Part 20
Op een Zondag, den dag van den heiligen Petrus, reed zij naar de kerk om haar kinderen het heilig avondmaal te laten geven. Zij had reeds eenige dagen te voren overwogen, hoe zij de kinderen bij die gelegenheid zou kleeden. De kleedingsstukken waren genaaid, gekeerd en gewasschen, de zoomen en vouwen uitgelegd, de knoopen vastgehecht, de strikken terecht gestoken. 's Morgens ten negen ure,--zij had den pope verzocht het begin van den kerkdienst tot dat oogenblik uit te stellen--stonden de feestelijk gekleede kinderen van vreugde stralend op het voorplein voor de kales en wachtten op hun moeder. In plaats van het statig ros, had men op raad van Maria Filimonowna den bruine van den opzichter voorgespannen, en eindelijk verscheen Darja Alexandrowna in een wit mousselinen kleed en nam plaats in het rijtuig.
Zij had zich zorgvuldig gefriseerd en gekleed. Vroeger was zij nauwlettend op haar toilet om haar zelfs wil, om er goed uit te zien en te behagen; toen, hoe ouder zij werd, stelde zij steeds minder belang in sierlijke kleeding; zij bespeurde slechts, hoeveel onbevalliger zij was geworden. Nu echter kleedde zij zich weer met genoegen en met zorg. Zij deed het nu niet meer om haar zelfswil en niet om haar schoonheid, maar om als moeder harer bevallige kinderen den totalen indruk niet te bederven. En toen zij zich de laatste maal in den spiegel had beschouwd, was zij met zich zelf tevreden. Zij was schoon, niet zooals vroeger op de bals, maar schoon genoeg voor het doel, dat zij nu voor oogen had.
In de kerk was niemand buiten de boeren en hun vrouwen. Maar het scheen Dolly toe, alsof zij met de kinderen een algemeene bewondering verwekte. De kinderen waren niet slechts schoon, maar gedroegen zich ook aardig. Wel stond Alëscha (uitspraak Aleosja) nooit stil, maar draaide altijd heen en weer, doch hij was toch een allerliefste jongen. Tania stond daar als een volwassene en zag naar de kleintjes. Maar de jongste, Lili, was in haar naïve bewondering van alles wat zij zag verrukkelijk en het was moeielijk niet te lachen als zij na ontvangst van het avondmaal zeide:
"Please some more."
Te huis ging ook alles goed. Alleen begon Grischa te fluiten onder het ontbijt en, wat nog erger was, hij wilde de Engelsche gouvernante niet gehoorzamen, toen deze het hem verbood. Daarom kreeg hij niets van de zoete koek. Als Dolly te huis was geweest, zou zij op dezen dag zulk een straf niet hebben toegelaten; maar zij moest het eenmaal door de Engelsche vastgestelde billijken. Daardoor werd de algemeene vreugde wat verstoord. Grischa weende en zeide, dat Nicolinko ook had gefloten en dien had men niet gestraft; hij weende ook niet om de koek, dat kon hem niet schelen, maar omdat men tegen hem onrechtvaardig was. Dat was nu al te treurig en Dolly besloot, nadat zij met de Engelsche overlegd had, Grischa te vergeven en ging derhalve naar hem toe.
Toen zij echter de zaal binnen trad, aanschouwde zij een tafereel, dat haar hart met blijdschap vervulde en haar de tranen in de oogen deed komen. De kleine misdadiger zat daar op een vensterbank en naast hem stond Tania met een bord. Onder voorwendsel, voor haar poppen een diner te willen aanrichten, had zij van de gouvernante verlof gevraagd haar portie koek mede naar de kinderkamer te mogen nemen; maar zij bracht de koek dadelijk naar haar broeder. Deze, nog steeds voortgaande te weenen en over de onrechtvaardigheid te klagen, at de koek en zeide snikkend:
"Eet jij ook. Laten we samen eten ... samen ..."
Eerst had het medelijden met haar broeder, toen het bewustzijn harer goede daad op Tania gewerkt en tranen stonden in haar oogen, maar zij zeide niets en at haar gedeelte op.
Toen zij hun moeder zagen, waren zij eerst zeer verschrikt, maar toen zij haar oplettender aankeken, bemerkten zij, dat zij goed hadden gehandeld, en begonnen te lachen en met den mond vol koekjes wischten zij zich met de handen de lippen af en besmeerden hun van tranen en ingelegde vruchten blinkende gezichten.
"O hemel! Het nieuwe witte kleed! Tania! Grischa!" riep de moeder uit en beijverde zich het kleedje te redden. Maar zij lachte met tranen in de oogen.
De nieuwe kleederen werden uitgetrokken, de meisjes moesten weer haar daagsche blouses en de jongens hun gewonen kielen aantrekken; toen werd de laneika aangespannen--tot spijt van den opzichter weer met den bruine--om eerst naar het bosch te rijden om paddestoelen te zoeken en dan naar het badhuisje. Het was niet gemakkelijk, op alle kinderen tegelijk acht te geven, onder allen de orde te bewaren en aan alle kousen, broekjes en schoenen te denken, alle banden los te maken en weer toe te binden; maar voor Darja Alexandrowna was er geen grooter genot, dan zoo met haar kleintjes te samen te baden, al die kleine dikke beentjes vast te houden om ze de kousjes af te trekken, dan deze naakte lichaampjes op den arm te nemen, in het water te dompelen, hun vroolijk en verschrikt gescheeuw te hooren en deze naar adem hijgende, plassende cherubims met hun wijd geopende oogen en angstige en vroolijke gezichten te aanschouwen.
VIII.
Omringd van haar kinderen met natte hoofdjes en zelf met een doek om het hoofd gebonden, naderde Dolly haar huis, toen de koetsier zich omkeerde en zeide: "Daar komt een heer aan. Ik geloof, dat het de heer van Pokrowskaja is." Dolly zag naar buiten en was zeer verheugd, toen zij Lewins haar zoo welbekende gestalte met grijzen hoed en jas haar te gemoet zag komen. Zag zij hem altijd gaarne komen, van daag bizonder, omdat zij hem nu in haar vollen roem en glorie ontmoette. Niemand kon beter dan Lewin haar rijkdom begrijpen en datgene, waarin deze rijkdom bestond.
"U zit daar als een klokhen, Darja Alexandrowna."
"O, hoe blijde ben ik," zeide zij en reikte hem de hand.
"Zoo, ge verheugt u en hebt mij toch uw komst niet laten weten. Van Stiwa ontving ik een briefje, dat ge hier zijt."
"Van Stiwa?" vroeg Dolly verwonderd.
"Ja, hij schrijft mij, dat u reeds hier zijt, en meent dat ge mij wel zult toestaan, hem een dienst te bewijzen," antwoordde Lewin. Maar nauwelijks had hij dat gezegd, of hij brak verlegen zijn rede af en ging zwijgend naast de laneika voort, terwijl hij nu en dan een blad van de linden aftrok en met de tanden in stukken beet. Hij werd verlegen door de gedachte, dat de hulp van een vreemde in een zaak, die anders de man placht te bezorgen, niet aangenaam zou zijn. De handeling van haar man beviel haar ook inderdaad niet, en zij begreep Lewin dadelijk. Juist om dit fijn gevoel hield Dolly van hem.
"Ik heb het zoo verstaan," ging Lewin voort, "dat u mij wellicht wenschte te zien en heb mij daarover zeer verheugd. Mij dunkt, er moet u, een huisvrouw uit de stad, hier veel ruw en wild voorkomen. Als u iets noodig heeft, gelief dan over mij te beschikken."
"O, neen, ik dank u," antwoordde Dolly. "In het begin haperde er wel een en ander, maar nu hebben we alles behoorlijk ingericht. Wil u niet instappen? Wij kunnen wel wat dichter bijeen gaan zitten."
"Neen, ik dank u, ik ga liever te voet. Kinderen, wie van jelui gaat mede. Wij willen met de paarden om het hardst loopen."
Hoewel nu de kinderen Lewin maar weinig kenden, toonden zij toch tegenover hem niet die eigenaardige verlegenheid, die hen anders zoo dikwijls tegenover volwassenen beving, als deze veinsden. Het spelen van een rol, dat ook den schrandersten en meest scherpzienden man vermag te misleiden, wordt veelal door het eenvoudigst kind dadelijk doorzien en dan keert het zich af. Welke gebreken Lewin ook mochten aankleven, van geveinsdheid was bij hem geen spoor, en derhalve betoonden de kinderen hem ook dadelijk dezelfde vriendschap, die zij in het gelaat hunner moeder bespeurden. Op zijn uitnoodiging sprongen de oudsten uit het rijtuig en liepen met hem zoo vertrouwelijk voort als met hun moeder. Ook Lili wilde bij hem zijn en de moeder reikte ze hem toe. Hij zette ze op zijn schouder en liep met haar voort.
"Wees gerust," riep hij, Dolly vroolijk toelachend, "ik zal haar niet laten vallen."
Hier op het land, in tegenwoordigheid van de hem zoo sympathische Dolly en in het midden der kinderen, geraakte Lewin in die kinderlijk vergenoegde luim, waarvoor hij zich dikwijls schaamde en die hij zorgvuldig voor vreemde oogen verloochende. Maar juist om deze gemoedsstemming hield Dolly veel van hem. Hij speelde met de kinderen, als huns gelijke, hij leerde hen gymnastische toeren, liet miss Gull om zijn slecht Engelsch lachen en vertelde Dolly van zijn oeconomische bezigheden.
Des namiddags, toen zij beiden alleen op het balkon zaten, bracht Dolly het gesprek op Kitty.
"Kitty komt hierheen en zal den zomer bij ons doorbrengen."
"Inderdaad?" vroeg hij, en een licht rood kleurde zijn gelaat. Maar tegelijk, om dit gesprek te vermijden, ging hij voort: "Ik zal u dus twee koeien zenden, en als het u goed is, betaalt u me daarvoor vijf roebels in de maand...."
"Och neen, ik dank u. Wij kunnen thans zoo tamelijk toekomen."
"Nu, dan wil ik uw koeien eens gaan zien en regelen, hoe zij gevoederd moeten worden. Van de voedering hangt alles af." En slechts om het gesprek af te leiden, zette hij haar nu de geheele theorie der melkerij uiteen, waarbij de koe slechts voorkwam als een soort van machine om het voeder te verwerken en winstgevend te maken.
Hoewel hij van deze dingen sprak, wenschte hij toch vurig iets van Kitty te vernemen, maar hij vreesde, daardoor de rust, die nu zijn deel was geworden, weer te verliezen.
"Ja, maar bij dit alles behoort toezicht, en wie zal dit houden?" antwoordde Dolly moedeloos.
Zij had nu haar huishouding door Marie Filimonowna in zulk een toestand gebracht, dat zij er niets aan wenschte te veranderen; en, om de waarheid te zeggen, stelde zij ook in Lewins kennis der landhuishoudkunde geen volkomen vertrouwen. Zijn uiteenzetting dat de koe slechts een machine om melk te winnen was, scheen haar verdacht en zijn redeneeren over de verschillende soorten van voeder begreep zij niet, terwijl zij Marie's handelwijze om de bruine en de zwarte koe wat meer te eten te geven duidelijk, eenvoudig en van goed gevolg had bevonden. En wat de hoofdzaak was: zij wilde nu van Kitty spreken.
"Kitty schrijft, dat zij naar niets zoozeer verlangt, als naar eenzaamheid en rust."
"Is het met haar gezondheid beter geworden?" vroeg Lewin opgewonden.
"Goddank! zij is geheel hersteld. Ik geloofde het ook niet, dat zij door een borstkwaal was aangetast."
"O, dat verheugt mij zeer," antwoordde Lewin en, zooals het Dolly toescheen, vertoonde zich terwijl hij dat zeide en haar daarop zwijgend aanzag, op zijn gelaat iets van roerende hulpeloosheid.
"Hoor eens, Constantin Dimitritsch," zeide zij met haar goedhartig, een weinig ironisch lachje: "Waarom zijt gij boos op Kitty?"
"Ik? Ik ben niet boos," antwoordde Lewin.
"Ja wel, gij zijt boos op haar. Waarom hebt ge ons bij uw laatste aanwezigheid te Moskou niet bezocht."
"Darja Alexandrowna," antwoordde hij en werd rood tot over de ooren, "ik verwonder mij, dat u, die zoo goed zijt, geen leedwezen over mij gevoelt, daar u toch weet...."
"Wat weet ik?"
"Dat ik haar hand gevraagd heb en afgewezen ben geworden," zeide Lewin, en al de teederheid voor Kitty, die hem zoo even nog had vervuld, week uit zijn ziel voor het bitter gevoel van die beleediging.
"Waarom dacht ge, dat ik dat wist?"
"Omdat allen het weten...."
"Dan vergist ge u zeer. Ik heb er niets van geweten, hoewel ik zoo iets vermoedde."
"Nu, dan weet u het thans."
"Ik wist slechts dit eene, dat er iets was, dat haar vreeselijk kwelde, en dat zij mij verzocht heeft er niet over te spreken. En als zij het mij niet gezegd heeft, dan heeft zij het ook aan niemand anders gezegd. Wat is dan tusschen ulieden voorgevallen? Zeg het mij."
"Ik heb het u al gezegd."
"Wanneer is dat gebeurd?"
"Toen ik de laatste maal bij u was."
"Weet gij, wat ik u zeggen wil? Ik heb diep medelijden met haar. Gij, gij lijdt slechts door beleedigden trots...."
"Wellicht," zeide Lewin, "maar...."
Zij viel hem in de rede: "Maar met haar, arm meisje, heb ik diep medelijden. Nu begrijp ik alles."
"Nu, Darja Alexandrowna, verontschuldig mij," sprak hij en stond op: "Vaarwel. Tot weerziens."
"Neen, wacht nog!" antwoordde zij en hield met haar magere hand zijn arm vast. "Wacht nog. Ga zitten."
"Ja, maar ik bid u, spreken wij daar niet meer over," zeide hij en ging weer zitten; daarbij gevoelde hij iets zonderlings in zijn hart, alsof daarin een doode verrees, namelijk de zooals hij meende lang begraven hoop.
"Als ik niet van u hield," zeide Dolly en de tranen drongen haar in de oogen, "als ik u niet kende, zooals ik u ken...."
De herleefde doode bewoog zich sterker in Lewin en nam geheel zijn hart gevangen.
"Ja, nu begrijp ik alles," hernam Dolly, "gij kunt dat niet begrijpen; de mannen, die naar welgevallen kiezen en uitzoeken kunnen, zijn altijd volkomen zeker, wie zij beminnen. Maar een jong meisje, dat wachten en afwachten moet, een jong meisje met haar jonkvrouwelijke zedigheid, dat u mannen slechts van verre ziet, schat niet alles naar zijn waarde. Een jong meisje kan zulke gewaarwordingen en gevoelens hebben, dat zij de ware beteekenis daarvan niet weet...."
"Dat is toch niet geheel zooals het behoort."
"Dit maakt geen verschil, het is eenmaal zoo. Gijlieden doet een aanzoek, als ge omtrent uw neiging tot klaarheid en zekerheid zijt gekomen, maar een meisje kan niet vragen en kiezen. Zij moet kiezen en kan het soms nog niet, zij kan slechts ja of neen zeggen."
"Zoo koos zij tusschen mij en Wronsky!" dacht Lewin, en het tot leven ontwaakte lichaam zonk weer dood terug en drukte kwellend zijn hart.
"Darja Alexandrowna," zeide hij, "zoo kiest men wel een kleed of wat anders, maar met de liefde.... De keus is eenmaal gedaan--des te beter.--Een herhaling kan niet zijn...."
"O, die trots! die trots!" zeide Dolly, alsof zij hem verachtte om de kleinheid van dat gevoel. "Destijds, toen ge uw aanzoek deedt, was zij juist in een toestand, dat zij geen antwoord kon geven; zij kon nog niet kiezen tusschen u en Wronsky; dezen zag zij toen dagelijks, maar u had zij in langen tijd niet gezien. Voorzeker, ware zij ouder geweest, dan was zulk een twijfel niet mogelijk geworden. Ik zou in haar plaats niet geaarzeld hebben. Hij was mij altijd onaangenaam, en het heeft dan nu ook een einde genomen."
Lewin riep zich Kitty's antwoord voor den geest. Zij had gezegd: "Neen, dat kan niet zijn...."
"Darja Alexandrowna," zeide hij koel, "ik weet uw vertrouwen in mij hoog te waardeeren, maar ik geloof, dat u zich vergist. Ik mag gelijk of ongelijk hebben, maar deze trots, dien u zoo afkeurt, maakt, dat elke gedachte aan Catharina Alexandrowna voor mij onmogelijk is."
"Laat ik u nog dit ééne zeggen: gij begrijpt, ik spreek van mijn zuster, die ik lief heb, alsof zij mijn kind was. Ik zeg niet, dat zij u bemint; ik wilde maar zeggen, dat haar afwijzend woord van toenmaals volstrekt niets beteekent."
"Dat weet ik niet," zeide Lewin en stond op: "Indien u wist, welke smart u mij veroorzaakt! Het is, alsof iemand een kind is afgestorven en men hem dan zegt: 'Het had kunnen blijven leven, het had zoo en zoo kunnen worden en gij zoudt er uw vreugde aan beleefd hebben....' En toch is het dood, dood, dood."
"Wat zijt ge dwaas!" zeide Dolly en lachte treurig in weerwil van Lewins opgewondenheid; nadenkend liet zij toen volgen: "Maar nu begrijp ik meer en meer.... Ge zult dus niet hier komen, als Kitty er is?"
"Neen, ik zal niet komen. 't Spreekt van zelf dat ik Catharina Alexandrowna niet geheel zal vermijden, maar waar ik kan, zal ik haar van mijn aanwezigheid bevrijden."
"Wezenlijk, dat is zeer dwaas en komiek," hernam Dolly, hem met een uitdrukking van zachte genegenheid aanziende; "'t zij dan zoo! wij hebben er niet van gesproken!--Wat wil je, Tania?" wendde zij zich in het Fransch tot haar dochtertje, dat op dat oogenblik binnen kwam.
"Waar is mijn schoffel, mama?"
"Ik heb je in het Fransch aangesproken."
Het kind wilde haar antwoorden, maar was vergeten, hoe een schoffel in het Fransch genoemd werd. De moeder moest het haar zeggen, en toen zeide zij haar dan ook, waar de schoffel was te vinden.
Nu scheen Lewin alles in Dolly's huis en aan haar kinderen lang zoo aantrekkelijk niet meer als te voren: "En waarom spreekt zij Fransch met haar kinderen?" dacht hij. "Hoe onnatuurlijk en gemaakt! En de kinderen gevoelen dat. Dit Fransch berooft hen van hun ongedwongenheid." Hij wist niet, dat Dolly dat reeds twintig maal tot zich zelf gezegd had, maar in weerwil van en ten koste van de ongedwongenheid achtte zij het noodig, haar kinderen op deze wijze te onderrichten.
"Waarom wilt ge nu al weg? Blijf toch nog wat."
Lewin bleef nog tot het theedrinken; maar zijn vroolijke luim was verdwenen en hij gevoelde zich ontstemd.
Na de thee was Lewin naar de voorkamer gegaan om te bevelen, dat zijn paarden werden aangespannen. Toen hij terug kwam, vond hij Dolly met opgewonden, verstoord gelaat en met tranen in de oogen. In zijn korte afwezigheid was iets voorgevallen, dat Dolly's vreugde en al haar trots op haar kinderen geheel verstoorde. Grischa en Tania hadden om een bal elkander geslagen. Dolly was op het geschreeuw naar buiten geloopen en had hen in een verschrikkelijken toestand gevonden. Tania hield Grischa bij het haar, maar deze, met het gezicht door woede ontsteld, sloeg met de vuisten op haar los, waar hij ze maar trof. Toen was het Dolly, of iets in haar hart scheurde; alsof een schaduw op haar leven viel, en zij ondervond, dat deze kinderen, waarop zij zoo trotsch was, niet slechts heel gewone, neen, slechte, slecht opgevoede kinderen waren, booze kinderen vol grofheid en ruwen hartstocht. Zij kon over niets anders meer denken of spreken en moest Lewin haar leed klagen. Lewin zag, dat zij zich ongelukkig gevoelde en beijverde zich haar te troosten, terwijl hij zeide, dat deze vechtpartij niets slechts bewees en dat alle kinderen elkander wel eens sloegen. Maar terwijl hij zoo sprak, dacht hij: "Nu, ik zou mijn kinderen Fransch met mij laten spreken! Ik zou wel oppassen. Ik zou zulke kinderen niet hebben! Men moet ze niet bederven, ze niet verwennen, dan zijn en blijven ze lief en goed. Neen, ik zou zulke kinderen niet hebben!" Toen nam hij afscheid; zij trachtte hem niet meer te houden en hij reed weg.
IX.
Tegen het midden van Juli kwam de dorpsoudste van het goed zijner zuster, dat ongeveer twintig werst van Pekrowskaja lag, naar Lewin met een bericht omtrent den hooioogst van dit jaar. De daar gelegen weiden waren het meest rentegevend gedeelte der bezitting en waren voor een derde van het gewas aan de boeren verpacht. Nu kwam de dorpsoudste om te berichten, dat men uit vrees voor regen het hooi al opgetast en verdeeld had en dat voor het heerschap als zijn aandeel elf oppers waren afgezonderd. Uit de onnauwkeurige opgaaf op Lewins vraag, hoeveel hooi de grootste weide had opgeleverd, en uit de voorbarigheid der boeren, die zonder tijdige kennisgeving den oogst reeds gedeeld hadden, leidde Lewin af, dat het daarbij wellicht niet recht was toegegaan, en daarom besloot hij, zelf er heen te rijden om de zaak te onderzoeken.
Tegen den middag kwam hij aan. Hij stalde zijn paard bij zijn goeden vriend, den boer Parmenitsch, die met de minne van zijn broeder was getrouwd. Toen zocht hij den oude op zijn hoeve op, wenschende van hem iets van den hooioogst te vernemen. De anders praatzieke oude ontving Lewin vriendelijk, maar beantwoordde zijn vragen over het hooi ontwijkend en terughoudend. Dit bevestigde Lewins verdenking nog meer. Hij begaf zich derhalve naar de weiden en nam de oppers in oogenschouw. Elke opper kon onmogelijk vijftig voer bevatten, en om nu de boeren te ontmaskeren, liet Lewin een opper opladen en in de schuur rijden. Uit dezen opper kwamen maar twee en dertig voer. In weerwil van de verzekering van den dorpsoudste, dat alles op godvruchtige en eerlijke wijze was verdeeld en dat het hooi in de oppers moest zijn ingekrompen, verklaarde Lewin nu beslist, te meer daar het hooi zonder zijn voorkennis was verdeeld, dat hij zulke oppers niet voor vijftig voer aannam. Na langen strijd werd besloten, dat de boeren de elf oppers voor hun deel zouden nemen, terwijl het aandeel voor het heerschap opnieuw afgezonderd zou worden. Deze onderhandeling en de verdeeling van het hooi duurden tot over den namiddag. Nu liet Lewin het verder opzicht aan zijn klerk over en klom zelf op een hooiwagen om de drukke bezigheid van het volk op de weiden aan te zien.
Het laatste voer was geladen en zij reden er mede den weg op. De vrouwen gingen, met de harken op den schouder, achter den wagen; de heldere kleuren harer doeken staken in het oog en haar vroolijke stemmen klonken luidruchtig. Een ruwe, ongeoefende, maar bizonder zuivere en krachtige vrouwenstem hief een lied aan, zong tot aan het refrein en toen vielen tegelijk een half honderd verschillende grove en fijne, zwakke en sterke stemmen in, en het scheen Lewin toe, alsof ook de hoop hooi, waarop hij lag, de aarde en de hemel, alles zich bewoog en wankelde onder den schal van dit wild en grenzenloos lustig gezang. Het koor kwam nader en het kwam Lewin voor, als naderde hem onophoudelijk eene met vroolijken lust geladen donderende wolk; de wolk bedekte hem, omringde hem en begon zich toen weer te verwijderen. Lewin zag hen na en luisterde, en toen het volk uit zijn gezicht en gehoor was verdwenen, beving hem een sterk gevoel van droefheid over zijn eenzaamheid, zijn physische werkeloosheid en zijn verachting van de wereld.
Lewin bewonderde dikwijls het leven dezer menschen, hij benijdde hen en nu kwam voor de eerste maal de gedachte bij hem tot volle klaarheid, dat het toch slechts van hem zelf afhing, het zelfzuchtige leven, dat hij tot hiertoe geleid had, met een reiner, werkzamer leven in gemeenschap met anderen te verwisselen.
De menigte had zich reeds verwijderd. Het waren lieden, die in de nabijheid woonden, en zij waren naar huis gereden. Maar die van verre waren gekomen, hadden zich voor het avondeten en de nachtrust op de weide verzameld. Lewin lag, door hen niet bemerkt, op een hoop hooi en sloeg hen gade, luisterde en dacht na. De lieden, die op de weide wilden overnachten, sliepen gedurende dezen korten zomernacht bijna in het geheel niet. Eerst hoorde men hun vroolijk gebabbel onder het avondeten en toen weer zingen en lachen. De geheele lange en zware arbeidsdag had bij hen geen spoor achtergelaten, dan slechts vroolijkheid. Eerst kort voor het morgenrood werd het stil; men vernam nog slechts het nachtgezang der in het moeras kwakende kikvorschen, het geschreeuw van een vogel ergens boven in de hoogte op een tak, het snuiven der paarden op de weide in den morgennevel en het stampen hunner aaneengekoppelde pooten op den vochtigen grond. Lewin rees op van zijn hooi, zag omhoog naar de sterren en bespeurde, dat de nacht ten einde was.