Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood
Chapter 35
En de toovenaar, die geen naam had, keek door het vergrootglas. Het zag er daarin werkelijk uit als een stad, waarin al de menschen zonder kleeren rondliepen! Het was afgrijselijk! Maar nog afgrijselijker was het, te zien, hoe de een den ander duwde en stiet, trapte en beet. Wat beneden was, moest naar boven, en wat boven was, moest naar beneden. Zie, zie! Zijn been is langer dan het mijne! Bah! Weg daarmee! Daar is er een, die een puistje achter zijn oor heeft. Maar dat doet hem zeer, en daarom moet het nog meer zeer doen. Zij hieuwen op hem los, rukten aan hem, en verslonden hem om dat puistje. Daar zat er een zoo stil als een meisje en wenschte slechts naar rust en vrede. Maar nu moest zij voor den dag! Zij duwden haar, trokken haar in de rondte en verslonden haar.
«Dat is kluchtig!» zei de toovenaar.
«Ja. Maar wat denk je wel, dat het is?» vroeg Kriebel-Krabbel. «Kan je het verklaren?»
«Nu, dat kan men toch wel zien!» zei de ander. «Dat is immers Parijs of een andere groote stad;--want ze gelijken allemaal op elkaar. Een groote stad is het!»
«Het is putwater!» zei Kriebel-Krabbel.
EEN BLAD VAN DEN HEMEL.
Hoog boven in de ijle, heldere lucht vloog een engel met een bloem uit den tuin van den hemel. Terwijl hij de bloem kuste, viel er een heel klein blaadje af, kwam in den weeken grond midden in het bosch neer, schoot terstond wortelen en groeide tusschen andere planten op.
«Dat is een kluchtig ding, dat daar staat,» zeiden de planten. En niemand wilde haar als zijn gelijke erkennen, noch distelen noch brandnetels.
«Dat zal zeker een soort van tuinplant zijn,» zeiden zij, en nu werd de plant als tuingewas bespot.
«Waar wil je naar toe?» vroegen de hooge distelen, wier bladeren allemaal met stekels gewapend zijn.
«Je strekt je nog al ver in het rond uit. Dat is een dwaasheid! Wij staan hier niet om je te dragen!»
De winter kwam, de sneeuw bedekte de plant; maar van haar kreeg het sneeuwdek een glans, alsof zij ook van beneden door zonlicht doorstroomd werd. Toen het voorjaar kwam, vertoonde zich een bloeiend gewas, zoo heerlijk, als geen ander in het bosch.
Nu verscheen de botanische professor, die het zwart op wit had, dat hij datgene was, waarvoor hij zich uitgaf. Hij bekeek de plant, hij proefde haar; maar zij stond niet in zijn plantenleer; het was hem niet mogelijk te ontdekken, tot welke soort zij behoorde.
«Dat is een bastaardsoort!» zei hij. «Ik ken haar niet. Zij is niet in het systeem opgenomen.»
«Niet in het systeem opgenomen?» zeiden distelen en brandnetels. De hooge boomen, die in de rondte stonden, zagen en hoorden het, doch zeiden niets,--noch kwaad noch goed, en dat is altijd het verstandigste, als men dom is.
Nu kwam er door het bosch een arm, onschuldig meisje: haar hart was rein, haar verstand groot door het geloof; haar geheele erfdeel was een oude bijbel; maar uit de bladen van dien bijbel sprak Gods stem tot haar: «Als de menschen ons kwaad willen doen, dan heet het immers van Jozef: «Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft het ten goede gedacht.» Als wij onrechtvaardig lijden, als wij miskend en bespot worden, dan klinkt het woord van hem, den reinste, den beste, van hem, dien zij bespotten en aan het kruis nagelden, ons tegen: «Vader! vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen!»» Het meisje bleef voor de zonderlinge plant staan, wier groene bladeren heerlijk en verkwikkend geurden, wier bloemen in den helderen zonneschijn als een veelkleurig vuurwerk straalden, en uit elke kwam een geluid, als verborg zij de diepe bron der melodieën, die duizenden jaren niet vermogen uit te putten. Met vrome aandacht bekeek zij al deze heerlijkheid Gods, zij boog een der takken naar zich neer, om de bloem goed te kunnen bekijken en haar geur te kunnen genieten. Het werd helder in haar verstand; het deed haar harte goed; gaarne zou zij een bloem afgeplukt hebben; maar zij kon het niet van zich verkrijgen, haar af te breken: zij zou immers spoedig bij haar verwelken; het meisje nam slechts een enkel blaadje en legde dit te huis in haar bijbel; daar lag het frisch, altijd groen en onverwelkt.
Tusschen de bladen van den bijbel lag het bewaard; met den bijbel werd het onder het hoofd van het meisje gelegd, toen zij na verloop van eenige weken in haar doodkist lag met den heiligen ernst des doods op het vrome gezicht, alsof het zich in het aardsche stof afspiegelde, dat zij nu voor haar God stond!
Maar buiten in het bosch bloeide de zonderlinge plant; zij zag er bijna als een boom uit, en alle trekvogels bogen er zich voor.
«Wat zijn dat nu weer voor vreemde kunsten!» zeiden de distelen en de klissen. «Zoo doen wij hier te lande toch nooit!»
De zwarte slakken uit het bosch spuwden op de bloem.
Toen kwam de zwijnenhoeder. Deze verzamelde distelen en struiken, om daarvan asch te branden. De geheele zonderlinge plant met al haar wortelen kwam in zijn bezit. «Zij moet ook nuttig worden,» zei hij, en zoo gezegd, zoo gedaan!
Maar sedert jaar en dag leed de koning van het land aan de diepste zwaarmoedigheid; hij was vlijtig en arbeidzaam, maar het hielp hem niets; men las hem diepzinnige, geleerde geschriften voor, men las de oppervlakkigste, de lichtzinnigste, die men maar vinden kon,--het baatte niets! Nu zond een van de wijsten der wereld, tot wien men zich gewend had, een bode af en liet zeggen, dat er toch een middel was, om hem leniging te verschaffen en hem te doen herstellen: «In het eigen rijk van den koning groeide in het bosch een plant van hemelschen oorsprong; zoo en zoo zag zij er uit; men kon zich niet vergissen.»
«Zij is zeker door mij uitgetrokken,» zei de zwijnenhoeder, «en al lang tot asch vergaan, maar ik wist niet beter!»
«Wist ge niet beter? O, welk een diepte van onkunde!» En deze woorden kon de zwijnenhoeder in zijn zak steken; hem en geen ander golden zij.
Geen blad was er meer te vinden, het eenige lag in de doodkist der overledene, en daarvan wist niemand iets.
En de koning zelf wandelde in zijn mismoedigheid naar de plaats in het bosch toe.
«Hier heeft de plant gestaan!» zei hij. «Het is een heilige plaats!»
En de plaats werd met een gouden hek omgeven, en een schildwacht werd er bij geposteerd!
De botanische professor schreef een lange verhandeling over de hemelsche plant, en daarvoor werd hij in goud beslagen, en dit verguldsel stond hem en zijn familie zeer goed; en dat was het verblijdendste van de heele geschiedenis; want de plant was verdwenen, en de koning bleef mismoedig en bedroefd,--«maar dat was hij vroeger ook,» zei de schildwacht.
EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
INHOUD
Het leelijke jonge eendje. De oude straatlantaarn. De ooievaars. Zooals manlief doet, is het altijd goed. De groote Klaas en de kleine Klaas. De vliegende koffer. Vijf uit één schil. De tondeldoos. Het meisje, dat op het brood trapte. De bloemen van de kleine Ida. De onwrikbare tinnen soldaat. De gouden schat. De droom van den ouden eik. Zij deugde niet. De herderin en de schoorsteenveger. De flesschehals. Het minnende paar. De prinses op de erwt. Ole Luk-Oie. Het oude huis. De gelukkige familie. Twee juffers. De wilde zwanen. Het madeliefje. De geschiedenis van een moeder. Uitstel is geen afstel. De tuin van het Paradijs. De kleine Tuk. De burinnetjes. Grootmoeder. De schim. Het vlas. Kinderpraat. De stopnaald. De oude torenklok. Het metalen varken. Het vriendschapsverbond. Het lucifersmeisje. De sneeuwman. De vogel Phoenix. De rozenelf. Iets. Het doornenpad der eer. De goddelooze koning. Twee hanen. Er bestaat een onderscheid. Het is stellig waar! De elfenheuvel. De engel. De nieuwe kleeren van den keizer. De mestkever. De ijsjonkvrouw. De nachtegaal. Een geschiedenis. Twaalf met de diligence. Domme Hans. Drie springers. De waterdroppel. Een blad van den hemel.
AANTEEKENINGEN
[1] Daar een drijftol en een bal hier te lande beide tot het mannelijke geslacht behooren en dus niet met elkaar kunnen trouwen, is de bal in dit sprookje van een heer in een dame gemetamorphoseerd.
[2] Ole de Oogensluiter.
[3] Een oude en barbaarsche militaire straf.
[4] Kjöge, een stadje aan de Kjöge-baai. «Kjögekippen zien» noemt men, de kinderen door het omvatten van het hoofd met beide handen in de hoogte tillen. Bij Kjöge werd bij den overval der Engelschen in het jaar 1807 tusschen dezen en de ongedisciplineerde Deensche landweer een niet zeer roemrijke slag geleverd.
[5] Prästöe, een nog kleiner stadje. Omstreeks honderd schreden daar van daan staat het adellijk kasteel Nysöe, waar Thorwaldsen zich gedurende zijn verblijf in Denemarken gewoonlijk ophield en vele onsterfelijke werken in het aanzijn riep.
[6] Wordingborg, onder koning Waldemar een aanzienlijke plaats, thans een onbeteekenend stadje. Slechts een eenzaam staande toren en eenige overblijfselen van muren wijzen aan, waar het kasteel vroeger gestaan heeft.
[7] Korsöer, aan den Grooten Belt, vroeger, vóór het in zwang komen der stoomvaart, toen de reizigers dikwijls een geruimen tijd op een gunstigen wind moesten wachten, de vervelendste der steden genoemd en door een geestige vaudeville van Heiberg tot het Deensche Schilda gestempeld. Hier is de dichter Baggesen geboren.
[8] Roeskilde (Roesbron, verkeerdelijk Rothschild genoemd), vroeger de hoofdstad van Denemarken. De stad heeft haar naam van koning Hroar en de vele bronnen in den omtrek. In den prachtigen dom liggen de meeste koningen en koninginnen van Denemarken begraven. Te Roeskilde kwamen ook de Deensche stenden bij elkaar.
[9] Soröe, een zeer stil stadje, dat prachtig gelegen en door bosschen en meren omgeven is. Denemarkens Molière, Holberg, stichtte hier een ridderacademie. De dichters Hauch en Ingemann werden hier als professoren aangesteld.
[10] Het woord _schim_ is hier, in strijd met den aard onzer taal, maar in overeenstemming met den inhoud van dit sprookje, manlijk genomen. Vert.
[11] De Deensche beeldhouwer Thorwaldsen.
[12] Tegenover het graf van Galilei bevindt zich dat van Michaele Angelo. Op het monument is zijn buste aangebracht en bovendien drie figuren: de beeldhouwkunst, de schilderkunst en de bouwkunst; dicht daarnaast is het grafteeken van Dante (zijn lijk bevindt zich te Ravenna); op het monument ziet men Italië, dat wijst op het kolossale standbeeld van Dante; de poëzie weent over zijn verlies. Eenige schreden verder ziet men het monument van Alfieri, dat met lauweren versierd is; Italië weent boven zijn graf. Macchiavelli besluit hier de rij der beroemde mannen.
[13] Deze wordt van kippen, rijst en kerrie klaargemaakt.
[14] Het Grieksche bijgeloof laat dit monster uit de onopengesneden maag van geslachte schapen ontstaan, die op het veld geworpen worden.
[15] Een boer, die kan lezen, wordt dikwijls priester, en men noemt hem dan «allerheiligste heer»: de geringere stand kust den grond, dien hij betreden heeft.
[16] Als er zich in vroegere tijden een spook vertoonde, dan bande de predikant het in den grond; als dit gebeurd was, heide men op deze plaats een paal in. Te middernacht klonk dan het geschreeuw: «Laat los!» De paal werd uit den grond gehaald, en de gebannen geest vloog in de gedaante van een uil weg, met een gat in den linkervleugel. Deze spookvogel werd nachtuil genoemd.
[17] Het is in Denemarken een volksbijgeloof, dat er onder iedere kerk, die er gebouwd wordt, een levend paard begraven moet worden; het spooksel daarvan is het doodenpaard, dat iederen nacht op drie pooten naar het huis toe hinkt, waar iemand moet sterven. Onder enkele kerken werd ook een levend varken begraven; het spooksel daarvan heette het grafzwijn.
[18] Dit is in het oorspronkelijke dubbelzinnig, daar «gaal» in het Deensch «krankzinnig» beteekent.
[19] Een kinderspeelgoed, van het been van een ganzeborst, een houtje en pik vervaardigd.