Part 10
"O neen," antwoordde zij, eveneens opstaande en hem door de zaal naar zijn kamer begeleidend. "Wat leest ge nu?" vroeg zij.
"Duc de Lille: Poésie des enfers," antwoordde hij: "een zeer goed boek."
Anna glimlachte, zooals men om de zwakheden van een geliefd persoon kan glimlachen. Zij kende zijne hem tot behoefte geworden gewoonte, 's avonds te lezen; zij wist, dat hij, hoewel zijne ambtsbezigheden zijn geheele kracht in beslag namen, het zich ten plicht stelde, al wat op geestelijk gebied verscheen te volgen en in het oog te houden. Zij wist ook, dat hij slechts in wijsgeerige, staatkundige en theologische geschriften belang stelde en dat hij uit zijn aard weinig voor de kunst gevoelde; maar desniettemin of juist deswege liet Alexei Alexandrowitsch niets voorbij gaan, wat op dat gebied opgang maakte en achtte zich verplicht alles te lezen. Op wijsgeerig en staatkundig gebied twijfelde en onderzocht Karenina, maar in kunst en poëzie en vooral ten opzichte van muziek, waarvan hij volstrekt geen begrip had, had hij zich bepaalde en onveranderlijke inzichten eigen gemaakt. Hij hield er van over Shakespeare, Rafaël, Beethoven, over de nieuwere richtingen in de kunst en poëzie en zoo al meer van een bepaald standpunt uit logisch te redeneeren.
"Nu, God zij met u," zeide Anna aan de deur van zijn kabinet, waar reeds een lamp met kap, een glas met water en een gemakkelijke leunstoel voor hem gereed stonden. "En ik zal intusschen naar Moskou schrijven." Hij drukte haar de hand en kuste ze.
"Hij is toch een goed man, een waarlijk goed, ja in zijn soort zelfs veelbeteekenend man," zeide Anna, terwijl zij naar haar kamer terugkeerde, bij zich zelf, alsof zij hem tegen iemand verdedigen moest, die hem beschuldigde en beweerde, dat men hem niet kon beminnen. "Maar waarom staan die ooren hem toch zoo ver van het hoofd? Zou hij zich het haar ook hebben laten knippen."
Met klokslag twaalf uur, toen Anna nog aan haar schrijftafel zat en juist haar brief aan Dolly sloot, deden zich gelijkmatige voetstappen in pantoffels hooren en Alexei Alexandrowitsch naderde haar, gewasschen en gekamd en met een boek onder den arm.
"Het is tijd, het is tijd," sprak hij met zijn eigenaardig lachje en ging de slaapkamer binnen.
Terwijl Anna zich ontkleedde, dacht zij aan den blik, waarmede Wronsky Karenin gemeten had: "Welk recht had hij hem zoo aan te zien?"
Toen zij het slaapvertrek binnen kwam, miste haar gelaat niet slechts die opgewektheid, die gedurende haar verblijf te Moskou in haar oogen en haar lachjes had getinteld, maar dit vuur scheen nu geheel uitgebluscht of ergens diep verscholen te zijn.
XXI.
Bij zijn vertrek van Petersburg had Wronsky zijn ruime woning op de Moskaya aan zijn vriend en besten kameraad Petritzky afgestaan. Petritzky was een jong officier van burger afkomst en niet rijk, met buitengewoon veel schulden, die 's avonds steeds te veel dronk en wegens allerlei komieke en lichtzinnige affaires telkens naar de hoofdwacht werd gebracht en toch steeds bij al zijn kameraden en superieuren bemind was.
Toen Wronsky tegen twaalf uur van het station naar huis reed, zag hij bij het oprijplein een hem bekend rijtuig. Toen hij had aangescheld, hoorde hij binnen het lachen en snappen eener vrouwenstem en Petritzky daarboven uit roepen:
"Als 't een booswicht is, niet binnen laten."
Wronsky beval den knecht hem niet aan te melden en ging zacht de eerste kamer binnen. Aan de ronde tafel zat barones Schilten, die in haar lila kleedje met haar blond kopje als een kanarievogel schitterde en haar Fransch gesnap door de kamer deed schallen, terwijl zij te gelijk de koffie gereed maakte. Naast haar zaten Petritzky in négligé en de ritmeester Kamerowsky in volle uniform.
"Hoera! Wronsky!" riep Petritzky, sprong op en schoof zijn stoel achteruit; "onze gastheer zelf! Barones geef hem wat koffie uit de nieuwe kan! Bonjour kameraad! Dat is een verrassing! ik geloof, dat je over het sieraad van je kamer tevreden zult zijn!" zeide hij, terwijl hij op de barones wees: "Gij kent elkander toch?"
"Dat zou ik denken," antwoordde Wronsky met vroolijken lach en drukte de kleine hand der barones--"wij zijn oude vrienden!"
"Gij komt van de reis," zeide de barones; nu ga ik dadelijk heen. Ja, ik rijd dadelijk weg, als ik stoor."
"Waar u is, is u altijd thuis, barones," antwoordde Wronsky. "Bonjour, Kamerowsky," zeide hij tot dezen met een koele handdruk.
"Kijk, zoo iets liefs weet gij nooit te zeggen," zeide de barones tot Petritzky.
"Niet? En waarom niet? Wacht maar eens, na het diner spreek ik ook niet slechter."
"Ja, na het diner! Ha, ha ha! Dan is het geen verdienste. Nu ik zal hem uw koffie geven. Ga nu eerst heen om u te wasschen en wat op te knappen," vermaande de barones, nam haar plaats weer in en draaide voorzichtig de kraan van de nieuwe koffiekan open. "Pierre, geef mij de koffiebus," wendde zij zich weer tot Petritzky, dien zij zoo bij zijn doopnaam noemde, zonder haar intieme betrekking met hem te verhelen. "Ik zal er nog wat bij doen."
"Dan zult ge hem bederven."
"Dat is niets--ha ha ha!--Nu? en uw vrouw?" riep zij plotseling het gesprek afbrekend Wronsky toe: "Wij hebben u namelijk hier uitgehuwelijkt. Hebt ge uw vrouw niet meegebracht?"
"Neen, barones, als Zigeuner ben ik geboren en als Zigeuner zal ik sterven."
"Des te beter, des te beter, geef mij uw hand."
En terwijl zij die niet weer los liet, begon zij hem met allerlei grapjes er tusschen door haar nieuwste levensplannen mee te deelen en vroeg hem om raad.
"Hij wil van geen scheiding weten--wat moet ik nu doen? (_Hij_ was haar man.) Ik wil nu een proces tegen hem op touw zetten. Wat raadt ge mij? Kamerowsky, zie toch naar de koffie--ze kookt immers over--gij ziet dat ik met belangrijker dingen bezig ben.--Ik moet procedeeren, want ik moet mijn vermogen hebben. Begrijpt gij zulken onzin? Ik zeide hem met de meeste verachting, dat ik hem ontrouw was--en daarvoor wil hij nu mijn goederen behouden!"
Wronsky luisterde met genoegen naar het vroolijk gesnap der jonge vrouw, gaf haar in alles gelijk, deelde haar nu en dan schertsend zijn raad mede en sloeg dadelijk weer zijn tegenover zulke vrouwen gewonen conversatietoon aan. In zijn Petersburger wereld waren alle menschen door hem in twee soorten verdeeld. Tot de eene, lagere soort, behoorden alle ordinaire, bekrompen vooral belachelijke menschen, die beweerden, dat een man met de vrouw moet leven, die hij getrouwd heeft; dat een meisje onschuldig, de vrouw zedelijk zijn moet; dat de man vast van beginselen zijn en zich beheerschen moet; dat men zich aan de opvoeding der kinderen wijden, zijn brood verdienen, zijn schulden betalen moet, en al zulken onzin meer. Dit waren de ouderwetsche, belachelijke menschen. Tegenover hen stond een andere soort van echte, verlichte menschen, zij namelijk, tot wie hij en zijns gelijken behoorden, bij wie het er voornamelijk op aan kwam zich elegant voor te doen, bevallig, hooghartig, mild, dapper en vroolijk te zijn, zich zonder blozen aan elken hartstocht over te geven en om al het overige te lachen.
Wel gevoelde ook Wronsky, die te Moskou een geheel andere levensatmospheer had leeren kennen, zich in het eerste oogenblik eenigszins beklemd, maar zoodra hij de voeten in de oude pantoffels had gestoken, ging hij weer zijn vroegere zorgelooze, lustige wereld in.
De koffie kwam natuurlijk niet gereed, zij kookte slechts over en bespatte het gezelschap, wat juist noodig was, dat wil zeggen: zij gaf aanleiding tot alarm en gelach en vloeide over het kostbaar tapijt en het kleed der barones.
"Zoo, nu zeg ik u adieu! want anders komt het niet tot wasschen en dan heb ik de grootste misdaad, die een fatsoenlijk mensch begaan kan, eene onreinheid, op mijn geweten.--Gij raadt mij dus aan, hem het mes op de keel te zetten?"
"Zeker, maar zoo, dat uw kleine hand in de nabijheid van zijn lippen blijft. Hij zal die dan kussen en alles zal een goed einde nemen," antwoordde Wronsky.
"Dus tot vanavond in den Franschen schouwburg!" Haar kleed ruischte en zij verdween.
Ook Kamerowsky stond op en Wronsky ging naar zijn kleedkamer. Terwijl hij zich waschte en omkleedde, schetste Petritzky hem in korten tijd zijn geheelen toestand in Petersburg, zooals die zich gedurende zijn afwezigheid gevormd had. Geld was er niet voorhanden. Zijn vader had verklaard niets meer te geven, niet eens meer zijn schulden te willen betalen; een kleermaker had hem aangeklaagd en wilde hem achter slot brengen. De overste van zijn regiment had verklaard, dat hij, als al die schandalen niet ophielden, den dienst moest verlaten. De barones verveelde hem ontzettend, vooral omdat zij hem nooit geld wilde voorschieten; maar er was een andere, hij wilde ze Wronsky wijzen, een wonder van schoonheid in streng oosterschen stijl, "in het genre der slavin Rebecca, ge begrijpt me wel!" Ook had hij gisteren met Berkoscheff twist gehad en deze wilde hem zij secondant zenden, maar het zou wel met een sisser afloopen. In het algemeen was echter alles in Petersburg prachtig en heerlijk! Toen begon Petritzky allerlei interessant en piquant nieuws te verhalen.
Terwijl Wronsky in die hem door driejarig verblijf zoo vertrouwd geworden woning naar het hem zoo wel bekend gebabbel van Petritzky luisterde, had hij het aangenaam gevoel weer tot dat van ouds gewone en zorgelooze Petersburger leven teruggekeerd te zijn en daarbij het bewustzijn te midden daarvan een nieuw en bekoorlijk doel te hebben.
"Hoe gaat het met Luzulukoff?"
"O, Luzulukoff, dat is een prachtige geschiedenis!" riep Petritzky uit. "Gij kent Luzulukoffs hartstocht voor bals. Zonder hem is geen hofbal volmaakt. Onlangs was hij daar ook met zijn nieuwen helm--gij kent onze nieuwe helmen toch al! Zij zijn zeer mooi, heel licht. Derhalve hij staat daar--maar luister nu toch!"
"Ik luister immers!" zeide Wronsky, terwijl hij zich met een wrijfhanddoek afdroogde.
"Daar gaat een grootvorstin met een gezant hem voorbij en zij spreken tot zijn ongeluk juist over de nieuwe helmen. De grootvorstin wil den gezant de helmen nauwkeuriger beschrijven en daar ziet ze ons duifje staan." (Petritzky bootste na, hoe hij daar met zijn helm stond). "De grootvorstin verzoekt hem haar den helm even te geven--hij geeft hem echter niet! Wat is dat? Men knipoogt, men zet een donker gezicht. Geef hier! Hij geeft hem echter niet. Allen staan verstijfd van schrik.... Kun je u dat voorstellen? Daar wil die ... hoe heet hij ook weer?... hem den helm ontnemen ... maar hij houdt hem vast. De ander rukt hem eindelijk los en reikt hem de grootvorstin over. Dit is nu de nieuwe ... zegt de grootvorstin, keert den helm om en daar plotseling, verbeeld je! bons! klets! Wat rolt er uit? Peren, appelen, bonbons, zegge: twee pond bonbons ... dat alles had ons duifje bij elkaar gepikt en daarin geborgen."
Wronsky berstte bijna van lachen. Nog lang daarna, toen zij over geheel andere dingen spraken, begon hij, zoodra hij maar aan den helm dacht, luidkeels te lachen. Nadat hij alle nieuwtjes vernomen en zich met hulp van zijn bediende gekleed had, ging hij op rapport om zijn terugkeer in dienst te melden en ging daarna bezoeken afleggen.
TWEEDE BOEK.
I.
Tegen het einde van den winter werd in het huis van vorst Tscherbatzky een consult gehouden, dat over Kitty's gezondheidstoestand uitspraak doen en beslissen zou, welke maatregelen tot herstel harer verzwakte krachten zouden moeten genomen worden. Zij kwijnde weg en toen de lente kwam, verergerde haar toestand. De huisdokter had haar eerst levertraan, toen staal, daarna lapis voorgeschreven, maar daar dat alles niets hielp en hij geen anderen raad wist dan een buitenlandsche badplaats, had men besloten er een "beroemden" dokter bij te nemen. Deze beroemde dokter, een nog jong en zeer schoon man, drong op een nauwkeurig onderzoek van de patiënte aan. Hij scheen er met een bizonder genoegen op te drukken, dat maagdelijk schaamtegevoel slechts een overblijfsel van het oude barbarisme was en dat er niets natuurlijker was, dan dat een jong dokter het lichaam van een jong meisje betastte; hij vond het natuurlijk, omdat hij het dagelijks deed en daarbij niets bizonders dacht of gevoelde; daarom beschouwde hij de schaamte van een jong meisje niet slechts als een overblijfsel van barbaarschheid, maar als een beleediging voor hem zelf.
Men moest zich dus naar hem schikken, want niettegenstaande alle dokters dezelfde studie doorloopen en dezelfde wetenschap uit dezelfde bronnen putten, in weerwil sommigen zelfs beweerden, dat deze beroemde dokter slechts een middelmatige arts was, in het huis en in den geheelen kring van bekenden der vorstin was hij door een of ander tot een factotum geworden, en slechts deze beroemde arts wist het rechte en was alleen in staat Kitty te redden.
Nadat de dokter de diep beschaamde en ontstelde Kitty onderzocht, beklopt, haar ademhaling beluisterd en daarna zijn handen zorgvuldig gewasschen had, keerde hij in het salon terug om met den vorst te spreken. Deze hoorde hem met opgetrokken wenkbrauwen en nu en dan kuchende aan; als een ervaren, schrander en gezond man geloofde hij niet recht aan de geneeskunde en ergerde zich innerlijk aan deze comedie, te meer daar hij meende alleen de oorzaak van Kitty's ongesteldheid te kennen. Daarentegen kon ook de geneesheer nauwelijks zijne minachting voor dezen ouden man verbergen, en het scheen hem moeite te kosten tot diens zwak bevattingsvermogen af te dalen. Hij besefte, dat het nutteloos en niet de moeite waard was met dezen bekrompen man veel over de zaak te spreken en hij begreep ook wel, dat de moeder eigenlijk het hoofd des huizes was. Voor haar wilde hij zijn parelen uitschudden.
De vorstin kwam op dit oogenblik met den ouden huisdokter het salon binnen. De vorst ging ter zijde om niet te verraden, hoe belachelijk hem het geheel voorkwam.
"Welnu, dokter? Beslis u over ons lot," zeide de vorstin; zeg mij alles!--"Is er nog hoop?" wilde zij er bijvoegen, maar haar lippen beefden en zij vermocht de vraag niet te uiten. "Nu, wat is uw gevoelen, dokter?"
"In de eerste plaats, vorstin, moet ik met mijn collega spreken; dan zal ik de eer hebben u mijn inzicht bloot te leggen."
"Dan zullen wij u wel alleen moeten laten?"
"Als u zoo goed wil zijn...."
Met een zucht verliet de vorstin het salon.
Toen de dokters alleen waren, begon de huisarts schuchter zijn meening bloot te leggen. Volgens hem scheen het begin van een tuberculeus proces aanwezig te zijn, evenwel e. z. v.
De beroemde dokter hoorde hem aan en haalde intusschen zijn groot gouden horloge te voorschijn.
"Zoo." zeide hij, "maar...."
De ander, ofschoon in zijn uiteenzetting gestoord, luisterde eerbiedig.
"Maar gij weet, dat het begin van een tuberculeuzen toestand niet met zekerheid is te constateeren, ten minste de vorming van knobbeltjes niet. Men zou het hier echter kunnen aannemen; de kenteekenen zijn voorhanden: een slechte spijsvertering, zenuwachtige prikkelbaarheid en zoo meer. Hier is dus sprake van het vermoedelijk begin van een tuberculeus proces, en nu is de hoofdvraag: wat kan er gedaan worden om de spijsvertering te verbeteren?"
"Somtijds echter, zooals u weet, zijn ook gemoedsaandoeningen de oorzaak," veroorloofde de huisarts zich met een schrander lachje aan te merken.
"Zeker, zeer waar," antwoordde zijn beroemde collega, terwijl hij weer op zijn horloge zag. "Och, neem mij niet kwalijk: is de Jausky-brug al gereed of moet men nog altijd dien omweg maken?" vroeg hij. "Ja? Is zij klaar? O, dan kan ik in twintig minuten daar zijn.... Derhalve, het komt er hier op aan, de spijsvertering te verbeteren en de zenuwen te sterken. Het eene staat in verband met het andere; wij moeten dus naar beide zijden te gelijk trachten te werken...."
"Wat dunkt u van een reis naar het buitenland?" vroeg de huisdokter toen.
"Ik ben een tegenstander van die reizen naar het buitenland. U zal mij moeten toestemmen, dat, indien werkelijk tuberculeuze gesteldheid aanwezig is, een buitenlandsche reis niet helpen kan. Wij hebben een middel noodig, dat de spijsverteering bevordert en niet belemmert." In den verderen loop van het gesprek verklaarde de beroemde dokter, dat men met een badkuur in Soden de proef kon nemen, want mocht het niet baten, het kon ook niet schaden.
De huisdokter luisterde oplettend en eerbiedig. "Als voordeelen aan een verblijf in het buitenland verbonden zou ik beschouwen: een veranderde levenswijs, een plaatselijke verwijdering van de oorzaken, die hier wellicht op haar gemoed invloed oefenen, en dan ook," liet hij volgen, "den wensch der moeder."
"Och, als dit het geval is, moeten wij haar zeker laten reizen. Die Duitsche kwakzalvers zullen alles weer bederven ... maar we zullen haar laten reizen."
En na nog eens op het horloge gezien te hebben, ging hij naar de deur.
De beroemde dokter verklaarde der vorstin (hij gevoelde dit welstaanshalve te moeten doen), dat hij de patiënte nog eens moest zien.
"Hoe, nog eens onderzoeken?" vroeg de vorstin ontsteld.
"O, neen, ik heb nog maar noodig eenige kleinigheden te weten. Mag ik u verzoeken?"
En de moeder begaf zich met den dokter naar Kitty. Deze stond, door het onderzoek afgetobt, met gloeienden blos en een eigenaardigen gloed in de oogen, midden in het salon. Toen de dokter binnen trad, bloosde zij nog meer en kwamen er tranen in haar oogen. Haar geheele ziekte en de behandeling daarvan kwam haar dwaas en belachelijk voor. Haar hart was gebroken; hoe zouden zij dat met poeders en pillen genezen? Maar zij durfde haar moeder niet krenken, daar deze haar eigen schuld gevoelde.
"Wees zoo goed plaats te nemen, prinses," zeide de beroemde dokter. Hij nam glimlachend tegenover haar plaats, voelde naar den pols en begon weer zijn vervelende vragen tot haar te richten. Zij beantwoordde die, maar plotseling stond zij geërgerd op.
"Excuseer, dokter, dat heeft er niets mede te maken en 't is reeds de derde maal dat u er naar vraagt."
De beroemde dokter was er niet door beleedigd. Toen Kitty zich verwijderd had, zeide hij tot de vorstin: "Ziekelijke prikkelbaarheid. Ik ben nu ook gereed...."
En nu verklaarde hij haar, als de eenige denkende vrouw, op wetenschappelijke wijze Kitty's toestand. Hij eindigde met een voorschrift, hoe het bronwater gedronken moest worden, hoewel het eigenlijk overtollig was. Zeer breedvoerig sprak hij over de vraag, of een buitenlandsche reis wezenlijk noodzakelijk was en ried haar nog aan, de Duitsche kwakzalvers toch niet te vertrouwen, maar zich in twijfelachtige gevallen steeds tot hem te wenden.
Na het vertrek van den dokter keerde de moeder heel opgewekt tot haar dochter terug, en ook Kitty scheen veel kalmer.
"Ik ben werkelijk heel gezond, mama," zeide zij; "maar als u op reis wil, welnu, laat ons dan op reis gaan." En wenschende over de ophanden reis verheugd te schijnen, begon zij over de toebereidselen te spreken.
II.
Kort na het vertrek van den dokter kwam Dolly. Zij wist, dat het consult heden zou plaats vinden, en kwam nu, ofschoon pas uit het kraambed opgestaan, om iets naders over Kitty's toestand te vernemen. Men trachtte haar mede te deelen wat de dokter gezegd had, maar nu bleek het, dat, ofschoon hij zeer lang en zeer duidelijk gesproken had, men toch niet kon weergeven, wat hij eigenlijk had gezegd. Eén ding stond echter vast: hij had een badreis naar Soden aangeraden. Dolly zuchtte onwillekeurig. Haar beste vriendin, haar zuster, ging weg. En haar leven was niet vroolijk. Haar verhouding tot Stipan werd na de verzoening meer en meer vernederend. Bijna nooit was hij meer thuis; geld was er ook niet meer voorhanden; de gedachte aan zijn ontrouw kwelde haar voortdurend, maar zij zette die zooveel mogelijk van zich, want zij vreesde de pas doorstane marteling der jaloezie. Ook keert de eerste opflikkering van een hartstocht nooit met zulk een hevigheid weder.
Ook de oude vorst kwam weer uit zijn kabinet in de huiskamer terug.
"Dus heb jelui besloten op reis te gaan. En wat wil je dan met mij beginnen?"
"Het is, geloof ik, het beste, dat gij thuis blijft!" sprak zijn vrouw.
"Precies zooals je wilt."
"Mama, waarom zou papa niet met ons op reis gaan?" vroeg Kitty. "Dat is voor papa en voor ons veel aangenamer." De oude vorst stond op en streek met zijn hand over Kitty's haar. Ze hief haar gelaat op en lachte gedwongen. Het kwam haar voor, alsof hij haar altijd het best begreep, ofschoon hij het minst sprak. Toen haar blik nu zijn goedige, blauwe oogen ontmoette, die haar zoo helder en opmerkzaam uit zijn oud, gerimpeld gelaat gadesloegen, was het haar, of hij haar geheel doorzag. Blozend hield zij hem den mond toe, maar hij streek slechts over het haar en zeide: "Die akelige chignons! Men kan zijn eigen dochter niet eens genaken en streelt slechts het haar van gestorven vrouwen!--Wel, Dolinka!" zoo wendde hij zich tot de oudste dochter: "wat voert uw baas uit?"
"O niet veel bizonders, papa," antwoordde Dolly, die begreep, dat hij naar haar man vroeg: "hij is altijd uithuizig, ik zie hem bijna niet meer," kon zij niet nalaten er met een pijnlijk lachje bij te voegen.
"Maar is hij nog niet naar buiten gegaan om het bosch te verkoopen?"
"Neen, hij is nog altijd met de voorbereidselen bezig."
"Zoo!" sprak de vorst, en zich nederzettend, zeide hij tot zijn vrouw: "Dus ik moet me ook klaar maken? Goed! Ik gehoorzaam. Maar Kitty, mijn kind, één ding moet ik je nog zeggen: als ge eens op een goeden dag wakker wordt, zeg dan tot je zelf: ik ben immers heel gezond en opgeruimd en ik wil weer met papa mijn vroege morgenwandelingen doen. He?"
Haar vader zeide dat zeer eenvoudig en toch werd Kitty bij die woorden verlegen en geraakte van haar stuk als een ontmaskerde misdadiger: "Ja," dacht zij, "hij weet alles, hij begrijpt alles en wil daarmede zeggen, dat men zijn schande moet weten te dragen, hoe beschamend dat ook zijn moge." Zij had geen heerschappij genoeg over zich zelf om iets te antwoorden; zij barstte in tranen uit en verliet de kamer.
"Dat komt weer van je grappen!" viel de vorstin tegen haar echtgenoot uit. "Zoo ben je nu altijd...." en er volgde een lange boetpreek.
De vorst hoorde geduldig zwijgend haar beschuldigingen aan, maar zijn gelaat betrok al meer en meer.
"Zij is zoo te beklagen, die arme, en gij merkt niet, dat de kleinste toespeling haar pijn doet. Ach! wat kan men zich toch in iemand vergissen!" zeide de vorstin. Dolly en haar vader begrepen, dat zij Wronsky meende. "Ik begrijp niet, dat er de wet geen vat op heeft om zulke afschuwelijke, gewetenlooze menschen te straffen!"
"Ach, ik wil daar niets van hooren!" sprak de vorst somber, terwijl hij van zijn stoel opstond, als wilde hij weggaan; maar aan de deur bleef hij staan. "Ja, moedertje, er zijn wel zulke wetten, maar wilt ge weten wie eigenlijk de schuld van alles draagt? Gij zijt het, gij alleen! Wetten tegen zulke huisnarren en windbuilen waren er altijd en zijn er nog. Ja, als er niet zooveel voorgevallen was, dat niet had moeten zijn, dan zou ik, oude man, dien gek wel ter verantwoording geroepen hebben! Ja, genees haar nu maar en haal me die kwakzalvers in huis!"
Hij scheen nog veel op het hart te hebben, doch nauwelijks hoorde de vorstin haar man dien toon aanslaan, of, zooals het in ernstige gevallen altijd gebeurde, zij gevoelde zijn meerderheid en had berouw over haar eigen woorden.
"Alexander, Alexander!" zei ze zacht, terwijl zij hem naderde en in tranen uitbarstte.
De vorst zweeg terstond en trad op haar toe. "Vergeef mij, als ik te heftig was, vergeef mij, melieve! Ik weet dat het je ook zoo zwaar valt. Maar wat er aan te doen? Het ongeluk is ook nog niet zoo heel groot. God is barmhartig.... Ik dank je...." zeide hij, zonder recht te weten, wat hij sprak, en terwijl hij den door tranen bevochtigden kus der vorstin op zijn hand voelde, beantwoordde hij dien en verwijderde zich toen.