Anna Karenina

Part 17

Chapter 17 3,971 words Public domain Markdown

Een troep volks, officieren van het regiment, de dokter met zijn helpers kwamen toegesneld en deden allerlei vragen. Tot zijn ongeluk voelde hij zich zelf ongedeerd. Maar het paard had den rug gebroken en moest dood geschoten worden. Wronsky kon op de aan hem gerichte vragen niet antwoorden. Hij kon met niemand spreken. Hij wendde zich af en zonder de hem ontvallen muts op te nemen ging hij van de renbaan zonder te weten waarheen. Hij gevoelde zich diep ongelukkig. Voor de eerste maal in zijn leven ondervond hij een niet meer goed te maken ongeluk, waarvan hij zelf alleen de schuld droeg.

Jawschin haalde hem met zijn muts in de hand in en begeleidde hem naar huis. Een half uur daarna kwam Wronsky weer tot zich zelf. Maar de herinnering aan dezen wedren zou in zijn ziel blijven hechten als een der zwaarste en meest kwellende van zijn geheele leven.

XXIII.

Uitwendig was Karenins verhouding tot zijn vrouw dezelfde gebleven. Er was slechts dit onderscheid, dat hij nog meer met bezigheden overladen scheen dan te voren. Zooals in alle vroegere jaren, begaf hij zich ook nu naar een buitenlandsch bad om zijn gezondheid te herstellen en keerde als gewoonlijk in Juli naar huis terug om dadelijk met verdubbelde energie weer aan den arbeid te gaan. Zijn vrouw daarentegen verhuisde zooals gewoonlijk naar hun buitenverblijf, terwijl hij in Petersburg bleef.

Sedert haar gesprek na de soirée bij vorstin Twersky had hij niet meer met Anna over zijn verdenking en zijn ijverzucht gesproken, en zijn eigenaardige manier van zoo te spreken, alsof hij een ander voorstelde, paste juist voor zijn tegenwoordige verhouding tot zijn vrouw. Hij was tegen haar wel wat koeler geworden, maar niet meer dan of hij slechts een kleine grief tegen haar had wegens gebrek aan vertrouwen harerzijds bij gelegenheid van hun toenmalig nachtelijk gesprek; zijn gedachte was ongeveer: "Gij wilt tegenover mij niet openhartig zijn,--des te erger voor u; al zoudt ge mij nu er ook om smeeken, nu zou ik niet rechtuit spreken!" Zoo dacht hij als iemand, die zich vergeefs beijverd had een uitbarstend vuur te verstikken en eindelijk vertoornd over zijn vergeefsche moeite uitroept: "Nu goed, als ge u niet wilt laten blusschen, brand dan maar voort!"

Hij, deze zoo schrandere en in alle ambtszaken zoo fijngevoelige man, zag de dwaasheid van zulk een verhouding tot zijn vrouw niet in. Hij zag haar niet in, omdat het hem verschrikkelijk was haar zoo te zien, als zij in werkelijkheid was; hij sloot en verzegelde in zekere mate de kamer zijns harten, waarin de gevoelens voor zijn familie, dat is voor zijn vrouw en zijn zoon, woonden. Hij, vroeger zulk een nauwgezet vader, verkoelde in dezen winter vooral jegens zijn zoon en zooals met zijn vrouw sprak hij ook met hem op ironischen toon.

Alexei Alexandrowitsch was er van overtuigd en beweerde ook, dat hij nog in geen jaar zoo met bezigheden overstelpt was geweest als in het tegenwoordige, maar hij bekende zich zelf niet, dat hij zich deze drukten zelf uitdacht, omdat hij daarin het beste middel zag om de kamer, waarin de gevoelens voor vrouw en kind verborgen lagen, en die steeds sterker werden, hoe langer hij ze daar bewaarde, niet open te sluiten, in zijn gelaat lag steeds, zoodra iemand naar zijn vrouw vroeg, een strenge en trotsche uitdrukking.

Karenins landhuis lag in Pargalewo, en gewoonlijk placht ook gravin Lydia Iwanowna daar te wonen en als buurvrouw en vriendin, op intiemen voet met Anna te verkeeren. Dit jaar echter gaf zij er de voorkeur aan daar niet te wonen; zij had geen enkel bezoek bij Anna gebracht, maar maakte Karenin op Anna's verkeer met vorstin Betsy en Wronsky als iets onbetamelijks opmerkzaam. Doch hij wees haar streng terug en zeide, dat zijn vrouw boven alle verdenking was verheven, en sedert vermeed hij de gravin. Hij wilde niet opmerken, dat velen in de conversatie Anna scheef aanzagen, en hij wilde niet begrijpen, waarom Anna zoo levendig wenschte van Pargalewo naar Zarskoë te verhuizen, waar Betsy woonde en in welks nabijheid Wronsky's regiment gelegerd was. Hij veroorloofde zich niet daarover na te denken, maar in den grond zijns harten was hij, ofschoon zonder bewijzen, vast overtuigd, dat hij een bedrogen echtgenoot was, en voelde zich diep ongelukkig. Hoe dikwijls had hij in de verloopen gelukkige jaren zijns levens bij den aanblik van andere bedrogen echtgenooten gezegd: "Hoe kan men zoo iets ook toelaten? Waarom verbreekt men zulk een ondragelijken toestand niet?" Maar nu, nu het ongeluk op zijn eigen hoofd was gevallen, dacht hij er niet aan, hoe zulk een verhouding kon opgelost worden, en wilde er zelfs niets van weten, omdat het te verschrikkelijk, te ondragelijk was.

Na zijn terugkomst uit het buitenland was Karenin slechts tweemaal in zijn landhuis geweest; de eerste maal toen hij er dineerde, den anderen keer met eenige gasten; maar hij was er geen nacht overgebleven, zooals hij vroeger placht te doen.

Den dag van den wedren was hij door zijn bezigheden bizonder bezet geweest; maar hij had reeds des morgens het zoo geschikt, dat hij na een vroegtijdig middagmaal naar zijn vrouw kon rijden en dan naar den wedren, dien het geheele hof zou bijwonen en waarbij hij derhalve niet mocht ontbreken. Bij zijn vrouw wilde hij slechts aanrijden om welstaanshalve ten minste eens in de week haar bezocht te hebben. Ook moest hij haar, daar het de vijftiende der maand was, het huishoudgeld overhandigen.

XXIV.

Anna stond voor den spiegel en was met Annuschka's hulp bezig den laatsten strik aan haar costuum te bevestigen, toen zij op het kiezel voor het huis het geluid van een aankomend rijtuig hoorde.

"Voor Betsy is het nog te vroeg," dacht zij en zag uit het venster. Daar zag zij de coupé en daarin den zwarten hoed en de bekende ooren van haar echtgenoot.

"Wat ongelegen tijd! Wat zal er van worden als hij hier wil overnachten?" dacht zij en hoewel de gedachte aan al wat daaruit kon ontstaan haar verschrikte en beangstigde, liep zij, den geest des leugens in zich voelend en zich aan dezen overgevend, hem toch met vroolijk stralend gelaat te gemoet en zonder te weten wat zij sprak, zeide zij: "O, dat is mooi! Ik hoop, dat ge den nacht over blijft." Dit was het eerste woord, dat de geest des leugens haar ingaf: "Nu rijden wij samen naar den wedren--jammer, dat ik al met Betsy afspraak heb gemaakt! Zij zal mij namelijk afhalen...."

Bij het hooren van dezen naam fronste Karenin het voorhoofd. "O, ik wil de onafscheidelijken niet scheiden," antwoordde hij op zijn gewonen ironischen toon: "Ik ga met Michaël Alexandrowitsch. De dokter heeft mij het gaan bevolen. Ik zal dus te voet gaan en onderweg denken, dat ik nog in de badplaats ben."

"Er is nog volstrekt geen haast," zeide Anna; "verlang je thee?" Zij schelde. Een dienstmeisje verscheen.

"Breng thee en zeg aan Serëscha, dat Alexander Alexandrowitsch hier is.' "Hoe is het met je gezondheid?" En zij zette zich naast haar man neder. "Ge ziet er niet goed uit."

"Neen," antwoordde hij, "vandaag heeft de dokter mij ook bezocht en dit heeft mij veel tijd gekost. Het scheen mij toe, alsof een mijner goede vrienden hem bij me had gezonden. Mijn gezondheid is immers ook zoo kostbaar...."

"Nu? Wat heeft hij gezegd?" En zij vroeg hem uit over zijn gezondheidstoestand en over zijn bezigheden en vermaande hem zich te ontzien en naar haar te verhuizen. Dat alles sprak zij zeer eenvoudig en haastig en met een eigenaardigen glans in de oogen. Hij hechtte evenwel geen waarde aan haar woorden; hij hoorde ze maar gaf er de beteekenis aan, die ze werkelijk hadden. Hij antwoordde phlegmatisch en schertsend. In dit geheele gesprek was niets van beteekenis, maar in later tijd kon Anna zich nimmer deze korte scène herinneren zonder een gevoel van kwelling en schaamte.

Serëscha kwam met zijn gouvernante binnen. Als Karenin er acht op had gegeven, zou hem de schuchtere blik zijn opgevallen, waarmede zijn zoon eerst hem en toen zijn moeder aanzag. Maar hij wilde niets zien en daarom zag hij niets.

"Ha, jonge man! Hij is gegroeid! Inderdaad, hij wordt al groot. Goeden dag, jonge man."

Serëscha, die reeds altijd tegenover zijn vader bloode was, werd het nog meer, toen hij als _jonge man_ werd aangesproken en in zijn hoofd het raadsel nog niet had kunnen oplossen, of Wronsky een vriend of vijand van zijn vader was. Alsof hij bescherming zocht wendde hij zich tot zijne moeder. Slechts bij haar gevoelde hij zich op zijn gemak. Terwijl Alexei Alexandrowitsch met de gouvernante sprak, lag zijn hand op zijn zoons schouder; dezen was dat zoo kwellend en pijnlijk, dat Anna bemerkte, dat hij op het punt stond om te weenen.

Anna, die bij het binnenkomen van het kind had gebloosd, nam, toen zij bemerkte, hoe onaangenaam hij zich gevoelde, Karenins hand van zijn schouder, kuste hem, geleidde hem naar buiten op het balkon en kwam toen dadelijk terug. "Het is toch al tijd," zeide zij, naar de pendule ziende, "waarom zou Betsy niet komen."

"Ja," zeide Alexei Alexandrowitsch en knakte met de saamgevouwen vingers; "ik ben ook gekomen om u geld te brengen. Men voedert geen nachtegalen met vertellingen. Gij kunt het wel reeds noodig hebben."

"Neen, ik heb het nog niet noodig ... maar toch...." zeide zij en bloosde tot de haarwortels toe. "Gij komt toch na den wedren weer hierheen?"

"Ja zeker," antwoordde hij. "Daar is ook al het sieraad van Pargalewo, vorstin Twerskaja," voegde hij er bij, terwijl hij door het venster een eleganten, eenspannigen mandewagen zag voorkomen. "En hoe elegant! Bekoorlijk! Nu, dan zullen wij ook opbreken."

De vorstin stapte niet uit. Slechts haar bediende in kraagmantel en zwarten hoed klom af en bleef bij het portier staan.

"Ik ga nu, Adieu!" zeide Anna en kuste haar zoon; toen naderde zij Alexei Alexandrowitsch en reikte hem de hand: "Het is vriendelijk van u, dat ge gekomen zijt."

Hij kuste haar hand.

"Alzoo tot weerziens! Gij komt op de thee; dat is best," hernam zij en ging vroolijk en vergenoegd naar buiten. Maar toen zij de deur uit was, voelde zij de plek op haar hand, die zijn lippen hadden aangeraakt en zij kromp schier van een gevoel van afkeer ineen.

XXV.

Toen Karenin bij de renplaats kwam, zat Anna reeds op de tribune, waar een gezelschap van de voornaamste personen vereenigd was. Zij bemerkte haar man reeds in de verte. Twee mannen: haar echtgenoot en haar minnaar, waren thans de brandpunten van haar leven, en zij gevoelde de nabijheid van ieder hunner zonder de hulp van haar uitwendige zinnen. Zij zag, hoe haar man de tribune naderde, nu een onderdanigen groet nederbuigend beantwoordende, dan vriendschappelijk en verstrooid de met hem gelijkstaanden groetend, straks weer zich beijverend den blik der machtigen der aarde tot zich te trekken en dan zijn grooten ronden hoed, die de spitsen der ooren neerdrukte, diep afnemend. Zij kende deze geheele manier en alles aan hem stond haar tegen.

"Slechts eerzucht, de wensch naar succes neemt zijn ziel in," dacht zij; "al die verhevene gedachten over verlichting en godsdienst bestaan voor hem slechts als middelen tot het doel."

Hij zag naar het balcon der dames; maar in die zee van mousseline, linten, vederen, parasols en bloemen vond hij zijn vrouw niet. Zij begreep, dat hij haar zocht, maar zij hield zich opzettelijk, alsof zij hem niet bemerkte.

"Alexei Alexandrowitsch!" riep vorstin Betsy, "zoekt ge uw vrouw? Hier is zij!"

Hij zag even met zijn koud lachje naar boven.

"Daar is zooveel glans, dat het iemand de oogen verblindt," antwoordde hij. Hij lachte zijn vrouw toe, groette de vorstin en de overige kennissen, met de dames schertsend en met de heeren eenige woorden wisselend. Beneden aan den voet der tribune stond een adjudant-generaal, die door zijn geestigheid en fijne beschaving zeer bekend was. Karenin knoopte een gesprek met hem aan. Het was juist pauze tusschen den wedren en zoo werd hun discours door niets gestoord. De generaal was uit beginsel een tegenstander van wedrennen, Karenin sprak hem tegen, ze verdedigende. Anna hoorde zijn schrale, eentonige stem; ieder woord scheen haar valsch en beleedigde haar gehoor.

Toen de derde wedren begon, richtte zij den blik naar voren en zag onafgewend naar Wronsky, die zich juist op het paard zette, en te gelijk hoorde zij de onaangename stem van haar echtgenoot, die niet wilde ophouden. De vrees voor Wronsky kwelde haar, maar nog meer die fijne stem.

"Ik ben eene slechte, een verloren vrouw," dacht zij; "maar ik houd niet van geveinsdheid en aan hem is alles veinzerij. Hij weet en ziet alles; welk een gevoel heeft hij dan toch, dat hij nu daar zoo kalm kan staan praten? Als hij mij of Wronsky wilde dooden, zou ik hem nog achten. Maar neen, hij kent niets dan welvoegelijkheid en huichelarij."

Zij begreep niet, dat de ongewone spraakzaamheid van dien dag, die haar zoo ergerde, slechts haar grond had in zijn onrust en opgewondenheid. Beweging van den geest was voor hem noodig om de gedachten aan zijn vrouw, die natuurlijk door haar en Wronsky's tegenwoordigheid op nieuw opgewekt werden, te verstikken.

"Het gevaar," zeide hij, "is noodwendig aan wedrennen der cavalerie verbonden. Als Engeland in zijn krijgsgeschiedenis op schitterende verrichtingen zijner cavalerie kan wijzen, dan kan het dit, dank zij zijn ijver om menschen en dieren door den sport daarvoor te vormen. De sport heeft naar mijn inzien eene beteekenis, die niet gering moet geschat worden; men ziet echter gewoonlijk slechts de oppervlakte...."

"Is dat dan ook oppervlakte?" vroeg vorstin Twersky; "men zegt, dat een officier twee ribben heeft gebroken."

Alexei Alexandrowitsch liet een lachje zien, dat slechts zijn lippen opende, maar verder niets uitdrukte.

"Toegegeven, vorstin," zeide hij, "de ribben zijn niet oppervlakkig, maar iets inwendigs. Maar daar komt het niet op aan," liet hij tot den generaal gewend volgen: "U moet niet vergeten, dat hier officieren rijden, die zich deze bezigheid tot een beroep gekozen hebben, en u zult mij toestemmen, dat ieder beroep zijn schaduwzijde heeft. Dit behoort tot de plichten van een officier. De weerzinwekkende sport van boxen of van het Spaansche stierengevecht, ja, deze zijn een teeken van barbaarschheid. Maar zulk een sport is bewijs eener hoogere volksbeschaving...."

"Neen, den volgenden keer ga ik er niet meer heen. Het windt me te veel op. Niet waar, Anna?" zeide boven vorstin Betsy.

"Het windt iemand op, maar men kan zich toch niet losrukken," antwoordde een andere dame. "Ware ik een Romeinsche geweest, ik zou voor den circus niet gegruwd hebben."

Anna antwoordde niet. Zonder den tooneelkijker neer te leggen zag zij slechts naar één plaats. Op dit oogenblik ging een hoog militair persoon voorbij. Zijn gesprek afbrekend, stond Karenin eerbiedig op en boog zich diep.

"U neemt geen deel aan den wedstrijd?" schertste de militaire autoriteit.

"Mijn rennen is zwaarder," antwoordde Karenin eerbiedig. Hoewel dit antwoord niet veel zeide, zette de militaire autoriteit een gezicht, alsof hij een zeer schranderen man gehoord en zeer goed de pointe de la sauce begrepen had.

"Vorstin, op wien wedt u?" hoorde men van beneden de stem van Stipan Arkadiewitsch zeggen.

"Anna en ik, wij wedden op vorst Kusowlew."

"Ik op Wronsky!"--"Een paar handschoenen!"

"Aangenomen."

"Niet waar? Hoe schilderachtig?"

Alexei Alexandrowitsch had zoo lang gezwegen, als men nabij hem sprak. Nu begon hij weer: "Ik geef toe, dat de spelen van volwassen mannen...."

Op dit oogenblik reden de strijders af en elk gesprek werd gestaakt. Het rijden interesseerde Karenin niet en hij zag derhalve met zijn matte oogen verstrooid naar het publiek. Eindelijk bleef zijn blik op Anna rusten.

Haar gelaat was bleek en ernstig. Zij zag blijkbaar niets als hem. Haar hand hield krampachtig den waaier vast en zij waagde het nauwelijks adem te halen. Hij zag haar een tijd lang aan, toen wendde hij zich plotseling af en monsterde de andere gezichten.

"Ja, deze dame en de andere zijn even opgewonden; dat is zeer natuurlijk," sprak Karenin bij zich zelf. Hij wilde haar niet langer gadeslaan, maar onwillekeurig keerde zijn blik weer tot haar terug. En met ontsteltenis las hij tegen zijn wil op haar gelaat datgene, wat hij niet weten wilde.

Kusowlews val in het water maakte op allen een diepen indruk, maar op Anna's bleek, van vreugde stralend gelaat zag hij duidelijk, dat hij, dien zij in het oog had, niet was gevallen. Toen nu Machatin en Wronsky de barrière waren overgesprongen en een officier, die achter hen volgde, zoo ongelukkig op het hoofd viel, dat hij terstond dood was, ging er een kreet van ontzetting door het publiek, maar Anna--dat zag Karenin--had het in het geheel niet bemerkt en begreep niets van hetgeen men rondom haar besprak. Hij bespiedde haar nu steeds veelvuldiger en steeds langer. Hoewel Anna uitsluitend naar den rijdenden Wronsky zag, voelde zij toch den zijwaarts op haar gerichten blik van haar echtgenoot. Zij keerde zich eens een oogenblik om, zag hem vragend aan, fronste licht het voorhoofd en wendde zich toen weder af.

"Och, het is mij geheel onverschillig," sprak haar houding en van toen af zag zij hem niet meer aan.

Het was een ongelukkige wedren. Van zeventien officieren waren er acht gevallen of op andere wijze buiten den strijd gesteld. Tegen het einde van den wedren verkeerden allen in groote opgewondenheid, die nog toenam, doordat de keizer ontevreden was.

XXVI.

Allen gaven luid hun ontevredenheid te kennen. "Voor een circus ontbraken hier nog slechts de leeuwen," zeide men, en allen gevoelden zich zoo ontsteld, dat, toen Wronsky viel en Anna een luiden gil uitstiet, niemand daarin iets bizonders zag. Maar onmiddellijk daarop onderging Anna's gezicht een al te vreemde verandering. Zij verloor haar zelfbeheersching en sloeg om zich als een gevangen vogel; haastig stond zij op, alsof zij ergens heen wilde gaan, toen wendde zij zich tot Betsy:

"Laats ons wegrijden! wegrijden!" riep zij uit.

Maar Betsy hoorde niet. Zij sprak juist met den adjudant-generaal.

Alexei Alexandrowitsch trad nu op Anna toe en bood haar hoffelijk den arm aan.

"Kom, als gij het wenscht," zeide hij in het Fransch. Maar zij luisterde naar hetgeen de generaal sprak en bemerkte haar man in het geheel niet.

"Men zegt, dat hij het been heeft gebroken," zeide de generaal. "Het is afschuwelijk."

Zonder haar man te antwoorden, hield Anna den tooneelkijker omhoog en zag naar de plaats, waar Wronsky gevallen was; maar het was te ver en er hadden zich te veel menschen verzameld om iets te kunnen onderscheiden. Zij liet den kijker dalen en wilde heengaan. Op dit oogenblik kwam een officier aan galoppeeren en meldde den keizer iets. Voorovergebogen luisterde Anna oplettend.

"Stiwa! Stiwa!" riep zij haar broeder toe. Maar deze hoorde niet. Nu wilde zij zelf naar beneden ijlen.

"Als ge heengaan wilt, bied ik je nogmaals mijn arm aan," zeide Alexei Alexandrowitsch.

Zij wendde zich met afschuw van hem af en, zonder hem aan te zien, zeide zij: "Neen, neen! Laat mij--ik blijf!" Zij bemerkte nu, dat van den ongeluksplaats een officier door de menigte naar de tribune ijlde. Betsy wenkte hem met een doek. De officier bracht de tijding, dat Wronsky ongedeerd was gebleven, maar dat zijn paard den rug had gebroken.

Toen Anna dit hoorde, ging zij haastig weer zitten en bedekte het gelaat met den waaier. Karenin zag, dat zij weende. Zij kon noch haar tranen, noch zelfs een zucht, die uit haar borst oprees, weerhouden. Hij plaatste zich derhalve voor haar om haar tijd te laten eenigszins tot kalmte te komen.

"Voor de derde maal bied ik je mijn arm aan," zeide hij zich na een poos tot haar omkeerend. Anna staarde hem aan en wist niet, wat zij zou antwoorden. Maar vorstin Betsy kwam haar te hulp.

"Neen, Alexei Alexandrowitsch," mengde zij zich er tusschen, "ik ben met Anna hierheen gereden en heb beloofd haar ook weer terug te brengen."

"Vergeef mij, vorstin," antwoordde hij met een hoffelijk lachje en zag haar daarbij vast aan: "Ik zie, dat Anna niet geheel wel is en daarom wensch ik, dat zij met mij rijdt."

Anna zag verschrikt om zich, stond onderworpen op en legde haar hand op den arm van haar echtgenoot.

"Ik zal naar hem toe zenden, naar alles onderzoek doen en je alles laten weten," fluisterde Betsy haar toe.

Bij het heengaan sprak Karenin als gewoonlijk met ieder, dien hij ontmoette, en ook Anna moest op de gewone wijze hen te woord staan; zij was echter als een geheel andere en ging aan haar echtgenoots arm als in een droom daarheen. Zij namen zwijgend in de coupé plaats en reden zwijgend door de menigte. In weerwil van alles, wat hij gezien had, veroorloofde Karenin zich toch niet Anna's oogenblikkelijken gemoedstoestand in overweging te nemen. Voor hem bestond slechts haar uitwendige houding en gedrag. Hij had gezien, dat zij zich ongepast had aangesteld en achtte zich verplicht haar daarop opmerkzaam te maken. Het werd hem echter zeer zwaar, haar slechts dat en niet meer te zeggen. Hij opende den mond en sprak onwillekeurig iets geheel anders.

"Hoe zonderling, dat wij allen toch in zulke barbaarsche schouwspelen behagen kunnen vinden. Ik veracht...."

"Wat? Ik versta je niet," antwoordde Anna met minachting in haar toon.

Hij gevoelde zich beleedigd en begon nu dadelijk te spreken over datgene, waarover hij wilde spreken.

"Ik moet u zeggen," begon hij in het Fransch, "dat ge u heden niet zeer gepast hebt gedragen."

"In welk opzicht heb ik mij dan ongepast gedragen?" vroeg zij luid en zag hem recht in de oogen, maar niet meer met haar vroegere ironische opgewektheid, doch met een koene, vastberaden uitdrukking, die den angst moest verbergen, dien zij ondervond.

"Vergeet niet!" zeide hij en wees naar het geopend venster achter den koetsier. Hij stond op en haalde het venster omhoog.

"Welk een ongepastheid heb je dan gevonden?" herhaalde zij.

"De uitbarsting van vertwijfeling, die ge bij den val van een der ruiters niet kondt verbergen." Hij wachtte op een antwoord, een tegenstand. Maar zij zweeg en staarde voor zich uit.

"Ik heb u reeds eens verzocht, u in de wereld zoo te gedragen, dat kwade tongen u niets kunnen ten laste leggen. Er was een tijd, dat ik van zalige gewaarwordingen sprak; daarvan spreek ik nu niet. Ik spreek nu slechts van zuiver uiterlijke dingen. Ge hebt nu ongepast voorgedaan, en ik wensch, dat zich dat niet herhaalt."

Zij hoorde nauwelijks de helft zijner woorden. Zij vreesde hem en dacht daarbij, of Wronsky wel ongedeerd gebleven was of niet. Zij lachte slechts spottend, toen hij ophield, en antwoordde niets. Hij zag dit lachen en een zonderlinge verwarring beving hem; de vrees, die zij gevoelde, deelde zich in zekere mate aan hem mede.

"Zij lacht om zijn verdenking," dacht hij. "Zij zal mij hetzelfde zeggen als onlangs, dat er geen grond voor argwaan bestaat, en dat ik mij belachelijk maak."--Hoewel haar geheele schuld hem duidelijk voor oogen stond, wenschte hij nu toch niets zoozeer, als dat zij zich over hem vroolijk mocht maken, en hij was bereid haar in alles te gelooven, om maar niet datgene te moeten gelooven, waarvan hij wist, dat het waar was. Maar de uitdrukking van haar gelaat, verschrikt en somber, als zij was, liet nu niet eens meer aan een leugen gelooven.

"Wellicht verkeer ik in dwaling," zeide hij. "In dat geval vraag ik u mij te verontschuldigen."

"Neen, gij vergist u niet," antwoordde zij langzaam en zag hem wanhopig in zijn koud gelaat. "Gij vergist u niet. Ik was in vertwijfeling en kon niet anders zijn. Ik hoor u spreken en denk aan hem. Ik bemin hem en ben zijn geliefde! Ik kan niet langer veinzen. Ik verafschuw, ik haat u.... Doe met mij, wat gij wilt...!" En zij leunde in den hoek van het rijtuig achterover, en haar gelaat met de handen bedekkend, barstte zij in snikken uit.