Anna Karenina

Part 13

Chapter 13 4,042 words Public domain Markdown

Sinds dien avond begon er een nieuw leven voor Alexei Alexandrowitsch en zijn vrouw. Er was niets bizonders voorgevallen. Anna reed als vroeger uit, bezocht vorstin Betsy dikwijls en trof Wronsky overal aan. Haar echtgenoot wist het, maar kon er niets aan doen. Al zijn pogingen om haar tot een verklaring te bewegen stuitten af op een ondoordringbaren muur van kluchtig misverstand. Uiterlijk was alles hetzelfde, maar hun intieme verhouding tot elkander was geheel veranderd. Zoo sterk Alexandrowitsch zich in zijn officieel leven gevoelde, zoo zwak gevoelde hij zich hier. Als een ter slachtbank geleide stier, wachtte hij met gebogen hoofd de bijl af, die hij boven zijn hoofd zag opgeheven. Telkens, als hij er aan dacht, meende hij nog een poging te moeten wagen, of zij nog niet door goedheid en liefde te overtuigen, te redden zou zijn, of hij haar niet dwingen kon tot bezinning te komen, en elken dag nam hij zich voor nog eenmaal met haar te spreken. Doch zoo dikwijls hij begon, besefte hij, dat de demon van boosheid en leugen, die haar beheerschte, ook hem overweldigde, en hij zeide altijd wat anders en op een geheel anderen toon, als hij zich had voorgenomen. Hij viel onwillekeurig in zijn ouden toon; hij sprak als iemand, die dengene, die zoo sprak, uit zou lachen. En op dien toon kon hij natuurlijk niet zeggen, wat hij haar te zeggen had.

Wat bijna een jaar lang voor Wronsky de hoogste wensch zijns levens en voor Anna een onmogelijke en daarom te bekoorlijker droom geweest was, dat was nu werkelijkheid geworden. Bleek, met trillende lippen stond hij over haar gebogen en bezwoer haar, zich gerust te stellen, zonder zelf te weten waarover of waarom.

"Anna! Anna!" zeide hij met bevende stem, "Anna om Godswil...."

Maar hoe dringender hij smeekte, des te dieper boog zij het eens zoo fier opgeheven, nu zoo diep vernederd hoofd; zij boog zich zoover voorover, dat zij van de sofa aan zijn voeten neergleed en snikkend fluisterde zij: "Vergeef mij!"

Zij gevoelde zich zoo schuldig en misdadig, dat haar niets overbleef, dan zich te vernederen en om vergeving te bidden. Nu bezat zij in de geheele wereld niets meer dan hem alleen. Verder sprak zij niets; meer kon zij niet zeggen. Zijn aanblik deed haar physische vernedering gevoelen.

Hij echter gevoelde, wat een moordenaar bij het aanschouwen van zijn levenloos offer gevoelen moet; dit zijn offer was haar liefde. Er lag iets stuitends, afschuwelijks in de herinnering aan datgene, waarvoor men zulk een schandprijs betaald had.--Maar ondanks allen afschrik van den moordenaar voor het lijk van den vermoorde, moet hij dit lijk toch misvormen en verbergen, moet hij van het voordeel partij trekken, dat hij door dien moord gewonnen heeft. En evenals de moordenaar zich woest over het lijk heen werpt, het verscheurt, verminkt en onkenbaar maakt, zoo bedekte hij haar gelaat en schouders met hartstochtelijke kussen. Zij hield zijn hand vast en bewoog zich niet.

"Ja, deze kussen zijn datgene, wat door die schande is gekocht. Ja, en dit is de hand, die nu de mijne is en blijven zal, de hand van mijn medeplichtige." Zij bracht de hand aan haar mond en kuste ze. Hij zonk op de knieën en wilde haar in het gelaat zien. Maar zij verborg het en sprak geen woord. Eindelijk beheerschte zij zich met inspanning om op te staan en duwde hem van zich.

"Alles is voorbij," sprak zij. "Ik heb niets meer dan u. Vergeet dit niet."

"Hoe zou ik vergeten, wat voor mij _het leven_ is? Voor een oogenblik van zulk een geluk...."

"Wel een geluk?" vroeg zij met schrik en afschuw; en deze afschuw deelde zich onwillekeurig aan hem mede.

"Om Godswil! geen woord, geen enkel woord meer!" herhaalde zij en met een vreemde, hem onverklaarbare uitdrukking in het gelaat ging zij van hem af.

X.

Den eersten tijd na zijn terugkomst uit Moskou kromp Lewin telkens ineen en bloosde als hij aan de ondervonden afwijzing dacht. "Evenzoo kromp ik ineen en bloosde ik," dacht hij, "toen ik nummer één voor de physica [7] kreeg en in de tweede klasse bleef zitten; toen achtte ik mij ook verloren, en nu? Jaren zijn sedert dien tijd voorbij gegaan en ik verwonder mij thans, dat ik mij dat vroeger zoo zeer kon aantrekken. Zoo zal het ook met dit verdriet gaan. Er zal ook een tijd komen, dat ik er even onverschillig aan denk."

Doch drie maanden waren verloopen en nog was hij er niet onverschillig onder geworden; de herinnering deed hem nog even pijnlijk aan als in de eerste dagen, ofschoon tijd en arbeid het hunne gedaan hadden. Op die groote herinnering hoopte zich al meer en meer kleine en toch zoo belangrijke gebeurtenissen uit het landleven en bedekten haar langzamerhand. Met elke nieuwe week dacht hij minder aan Kitty en verwachtte ongeduldig de bekendmaking van haar huwelijk, die hem, hoopte hij, even volkomen zou genezen, alsof hij zich een tand liet trekken.

Intusschen was de lente gekomen, een zeldzaam schoone, zachte lente, waarin plant en dier en mensch zich verheugden. In de laatste vastenweek was het nog helder vriezend weer geweest. Des daags dooide het in de zon, des nachts daalde de thermometer tot zeven graad. Op den eersten Paaschdag lag er nog sneeuw. Plotseling, op den tweeden Paaschdag, kwam er een warme wind, wolken stapelden zich opeen, en drie dagen en nachten stroomde onverpoosd een zachte regen neder. Donderdags ging de wind liggen en er verbreide zich een dichte, grauwe nevel. De wateren werden ontboeid, het ijs brak en barstte, schuimende, troebele waterstroomen zochten overal uitwegen; toen week de nevel, de wolken verstoven in kleine vlokken, het werd helder en de lente hield haar intocht. De heldere morgenzon deed spoedig het dunne ijs dat zich 's nachts op de poelen en plassen gevormd had, smelten, en de lucht trilde van de opstijgende uitwaseming der verjongde aarde. De dorre weiden werden groen, het jonge gras schoot als naalden omhoog, de knoppen der vlierboomen, der St. Jansbessen en der geurige berken zwollen, en op de met gele bloemen bestrooide weide gonsden de bijenzwermen. Nabij het fluweelachtig groen der graanvelden hoorde men den onzichtbaren leeuwerik, het schreeuwen van den kievit boven de met troebel water gevulde greppels en moerassen, en hoog in de lucht jubelden de kraanvogels de lente te gemoet. Weldra loeide ook het vee in de weide, krompootige lammeren speelden om hunne blatende moeders en de bloote voeten der dorpskinderen gingen over de natte paadjes door de velden, van de overzijde der beek klonken vroolijke stemmen der huismoeders, die haar linnengoed bleekten, en van de hoeven de slagen der aksten van de boeren, die hun ploegen en eggen in gereedheid brachten. Het was een echte, ware lente.

XI.

Lewin trok zijn hooge jachtlaarzen en heden voor het eerst een kort wollen buis in plaats van zijn pels aan en deed zijn rondte over zijn landgoederen, nu eens over klaterende beekjes, dan over ijs en straks weer diep in den modder stappende. De lente is de tijd van plannen en ontwerpen. Eerst ging hij naar het vee. De koeien waren op het erf voor den stal gebracht, hun huid glinsterde in de warme zon en zij loeiden van verlangen naar de weide. Lewin beval ze naar buiten te brengen en de kalvers in de stalhokken te laten en voor hen troggen met water en ruiven met hooi neer te zetten. Maar het bleek, dat de ruiven, hoewel in den herfst gerepareerd, in den winter weer gebroken waren. Hij zond om den wagenmaker, maar vernam, dat die aan de eggen werkte, die reeds in de boterweek [8] gereed hadden moeten zijn. Het was voor Lewin zeer verdrietig, dat die wanorde in de zaken zich zoo dikwijls herhaalde, hoezeer hij er jaar op jaar ook tegen gestreden had. Daarom liet hij den opzichter roepen. Deze kwam van de dorschvloer, in een korten pels gehuld en met een stroohalm, dien hij knakte, in de hand.

"Waarom is de wagenmaker niet bij de dorschmachine?"

"Ik wilde het u gisteren al melden: De eggen moeten eerst klaar zijn, daar wij ze morgen op het land noodig hebben."

"Wat heeft hij dan den geheelen winter uitgevoerd?"

"Waarvoor heeft u nu den wagenmaker noodig?"

"Waar zijn de ruiven voor de kalverhokken?"

"Die heb ik op zij laten zetten. Maar wat kan men met zulk volk uitvoeren? vroeg de opzichter en gesticuleerd.

"Met zulk volk? Met zulk een opzichter!" stoof Lewin op. "Waarvoor ben jij hier eigenlijk ...?" riep hij uit, maar terstond bedenkend, dat hij daarmede toch niet verder kwam, bleef hij steken en zuchtte slechts eens diep. "Nu hoe staat het met het zaaien?"

"Achter Turkino zullen wij morgen of overmorgen al kunnen beginnen."

"En de klaver?"

"Ik heb Wassili en Mischka naar buiten gezonden; zij zaaien ze nu uit, maar ik weet niet, of zij er mee klaar zullen komen, want het land is nog zeer nat."

"Op hoeveel desjatinen?"

"Op zes."

"Waarom niet op alle?" riep Lewin ontstemd uit. Het was volgens zijn theorie en ervaring wenschelijk de klaver altijd zoo vroeg mogelijk, zoo mogelijk met het smelten der sneeuw, uit te zaaien. Maar hij had dat nooit gedaan kunnen krijgen.

"Er is geen volk te bekomen? Wat zou men met dit volk beginnen? Drie zijn er niet gekomen...."

"Je hadt er eenigen van het stroo af kunnen nemen."

"Dat heb ik gedaan."

"Wat doen die dan?"

"Vijf zijn er bij de mestvaalt, vier zetten de haver om, anders zou die bederven."

Lewin was overtuigd, dat, als er gezegd werd: "anders zou die bederven," ze reeds bedorven was, die prachtige Engelsche zaaihaver! Men had dus al weer niet gedaan, wat hij bevolen had. Hij wenkte geërgerd met de hand, ging naar den graanzolder om naar de haver te zien, en keerde toen naar den stal terug. De haver was nog niet bedorven en daardoor was hij kalmer geworden. De dag was ook te schoon om lang ontstemd te zijn.

"Ignat, zadel Kolzik," riep hij zijn koetsier toe, die met opgestroopte mouwen de kales schoonmaakte.

"Om u te dienen!"

Terwijl het paard werd gezadeld, riep Lewin den in de nabijheid staanden opzichter weer bij zich en besprak met hem de verdere voorjaarswerkzaamheden en zijn voor de boerderij gevormde plannen. De opzichter luisterde aandachtig en was kennelijk bereid om al zijn voorslagen te billijken, maar steeds met een hopelooze en treurige uitdrukking in gelaat en houding, die Lewin maar al te goed kende en die hem ergerde, daar ze scheen te zeggen: "Dat is alles heel mooi en goed, maar wat God beschikt!" Niets hinderde Lewin zoozeer als die uitdrukking. Maar hij had die bij al zijn opzichters waargenomen, zooveel hij er al had gehad.

"Als wij maar klaar komen, Constantin Dimitritsch."

"En waarom zouden we niet klaar komen?"

"Wij moeten er nog zestien arbeiders bij huren en er komen er geen. Van daag kwamen er een paar, maar die vroegen zestig roebel voor den zomer."

Lewin zweeg. Weer stelde de elementaire kracht zich tegenover hem, evenals dat: "wat God beschikt," en porde hem, als altijd, ook nu aan tot den strijd. Hij wist, dat er niet meer dan veertig arbeiders voor het gewone loon te bekomen waren, en dat zij niet toereikend waren voor den noodzakelijken arbeid.

"Dan moeten we zoeken. Zend naar Suri en naar Schasiroska, of er daar ook nog zijn."

"Ik zal er wel heenzenden." zeide de opzichter op hopeloozen toon "Met de paarden zijn wij ook te zwak."

"Wij moeten er bij koopen. Maar ik weet het wel," voegde hij er bij, "jij zoekt altijd de kleinste en goedkoopste uit--ik laat het ditmaal niet aan jou alleen over. Ik zal er zelf bij zijn."

"Ja, maar u slaapt tegenwoordig veel te weinig. Anders: ons is het goed; het oog van den meester...."

"Dus, achter het berkenboschje zijn ze aan het zaaien? Daar wil ik ook eens naar gaan zien," zeide Lewin en besteeg den kleinen isabelkleurigen kolzik, dien de koetsier hem bracht.

"Door de beek komt u niet," riep deze hem toe.

"Nu, dan door het bosch."

En in flinken draf reed Lewin op het goede, vurige paardje door het slijk van den hof de poort uit en het veld in.

Toen Lewin tegen den middag naar huis terug keerde en door de beek reed, waarin het water al weer gezakt was, deed hij twee wilde eenden opschrikken.

"Er moeten daar ook al houtsnippen zijn," dacht hij en bij een bocht van den weg trof hij den boschwachter, die zijn vermoeden bevestigde.

XII.

Toen Lewin in de beste stemming zijn woning naderde, hoorde hij een slede met schelletjes van den straatweg komen.

"He, daar komt iemand van den trein," dacht hij. "Om dezen tijd komt de Moskouer trein aan.... Wie kan dat zijn?" Hij gaf zijn paard de sporen en toen hij uit de acaciaboschjes van den tuin te voorschijn trad, zag hij een met drie paarden bespannen voertuig, waarin een in zijn pels gewikkeld heer zat, den straatweg afkomen.

"Ha! dat is een aangename gast, daar ben ik mede in mijn schik!" riep hij uit, toen hij Stipan Arkadiewitsch herkende. "Nu zal ik ook stellig vernemen, wanneer zij getrouwd is of trouwen zal," dacht hij. En op dezen heerlijken lentedag veroorzaakte de herinnering aan haar hem in het geheel geen smart.

"Nu had je me toch in het geheel niet verwacht, niet waar?" vroeg Stipan en steeg uit de slede met een modderspatje op de wang en boven de wenkbrauwen, maar overigens met een glans van frischheid en genoegen op het gelaat. "In de eerste plaats brandde ik van verlangen je eens weer te zien," sprak hij, en omhelsde Lewin; "ten tweede zou ik wel eens met je willen jagen, en ten derde wil ik het bosch te Egorschewo verkoopen."

"Nu, dat is heerlijk! Wat zeg je van zulk een lentedag? Hoe ben je er nog met je slede doorgekomen?"

"Met het rijtuig zou het nog slechter gegaan zijn, Constantin Dimitritsch," antwoordde de hem bekende koetsier.

Lewin bracht zijn gast naar de logeerkamer, waar de elegante bagage van Stiwa, een reistasch, buks en sigarenkist, reeds gebracht waren en terwijl hij hem alleen liet om zich te wasschen en te verkleeden, ging hij zelf naar zijn kantoor om bestellingen voor zijn landbouwbedrijf te doen, volgens de plannen, die hij zich onder het naar huis rijden gevormd had.

Agasija Michailowna, die altijd zeer bezorgd was om de eer van het huis op te houden, wachtte hem in de voorkamer op om met hem over het middageten te beraadslagen.

"Kook wat ge wilt, maar vlug, hoor," antwoordde hij en ging door naar den opzichter.

Toen hij terugkwam, verscheen Stipan Arkadiewitsch keurig gekleed en gekapt in de deur. Beiden gingen naar boven.

"Wat ben ik blij, dat ik je gevonden heb. Nu zal ik toch eens achter al die geheimen komen, die je hier bezig houden.--Neen, waarlijk! ik benijd je.--Welk een huis! Hoe prettig is hier alles! Helder en vriendelijk!" sprak Stipan, geheel vergetend, dat het niet altijd lente en niet elken dag zoo helder en zonnig was. "En wat heb je een beste huishoudster, ofschoon een aardig kamermeisje met een klein schortje toch nog wel zoo verkieselijk zou zijn; maar bij je strenge zeden en het kloosterleven, dat je leidt, is het zoo ook heel mooi."

Stipan vertelde hem vele belangrijke nieuwtjes, maar sprak met geen enkel woord over Kitty Tscherbatzky. Alleen van zijn vrouw bracht hij hem de groete over. Lewin was hem zeer dankbaar voor die kieschheid en verheugde zich zeer over de aanwezigheid van zijn gast. Gedurende den tijd zijner eenzaamheid hadden zich vele gedachten en gewaarwordingen bij hem opgehoopt, die hij aan niemand had kunnen mededeelen, en nu stortte hij die alle over Stipan Arkadiewitsch uit: zijn poëtische lenteontboezemingen, zijn plannen en mislukte uitkomsten op landhuishoudkundig gebied, zijn opmerkingen over de door hem gelezen boeken en bovenal de gronddenkbeelden van zijn eigen schriftelijke opstellen, welker hoofdinhoud, zonder dat hij zelf daar het minste vermoeden van had, een uittreksel uit alle mogelijke landhuishoudkundige boeken was. Stipan, die alles bij het eerste woord terstond begreep, was bizonder voorkomend en luisterde met een uitdrukking vol achting en ingenomenheid op het gelaat, die Lewin kennelijk goed deed.

Door de vereenigde krachten van Agasija Michailowna en den kok konden de beide hongerige vrienden zich weldra te goed doen aan boterhammen, ganzebout en gezouten champignons. Hoewel Stipan Arkadiewitsch andere diners gewoon was, vond hij alles voortreffelijk: den kruidenbrandewijn, de boter, het brood, vooral den ganzebout, de champignons, de soep met pastijtjes, het hoen in de witte sous en den witten wijn uit de Krim.

"Heerlijk, overheerlijk!" zeide hij en stak na het gebraad een stevige sigaar op. "'t Is of ik uit het geraas en gestommel van een stoomboot hier aan een stillen oever...."

Op dat oogenblik trad Agasija Michailowna met ingemaakte vruchten binnen.

"Ach, Agasija Michailowna," zeide Stipan en kuste de toppen zijner dikke vingers, "wat hebt ge ons een heerlijken ganzebout gebracht! Welk een brandewijn!... Maar zeg, Kostja," wendde hij zich tot Lewin, "is het al niet zoo zachtjes aan tijd geworden?"

Lewin zag het venster uit naar de ondergaande zon, die achter de nog kale toppen van het woud begon te verdwijnen.

"Ja waarlijk, het is tijd," riep hij uit en sprong op; "Kosma, laat de lineika [9] inspannen," en toen ijlde hij naar beneden.

Toen Stipan Arkadiewitsch ook beneden gekomen was, nam hij eigenhandig den doek van een gelakt kistje en, nadat hij dit geopend had, zette hij zijn prachtig jachtgeweer van de nieuwste constructie in elkander.

Kosma, een goed drinkgeld in het geschiet ziende, week niet van Stipans zijde en trok hem de laarzen en overschoenen aan, hetgeen deze ook gewillig doen liet.

"Hoor eens, Kostja, als Rjäbinin de makelaar komt, laat hem dan binnenkomen en op mij wachten."

"Wilt ge het bosch dan aan Rjäbinin verkoopen?"

"Ja kent gij hem?"

"Of ik hem ken! Ik heb ook al eens zaken met hem gedaan, positief en definitief."

Stipan lachte. "Positief en definitief" waren lievelingsuitdrukkingen van den handelsman.

"Ja, hij redeneert heel kluchtig. Kijk eens hier! Hij begrijpt, waar zijn heer heen wil," voegde hij er bij en streelde Laska, die zich zachtjes jankend tegen zijn heer aanvleide en nu eens zijn hand, dan weer de laarzen en de buks besnuffelde.

De lineika hield reeds voor de deur stil, toen zij naar buiten gingen.

"Het is wel niet ver, we zouden hebben kunnen loopen, maar ik heb toch maar laten inspannen."

"Ja, rijden is beter," sprak Stipan en nam plaats in het voertuig. Hij wikkelde zijn voeten in een tijgervel en stak een sigaar op.

"Hoe is het toch mogelijk, dat ge niet rookt. Een sigaar is niet slechts een genot, maar de kroon van het genot. Dit is een leventje! Heerlijk! Zoo zou ik altijd willen leven!"

"En wat verhindert je het te doen?" vroeg Lewin glimlachend.

"Neen, gij zijt een gelukkig mensch. Ge hebt alles waar je van houdt. Ge houdt van paarden en je hebt ze, ge hebt honden en een jachtveld en je landgoed."

"Misschien ben ik slechts daarom gelukkig, omdat ik met hetgeen ik heb tevreden ben en mij niet ongelukkig gevoel door het gemis van hetgeen ik niet bezit," antwoordde Lewin en dacht daarbij aan Kitty.

Stipan bemerkte dit, zag hem aan, maar zeide niets.

Lewin was hem daar wel dankbaar voor, en toch had hij gaarne iets van haar vernomen, maar durfde er niet over beginnen.

"Nu, hoe staat het toch met je eigen aangelegenheden, die van je hart, wel te verstaan?" vroeg hij schertsend.

Stipans oogen glinsterden vroolijk.

"Gij wilt toch niet aannemen, dat men veel van een kalatsch kan houden, als men zeker recht op iets anders heeft. Gij noemt dat een vergrijp. Voor mij is een leven zonder liefde geen leven. Ik ben nu eenmaal zoo geschapen. En men doet daar toch waarlijk niemand kwaad mede, men doet zich zelf alleen goed...."

"Dus al weer een nieuwe liaison?" vroeg Lewin.

"Wat hebt gij daar mee noodig? Zeg, ken je de vrouwengestalten van Ossian? Vrouwen, die men in den droom ziet.... Zulke vrouwen zijn er.... Dat zijn verschrikkelijke vrouwen. Die vrouwen, ja, 't is wat te zeggen, men vindt aan haar altijd weer wat nieuws en aantrekkelijks, maar hoe meer men ze bestudeert...."

"Daarom is het beter, dat men ze niet bestudeert."

"Neen, ik weet niet, welk groot man eens gezegd heeft, dat het eigenlijk levensgenot niet bestaat in het vinden van de waarheid, maar in het zoeken daarnaar...."

Lewin zweeg. Met den besten wil van de wereld kon hij zich toch niet genoeg in zijn vriends zielstoestand verplaatsen om diens gewaarwordingen en diens genot in de studie der vrouwen te begrijpen.

XIII.

Aan het bosch gekomen, bracht Lewin zijn vriend Oblonsky naar een moerassige, geheel met mos begroeide, open plaats, liet hem daar op den uitkijk staan, begaf zich zelf naar de overzijde van die open plek, plaatste zich achter den stam van een berk en hield zijn geweer gereed. De oude geoefende Laska, die hem op de hielen gevolgd was, zette zich met gespitste ooren voor hem neder. De zon verdween achter het bosch. In den weerschijn van het avondrood teekenden zich de berken met hangende takken en zwellende knoppen scherp af tegen de donkere elzen.

Uit het dichte, nog geheel met sneeuw bedekte woud kwam het water zacht murmelend in kleine kronkelende beekjes te voorschijn. De vogels kweelden en fladderden van den eenen boom op den anderen. Op de niet verafgelegen hofstede van den boschwachter sloeg, bij het rollen der wegrijdende lineika, een kleine hond aan, bleef onophoudelijk doorkeffen en stoorde hen bij het luisteren. Als het enkele oogenblikken stil was, vernam het ingespannen luisterend oor het zachte ritselen van het voorjaarsloover, dat zich door het wasemen van den grond en het groeien van het gras bewoog.

"Zie eens aan," sprak Lewin bij zich zelf, "hier hoort en ziet men het gras groeien." Hij stond onbewegelijk stil, ving elk geluid op, zag beurtelings naar den vochtigen, bemosten grond, naar de luisterende Laska, naar de boomtoppen die hem omgaven en naar den met witte wolken bedekten hemel. Een havik stond met nauwelijks merkbaren vleugelslag hoog boven het woud, een andere vloog hem van ter zijde voorbij en verdween. De vogels kweelden luider en luider. Niet ver van daar schreeuwde de uil en Laska rees plotseling overeind, ging voorzichtig een paar schreden vooruit en luisterde met zijwaarts gebogen kop. Van over de rivier klonk de roep van den koekoek.

"Hoor, al een koekoek!" zeide Stipan van achter een struik te voorschijn tredend.

"Ja, ik hoor het wel," antwoordde Lewin, wien het hinderlijk was de rust van het woud met zijn eigen hem zelf onaangenaam in de ooren klinkende stem te verstoren. "Nu zullen ze spoedig komen." Stipan Arkadiewitsch trad weer achter de struiken terug en Lewin zag terstond daarop een lucifer flikkeren, toen den rooden gloed van een sigaar en een omhoog dwarrelend blauw rookwolkje. Daarna hoorde hij tweemaal achter elkander een knik, knak: Stipan had den haan van zijn geweer gespannen.

"Wat schreeuwt daar zoo?" vroeg Oblonsky en richtte Lewins opmerkzaamheid op een lang gerekten, gedempten toon, die aan het gieren van een fijne kinderstem deed denken.

"Dat kent ge niet? Wel dat is immers mijnheer Cuwaert [10]....

"Maar nu niet meer gesproken! Hoor! daar komt er al een aangevlogen," riep Lewin luid en legde zijn geweer aan. In de verte weerklonk een herhaald schril geluid en na een korte, den jager zoo goed bekende pauze, hoorde men duidelijk het krijschen. Lewin keek links en rechts en zag plotseling recht voor zich uit, boven den top van een populair, een vliegenden vogel. Schreeuwend vloog die recht op hem toe; hij herkende den langen hals en snavel, en terwijl Lewin nog mikte, flikkerde het eensklaps achter de struiken waar Oblonsky stond, de vogel vloog als een pijl naar beneden, om terstond weer omhoog te stijgen; weer flikkerde een straal en weerklonk een schot en klapwiekend viel de vogel zwaar en kletsend op den vochtigen grond.

"Is het mogelijk! Misgeschoten?" riep Oblonsky, die door den rook niet kon zien.

"Daar is hij," zeide Lewin op Laska wijzend, die met gespitste ooren en kwispelstaartend langzaam met afgemeten schreden, als wilde hij het genot verlengen, zijn meester de doode snip kwam brengen.