tijd zal verloopen en onze verhouding zal weer eenigszins als te voren worden, ten minste in zoover, dat niets den rustigen gang van mijn leven zal storen. Zij moet zich ongelukkig gevoelen, maar ik, de onschuldige, mag niet ongelukkig zijn.

XI.

Toen Karenin Petersburg naderde, was hij in zoover tot een besluit gekomen, dat hij reeds in zijn hoofd een brief gereed had, dien hij onmiddellijk aan zijn vrouw wilde zenden. Toen hij de kamer van den portier binnen kwam, zag hij het eerst de brieven en acten, die men van het ministerie gebracht had en liet ze in zijn kabinet brengen. Hier ging hij toen eenige malen op en neder en bleef daarop voor zijn schrijftafel staan. Na een kort overleg ging hij zitten en schreef onafgebroken; hij schreef in het Fransch om het woord "vous" te kunnen bezigen, daar het niet zulk een koud karakter had, als het Russische "u":

"Bij ons laatste onderhoud beloofde ik, u mijn besluit te zullen mededeelen. Nadat ik alles nauwgezet overlegd heb, volbreng ik hiermede mijn belofte. Ik ben tot het volgende besloten: Welke ook uw daden zijn mogen, ik acht mij niet gerechtigd den band te verbreken, door welken een hoogere macht ons vereenigd heeft. De familie mag niet onder de luimen, de zelfzucht of de misdaad van een der echtgenooten lijden; ons leven moet derhalve verder evenzoo voortgaan als tot hiertoe. Dat is noodig voor mij, voor u, voor onzen zoon. Ik ben vast overtuigd, dat gij berouw zult hebben over hetgeen de aanleiding tot dezen brief is geworden, en dat u mij helpen zal het gebeurde in de vergetelheid te begraven. In het tegenovergestelde geval kan u zelf zich voorstellen, wat u en uw zoon staat te wachten. Maar daarover hoop ik mij in een persoonlijke bijeenkomst uitvoeriger te kunnen uitlaten. Daar het seisoen voor het verblijf op het land ten einde loopt, verzoek ik u zoo spoedig mogelijk naar Petersburg te verhuizen, bepaald niet later dan aanstaanden Dinsdag. Alle noodige beschikkingen zijn gemaakt. Ik verzoek u in aanmerking te nemen, dat ik aan de vervulling van mijn wensch een bizonder gewicht hecht.

A. KARENIN.

P.S. Ik voeg hierbij wat geld voor uw uitgaven."

Hij schelde.

"Geef dezen aan den koerier," zeide hij, terwijl hij opstond, "om hem morgen aan Anna Arkadiewna op het landhuis te brengen."

"Om u te dienen. Verkiest Uw Excellentie thee in het kabinet?"

Alexei Alexandrowitsch liet zich de thee daar hoen brengen en ging, met het vouwbeen spelend, naar zijn leunstoel. Tegenover dezen was op de schrijftafel reeds een aangestoken studeerlamp neergezet en een opengeslagen Fransch boek lag er bij. De stoel stond juist tegenover een schoon uitgevoerd portret van Anna. Zijn blik vestigde zich op de beeltenis. De ondoorgrondelijke oogen zagen hem vermetel en ironisch aan, juist als op dien avond hunner uiteenzetting. Karenin huiverde, zijn lippen beefden en mompelden onwillekeurig: "Brrr!" Hij wendde den blik af, ging zitten en zag in het boek. Hij trachtte te lezen, maar zijn gedachten zwierven af. Niet aan zijn vrouw dacht hij, maar aan eenige bezwaren, die op het gebied zijner ambtsbezigheid, die hem zoo geheel in beslag nam, ontstaan waren. Hij nam een potlood en een stuk wit papier en bedekte het met aanteekeningen. Onder deze werkzaamheid kreeg zijn gelaat weer een levendiger kleur. Toen hij het papier had beschreven, stond hij op, schelde en gaf het den bode over om het ter uitvoering naar de beambten zijner kanselarij te brengen. Daarop ging hij eenige malen zijn kamer op en neer, beschouwde andermaal het portret en lachte minachtend. Nadat hij nog een korte poos had gelezen, ging hij om elf uur naar bed en terwijl hij hier nog eens het tusschen hem en zijn vrouw voorgevallene overdacht, scheen het hem lang zoo donker niet meer toe als te voren.

XII.

Toen Anna den volgenden morgen ontwaakte, waren de woorden, die zij tot haar man had gesproken, het eerste, waar zij aan dacht, en deze woorden kwamen haar nu zoo onbedacht, zoo dom en zoo plomp voor. Zij waren nu echter eenmaal gesproken. En wat was toen geschied? Alexei Alexandrowitsch was weggereden zonder iets te zeggen.

"Waarom heb ik het Wronsky niet verteld, toen hij hier was? Nog op het oogenblik toen hij heenging, wilde ik hem terughouden om hem alles te zeggen!"

Maar zij had zich bedacht, want het moest hem vreemd voorkomen, dat zij het hem niet dadelijk, op het eerste oogenblik had gezegd.

"Waarom heb ik het hem niet gezegd, zooals ik wilde doen?"

Als antwoord op deze vraag bedekte een gloeiend rood haar gelaat. Zij moest erkennen, dat zij zich geschaamd had. Haar toestand, die haar gisteren nog helder en duidelijk was voorgekomen, was haar nu niet meer zoo helder, maar geheel zonder uitzicht. Zij gevoelde nu angst voor de schande, waaraan zij vroeger volstrekt niet gedacht had. Bij de gedachte aan hetgeen haar man doen zoude, maakte zij zich de verschrikkelijkste voorstellingen. Dacht zij aan Wronsky, dan scheen het haar, dat hij haar niet meer beminde, dat zij hem reeds lastig was geworden, dat zij zich hem niet kon aanbieden, en zij gevoelde iets als vijandschap tegen hem. Het scheen haar, alsof zij de woorden, die zij tot haar man had gesproken en die zij in den geest gedurig herhaalde, ten aanhoore van de geheele wereld had gesproken en alsof de geheele wereld ze gehoord had, en zij had den moed niet hem, met wien zij nu vereenigd leefde, in de oogen te zien.

De kamenier, die een oogenblik aan de deur had geluisterd, trad nu binnen. Anna zag haar vragend aan en bloosde verschrikt. De kamenier bracht het kleed en een briefje van vorstin Betsy. Betsy herinnerde Anna er aan, dat dien voormiddag Lisa Merkalow en barones Stolz met haar aanbidders bij haar zouden komen om een partij crocket te maken: "Kom ook en wees toeschouwster, al is het maar tot studie der zeden. Ik verwacht u."

"De koffie is gereed en de mademoiselle en Serëscha wachten op u," meldde Annuschka.

"Serëscha? Hoe gaat het Serëscha?" dacht Anna plotseling en herinnerde zich dien morgen voor de eerste maal haar zoontje.

"Hij is ondeugend geweest," antwoordde Annuschka lachend.

"Wat heeft hij dan gedaan?"

"Ik geloof, dat hij in de eetkamer in 't geheim een perzik heeft opgegeten."

De herinnering aan haar zoon bracht Anna eenigszins uit den zielstoestand, waarin zij zich bevonden had. Nu had zij een iets gevonden om zich aan te houden en dat was haar zoon. In welke omstandigheden zij ook komen mocht, haar zoon kon zij niet verlaten. Mocht haar man haar met schande beladen uit het huis stooten, mocht Wronsky in zijn liefde verkoelen en tot zijn onafhankelijk leven terugkeeren, haar zoon zou haar niet verlaten. Haar leven had nu een doel, en zij moest handelen, opdat men hem haar niet ontroofde. Zij moest hem nemen en met hem wegtrekken eer men hem haar ontnam. Dit besluit gaf haar kalmte, het gaf haar een doel. Zij kleedde zich haastig aan en ging met vaste schreden naar het salon, waar Serëscha en de gouvernante haar met de koffie wachtten. Serëscha stond in zijn witte kiel aan de spiegeltafel en was daar bezig met een handvol bloemen, die hij gebracht had. Op zijn gelaat lag daarbij dezelfde uitdrukking eener ingespannen opmerkzaamheid, zooals zij die bij zijn vader kende. Toen hij zijn moeder zag, riep hij luid: "Ha! mama!" en hield op, in twijfel, of hij naar haar toeloopen en de bloemen laten liggen, of dat hij den krans eerst afmaken en dan haar brengen zoude.

Nadat zij gegroet had, verhaalde de gouvernante lang en breed Serëscha's overtreding; maar Anna luisterde niet. Zij dacht er slechts over na, of zij haar zou medenemen of niet: "Neen," besloot zij, "ik neem haar niet mede, ik ga alleen met mijn zoon."

"Ja, dat is zeer slecht van hem," zeide Anna luid, terwijl zij hem bij de schouders hield en hem met een schuchtere uitdrukking aanzag en kuste: "Laat hem maar bij mij," liet zij er op volgen, terwijl de gouvernante haar verwonderd aanzag. Toen nam zij, zonder de hand van haar zoontje los te laten, plaats aan de koffietafel.

"Mama, ik ... ik...." stotterde hij en trachtte daarbij in haar gelaat te lezen, wat hem wegens de perzik stond te wachten.

"Serëscha," zeide zij, toen zij alleen waren, "dat is slecht, maar gij zult het niet weer doen.... Hebt ge mij lief?" Zij voelde tranen in haar oogen komen.

"Kan ik zijn liefde dan niet behouden?" vroeg zij zich zelf en zag uitvorschend in zijn half angstige, half blijmoedige oogen: "Is het mogelijk, dat hij mij even zoo beoordeelen zal als zijn vader? Is het mogelijk, dat ik hem geen leed zou doen?" De tranen rolden over haar wangen, en om ze voor hem te verbergen, stond zij haastig op en liep naar buiten naar het terras.

Na de regenbuien der laatste dagen was nu het weer koel en helder geworden. In weerwil van de zon, die op het schoon gewasschen loover viel, heerschte in de atmospheer een gevoelige koude. Zij huiverde van lichamelijke kilheid en innerlijke ontroering, die haar nu weer beving. "Ga, Serëscha, ga naar Marietta!" zeide zij. "Zouden zij mij werkelijk niet vergeven? niet begrijpen, dat het toch niet anders kon?" ging zij in haar gedachten voort.

Zij stond daar en zag op naar de populieren, die door den wind werden bewogen en welker bladen in den zonneschijn helder glansden; zij zeide zich zelf, dat zij haar niet zouden vergeven; alles en allen zouden tegen haar zoo koud en meedoogenloos zijn, als deze hemel, als deze bladeren.

Zij ijlde in haar huis, naar haar kamer terug; zij ging aan de tafel zitten en schreef aan haar man: "Na hetgeen is voorgevallen, kan ik niet meer in uw huis blijven. Ik vertrek naar Moskou en neem mijn zoon mede. Ik ken de wetten niet en weet niet, bij wien der ouders hij blijven moet; maar ik neem hem mede; want zonder hem kan ik niet leven. Wees grootmoedig, laat hem mij...."

Tot hier toe had zij vlug en natuurlijk geschreven, maar het beroep op zijn grootmoedigheid, die zij hem toch niet kon toekennen, en de noodzakelijkheid, den brief met iets roerends te besluiten, deden haar ophouden.

"Van schuld en berouw mijnerzijds te spreken, vermag ik niet...." Weder hield zij op; zij wist de gedachte niet te voltooien. "Neen," zeide zij bij zich zelf: "dat is niet noodig!" Zij verscheurde den brief en schreef een anderen, waarin zij de passage van zijn grootmoedigheid wegliet, en verzegelde hem toen.

Een anderen brief moest ze aan Wronsky schrijven.

"Ik heb mijn man alles opengelegd en bekend," schreef zij, toen zat zij een poos en wist niet verder te schrijven. Dat luidde zoo plomp, zoo onvrouwelijk....

"En dan, wat kan ik hem ook schrijven?"

Weder steeg het rood der schaamte haar naar de wangen; zij dacht aan zijn kalme gelijkmoedigheid, aan haar gevoel van toorn daarover, en zij verscheurde het vel papier, waarop die weinige woorden stonden. "Het is niet noodig!" zeide zij bij zich zelf en ging naar boven. Daar verklaarde zij aan de gouvernante en aan de dienstboden, dat zij nog heden naar Moskou zou vertrekken en begon haar goed te pakken.

XIII.

In alle kamers van het landhuis heerschte een druk heen en wederloopen: de huisknecht, de tuinman, de bedienden droegen het goed naar buiten. Een karos en twee droschken stonden voor de deur. Anna, die onder deze werkzaamheid haar onrust had vergeten, pakte op een tafel haar reistaschje, toen Annuschka haar op een juist voorbij rijdende kales opmerkzaam maakte. Anna zag naar buiten en ontwaardde op de trap Karenins koerier.

"Ga eens vragen, wat hij wil," zeide zij, ging in een leunstoel zitten en legde de handen in den schoot, rustig op alles voorbereid. Een knecht reikte haar een paket over met het handschrift van haar echtgenoot.

"De koerier heeft order, op antwoord te wachten."

"Goed," antwoordde zij, maar toen de knecht buiten de kamer was, haalde zij diep adem en aarzelde om het paket te openen.

"Het mag zijn, wat het wil!" zeide zij toen en scheurde den omslag haastig open. Een pakje papieren geld viel er uit. Haar handen beefden.... "Ik heb voorbereidselen voor uw verhuizing gemaakt.... Verzoeke in het oog te houden, dat ik aan de vervulling van dit mijn verlangen veel gewicht hecht...." las zij de slotwoorden. Zij liet snel het oog gaan over de voorafgaande regels en las ze toen nog eens van het begin af. Toen zij er mede ten einde was, gevoelde zij een koude door haar leden varen en besefte zij, dat zulk een verschrikkelijk lot haar deel was geworden, als zij nimmer mogelijk had geacht.

Heden in de vroegte had het haar berouwd haar man alles gezegd te hebben, en nu, deze brief beschouwde die woorden als niet gesproken en gaf haar datgene, wat zij dien morgen zoo vurig gewenscht had. En toch scheen die brief haar nu het verschrikkelijkste, wat zij zich kon voorstellen.... "Ons leven moest juist zoo voortgaan als tot hiertoe...." En dat leven was toch reeds zoo kwellend, in den laatsten tijd ondragelijk geweest.... Wat zou nu daarvan worden? "En hij weet dat alles, hij weet, dat ik geen berouw kan hebben, dat ik adem, dat ik bemin; hij weet, dat er niets van kan komen dan leugen en bedrog--maar hij wil mij verder pijnigen. Dat weet ik, en ik weet, dat hij zich in dien staat van huichelarij zoo op zijn gemak gevoelt, als een visch in het water. Maar dat genoegen zal ik hem niet bereiden, ik zal dit leugenweefsel, waarin hij mij wikkelen wil, verscheuren, er mag van komen wat wil! Alles is beter, dan dit liegen en huichelen. Maar hoe? Hoe? Mijn God, mijn God! Was wel ooit een vrouw ongelukkiger dan ik?... Neen, ik verscheur het, ik verscheur het!" riep zij uit, sprong op, drong haar tranen terug en ging naar de schrijftafel. Maar in het diepst harer ziel gevoelde zij, dat zij niet in staat was iets te verscheuren, dat zij niet in staat was zich uit haar toestand te bevrijden, en dat zij zelf oneerlijk en bedriegelijk was.

Zij ging aan de schrijftafel zitten, maar, in plaats van te schrijven, legde zij de handen op de tafel, leunde met het hoofd daarop en begon, als een kind, bitterlijk te weenen. Zij weende, omdat haar waan van een verandering in haar toestand voor immer was verstoord, omdat zij wist, dat alles bij het oude blijven en zelfs nog erger dan tot hiertoe worden zoude. Zij besefte, dat de sociale positie, die zij in de wereld innam en die haar heden morgen zoo nietig had geschenen, haar dierbaar was en dat zij niet in staat was die te verruilen voor den verachten toestand eener vrouw, die man en kind verlaten en zich met haar minnaar vereenigd heeft. De vrijheid der liefde zou zij niet leeren kennen, maar immer een misdadige vrouw blijven onder gestadige vrees elk oogenblik als een zoodanige ontmaskerd te worden. En hoe zou dat eindigen? En haar tranen vloeiden onophoudelijk, als die van een getuchtigd kind.

Naderende voetstappen riepen haar tot zich zelf terug. Zij verborg haar gelaat en deed, alsof zij schreef.

"De koerier verzoekt antwoord," meldde de knecht.

"Antwoord? Ja," zeide Anna: "laat hem wachten; ik zal schellen."

"Ik moet Alexei (zoo noemde zij Wronsky in haar gedachten) spreken; hij alleen kan mij zeggen, wat ik doen moet. Ik zal naar Betsy rijden, wellicht tref ik hem daar aan," dacht zij en vergat geheel, dat hij haar gezegd had, daar niet te zullen zijn. Zij ging naar de tafel en schreef aan haar echtgenoot:

"Ik heb uw brief ontvangen.

ANNA."

Toen schelde zij en gaf den brief aan den knecht; tot Annuschka, die tegelijk binnenkwam, zeide zij: "Wij gaan niet op reis."

"In het geheel niet?"

"Neen, maar wacht tot morgen met uitpakken. Ik rijd naar vorstin Twersky."

"Welk kleed verkiest u?"

XIV.