Anna Karenina

Part 19

Chapter 19 3,901 words Public domain Markdown

Nog voor het sluiten van het badseisoen keerde vorst Tscherbatzky bij de zijnen terug. Van Karlsbad was hij nog naar Baden-Baden en Kissingen getrokken om daar eenige kennissen te begroeten, en weer, zooals hij zeide, volop Russischen geest in te ademen. De beschouwingen van den ouden vorst en van de vorstin omtrent het leven in het buitenland stonden geheel tegenover elkander. De vorstin prees en bewonderde alles en trachtte, in weerwil dat zij in het Russische leven was geworteld, in het buitenland op een West-Europeesche dame te gelijken, wat zij toch niet was. Zij was een Russische barina, en derhalve moest zij zich eenigszins geweld aandoen, wat haar dikwijls lastig viel. De vorst daarentegen vond alles in het buitenland afschuwelijk, hem was het Europeesche leven een gruwel; hij behield zijn Russische gewoonten en trachtte in het buitenland nog minder Europeesch te schijnen, dan hij in werkelijkheid was.

Hij kwam mager, met hangende wangen, maar in de beste luim terug. Deze verbeterde nog meer, toen hij zag, dat Kitty weer geheel hersteld was. Evenwel werd hij eenigszins verontrust door het bericht van Kitty's vriendschap met Warenka en madame Stahl en door de mededeeling der gravin over de omkeering, die in des meisjes gemoed had plaats gehad; dit wekte in zijn binnenste weer dat gevoel van ijverzucht op alles, wat zijn dochter buiten hem belang inboezemde; er beving hem eenige vrees, dat zijn dochter naar hooger sferen kon ontvlieden, waar zijn invloed haar niet meer kon bereiken. Maar deze bekommering versmolt in de zee van goedigheid en vroolijke luim, die steeds zijn hart vervulde en die nu door het Karlsbader water nog was vergroot.

Daags na zijn aankomst ging de vorst in zijn langen jas en met zijn Russische rimpels en hangende wangen, die door den stijven halsboord werden gesteund, met Kitty naar de bron. Het was een bizonder schoone morgen; de bevallige, vroolijke huizen met tuintjes er voor, de aanblik der dienstmeiden met roode wangen en roode armen, die vroolijk haar werk verrichtten, en de heldere zonneschijn stemden hem blijmoedig. Maar hoe meer hij de bron naderde, des te talrijker werden de zieken, die hij tegenkwam; hun voorkomen scheen hem nog beklagenswaardiger toe in deze omgeving. De glans en het licht van dezen Junimorgen, de tonen van het orkest en vooral de aanblik der gezonde dienstmeiden waren voor hem een droevig contrast met de uit alle hoeken van Europa hier saamgekomen en zich treurig voortsleepende lichamen. In weerwil van zijn zelfbewustzijn en een gevoel alsof hij weer jong was geworden, was het hem toch, toen hij aan den arm van zijn geliefd kind daarheen stapte, als moest hij zich geneeren om zijn krachtigen gang en sterke leden.

"Breng mij met uw nieuwe vrienden in kennis," zeide hij tot zijn dochter. "Ik heb dit afschuwelijk Soden bijna lief gekregen, omdat het u de gezondheid heeft weergegeven. Maar hoe treurig, hoe treurig is het hier? Wie is dat?"

Kitty noemde hem alle met haar bekende en onbekende personen, die zij ontmoetten. Aan den ingang van den tuin kwam de blinde mevrouw Berthe met haar geleidster hun tegen, en de vorst verheugde zich over de uitdrukking van teedere ontroering op het gelaat der oude Française, toen deze Kitty's stem herkende. Zij begon hem dadelijk met haar oneindige Gallische beminnenswaardigheid te overstroomen en hem te loven, dat hij zulk een prachtige dochter had, die zij een schat, een parel, een engel noemde.

"Nu, dan is zij de engel nummer twee," zeide de vorst lachend, "want volgens haar eigen verklaring is mademoiselle Warenka de engel nummer één."

In de galerij troffen zij Warenka aan, die hen met een rood taschje in de hand haastig te gemoet kwam.

"Papa is gekomen," zeide Kitty.

Warenka maakte een natuurlijke en eenvoudige beweging, half buiging half groet, en begon dadelijk vrij en eenvoudig, zooals zij met allen deed, met den vorst te spreken.

"O zeker ken ik u al, ik ken u zeer goed," zeide hij tot haar met een lachje, waaraan Kitty met blijdschap bemerkte, dat haar vriendin een goeden indruk op hem gemaakt had. "Waar gaat dat nu zoo haastig heen?"

"Mama is hier," antwoordde zij tot Kitty gekeerd; "zij heeft den geheelen nacht niet geslapen, en de dokter heeft haar aangeraden een rit te doen. Ik breng haar nu haar handwerkje."

"Dus dat is de engel nummer één," zeide de vorst, toen Warenka zich verwijderde.

Kitty bemerkte, dat hij met Warenka een weinig den spot wilde drijven, maar dat hem dat niet recht gelukken wilde, omdat zij hem goed bevallen was.

"Nu zal ik al uw vriennen wel leeren kennen," voegde hij er bij; "ook uw madame Stahl, als zij zich vernederen wil zich mijner te herinneren."

"U heeft haar dus gekend, papa?" vroeg Kitty met een zekeren angst, daar zij bij het noemen van madame Stahl in haar vaders oogen iets spotachtigs zag opflikkeren.

"Ik heb haar man en ook haar oppervlakkig gekend, voor zij zich onder de piëtisten had begeven."

"Piëtisten, wat zijn dat, papa?" vroeg Kitty, zeer verschrikt, wijl datgene, wat zij in mevrouw Stahl vereerde, een naam had.

"Dat weet ik zelf niet zoo precies. Ik weet slechts, dat zij God voor alles dankt, voor ieder ongeluk, en ook daarvoor, dat haar man is gestorven. Nu, dit kon belachelijk schijnen, want zij hebben slecht genoeg met elkander geleefd."

"Daar is zij," zeide Kitty en wees op een rolwagen, waarin, van alle zijden door kussens ondersteund, iets van grauwblauwe kleur onder een zonnescherm lag. Dat was mevrouw Stahl. Achter haar stond een sombere Duitsche arbeider, die den wagen schoof; naast haar een blonde Zweedsche graaf, dien Kitty slechts bij naam kende. Eenige zieken bleven aarzelend bij het ziekenwagentje staan en staarden de daarin gezeten dame als een wonder aan.

De vorst naderde met Kitty en deze zag dadelijk weer in zijn oogen die spottende uitdrukking. Hij trad op madame Stahl toe en sprak haar recht hoffelijk en vriendelijk in dat uitgezochte Fransch aan, dat tegenwoordig nog slechts zoo weinigen in staat zijn te spreken.

"Ik weet niet, of u zich mijner nog zal herinneren, maar ik moet mij u weer in het geheugen terug roepen om u te danken voor de aan mijn dochter bewezen goedheid," zoo sprak hij, terwijl hij zijn hoed afnam en niet weer opzette.

"Vorst Alexander Tscherbatzky," antwoordde mevrouw Stahl, terwijl zij haar hemelsche oogen tot hem ophief, waarin Kitty nu een zekere ontevredenheid meende te bespeuren: "ik verheug mij u te zien. Ik heb uw dochter zeer lief gekregen."

"En met uw toestand gaat het nog steeds niet beter."

"Ik heb mij daaraan reeds gewend," antwoordde madame Stahl en maakte den vorst met den Zweedschen graaf bekend.

"U is anders weinig veranderd," zeide de vorst. "Het moet tien of elf jaar geleden zijn, dat ik het laatst de eer had u te zien."

"Ja, als God een kruis oplegt, geeft hij ook de kracht om het te dragen. Men vraagt zich zelf wel eens, waarom het leven zoo lang is.... De andere zijde!" voegde zij er tot Warenka gekeerd bij, die bezig was haar voeten in een plaid te wikkelen.

"Wel, om goed te doen!" antwoordde de vorst met de oogen lachend.

"Wij mogen ons geen oordeel daarover aanmatigen," meende madame Stahl, die de verdachte uitdrukking in zijn oogen bespeurd had. "Derhalve, u zal me dat boek toezenden, lieve graaf? Ik zal u daarvoor zeer dankbaar zijn," sprak zij tot den jongen Zweed gekeerd.

"Ah!" riep de vorst uit, daar hij in de nabijheid den Moskouer overste zag. Hij boog zich voor mevrouw Stahl en ging met zijn dochter en de overste, die zich bij hen aansloot, verder.

"Dat is onze aristocratie, vorst," zeide de Moskouer overste, die zich sarcastisch wilde uitdrukken, daar hij het madame Stahl zeer kwalijk had genomen, dat zij met hem niet bekend was geworden.

"Zij is altijd dezelfde," antwoordde de vorst.

"U heeft haar nog voor haar ziekte gekend, vorst? Men zegt, dat zij in tien jaren niet heeft geloopen."

"Zij loopt niet, omdat zij een kort been heeft...."

"Papa, dat is niet mogelijk!" meende Kitty.

"Booze tongen beweren het, lieveling. Uw Warenka heeft ook een pleizierige taak," voegde hij er bij. "O, die zieke dames!"

"Ach neen, papa," wederlegde Kitty, "Warenka vergoodt haar. En dan doet zij ook zooveel goeds. Vraag, wie u wil. Allen kennen haar!" "'t Is mogelijk, 't is mogelijk!" antwoordde hij en drukte haar arm tegen zich aan. "Maar beter is het nog, dat men het zoo doet, dat, wie men ook vragen mag, niemand het weet."

Kitty zweeg, niet omdat zij niets wist te antwoorden, maar omdat zij haar geheimste gedachten niet aan haar vader wilde verraden. Maar zonderling! Ofschoon zij zich voorgenomen had, niet in het oordeel haars vaders te deelen en hem niet in haar heiligdom te laten indringen, besefte zij toch, dat het hemelsch beeld van mevrouw Stahl, dat zij een geheele maand lang in haar hart had gedragen, spoorloos verdween. Er bleef slechts een vrouw met een kort been over, die niet loopt om haar mankheid te verbergen, en die Warenka kwelt, omdat ze niet geheel naar haar wensch den plaid had terecht gestoken. Met alle inspanning harer verbeelding vermocht zij niet, zich de vroegere madame Stahl voor te stellen.

V.

Des vorsten goede luim was voor al zijn huisgenooten, zijn kennissen en ook voor den Duitschen hotelhouder aanstekelijk. Toen zij van de bron waren teruggekeerd en Marie Eugenjewna den overste en Warenka uitgenoodigd had zich bij haar te voegen, liet de vorst een tafel en stoelen onder den kastanjeboom in den tuin brengen en daar het ontbijt gereed zetten. De waard en zijn dienstpersoneel leefden op onder den indruk zijner vroolijkheid. Zij kenden zijn edelmoedigheid, en een half uur later zag de zieke Hamburger dokter, die boven woonde, uit zijn venster met afgunst op dat gezelschap vroolijke, gezonde Russische menschen onder den kastanjeboom neder. Onder de spelende schaduw van den boom zat de vorstin aan een met een wit servet bedekte tafel, die met koffieservies, brood, boter, kaas en koud gebraad was beladen. Haar coiffure was versierd met lila lint; zij gaf de kopjes rond en presenteerde het brood. Tegenover haar aan het andere eind zat de vorst, duchtig smullend, terwijl hij luid en levendig iets vertelde. Hij had al zijn inkoopen van de reis naast zich gelegd; gesneden kastjes, vouwbeenen van allerlei soort en andere kleinigheden, waarvan hij een menigte had aangekocht. Ieder gaf hij wat, ook Liesje, de dienstmeid en den hotelhouder, met wien hij in slecht Duitsch schertste, terwijl hij hun verzekerde, dat niet de baden, maar de voortreffelijke gerechten, vooral de pruimensoep Kitty gezond hadden gemaakt. De vorstin bespotte haar echtgenoot om zijn Russische eigenaardigheden, maar zij was toch zoo opgewekt en vroolijk als zij sedert haar verblijf in de badplaats nog niet geweest was. De overste lachte als altijd bij het schertsen van den vorst, maar, wat de Europeesche zeden betrof, die hij meende grondig bestudeerd te hebben, helde hij geheel naar de beschouwing der gravin over. De goedige Marie Eugenjewna stikte bijna van lachen om des vorsten grappen, en Warenka werd, wat Kitty nog niet bij haar bemerkt had, telkens door een zenuwachtig, aanstekend lachen, dat de potsen van den vorst bij haar verwekte, geheel geschokt.

Dit alles wond ook Kitty wel op, maar zij kon toch niet geheel onbekommerd zijn. Zij kon het raadsel, dat haar vaders ironische beschouwingen van haar vrienden en van het leven, dat zij had lief gekregen, voor haar deed ontstaan, niet dadelijk oplossen. Allen waren vroolijk, slechts Kitty niet, en dat kwelde haar.

"Waarvoor heb je dat alles toch gekocht?" vroeg de vorstin haar man lachende en reikte hem een kop koffie toe.

"Nu, als men zoo ronddrentelt en toevallig in de nabijheid van een winkel komt, dan wordt men aangeroepen om iets te koopen.

"Doorluchtigheid! Excellentie! Doorluchtigheid!" Nu, als zij Doorluchtigheid zeggen, dan kan men toch niet anders: tien thaler zijn weg eer men 't weet."

"Dat komt slechts door de verveling," meende de vorstin.

"Zeker, de verveling! Zulk een verveling, moedertje, dat men niet meer weet, wat men doen zal."

"Hoe kan men zich hier nog vervelen, vorst?" vroeg Maria Eugenjewna. Er is toch zooveel belangwekkends in Duitschland."

"Ja, al dat belangwekkende ken ik al. Ik ken de pruimensoep, de erwtenworst ken ik, alles ken ik."

"Neen, zeg, wat je wilt; maar de Duitsche inrichtingen zijn interressant," zeide de overste.

"Wat is er interressants? Allen zijn tevreden als de koperen groschen. Zij hebben allen wat zij wenschen. Moet ik daarom tevreden zijn? Ik heb niet wat ik wensch en ik weet slechts, dat ik zelf mijn laarzen uittrekken en ze zelf achter de deur zetten moet. 's Morgens staat men vroeg op, kleedt zich dadelijk aan, gaat naar de zitkamer en krijgt wat slechte thee te drinken. Dan is het toch te huis geheel anders. Men wordt wakker op zijn gemak en men heeft geen haast: men ergert zich over een of ander, men bromt een beetje, bezint zich dan eerst ordentelijk, overlegt alles rijpelijk en men overijlt zich niet!"

"Tijd is geld! Dat vergeet u," zeide de overste.

"Welke tijd? Er zijn tijden, waarvan men een geheele maand voor een halven roebel zou geven, en er zijn zulke, waarvan een half uur met geen geld te betalen is. Is dat niet zoo, Kathinka? Waarom zie jij er uit, alsof je de verveling beet heeft?"

"Ik? Volstrekt niet, papa."

"Ik moet naar huis," zeide Warenka en stond op. Zij nam afscheid en ging in huis om haar hoed te halen.

Kitty volgde haar. Zelfs Warenka kwam haar nu anders voor. Zij was geen slechtere, maar een andere, dan zij zich tot hiertoe had voorgesteld. Met de aankomst haars vaders had zich de geheele wereld, waarin zij tot hiertoe geleefd had veranderd. Zij kon haar eigen ervaringen niet verloochenen, maar zij besefte, dat zij zich in zich zelf had bedrogen, toen zij meende datgene te kunnen zijn en worden, wat zij wilde. Zij kwam tot het besef, hoe zwaar het was, zich zonder geveinsdheid en pronkerij op de hoogte te handhaven, waartoe zij getracht had zich te verheffen; het kwam haar nu voor, dat deze wereld van kommer, van zieken en stervenden, waarin zij hier geleefd had, beangstigend en nederdrukkend was; en de inspanning, die zij had aangewend om die wereld lief te hebben, kwam haar nu kwellend en pijnlijk voor; zij verlangde van hier weg te komen, op reis te zijn, snel voorwaarts in de frissche lucht, terug naar Rusland, naar Klekotok, waarheen ook Dolly met haar kinderen, zooals zij uit haar brieven wist, was verhuisd.

Slechts haar liefde voor Warenka was niet verzwakt geworden. Toen zij van elkander afscheid namen, drong Kitty haar, haar in Rusland te bezoeken.

"Ik zal komen, als je getrouwd zijt." zeide Warenka.

"Ik zal nooit trouwen."

"Nu, dan kom ik ook nooit."

"Nu goed, dan zal ik trouwen, alleen opdat gij komt," antwoordde Kitty.

De voorspelling van den dokter was vervuld; Kitty keerde geheel genezen terug. Zij was niet meer zoo zorgeloos en vroolijk als te voren, maar zij was kalm en rustig. De Moskousche kommer en smart was voor haar een bloote herinnering geworden.

VI.

Stipan Arkadiewitsch Oblonsky was naar Petersburg afgereisd en vertoefde daar nu om de plichten te vervuilen, die voor alle staatsbeambten van zelf spreken, maar voor anderen onbegrijpelijk zijn, en zonder welker vervulling het onmogelijk is ambtenaar te wezen, namelijk zich bij het ministerie in herinnering te houden. Terwijl hij tot vervulling van dezen plicht, waarvoor hij al het geld uit het huis had medegenomen, zijn tijd lustig bij de wedrennen en in do zomercafé's doorbracht, verhuisde Dolly met de kinderen naar hun landgoed om de uitgaven zooveel mogelijk te beperken. Hun landgoed Klekotok, dat zij als huwelijksgift had medegekregen, hetzelfde welks houtgewas in het voorjaar was verkocht, lag ongeveer vijftig werst van Lewins Pokrowskaja verwijderd.

Het groote heerenhuis van Klekotok was reeds jaren geleden afgebrand en de oude graat had daarvoor het bij de boerderij behoorend gebouw laten vergrooten en tot woonhuis inrichten. Voor twintig jaren had het Dolly doelmatig en ruim toegeschenen, maar nu was het oud en vervallen. Toen Stipan in het voorjaar daarheen was gegaan om het bosch te verkoopen, had Dolly hem gedrongen het huis eens op te nemen en de noodige herstellingen te laten doen. Hij was, zooals alle schuldige mannen, gaarne bereid zijn vrouw alle gemakken te verschaffen en had het huis onderzocht en maatregelen voor alle naar zijn oordeel noodige verbeteringen genomen. Volgens zijn meening was het noodig geweest nieuwe meubels te laten komen, gordijnen op te hangen, den tuin te laten in orde brengen, een kleine brug over den vijver te bouwen en bloemen te planten. Maar andere, zeer noodige dingen, welker gemis later Dolly soms wanhopig maakte, had hij voorbij gezien. Hoezeer Stipan zich moeite gaf een zorgzaam vader en echtgenoot te zijn, kon hij zich toch ook gedurig weer niet herinneren, dat hij vrouw en kinderen had. Hij had de eigenschappen van een jonkman en deze regelden zijn doen en laten. Bij zijn terugkomst te Moskou had hij zijn vrouw met trots verzekerd, dat alles voor haar ontvangst gereed was, dat het huis op een pronkkastje zou gelijken en hij zelf kon haar nu aanraden naar buiten te verhuizen. Het vertrek zijner vrouw was hem in alle opzichten aangenaam. Het leven op het land zou voor de kinderen gezonder en ook veel goedkooper zijn, en hij zelf--vrijer. Darja Alexandrowna van haar zijde achtte ook het verblijf op het land voor de kinderen noodig, vooral voor het meisje, dat na het roodvonk nog steeds niet geheel was geworden zooals zij zijn moest, en dan ook om de eeuwige kleine uitgaven aan schoenmaker, kleermaker, slachter en vischkooper wat te beperken. Buitendien was haar de gedachte aan het land ook aangenaam, omdat zij hoopte Kitty, die in den zomer van de badplaats zou terugkeeren, daar bij zich te zien. Kitty schreef haar, dat niets zoo aanlokkelijk voor haar was, als den zomer met Dolly en de kinderen te Klekotok, dat voor haar zoo rijk aan herinneringen uit de jeugd was, door te brengen.

De eerste tijd van haar verblijf op het land was voor Dolly zeer zwaar. Van haar kindsheid af was haar de voorstelling bijgebleven, dat het land een toevluchtsoord voor alle stadsonaangenaamheden was en dat het leven daar wel niet druk en elegant, maar daarvoor ook goedkoop en ongedwongen was; men had daar alles zelf, alles was er dus goedkoop en het was er--dit was de hoofdzaak--voor de kinderen gezond. Maar nu, na haar aankomst, bevond zij, dat ook hier alles geheel anders was, dan zij het zich had voorgesteld.

Den dag na haar aankomst regende het sterk en in den nacht begon het op den corridor en in de kinderkamer erg te lekken, zoodat zij de bedden in het salon moest brengen. Ook ontbrak er een meid om voor het dienstpersoneel te koken. Van negen koeien in den stal waren er eenige, zooals de koemeid zeide, drachtig en stonden derhalve droog, de andere hadden pas gekalfd, weder andere waren oud--zoodat niet eens genoeg boter en melk voor de kinderen aanwezig was. Eieren waren er ook niet en kippen niet te koop. Slechts eenige oude, loodkleurige, magere hanen konden geslacht en gekookt worden. Ook aan vrouwelijke bediening ontbrak het; allen waren bij de aardappels bezig. Uitrijden kon men ook niet, want het eene paard was kolderig en sloeg den dissel in stukken. Aan baden was niet te denken, want de geheele oever der rivier was door het vee vertrapt en aan de zijde van den weg open en zichtbaar. Men kon niet eens gaan wandelen, want het vee kwam door de gebroken heining in den tuin en daarbij was een vreeselijke stier, die brulde en derhalve ook wel stooten zou. Kleerkasten waren er niet; die er bestonden kon men niet sluiten of sprongen, zoodra men ze voorbij ging, van zelf weer open. Kookpotten waren er niet te vinden, in de waschkeuken was geen ketel en in de mangelkamer geen strijktafel.

In plaats van de verwachte rust en ontspanning, vond Dolly eene volgens haar begrippen verschrikkelijke ellende en geraakte bijna in vertwijfeling. Zij spande al haar krachten in gevoelde echter de geheele hopeloosheid van haar toestand en moest zich geweld aandoen om de opwellende tranen te weerhouden. De opzichter, een voormalig wachtmeester, dien Stipan wegens zijn schoon en waardig voorkomen uit zijn vroegere betrekking als portier hierheen had verplaatst, trok zich Darja Alexandrowna's leed volstrekt niet aan; hij zeide slechts eerbiedig: "Bij dit afschuwelijk volk is alles mogelijk!" Hij zelf echter hielp haar in geen enkel opzicht. Haar toestand scheen haar derhalve hopeloos toe. Maar ook in het huis der Oblonsky's bevond zich een anders weinig in het oog vallende, maar in hoogen graad nuttige en gewichtige persoon, namelijk Maria Filimonawna. Zij stelde de barina gerust, verzekerde, dat alles terecht zou komen, en zonder zich te overijlen of op te winden, sloeg zij de handen aan het werk. Zij maakte kennis met de vrouw van den opzichter en zat reeds denzelfden dag met haar en den opzichter onder den acaciaboom en raadpleegde met haar onder een kop thee. Weldra vormde zich onder de acacia onder de leiding van Maria Filimonowna een club, die uit de vrouw des opzichters, den dorpsoudste en den landhuishoudkundige bestond, en deze club ruimde allengs alle bezwaren in het leven der barina uit den weg. Binnen een week was alles dan ook al geschikt. Het dak was hersteld, een kookvrouw werd in de peettante van den dorpsoudste gevonden, kippen werden gekocht, de koeien begonnen melk te geven, de tuin werd ingesloten, de kasten werden van haakjes voorzien en gingen niet meer van zelf open, een behoorlijke strijkplank lag in de mangelkamer op een stoelleuning in de commode en het rook er, zooals het behoorde, naar het strijken.

"Nu heeft u alles en u wilde reeds wanhopen," zeide Maria Filimonowna en wees op de strijkplank. Er wordt zelfs een uit stroo gevlochten badhuisje gebouwd. Lili liet men het eerst baden. En nu begon, ofschoon vooreerst bij gedeelten, haar verwachting van een, zoo ook al niet onbezorgd, dan toch behagelijk landleven zich te verwezenlijken. Met zes kinderen kon het voor Darja Alexandrowna niet zonder zorgen zijn. Nu was het eene ziek, dan moest men hetzelfde van een ander vreezen; vandaag scheelde het derde wat, morgen het vierde en het vijfde toonde een boozen aard en zoo verder. Zelden was er een korte, rustige periode. Maar al deze zorgen, al deze onrust waren het eenig mogelijke geluk voor Dolly. Had zij deze niet gehad, dan was zij alleen gebleven met de gedachte aan haar echtgenoot, die haar niet beminde. Maar hoe zwaar der moeder ook deze gestadige angst en bezorgdheid over haar kinderen viel, deze kinderen zelf vergoedden haar door allerlei kleine genoegens haar zorgen. Deze genoegens waren zoo onmerkbaar als het goudstof in het zand der rivier, en in de eerste oogenblikken zag zij niets als slechts den kommer, slechts het zand; maar er waren ook nog oogenblikken voor haar, dat zij niets zag dan slechts de genoegens, slechts het goud.

VII.

Tegen het einde van Mei ontving zij een antwoord van haar man op haar klachten wegens al wat op het landgoed ontbrak. Hij maakte allerlei verontschuldigingen en beloofde, zoodra het hem mogelijk was over te komen. Maar deze mogelijkheid scheen voor hem niet te willen aanbreken, want nog in Juni was Dolly alleen op het land.