Anna Karenina

Part 16

Chapter 16 3,968 words Public domain Markdown

"Nu goed, veronderstel, dat ik het deed," antwoordde zij; "maar weet ge, hoe het dan zou gaan? Dit kan ik je nauwkeurig vooruit zeggen." En een booze blik verving de zooeven nog zachte uitdrukking in haar oogen: "O! gij bemint een ander en houdt met hem een misdadigen omgang!" zeide zij haar man nabootsend en legde den klemtoon op het woord "misdadig."--"Ik heb van godsdienstig, sociaal en zuiver familiaar standpunt uit je gewaarschuwd voor de gevolgen. Maar je hebt niet naar mij gehoord. Nu kan ik mijn naam en dien ....' _van mijn zoon_, wilde zij er bijvoegen, maar over haar zoon wilde zij niet spottend spreken .... "niet laten compromitteeren en zoo verder op deze manier. Bovendien zal hij mij op zijn diplomatische wijze klaar en bepaald te kennen geven, dat hij mij niet vrij kan laten, en zal tevens, zooveel van hem afhangt, alle mogelijke maatregelen aangrijpen om een openlijk schandaal te verhinderen. En hij zal dat ook even ordelijk en kalm, als hij het gezegd heeft, weten uit te voeren. Zoo zal het gaan," zeide zij, zich steeds meer opwindend; "want dat is geen mensch, maar een machine, en wel onder zekere omstandigheden, als zij gestoord wordt, een zeer gevaarlijke machine...." en nu dacht zij aan al de zonderlingheden in zijn persoonlijkheid, in zijn manier van zich uit te drukken, en legde hem alles ten laste, wat zij maar onaangenaams en slechts aan hem vinden kon, en vergaf hem niets, omdat zij zelf zulk een verschrikkelijke schuld tegen hem op het geweten had.

"Maar Anna," zeide Wronsky op den toon van zacht verwijt om haar kalmer te stemmen; "het is toch noodig hem alles te zeggen. Naar gelang van zijn maatregelen kunnen wij dan de onze nemen."

"Gij meent dus _vluchten_!?"

"Als het noodig is, waarom niet? Zoo voort te leven als tot nu toe is onmogelijk. Niet om mijnentwil, maar ik zie, hoe gij daaronder lijdt."

"Ja, vluchten! opdat ik slechts uw liefje word!" bracht Anna boos daar tegen in.

"Anna!" zeide hij verwijtend.

"Ja," ging zij voort, "alles kan te gronde gaan als ik maar uw liefje word!" Zij wilde weer iets van haar zoontje zeggen, maar zij vermocht zijn naam niet uit te spreken.

Wronsky was geheel onthutst door haar manier van doen. Hij kon niet begrijpen, hoe zij, bij haar sterke, eerlijke natuur, dezen toestand van bedrog kon verdragen zonder te wenschen, in elk geval daaruit bevrijd te worden, want hij vermoedde niet, dat de hoofdoorzaak in het enkele woord "zoon," dat zij niet vermocht uit te spreken, was gelegen. Dacht zij aan haar zoon en zijn toekomstige verhouding tot zijn moeder, die zijn vader had verlaten, dan greep haar zulk een ontzetting aan over hetgeen zij gedaan had, dat zij zich beijverde, daarover in het geheel niet verder na te denken, maar slechts haar handelwijze als vrouw met bedriegelijke gronden en woorden te verontschuldigen, opdat maar alles bij het oude bleef en zij de verschrikkelijke vraag, wat van den zoon zou worden, konde vergeten.

"Ik smeek je, ik bezweer je," zeide zij plotseling op geheel veranderden, op oprechten en teederen toon, terwijl zij zijn hand greep; spreek nimmer van deze zaak...."

"Maar, Anna ...!"

"Neen, nimmer! Laat dat aan mij over. Ik ken al het vernederende van mijn toestand. Maar dat is niet zoo licht te veranderen, als gij denkt. Spreek daar niet meer van. Wil je 't mij belooven? Beloof het mij...."

"Ik beloof alles, maar dat stelt me niet gerust, te minder nadat je zoo tot mij gesproken hebt. Ik ben niet eerder gerust, voor gij het zijt...."

"Ik?" bracht zij er tusschen in, "ja, ik kwel me somwijlen. Maar dat zal voorbij gaan, als gij er mij niet meer aan herinnert. Dan slechts kwel ik mij."

"Dat begrijp ik niet," antwoordde hij.

"Ik weet, dat leugen en bedrog in strijd is met uw eerlijke natuur, en het doet me daarom leed om uwentwil. Ik denk dikwijls, dat ge uw leven voor mij hebt te gronde gericht."

"En ik dacht juist omgekeerd, dat gij om mijnentwil alles hebt opgeofferd. Ik kan het mij niet vergeven, dat ge nu zoo ongelukkig zijt."

"Ik ongelukkig?" sprak zij, terwijl zij naar hem toetrad en hem met een blik vol liefde aanzag: "Ik ben als een hongerige, dien men gespijzigd heeft; wellicht mag hij nog huiveren en zijn gewaad gescheurd zijn, maar ongelukkig is hij niet. Ongelukkig--ik? Neen, het is mijn geluk ..."

Hier hoorde zij plotseling de stem van haar zoontje. Met haastigen blik overzag zij het geheele terras en stond toen driftig op. Haar oog ontvlamde in den hem bekenden gloed, ze hief haar schoone, met ringen versierde handen op en nam zijn hoofd daar tusschen; een lange diepe blik, haar geopende mond naderde hem en zo kuste hem snel op den mond en de beide oogen en schoof hem toen weer van zich af. Zij wilde zich verwijderen, maar hij hield haar terug.

"Wanneer?" fluisterde hij.

"Om één uur," fluisterde zij terug, loosde een diepe zucht en ging toen met lichten, snellen tred haar zoontje te gemoet.

Wronky zag op de pendule en verliet haastig de veranda.

XXI.

Wronsky had op de pendule gezien, maar was zoo opgewonden en nog zoozeer met zijn gedachten gevuld geweest, dat hij den wijzer wel had gezien, maar zijn beteekenis niet had begrepen. Hij ging voorzichtig naar zijn rijtuig, dat op de slijkerige landstraat stond. De koetsier was op den bok ingeslapen. Hij wekte hem, sprong in de kales en beval hem naar Briansky te rijden. Zij hadden wel reeds zeven werst gereden, toen Wronsky eerst in zoover tot bezinning kwam, dat hij op het horloge zag en dadelijk begreep, dat het al half zes was en hij zich veel had verlaat.

Dien dag hadden er verscheiden wedrennen plaats: Een wedren in afgesloten ruimte, een andere officierswedren en dan de zijne. Bij dezen kon hij nog tijdig genoeg aankomen, al reed hij eerst naar Briansky; het hof zou dan al wel bijeen zijn, en dit was onaangenaam; maar hij had het Briansky vast beloofd en derhalve beval hij den koetsier de paarden niet te sparen. Hij kwam bij Briansky, bleef slechts vijf minuten en toen ging het in vollen galop weer terug. Dit snelle rijden gaf hem zijn kalmte weder. Zijn gedachten richtten zich nu in vroolijke spanning op den ophanden zijnden wedren en slechts nu en dan vloog de voorstelling van het tegen den nacht afgesproken rendez-vous als een heldere straal door zijn phantasie. Hij achterhaalde meerdere equipages, die van de villa's of van Petersburg naar de renplaats reden.

In zijn woning vond hij slechts zijn staljongen, die hem aan de deur opwachtte en hem terwijl hij zich verkleedde, mededeelde, dat de tweede wedren reeds was begonnen, dat vele heeren naar hem gevraagd hadden en dat de stalknecht er ook al geweest was.

Nadat hij zich zonder overhaasting had verkleed, reed hij naar de stallen van de wedrenplaats. Toen hij de barak binnen trad, hoorde hij schellen. De tweede wedren nam juist een aanvang. Daarbuiten voor den stal had hij Machatins Gladiator ontmoet, die in een oranjekleurig met donkerblauw afgezet dek naar de hippodroom werd geleid.

"Waar is Kord?" vroeg hij den stalknecht.

"In den stal bij het zadelen."

In de geopende standplaats stond Froe-Froe reeds gezadeld. Men wilde ze naar buiten leiden.

"Heb ik mij verlaat?"

"All right, all right! Alles in orde!" antwoordde de Engelschman. "Wind u niet op." Wronsky's onderzoekende blik vloog nog eens over de sierlijke vormen zijns lievelings en toen ging hij weer naar buiten. Hij naderde de tribune in het gunstigst oogenblik om de opmerkzaamheid niet tot zich te trekken. De tweede wedren was juist geëindigd; alle oogen waren op een cavalerie-gardist en achter hem op een lijfhuzaar gericht, die de laatste krachten hunner paarden aanspoorden en den paal naderden. Van alle zijden drongen de volksmenigte en de soldaten op den paal toe, en hierdoor kon Wronsky zich onbemerkt onder de menigte mengen.

Wronsky vermeed opzettelijk de groepen der aanzienlijken, die zich voor de tribune vrij bewogen en met elkander spraken. Hij bemerkte daar mevrouw Karenin, vorstin Betsy en de vrouw van zijn broeder, maar, om niet afgeleid te worden, naderde hij hen niet. Maar ieder oogenblik ontmoette hij kennissen, die hem aanspraken, hem bizonderheden van den afgeloopen wedren verhaalden en hem vroegen, waarom hij zoo laat was gekomen.

Op het oogenblik, toen de overwinnaars van den laatsten wedren naar de tribune geleid werden om hun prijzen te ontvangen, ontmoette Wronsky zijn oudsten broeder Gregorius, een overste met vangsnoeren; klein van gestalte, maar even breed geschouderd als Alexei, nog schooner en blozender van kleur, maar met een gloeienden neus en het kennelijk gezicht van een drinker.

"Heb je mijn briefje ontvangen?" vroeg hij. "U zelf vindt men nooit."

Gregor Wronsky was, in weerwil van zijn uitspattingen en onmatig drinken, een volkomen hoveling. Terwijl hij met zijn broeder sprak over een zaak, die voor dezen hoogst onaangenaam was, vergat hij niet, dat vele oogen op hem konden gevestigd zijn en behield hij een vroolijk onbevangen gelaat, alsof zij over iets zeer onbeduidends spraken.

"Ik heb het ontvangen en begrijp werkelijk niet waarover ge u bezorgd maakt." antwoordde Alexei.

"Ik maakte mij bezorgd, omdat men mij zeide, dat je nog niet hier waart en dat men u Maandag in Pargalowo gezien had."

"Er zijn dingen, waarover alleen hun een oordeel toekomt, die er bij geïnteresseerd zijn, en daartoe behoort ook de zaak, waarmede gij meent u te moeten bezig houden."

"Ja, maar dana moet men niet ..."

"Ik verzoek je, u daarin niet te mengen. Dat is alles."

Alexei Wronsky was bleek geworden en zijn onderlip beefde, wat hem zelden gebeurde. Zijn broeder wist dat dit een kwaad teeken was en lachte vroolijk als te voren.

"Ik wilde je moeders brief maar geven," antwoordde hij; "maar wind je vóór den wedren niet op. Bonne chance!" voegde hij er lachend bij en verwijderde zich.

Maar dadelijk na hem sprak weer iemand anders met vrienschappelijken groet Wronsky aan.

"Wel, je kent je vrienden niet. Bonjour, mon cher!" zeide Stipan Arkadiewitsch, die hier met zijn frisch gelaat en wel onderhouden baard niet minder schitterend dan in Moskou. "Ik ben gisteren hier gekomen en verheug mij buitengewoon u spoedig in je zegepraal te zullen zien. Wanneer zien wij elkander weer?"

"Kom morgen aan de officierstafel," zeide Wronsky, en zich verontschuldigend, ging hij naar het midden der renbaan, waar men de paarden voor den grooten wedren met hindernissen heenleidde.

De met zweet en modder bedekte, afgereden en uitgeputte paarden werden hier door de stalknechts geleid naar huis gevoerd, terwijl voor en na de nieuwe, meest Engelsche paarden verschenen, die in hun dekken en met hun sterk ingetrokken buiken er als zonderlinge, groote vogels uitzagen. Rechts werd de schoone, gracieuse Froe-Froe voorgeleid; zij schreed op haar elastische en lange enkels en hoeven als op springveeren voort. Niet ver van haar af werd Gladiator het dek afgenomen.

Wronsky wilde naar zijn paard gaan, maar andermaal werd hij door een bekende opgehouden.

"Daar is Karenin," zeide deze. "Hij zoekt zijn vrouw. Zij zit in het midden der tribune. Hebt ge haar al gezien?"

"Neen," antwoordde Wronsky en zonder naar de tribune te zien ging hij naar zijn paard.

Nauwelijks had Wronsky kunnen onderzoeken, of zijn paard goed gezadeld was, toen de ruiters reeds naar de tribune werden geroepen om hun nummers te trekken. Met ernstige, strenge, ook wel met bleeke gezichten traden zeventien officieren naar de bus en trokken er de nummers. Wronsky bekwam nummer 7. Toen klonk het commando: "Opstijgen!"

In het gevoel, dat hij en de overige ruiters nu het middelpunt van alle op hen gerichte oogen waren, naderde Wronsky zijn paard in dien gespannen toestand, die hem altijd bezonnen en rustig in zijn bewegingen maakte. Kord had zich ter eere van den dag in zijn parade-costuum gestoken, een zwarten tot boven dichtgeknoopten jas, sterk gesteven halsboord, waarop zijn kinnebakken rustten, zwarten hoed en kaplaarzen. Hij was als altijd kalm en vol gevoel van eigenwaarde en hield zelf het paard aan beide teugels. Froe-Froe sidderde als in de koorts en haar vurig oog zag schuins naar den naderenden Wronsky. Deze schoof den vinger onder het zadel. De Engelschman vertrok den mond, hetwelk een lach beteekende, omdat men zijn zadel onderzocht.

"Ga maar opzitten, mylord; u moet zich minder opwinden."

Wronsky keerde zich nog eenmaal naar zijn rival toe. Hij wist, dat hij hem bij het rijden niet meer zien zou. Twee strijders reden al naar de plaats van waar afgereden zou worden. Galzin, een vriend en een der gevaarlijke mededingers van Wronsky, draaide met een bruinen hengst, die hem niet wilde laten opzitten, in het rond. Een kleine lijfhuzaar in een nauwe rijbroek reed, in navolging van den Engelschman, krom als een kater, in galop. Vorst Kusowlew zat doodsbleek op een volbloed merrie, die een Engelschman aan den teugel leidde. Wronsky en al zijn kameraden kenden Kusowlew en zijn eigenaardigheden, namelijk zijn buitengewoon groote eerzucht en zijn zwakke zenuwen. Hij vreesde overal en voor alles en was zelfs bang om op een paradepaard te rijden; maar heden, juist omdat het gevaarlijk was en men den hals kon breken en bij elke barrière een dokter met een lazaretwagen en een pleegzuster gereed stonden, juist daarom had hij besloten mede te rijden. Hun blikken ontmoetten elkander en Wronsky knikte Kusowlew vriendelijk en bemoedigend toe. Slechts een, zijn voornaamsten mededinger, Machatin op zijn Gladiator, zag hij niet.

"Haast u niet," zeide Kord tot Wronsky, "en denk aan één zaak, mylord: bij hindernissen mag u niet ophouden of mennen, maar moet u het paard zelf laten doen, wat het wil."

"Goed, goed," antwoordde Wronsky en greep de teugels.

"Als u kunt, neemt u de leiding weer op; overigens moet u tot op het laatste oogenblik niet wanhopen, zelfs niet als u achter blijft."

Het paard had geen tijd een beweging te maken, toen Wronsky al vast op het krakende leder van den zadel zat. Alsof zij niet wist, met welken voet zij het eerst zou aantreden, rukte Froe-Froe met haar langen hals aan de teugels en liet den ruiter op haar langen rug als op springveeren wippend op- en neergaan. Kord ging, zijn schreden verhaastend, achter haar.

Zij naderden reeds de plaats, vanwaar afgereden zou worden. Eenigen der ruiters bevonden zich voor hen, anderen meer terug, toen Wronsky plotseling achter zich op de slijerige baan den galop van een paard hoorde, en onmiddellijk daarop sprong Machatin hem op zijn Gladiator met zijn witte pooten voorbij. Machatin lachte hem toe, maar Wronsky zag hem onvriendelijk aan. Hij was hem niet genegen en nu hield hij hem voor zijn gevaarlijksten tegenstander en het ergerde hem, dat hij hem voorbij galoppeerde en Froe-Froe daardoor opgewonden maakte. Deze hief het linkerbeen op tot den galop en na twee zetten ging zij, zich over den straf aangetrokken teugel ergerend, in een stootenden draf over. Kord fronste het voorhoofd en liep achter Wronsky heen.

XXII.

De wedren ving niet aan in de baan zelf, maar drie honderd meter buiten dezelve, en op dit gedeelte bevond zich de eerste hindernis, een gracht van drie meter breed, die de ruiters naar believen konden overspringen of doorrijden. Driemaal plaatsten de ruiters zich in een rij, maar telkens kwam een paard te ver naar voren en men moest andermaal de rij formeeren. Eindelijk, de vierdemaal gelukte het en "voorwaarts!" klonk het commando. Alle oogen en kijkers van de tribune waren op den bonten ruitertroep op het oogenblik van zijn afrijden gericht.

De opgewonden, zenuwachtige Froe-Froe verzuimde het eerste oogenblik, meerdere paarden waren haar al voorgekomen, maar nog vóór het water achterhaalde zij zonder moeite drie van hen, en slechts de met het achterlijf licht en gelijkmatig werkende Gladiator bleef haar voor en buitendien geheel vooraan de bevallige Diana, die den meer dooden dan levenden Kusowlew droeg.

In de eerste oogenblikken had Wronsky noch zich zelf noch het paard in zijn macht. Tot aan de eerste hindernis, de gracht, vermocht hij zijn paard niet te besturen. Gladiator en Diana kwamen bijna te gelijk aan dezelve--een, twee! hieven zij zich op en vlogen naar de andere zijde over; onmiddellijk achter hen hief zich ook Froe-Froe op, maar op het oogenblik dat Wronsky zich nog in de lucht voelde zweven, zag hij plotseling schier onder de hoeven van zijn paard Kusowlew, die aan den anderen oever met zijn Diana uit het water omhoog zocht te krabbelen. Kusowlew had namelijk dadelijk bij den sprong van zijn paard den teugel losgelaten en natuurlijk moest dit deze gevolgen hebben. Wronsky vernam dit later, nu bemerkte hij slechts, dat zich daar, waar Froe-Froe haar voeten moest neerzetten. Diana's kop bevond. Maar als een kat onder het vallen maakte Froe-Froe onder den sprong een krachtige beweging in den rug en met de beenen, zoodat zij, zonder Diana aan te raken, voorbij vloog. Van nu af had Wronsky zijn paard geheel in zijn macht. Hij hield het terug met het oogmerk, de groote barrière eerst na Machatin over te springen, en hem dan op de eerste vrije ruimte voorbij te komen.

De groote barrière stond recht voor de tribune van het hof. De keizer, het geheele hof en een menigte volks, allen hadden het oog op hem gevestigd en op Machatin, die een paardlengte voor hem reed, toen zij een bedekte barrière, den zoogenaamden "duivel", naderden. Wronsky besefte dit, hoewel hij niets zag als de ooren en den kop van zijn paard, die hem tegen vliegenden grond en Gladiators witte voeten, die snel en steeds op denzelfden afstand voor hem de maat sloegen. Daar hief Gladiator zich op en zonder ergens aan te stooten en terwijl zijn korte staart hoog opfladderde, verdween hij voor Wronky's oogen. "Bravo!" hoorde men ergens een stem roepen. Op hetzelfde oogenblik schemerden voor hem de planken der barrière. Zonder de beweging te veranderen hief zijn paard zich onder hem op, de planken verdwenen en slechts hoorde hij achter zich een lichten klop. Door het zien van den vooruitgaanden Gladiator vurig geworden, had Froe-Froe zich wat te vroeg voor de barrière opgeheven en deze derhalve met een achterhoef aangeraakt. Maar haar gang bleef onveranderd en Wronsky zag, dat hij nauwkeurig den ouden afstand van Gladiator had behouden. Hij zag weer diens kruis, den korten staart en de snel uitslaande witte voeten voor zich.

Op dit oogenblik, toen Wronsky dacht, dat wel de tijd daar was om Machatin voorbij te komen, begon Froe-Froe, alsof zij de gedachten van haar heer had geraden, van zelf Gladiator te naderen en wel aan de voordeeligtse zijde van de lijn. Maar Machatin gaf de lijn niet vrij. Wronsky overlegde, of men wellicht op de bocht van buiten voorbij zou kunnen komen, toen Froe-Froe dit reeds van zelf deed en al begon te vorderen. Haar van zweet al donker gekleurde schouder bevond zich reeds naast Gladiators kruis. Toen liepen zij een poos geheel naast elkander. Maar nu kwamen zij aan een hindernis en om deze niet in de groote bocht te nemen, begon Wronsky met den teugel te werken, en spoedig kwam hij Machatin op de schuinsche hoogte voorbij. Wronsky zag zijn met modder bespat gezicht, het scheen hem zelfs toe te lachen. Wronsky was nu Machatin vooruit, maar hij bemerkte hem dicht achter zich en hoorde voortdurend den gelijkmatigen hoefslag en het korte, krachtige snuiven uit de neusgaten van Gladiator.

De beide naaste hindernissen, een gracht en een barrière, werden zonder veel moeite overwonnen, maar Wronsky hoorde nu den hoefslag en het snuiven achter zich naderen. Hij bestuurde Froe-Froe en voelde met blijdschap, dat haar gang zich versnelde en Gladiators hoefslag weer was als te voren.

Wronsky leidde nu den ren van het paard, zooals Kord hem had geraden en hij zelf voornemens was geweest. Nu was hij van den uitslag zeker. Zijn opgewondenheid, zijn blijdschap, zijn teederheid voor Froe-Froe werden steeds grooter. Hij had gaarne eens omgezien, maar dat durfde hij niet, en hij trachtte slechts zijn kalmte te vermeerderen en zijn paard niet sterker aan te drijven, ten einde het den voorraad kracht te laten behouden, waarover, zooals hij bemerkte, Gladiator nog beschikte. Er bleef nu nog maar ééne, doch de bezwaarlijkste hindernis over. Kon hij deze te boven komen, dan was hij overwinnaar. Hij naderde de barricade. Hij en Froe-Froe bemerkte haar te gelijk en oogenblikkelijk beving hen dezelfde twijfel. Hij bemerkte de weifeling van zijn paard aan diens ooren en hief reeds de karwats op, maar zag nog tijdig, dat zijn twijfel ongegrond was. Froe-Froe verzamelde haar kracht juist zooals hij het dacht en wenschte, verhief zich en de kracht harer energie droeg haar ver over de gracht en in gelijken gang en dezelfde snelheid, zonder veel inspanning, ging zij met rennen voort.

"Bravo, Wronsky!" hoorde hij uit een menschenhoop roepen; hij wist, dat het lieden en kameraden uit zijn regiment waren, en hij meende Jawschins stem te herkennen, maar hij zag hem niet. Hij luisterde rugwaarts, wat achter hem geschiedde. "Overgesprongen!" dacht hij, toen hij Gladiators hoefslagen weer achter zich hoorde.

Er bleef nu nog een natte gracht van twee meter breedte over. Wronsky vestigde er zijn aandacht niet eens op; maar wenschende een zoo groot mogelijken voorsprong te gewinnen, begon hij met de teugels te werken en ze naar de maat op te heffen en weder op den hals van het paard te laten dalen. Hij bemerkte dat Froe-Froe haar laatste krachten bezigde. Hals en schouders waren wit, maar ook aan de manen, aan den kop en aan de spitse ooren hing het zweet bij droppels en zij ademde kort en scherp. Maar hij wist ook, dat haar voorraad van kracht voor de nog ontbrekende zeshonderd meter toereikend zou zijn. Slechts daaraan, dat hij zich nader bij den grond bevond en aan een bizondere elasticiteit van beweging bespeurde Wronsky, hoe zich de snelheid van zijn paard had vergroot. De gracht sprong het zonder bezwaar over. Het schoot er als een vogel over heen, maar op hetzelfde oogenblik bemerkte Wronsky tot zijn schrik, dat hij zelf de beweging van zijn paard niet gevolgd had, maar onbegrijpelijker wijze zich met een onvergefelijk slechte beweging op den zadel had laten vallen. Daardoor werd de situatie plotseling een geheel andere; Wronsky zag, dat iets ongehoords was geschied; het was hem niet duidelijk wat, toen eensklaps dicht voorbij hem de voeten van Gladiator schemerden en Machatin in den snelsten galop voorbij suisde. Wronsky raakte met een voet den grond en op dezen voet zonk de zwaarte van zijn paard. Nog nauwelijks had hij zijn voet vrijgemaakt, toen ook Froe-Froe reeds zwaar rochelend op zijde viel, en met haar fijnen met zweet bedekten hals vergeefsche pogingen aanwendde om zich weer op te richten. Zij lag aan zijn voeten bevende op den grond als een aangeschoten vogel. Wronsky's valsche beweging had haar den rug gebroken. Dat vernam hij veel later. Nu zag hij slechts dit eene, dat Machatin zich snel verwijderde en dat hij alleen wankelend op den modderigen grond stond en dat Froe-Froe zwaar rochelend voor hem lag, met den kop naar hem toegekeerd en hem met haar schoone oogen aanstarende. Nog steeds niet begrijpend, wat er gebeurd was, rukte hij het paard aan den teugel. Het sloeg om zich als een visch in het net, trok de voorpooten bijeen, maar, niet in staat zich van achteren op te richten, sloeg het weder om zich en viel andermaal op zijde. Met hartstochtelijk ontsteld gelaat, bleek en met sidderende lippen, sloeg Wronsky het met de sporen onder den buik en begon weer aan den teugel te rukken--maar Froe-Froe bewoog zich niet, zij drukte den muil op den grond en zag haar meester met de schoone, sprekende oogen aan.

"A--h!" kermde Wronsky, met de handen naar het hoofd grijpend, "wat heb ik gedaan! De ren is verloren! En dat door eigen schuld. Beschamend, onvergefelijk! En dat arme, lieve, te gronde gerichte paard; ach! wat heb ik gedaan!"