Anna Karenina

Part 12

Chapter 12 3,847 words Public domain Markdown

Vorstin Betsy's blik viel toevallig op Wronsky, toen zij bemerkte, dat zijn naar de deur gekeerd gelaat plotseling veranderde. Een heldere, blijde glans verspreidde zich daarover en zonder zijn oogen van de deur te wenden, stond hij op. Anna was het salon ingekomen. In haar buitengewoon rechte houding, met haar lichten, snellen en vasten gang, die haar van alle dames van haar kring onderscheidde, en zonder de richting van haar blik te veranderen, legde zij den korten afstand af, die haar van de huisvrouw scheidde, drukte deze de hand, glimlachte en wendde zich met hetzelfde lachje naar Wronsky. Deze boog diep en schoof haar een stoel toe. Zij dankte slechts met een hoofdbuiging, bloosde toen en fronste de wenkbrauwen. Maar dadelijk en vlug als in al haar bewegingen, wenkte zij de overige bekenden toe en nadat zij de haar toegereikte handen gedrukt had, wendde zij zich weer tot de gastvrouw.

"Ik was bij gravin Lydia Iwanowna en wilde eigenlijk vroeger komen, maar ik heb mij verlaat. Er was daar een missionnair, een sir John, een zeer interessant man...."

"O, dat is die missionnair...."

"Ja, hij vertelde veel van zijn leven in Indië...."

"Sir John, ja, sir John! Ik heb hem gezien. Hij spreekt zeer goed. Wlaszjawa is geheel over hem verrukt. Is het waar, dat de jongste Wlaszjawa met Topasch zal trouwen?"

"Ja, men zegt, dat de zaak is beklonken."

"Ik bewonder de ouders. Men zegt, dat het een huwelijk uit ware liefde is."

"Uit ware liefde? Wat hebt ge voor antediluviale begrippen! Wie spreekt in onzen tijd nog van ware liefde?" vroeg de gezantsvrouw.

"Nu waarom niet? Deze eenvoudige oude mode blijft zich nog altijd handhaven," bracht Wronsky in het midden.

"Des te erger voor hen, die deze verouderde mode nog volgen. Ik ken slechts gelukkige huwelijken, die door het koel verstand gesloten zijn."

"Maar het geluk dezer verstandigen verstuift als kaf voor den wind, zoodra een hartstocht in het spel komt, waarvan men te voren niets wilde weten."

"Verstandigen noemen wij dezulken, die vooraf reeds van allen kost genuttigd hebben. Het is als met het roodvonk; is men eenmaal doorgeziekt, dan blijft men vrij."

"Dan moest men ook de liefde, even als de pokken, kunstmatig kunnen inenten."

"Ik was in mijn jeugd op een subdiaken verliefd; maar ik weet niet, of het mij veel geholpen heeft," zei vorstin Miagkaja.

"Neen, scherts ter zijde!" zeide vorstin Betsy: "Naar mij inzien kent hij slechts de liefde, die gefeild en zich daarna bekeerd heeft."

"Ook na het huwelijk?" vroeg de gezantsvrouw schertsend.

"Berouw komt nooit te laat!" citeerde de diplomaat.

"Ja, waarlijk," zeide vorstin Betsy, "om berouw te kunnen gevoelen moet men gefeild hebben. Hoe denkt u daarover?" vroeg zij Anna, die tot nu toe met een glimlach om den mond dit gesprek zwijgend had aangehoord.

"Ik denk," antwoordde Anna, met een harer handschoenen spelend, "dat, daar er zooveel hoofden zooveel zinnen zijn, er ook wel zooveel verschillende liefde zal wezen als er harten zijn."

Zoover de welvoegelijkheid toeliet, had Wronsky, in spanning Anna's antwoord afwachtend, haar aangezien. Na haar woorden verruimde, als na een doorgestaan gevaar, een diepe zucht zijn borst en plotseling keerde Anna zich tot hem: "Ik heb een brief uit Moskou ontvangen; zij schrijven, dat Kitty Tscherbatzky ernstig ziek is."

"Inderdaad?" antwoordde hij met gefronst voorhoofd.

Anna zag hem gestreng aan: "Interesseert u dat zoo weinig?"

"Integendeel, het interesseert mij zeer. Wat schrijft men u daar verder over, als het niet te onbescheiden is?"

Anna stond op en naderde Betsy. "Mag ik een kop thee verzoeken?" zeide zij achter haar stoel staande.

Terwijl de vorstin haar inschonk, naderde Wronsky haar: "Wat schrijft men u dan?" zoo herhaalde hij zijn vraag.

"Ik denk dikwijls, hoeveel toch de mannen van edelmoedigheid spreken, terwijl zij ze zoo weinig beoefenen," antwoordde zij ontwijkend. "Dat had ik u al lang willen zeggen," voegde zij er nog bij en ging aan een ettelijke schreden verwijderde tafel zitten, die vol albums en atlassen lag.

Hij bracht haar een kop thee en zeide: "Ik heb den zin uwer woorden niet geheel begrepen."

Zij zag naar de sofa naast zich en hij nam dadelijk daarop plaats. Zonder hem aan te zien sprak zij toen: "Ja, ik wilde u daarmede zeggen, dat ge slecht, zeer slecht hebt gehandeld."

"Weet ik dat dan niet? Maar wiens schuld is het, dat ik zoo gehandeld heb?"

"Waarom zegt ge mij dat?" vroeg zij blozend en zag hem aan.

"U weet waarom!" antwoordde hij, koen en blijmoedig haar blik beantwoordend.

Niet hij, maar zij werd verlegen.

"Dat bewijst slechts, dat gij geen hart hebt," zeide zij, maar haar blik sprak: "gij hebt een hart en daarom ben ik voor u bevreesd."

"Dat, waarop u eerst doeldet, was slechts een zinsverwarring, geen liefde."

"Denk er aan," zeide Anna, "dat ik u verboden heb dit woord uit te spreken, dit afschuwelijke woord!" Maar zij besefte tegelijk, dat zij met dit verbod een zeker recht op hem had genomen en hem een des te grooter recht gegeven had haar van zijn liefde te spreken. Doch vastberaden zag zij hem in de oogen en terwijl zij begon te gloeien, zoodat zij haar wangen voelde branden, ging zij voort: "Ik wilde het u al lang zeggen en ik ben nu juist hier gekomen, omdat ik wist, dat gij er ook zoudt zijn, ik ben gekomen om u te zeggen, dat 't ten einde moet zijn. Ik heb tot hiertoe nimmer en voor niemand behoeven te blozen, en gij dwingt me, mij schuldig te gevoelen."

Hij zag haar aan en was verrast door eene nieuwe, zielvolle uitdrukking harer schoonheid.

"Wat verlangt ge van mij?" vroeg hij ernstig en eenvoudig.

"Ik verlang, dat gij naar Moskou terugkeert en Kitty vergeving vraagt."

"Dat verlangt ge niet," zeide hij kalm. Hij zag, dat zij zich geweld deed om het tegendeel te zeggen van hetgeen zij wenschte.

"Indien ge mij werkelijk lief hebt, zooals ge zegt, geef mij dan mijn rust weder!"

Zijn gelaat straalde.

"Weet ge dan niet, dat ge voor mij het geheele leven zijt, maar rust ... ik kan u niet geven, wat ik zelf niet heb. Mij zelf--geheel, mijn liefde ... ja! Aan u kan ik niet denken zonder mij--gij en ik, in mijn gedachten zijn wij een. De mogelijkheid der rust zie ik ook in de toekomst noch voor mij, noch voor u; wel zie ik de mogelijkheid der vertwijfeling en der ellende--maar ik zie ook de mogelijkheid van een geluk, en welk een geluk.... Is het niet mogelijk?" fluisterden zijn lippen slechts--maar zij verstond het toch.

Zij spande al de kracht van haar verstand in om te spreken en te doen, wat de plicht haar gebood, en toch zag zij hem met een blik vol liefde aan en antwoordde niets.

"Daar is het!" dacht hij in verrukking, "daar is het einde, waar ik reeds wanhoopte, waar ik geen einde zag, daar is het! Zij bemint mij en heeft het bekend."

Zij wilde iets zeggen, maar hij kwam haar voor: "Ik smeek u slechts om één gunst, om het recht te mogen hopen, mij zelf altijd te mogen kwellen zooals nu. Maar als ik dit recht moet missen, zoo beveel mij te verdwijnen, en ik verdwijn. Is mijn tegenwoordigheid u onaangenaam, dan zult ge mij niet meer zien."

"Ik wil u niet wegjagen...."

"Verander dan slechts niets! Laat alles blijven zooals het nu is," smeekte hij met bevende stem.... "Daar is uw man!"

Inderdaad trad op dat oogenblik Alexei Alexandrowitsch op zijn bedaarde, eenigszins linksche manier het salon binnen. Op zijn vrouw en Wronsky een blik werpend, naderde hij de gastvrouw, groette haar en nam aan de theetafel plaats. Weldra hoorde men hem met zijn schrale stem levendig spreken en zich op zijn gewonen, schertsenden toon over den een of ander vroolijk maken.

"Uw Rambouillet is volkomen bijeen," zeide hij, zijn blik over het gezelschap latende gaan.... "alle gratiën en muzen...."

Maar vorstin Betsy kon dezen toon ("sneering," zooals zij hem noemde) niet dulden en als schrander gastvrouw, die zij was, bracht zij het gesprek dadelijk op den algemeenen dienstplicht. Alexei Alexandrowitsch liet zich ook terstond door dit thema gevangen nemen en begon de door de vorstin bestreden nieuwe ukazen ijverig te verdedigen.

"Maar dit wordt intusschen aanstootelijk!" fluisterde eene dame, met de oogen Anna, haar man en Wronsky aanduidend.

"Wat heb ik u gezegd?" antwoordde Anna's vriendin fluisterend.

Doch niet alleen deze beide dames, maar bijna allen, zelfs vorstin Miagkaja en Betsy, wierpen nu en dan afkeurende blikken op die beide, van de overigen verwijderd zittenden. Slechts Alexei zag geen enkele maal naar hen en toonde zich geen oogenblik van het onderwerp van zijn gesprek afgeleid.

Zoodra vorstin Betsy de algemeene ergernis bemerkte, schoof zij een ander in haar plaats om het onderhoud met Alexei Alexandrowitsch voort te zetten en naderde Anna. "Ik moet altijd de helderheid en nauwkeurigheid bewonderen," zeide zij, "waarmede uw man zich weet uit te drukken. De ingewikkeldste vraagstukken worden iemand duidelijk, als hij er over spreekt."

"O ja!" antwoordde Anna, met een glans van geluk op haar gelaat, zonder evenwel een woord te verstaan van hetgeen Betsy tot haar sprak. Maar zij ging met haar naar de groote tafel en nam deel aan het algemeen gesprek.

Na verloop van een half uur kwam Karenin bij zijn vrouw en bood haar aan met hem naar huis te rijden. Zij wees dit, zonder hem aan te zien, af en zeide, dat zij op het souper wilde blijven. Toen nam Alexei Alexandrowitsch afscheid en reed alleen weg.

Eenige uren later was ook Anna gereed om te vertrekken; de portier hield de deur wijd open. Wronsky geleidde haar naar het rijtuig, en terwijl zij met haar kleine vlugge hand den haak van haar pelsmantel uit de kant van haar kleed losmaakte, luisterde zij met gebogen hoofd met verrukking naar de woorden, die hij fluisterde: "Gij hebt niets gezegd; laat ons aannemen, dat ik ook nergens aanspraak op maak; maar _dit_ moet ge weten: het is geen vriendschap die ik zoek; voor mij is er maar een geluk in het leven, besloten in het woord, dat gij niet lijden moogt, ja, in de _liefde_...."

"Liefde!" herhaalde zij langzaam, als sprak zij tot zich zelf, maar zij voegde er plotseling bij: "Daarom juist bemin ik dat woord niet; het heeft voor mij een te groote beteekenis, een grootere dan gij kunt begrijpen;" zij zag hem daarbij recht in het gelaat: "Tot weerziens!" Toen reikte zij hem de hand, ging met snellen, vasten tred den portier voorbij en verdween in haar rijtuig.

VII.

Alexei Alexandrowitsch had er niets bizonders of aanstootelijks in gezien, dat zijn vrouw met Wronsky alleen aan een tafel zat en met hem in levendig gesprek was; maar hij had bemerkt, dat het de overigen in het salon als iets bizonders en aanstootelijks was opgevallen, en daarom kwam haar gedrag hem ook ongepast voor. Hij besloot er met zijn vrouw over te spreken.--Te huis gekomen, ging hij naar de studeerkamer, zette zich in den leunstoel, sloeg een boek open en las, zooals hij gewoon was, tot één uur. Van tijd tot tijd streek hij met de hand over het hooge voorhoofd en schudde het hoofd, alsof hij iets van zich wilde afwerpen. Op het gewone tijdstip stond hij op om zijn nachttoilet te maken. Anna was nog niet te huis gekomen. Met het boek onder den arm ging hij naar boven; maar in plaats van, zooals anders, zijn gedachten bij zijn ambtsbezigheden te bepalen, dacht hij nu aan zijn vrouw, en wel met zulk een onrust, alsof hem iets onaangenaams had kunnen overkomen.... Tegen zijn gewoonte ging hij nog niet naar bed, maar begon, de handen op den rug houdend, met groote schreden het vertrek op en neer te gaan.

Toen hij besloten had met zijn vrouw te spreken, scheen dit hem zeer natuurlijk en gemakkelijk, maar nu hij meer over de zaak nadacht, kwam het hem bezwaarlijk voor, daar het den schijn van wantrouwen zou geven. Hij was niet jaloersch. Jaloerschheid was naar zijn inzien een beleediging der vrouw en men moest zijn vrouw volkomen vertrouwen. Waarom men dit vertrouwen moest hebben, dat is, de volle overtuiging, dat zijn jonge vrouw hem altijd zou beminnen, daarvan gaf hij zich verder geen rekenschap, maar zeide zich zelf eenvoudig, dat men dit vertrouwen hebben moest. Nu besefte hij echter, dat hij tegenover iets onlogisch en onbegrijpelijks stond, waarmede hij niets wist aan te vangen. Hij besefte, dat het leven hem tegenover de mogelijkheid plaatste, dat zijn vrouw een ander zou kunnen beminnen, en dat kwam hem ongehoord, onbegrijpelijk voor, omdat hij het werkelijk leven niet kende. Hij had zijn geheele leven in officiëele sfeer en werkzaamheid doorgebracht, waarin hij slechts met een matten weerschijn van het leven had te doen gehad. Telkens als hij met het werkelijk leven in aanraking was gekomen, was hij uitwijkend ter zijde getreden. Nu had hij het gevoel van iemand, die juist een afgrond is overgegaan over een brug, die achter hem instort; vroeger had hij slechts de brug gezien, nu zag hij slechts den afgrond. Deze afgrond was het werkelijk leven, de brug was het kunstmatig bestaan, dat hij tot hiertoe voor leven gehouden had. Voor de eerste maal was de gedachte bij hem opgekomen, dat zijn vrouw een ander zou kunnen liefhebben, en die gedachte deed hem ontstellen.

Na veel wikken en wegen en heen en weer loopen door het vertrek, zette hij zich voor de schrijftafel zijner vrouw neder. Hier bij het zien van haar schrijfmappe van malachiet en van een begonnen brief, namen zijn gedachten plotseling een andere richting. Hij begon zich eenigszins haar gedachten en gevoelens voor te stellen. Voor de eerste maal besefte hij, dat zij haar eigen leven, eigen beschouwingen en eigen neigingen had, en de gedachte, dat zij een eigen zelfstandig leven leidde, scheen hem zoo verschrikkelijk toe, dat hij die van zich zocht te stooten; het was een afgrond, waarin hij huiverde neer te zien.

"En het fataalste is, dat ik juist nu met een zaak bezig ben" (hij dacht aan een ontwerp, waarvan de uitwerking hem was opgedragen), "waarvoor ik alle kalmte en geestkracht noodig heb; en nu juist moet deze dwaze onrust mij bevangen! Wat te doen? Ik moet overleggen, beslissen, tot een besluit komen!" zeide hij luid; "de vraag wat _zij_ gevoelt, wat in haar ziel omgaat, is mijn zaak niet; dat gaat haar godsdienst, haar geweten aan," dacht hij en gevoelde een zekere verlichting in het bewustzijn, een legaal gezichtspunt voor de beoordeeling van deze aangelegenheid te hebben gevonden.

Alexei Alexandrowitsch was een kerkelijk geloovig man, eensdeels omdat hij zich nooit met godsdienstige vraagstukken bizonder had afgegeven en de twijfel hem dus niet kon bevangen, ten andere vooral omdat de leer der kerk een bepaalde verklaring gaf voor alle twijfelachtige en onbestemde dingen, die Alexei Alexandrowitsch het lastig en onaangenaam vond door eigen nadenken te verklaren. De kerkleer ruimde al die vragen uit den weg en liet hem alzoo ruimte en tijd voor zijn werkzaamheid op practisch gebied.

"Derhalve," dacht hij, "de vraag naar haar gevoelens en aandoeningen gaat mij niet aan, maar haar eigen geweten. Wat mijn plicht is, is duidelijk. Als hoofd des huizes ben ik verplicht en er eenigermate verantwoordelijk voor, haar den rechten weg te wijzen, haar opmerkzaam te maken op de gevaren, in zoover ik die als zoodanig erken, haar te waarschuwen en zelfs de macht, die ik over haar heb, te doen gelden. Ik moet haar dit uiteen zetten." Hij legde de handen in elkander en drukte ze zoo sterk, dat de gewrichten der vingers knapten. Deze beweging, een slechte gewoonte, was een bewijs, dat hij met zich zelf in het reine was gekomen.

Voor het huis deed zich het geluid hooren van een aankomend rijtuig. Alexei Alexandrowitsch bleef midden in de zaal staan. Lichte schreden ijlden de trap op. Hoewel hij met zijn besluit klaar was, gevoelde hij toch, hoe meer die schreden naderden, bij toeneming, dat hij de ophanden zijnde verklaring vreesde....

VIII.

Anna trad binnen. Op haar gelaat lag een heldere glans van blijmoedigheid, maar die herinnerde aan een gloed van een brand bij nacht. Toen zij haar echtgenoot zag, hief zij het hoofd op en glimlachte, alsof zij juist uit een droom ontwaakte.

"Zijt ge nog niet te bed? Dat is wel een wonder!" sprak zij, terwijl zij haar baschlik afnam en zich naar haar kleedkamer begaf.

"Het is tijd, Alexei Alexandrowitsch," zeide zij, terwijl zij reeds achter de deur verdween.

"Anna, ik moet nog met u spreken."

"Met mij?" vroeg zij, weer terugkomend en hem verwonderd aanziende: "Wat is er dan? Waarover?" Zij ging zitten: "Nu goed, als het noodig is, zullen we nog eens praten; maar het was beter dat wij naar bed gingen."

Haar woorden klonken zoo eenvoudig en onbevangen en hoe natuurlijk was het, dat zij wilde slapen. Zij verwonderde zich zelf over haar kunst van veinzen. Zij gevoelde zich met een ondoordringbaar pantser van leugen omgeven en het was haar, alsof een onbekende macht haar helpend ter zijde stond.

"Anna, ik moet u waarschuwen," sprak hij.

"Waarom? Waarvoor?" vroeg zij en zag er zoo oprecht en onbevangen uit, dat al wie haar niet zoo nauwkeurig kende als haar man, in haar toon en den zin der woorden niets onnatuurlijks zou gevonden hebben. Hem echter deden ze gevoelen, dat de diepte harer ziel, die vroeger altijd voor hem open lag, nu voor hem gesloten, wellicht voor immer gesloten was.

"Ik moet je daarvoor waarschuwen," zeide hij met zachte stem, "dat ge door lichtzinnigheid en onbedachtzaamheid in gezelschappen geen aanleiding geeft tot aanmerkingen op je persoon. Uw zeer druk en levendig onderhoud met graaf Wronsky (hij sprak dien naam kalm en vast uit) trok de algemeene opmerkzaamheid."

Zoo sprekend zag hij haar in de overmoedige oogen, die hem door hun ondoorgrondelijke diepte verschrikten en hem de nutteloosheid zijner woorden deden beseffen.

"Zoo ben je nu altijd," antwoordde zij, alsof zij hem in het geheel niet begreep. "Nu is het je onaangenaam, als ik mij goed amuseer. Krenkt het je, dat 'k mij niet verveeld heb?"

Alexei Alexandrowitsch kromp ineen en drukte de vingers om ze te laten knappen.

"Ik bid je, knap zoo niet! Ik kan het niet uitstaan!"

"Anna, zijt gij dat?" vroeg hij met inspanning en staakte de beweging zijner handen.

"Wat beteekent dat alles eigenlijk?" vroeg zij met een schijnbaar oprechte, spotachtige verwondering. "Wat wil je toch van me?"

Alexei Alexandrowitsch zweeg een oogenblik en streek met de hand langs voorhoofd en oogen. Hij zag in, dat, in plaats van, zooals hij wilde, zijn vrouw voor een onvoegzaamheid in de samenleving te waarschuwen, hij zich onwillekeurig opgewonden had over iets, dat slechts haar eigen geweten aanging en dat hij met het hoofd door een muur wilde, die slechts in zijn verbeelding bestond. Nu ging hij koel en rustig voort: "Ik wil maar één ding zeggen en ik bid je, mij bedaard aan te hooren. Zooals ge weet, beschouw ik jaloezie als een vernederend en beleedigend gevoel en zal er mij nooit door laten leiden. Er zijn echter bepaalde voorschriften der goede zeden, die men niet uit het oog mag verliezen. Heden--niet ik heb het opgemerkt, maar ik oordeel naar den indruk, dien het op het gezelschap maakte--heden hebben allen opgemerkt, dat ge u niet gedragen hebt, zooals gewenscht moet worden."

"Ik begrijp waarlijk van dat alles niets!" zeide Anna de schouders ophalend en dacht te gelijk: "Hem zelf is het volkomen onverschillig; maar in het gezelschap heeft men iets opgemerkt, en dat verontrust hem!"--"Je bent niet recht wel, Alexei Alexandrowitsch," liet zij er toen op volgen, stond op en ging naar de deur. Hij stond ook op, alsof hij haar terug wilde houden. Zijn gelaat was verwrongen en somber, zooals Anna het nog nooit gezien had. Zij bleef staan, en haar hoofd haastig op zijde wendend, begon zij de haarspelden uit het haar te nemen. "Nu, ik luister, wat komt er nog meer?" vroeg zij met onbevangen spot.

"Ik heb geen recht," begon hij, "uw bizondere gevoelsopwellingen te peilen, dit acht ik ook overtollig, zelfs schadelijk. Als we op den bodem der ziel graven, brengen we soms iets te voorschijn, dat we beter doen stil te laten rusten. Uw neigingen des harten zijn uw eigen gewetenszaken; maar ik ben evenwel voor u, voor God en voor mij zelf gehouden u uw plicht onder het oog te brengen. Uw leven is aan het mijne verbonden, niet door de menschen, maar door God. Een misdaad alleen kan dien band verbreken en zulk een misdaad wordt door zware straf gevolgd."

"Ik begrijp er niets van. Mijn hemel! En ik zou zoo gaarne gaan slapen," zeide zij en bond zich het haar bijeen.

"Anna, spreek om Godswil niet zoo," sprak hij teeder. "Misschien dwaal ik, maar geloof mij, wat ik zeg, dat zeg ik zoowel voor uw als voor mijn bestwil. Ik ben uw man en ik bemin u...."

Zijn stem trilde. Een oogenblik boog zij het hoofd en de spottende glans verdween uit haar oogen; maar dit woord _beminnen_ wond haar weer op. "Hij bemint?" dacht zij: "kan hij dan beminnen? Maar hij kent dat woord slechts van hooren zeggen en weet in het geheel niet, wat liefde is."

"Alexei Alexandrowitsch," sprak zij luid, "ik begrijp er waarlijk niets van; verklaar je duidelijk, wat meent gij...."

"Veroorloof mij uit te spreken. Ik bemin u. Doch van mij zelf wil ik zwijgen; de hoofdpersonen zijn onze zoon en gij zelf. Het is mogelijk, ik herhaal het, dat mijn woorden u volkomen nutteloos en slecht te pas gebracht voorkomen; misschien berusten zij op een dwaling. In dat geval vraag ik verschooning; maar indien ge gevoelt, dat er de geringste grond voor bestaat, dan smeek ik je, u wel te bedenken en mij alles oprecht mede te deelen zooals uw hart het je ingeeft."

Alexei Alexandrowitsch zeide zonder het te weten iets geheel anders, dan hij zich had voorgenomen.

"Ik heb niets te zeggen," antwoordde zij, terwijl zij ter nauwernood een lachje kon onderdrukken, en liet er dadelijk op volgen: "En het is nu waarlijk hoog tijd om te gaan slapen."

Alexei Alexandrowitsch zuchtte diep en begaf zich, zonder verder nog een enkel woord te verliezen, naar het slaapvertrek.

Toen Anna ook in de slaapkamer kwam, lag hij reeds in zijn bed. Zijn lippen waren vast op elkander gesloten en zijn oogen zagen haar niet aan.

Zij begaf zich naar haar bed en verwachtte elk oogenblik, dat hij haar weer zou aanspreken. Zij vreesde daarvoor en wenschte het toch. Hij zweeg echter. Zij wachtte lang te vergeefs en vergat hem eindelijk. Zij dacht aan den anderen, zij zag hem en gevoelde, dat een misdadige opwinding en blijdschap haar hart vervulde. Plotseling hoorde zij een gelijkmatig snorken. In het eerst scheen het, of Alexei Alexandrowitsch van zijn eigen snorken schrikte; want hij hield een oogenblik op; spoedig echter, na twee korte pauzen, zette hij het weer met volle kracht door.

"Het is te laat, te laat!" fluisterde zij glimlachend, en zij lag nog lang met onbewegelijke, open oogen, welker glans zij zelf in de duisternis meende te zien.

IX.