Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood
Chapter 33
«Het klinkt precies als glazen klokjes!» zei de kamerheer. «En kijk dat kleine keeltje eens, hoe het op en neer gaat! Het is zonderling, dat wij hem vroeger nooit gehoord hebben. Hij zal aan het hof zeker wel veel opgang maken!»
«Moet ik nog eens voor den keizer zingen?» vroeg de nachtegaal, die dacht, dat de keizer er ook bij was.
«Mijn voortreffelijke kleine nachtegaal!» zei de kamerheer, «ik heb het genoegen, u heden avond tot een feest ten hove uit te noodigen, waar ge Zijne Keizerlijke Majesteit door uw verrukkelijk gezang ongetwijfeld zult betooveren.»
«Dit laat zich het best te midden van het geboomte hooren!» zei de nachtegaal; maar hij ging toch mee, toen hij hoorde, dat de keizer het wenschte.
In het paleis was alles in orde gebracht. De wanden en de vloeren, die van porselein waren, fonkelden in den glans van vele duizenden gouden lampen; de prachtigste bloemen, die goed konden klingelen, waren in de gangen neergezet. Daar was een geloop en gedraaf, en alle klokjes klingelden zoo, dat men zijn eigen woorden niet kon verstaan.
Midden in de groote zaal, waar de keizer zat, was een gouden stok geplaatst: daarop moest de nachtegaal zitten. Het geheele hof was er, en de kleine keukenmeid had vergunning verkregen, om achter de deur te staan, daar zij nu den titel van een werkelijke hofkeukenmeid gekregen had. Allen waren in feestgewaad gedost, en allen keken naar den kleinen, grauwachtigen vogel, dien de keizer toeknikte.
De nachtegaal zong zoo prachtig, dat den keizer de tranen in de oogen kwamen en langs de wangen biggelden; en nu zong de nachtegaal nog mooier: het ging hem zoo recht van harte. De keizer was zoo verrukt, dat hij zei, dat de nachtegaal zijn gouden pantoffel om den hals moest dragen. Maar de nachtegaal bedankte hiervoor: hij was al genoeg beloond.
«Ik heb tranen in 's keizers oogen gezien, dat is voor mij de grootste schat! De tranen van een keizer hebben een bijzondere kracht! God weet het, ik ben genoeg beloond!» Daarop zong hij weer met zijn liefelijke, prachtige stem.
«Dat is de beminnelijkste coquetterie, die ik ken!» zeiden de dames in de rondte, en toen namen zij water in den mond om daarmee te klokken, als iemand tegen haar sprak. Zij meenden, dat zij dan ook nachtegalen waren. Ja, de lakeien en de kameniers lieten berichten, dat ook zij tevreden waren; dat wil veel zeggen, want die zijn het moeilijkst te voldoen. In één woord, de nachtegaal vond algemeenen bijval.
Hij zou nu aan het hof blijven, zijn eigen kooi hebben en de vergunning krijgen, er overdag tweemaal en 's nachts eenmaal uit te komen. Hij kreeg daarop twaalf bedienden, die allen een zijden draadje om een van zijn pooten gebonden hadden, waaraan zij hem stevig vasthielden. Er was volstrekt geen plezier in zulk een wandeling.
De geheele stad sprak over den merkwaardigen vogel, en als twee elkaar, ontmoetten, dan zei de een niets anders dan «Nacht!» en dan zei de ander: «Gaal» [18]. En dan zuchtten zij en begrepen elkaar. Ja, elf kinderen werden er naar hem genoemd; maar niet een van hen had eenig geluid in zijn keel.
Op zekeren dag kreeg de keizer een groot pakket, waarop geschreven stond: «De nachtegaal.»
«Daar hebben we nu een nieuw boek over onzen beroemden vogel!» zei de keizer. Maar het was geen boek, maar een klein kunstwerk, dat in een doosje lag: een kunstmatige nachtegaal, die op den levenden moest gelijken, maar overal met diamanten, robijnen en saffieren als bezaaid was. Zoodra men den kunstmatigen vogel opwond, kon hij een der stukken, die de werkelijke vogel zong, zingen: en dan bewoog zijn staart op en neer en fonkelde van zilver en goud. Om zijn hals hing een klein lint, en daarop stond geschreven: «De nachtegaal van den keizer van Japan is arm, bij dien van den keizer van China vergeleken.»
«Dat is prachtig!» zeiden allen; en de persoon, die den kunstmatigen vogel gebracht had, kreeg dadelijk den titel van Keizerlijken Opper-Nachtegaalbrenger.
«Nu moeten zij eens samen zingen. Wat zal dat een mooi duet worden!»
En zoo moesten zij samen zingen; maar het eene gezang paste niet goed bij het andere, want de werkelijke nachtegaal zong op zijn wijze en de kunstmatige vogel bracht geluid voort door het ronddraaien van een cilinder. «Het is zijn schuld niet,» zei de muziekmeester; «hij blijft goed in de maat en zingt geheel volgens mijn methode!» Nu moest de kunstmatige vogel alleen zingen. Hij vond evenveel bijval als de werkelijke, en daarbij kwam nog, dat hij er veel mooier uitzag: hij fonkelde als armbanden en doekspelden.
Drie-en-dertig maal zong hij één en hetzelfde stuk en was nog niet moe. De aanwezigen zouden hem graag nog eens gehoord hebben, maar de keizer beweerde, dat nu ook de levende nachtegaal eens iets moest zingen.---Maar waar was die? Niemand had gemerkt, dat hij door het openstaande raam naar zijn groene bosschen weggevlogen was.
«Wat is dat?» riep de keizer uit. En al de hovelingen waren geërgerd en beweerden, dat de nachtegaal een heel ondankbaar beest was. «Den besten nachtegaal hebben we toch!» zeiden zij; en zoo moest dan de kunstmatige vogel weer zingen, en dat was de vier-en-dertigste maal, dat zij hetzelfde stuk te hooren kregen. Zij kenden het met dat al toch niet van buiten; want het was veel te moeilijk. En de muziekmeester prees den vogel hemelhoog; ja, hij verzekerde, dat hij beter dan een levende nachtegaal was, niet alleen wat zijn veeren en de vele prachtige diamanten betreft, maar ook innerlijk.
«Want ziet ge, Mijne Heeren! en bovenal gij, Uwe Majesteit! bij den werkelijken nachtegaal kan men nooit berekenen, wat er zal komen; maar bij den kunstmatigen vogel is alles bepaald! Men kan het verklaren, men kan hem opendoen en het aan de menschen begrijpelijk maken, hoe de cilinders zitten, hoe zij omdraaien, en hoe het een uit het ander volgt.»
«Zoo denken wij er ook over!» zeiden allen, en de muziekmeester kreeg de vergunning, den vogel den volgenden Zondag aan het volk te laten zien. Het moest hem ook hooren zingen, beval de keizer. En het volk hoorde hem; en het werd zoo uitgelaten, alsof het zich aan thee bedronken had, want dat is Chineesch. Nu zeiden allen: «O!» en hielden hun wijsvinger in de hoogte en knikten daarbij. De arme visschers echter, die den werkelijken nachtegaal gehoord hadden, zeiden: «Dat klinkt niet onaardig; de zangwijzen gelijken ook op elkaar; maar er ontbreekt toch iets aan, ik weet niet wat.»
De werkelijke nachtegaal werd uit het land verbannen.
De kunstmatige vogel had zijn plaats op een zijden kussen dicht bij het bed van den keizer; al de geschenken, die hij gekregen had, lagen om hem heen, en in den titel was hij tot een «Keizerlijken Kamerzanger» geklommen, in den rang tot nummer één aan de linkerzijde. Want de keizer rekende die zijde voor de voornaamste, waar het hart zit, en het hart zit ook bij een keizer links. En de muziekmeester schreef een werk van vijf-en-twintig deelen over den kunstmatigen vogel; dit was zoo geleerd en zoo lang, vol van de allermoeilijkste Chineesche woorden, dat alle menschen zeiden, dat zij het gelezen en begrepen hadden; want anders zouden zij immers dom geweest zijn en stokslagen gekregen hebben.
Zoo ging het een geheel jaar door. De keizer, het hof en al de andere Chineezen kenden het gezang van den kunstmatigen vogel nu heelemaal van buiten. Maar juist daarom beviel het hun ook het allerbest; zij konden zelf meezingen, en dat deden zij dan ook. De straatjongens zongen: «Tititi, tititi!» En de keizer zong het insgelijks. Ja, dat was allerprachtigst!
Op zekeren avond echter, toen de kunstmatige vogel overheerlijk zong en de keizer te bed lag en daarnaar luisterde, ging het van binnen in den vogel «Knap!» Daar sprong iets! «Rrrrr!» alle raderen liepen in de rondte, en toen stond de muziek stil.
De keizer sprong dadelijk uit zijn bed en liet zijn lijfarts roepen; maar wat kon _die_ er aan doen? Toen lieten zij den horlogemaker halen, en na veel praten en bekijken kreeg hij den vogel een beetje in orde; maar hij zeide, dat hij ontzien moest worden, want de pennetjes waren afgesleten, en het was onmogelijk, er nieuwe zóó in te zetten, dat de muziek goed bleef gaan. Nu heerschte er een diepe treurigheid! Slechts eenmaal in het jaar mocht men den kunstmatigen vogel laten zingen, en dat was bijna nog te veel. Maar dan hield de muziekmeester een korte toespraak vol vreemde woorden en zeide, dat hij even goed was als vroeger; en toen was hij ook even goed als vroeger.
Nu waren er vijf jaren verloopen, en het land werd in diepe treurigheid gedompeld. De Chineezen hielden in den grond allen veel van hun keizer, en nu was hij ziek en zou het wel niet lang meer maken, zei men. Er was al een _nieuwe_ keizer gekozen, en het volk stond buiten op de straat en vroeg aan den kamerheer, hoe het met hun ouden keizer ging.
«P!» zeide hij en schudde met het hoofd.
Koud en bleek lag de keizer in zijn groot, prachtig ledekant; het geheele hof dacht, dat hij dood was, en ieder van hen liep weg, om den nieuwen keizer te begroeten. De kamerdienaars liepen naar buiten, om daarover te praten, en de kameniers hadden een groote koffievisite. In al de zalen en gangen was laken neergelegd, opdat men geen voetstap zou hooren, en daarom was het er stil! Maar de keizer was nog niet dood; stijf en bleek lag hij in het prachtige ledekant met de lange fluweelen gordijnen en de zware gouden kwasten; in de hoogte stond er een raam open, en de maan scheen daardoor heen op den keizer en den kunstmatigen vogel.
De arme keizer kon tenauwernood ademhalen; het was, alsof er iets op zijn borst zat; hij deed de oogen open, en nu zag hij, dat het de dood was, die op zijn borst zat en zich zijn gouden kroon opgezet had en in de eene hand zijn gouden sabel, in de andere zijn prachtig vaandel hield. En uit de plooien van de groote, fluweelen bedgordijnen kwamen wonderlijke hoofden kijken: enkele leelijk, andere liefelijk en vriendelijk. Dat waren al 's keizers booze en goede daden, die hem aanstaarden, terwijl de dood hem op het hart zat.
«Herinnert ge u dit?» fluisterde de een na den ander. «Herinnert ge u dat?» En dan vertelden zij hem zoo veel, dat hem het zweet van het voorhoofd gutste.
«Dat heb ik niet geweten!» zei de keizer. «Muziek! Muziek! De groote Chineesche trommel!» riep hij, «opdat ik niet alles behoef te hooren, wat zij zeggen!»
En zij gingen voort, en de dood knikte als een Chinees bij alles, wat er gezegd werd.
«Muziek! Muziek!» schreeuwde de keizer. «Och, kleine, prachtige gouden vogel! Zing toch, zing toch! Ik heb u immers goud en kostbaarheden gegeven; ik heb u zelfs mijn gouden pantoffel om den hals gehangen. Zing toch, zing toch!»
Maar de vogel hield zich stil, er was niemand om hem op te winden, en anders zong hij niet; maar de dood ging voort, den keizer met zijn groote, holle oogen aan te staren; en stil was het, akelig stil.
Daar deed zich op eens van den kant van het raam het heerlijkste gezang hooren: het was de kleine, levende nachtegaal, die buiten op een tak zat. Hij had van de ziekte van zijn keizer gehoord en was daarom gekomen, om hem troost en hoop toe te zingen. En terwijl hij zong, werden de spooksels gedurig bleeker en bleeker; het bloed begon gedurig sneller en sneller door 's keizers zwakke leden te vloeien, en zelfs de dood luisterde en zei: «Zing door, kleine nachtegaal! Zing door!»
«Wilt ge mij dan de prachtige gouden sabel geven? Wilt ge mij het mooie vaandel geven? Wilt ge mij de kroon van den keizer geven?»
En de dood gaf ieder kleinood voor een lied; en de nachtegaal ging nog steeds met zingen voort; hij zong van den stillen akker Gods, waar de witte rozen groeien, waar de vlier geurt, en waar het frissche gras door de tranen der achterblijvenden bevochtigd wordt. Nu kreeg de dood verlangen naar zijn tuin en zweefde, als een koude, witte nevel, uit het raam.
«Dank, dank!» zei de keizer. «Gij hemelsche, kleine vogel! Ik ken u wel! Ik heb u uit mijn land verjaagd! En toch hebt gij de booze gezichten van mijn bed weggezonden, den dood van mijn hart verdreven! Hoe kan ik u daarvoor beloonen?»
«Ge hebt mij beloond!» zei de nachtegaal. «Ik heb aan uw oogen tranen ontlokt, toen ik de eerste maal zong: dat vergeet ik nimmer! Dat zijn juweelen, die een zangershart verheugen! Maar slaap nu en word weer frisch en sterk! Ik zal u iets voorzingen!»
En hij zong,--en de keizer viel in een zoete sluimering. O, hoe mild en weldadig was die slaap!
De zon scheen door het raam naar binnen, toen hij gesterkt en gezond ontwaakte. Geen van zijn bedienden was nog teruggekomen, want zij dachten, dat hij dood was; alleen de nachtegaal zat nog bij hem en zong.
«Altijd moet ge bij mij blijven!» zei de keizer. «Ge moet nu maar zingen, als ge zelf wilt, en den kunstmatigen vogel sla ik in duizend stukken.»
«Doe dat niet!» zei de nachtegaal. «Hij heeft immers het goede gedaan, zoo lang als hij kon. Behoud hem, evenals tot hiertoe! Ik kan in het paleis mijn nest niet bouwen en daar wonen; maar laat mij komen, als ik zelf lust heb; dan zal ik 's avonds op den tak daar bij het raam zitten en iets voor u zingen, opdat ge vroolijk kunt worden en tevens leert nadenken. Ik zal van de gelukkigen zingen en van hen, die in lijden zijn. Ik zal van het kwade en van het goede zingen, dat om u heen verborgen blijft. De kleine zangvogel vliegt ver in de rondte, naar den armen visscher, naar den nijveren landman, naar iedereen, die ver van u en uw hof verwijderd is. Ik heb uw hart liever dan uw kroon, en toch heeft die kroon een stralenkrans van heiligheid om zich heen!--Ik zal dus komen en iets voor u zingen!--Maar dan moet ge mij één ding beloven!»
«Alles!» zei de keizer en stond daar in zijn keizerlijk gewaad, dat hij zelf aangetrokken had, en drukte de sabel, die zwaar van het goud was, aan zijn hart.
«Om één ding smeek ik u! Vertel aan niemand, dat ge een kleinen vogel hebt, die u alles zegt; dan zal het nog beter gaan!»
Nu vloog de vogel weg.
De bedienden kwamen binnen, om naar hun dooden keizer te kijken,----ja, daar stonden zij, en de keizer zei: «Goeden morgen!»
EEN GESCHIEDENIS.
In den tuin bloeiden al de appelboomen; zij hadden zich gehaast, bloesems te krijgen, voordat hun bladeren ontsproten; en in den tuin gingen al de eendjes wandelen, en ook de kat; zij bakerde zich in de zon en likte den zonneschijn van haar eigen poot af. En als men een blik op de velden sloeg, wat stond daar het koren heerlijk te prijken, en wat was alles onbeschrijfelijk prachtig, en wat was er een getjilp en een gekwinkeleer van al de kleine vogeltjes, alsof het een groot feest was, en dat was het ook, want het was Zondag. De klokken luidden en al de menschen gingen in hun beste kleeren naar de kerk en zagen er vergenoegd uit; ja, aan alles was iets vroolijks; het was een dag, zoo warm en gezegend, dat men wel zeggen kon: De goede God is toch onbeschrijfelijk goed voor ons menschen!
Maar binnen in de kerk stond de dominee op den preekstoel en sprak heel luid en toornig; hij zei, dat de menschen allemaal goddeloos waren, God zou ze daarom straffen, en als ze stierven, dan zouden de boozen allemaal in de hel komen, om eeuwig te branden. Hij wees er met nadruk op, «dat hun worm niet zou sterven en hun vuur niet uitgebluscht worden, dat zij nimmer rust zouden vinden!»
Dat was vreeselijk om aan te hooren, en hij zei dit op zulk een toon van overtuiging; hij beschreef hun de hel als een verpeste plaats, waarheen al het ontuig uit de geheele wereld samenvloeit,--daar was geen andere lucht, dan de heete brandende zwavelvlam, daar was geen grond, zij--de boozen--zonken en zonken al dieper en dieper bij een eeuwig stilzwijgen!--Het was reeds vreeselijk daarvan te hooren; want de dominee sprak het uit het volle hart, en al de menschen in de kerk waren daarover ontzet.
Buiten intusschen zongen al de vogeltjes zoo vroolijk, en de zon scheen zoo warm, het was alsof ieder bloempje zei: «God! Gij zijt zoo onbeschrijfelijk goed voor ons allen!»--Ja, buiten was het volstrekt niet, zooals de dominee preekte.
Dien zelfden avond bij het naar bed gaan keek de dominee zijn vrouw aan en zag, dat zij peinzend en in gedachten verdiept zat.
«Wat scheelt er aan?» vroeg hij haar.
«Ja, wat mij scheelt?» zeide zij. «Dit scheelt mij, dat ik mijn gedachten niet goed weet te verzamelen, dat ik datgene, wat je vandaag in de kerk gesproken hebt, niet goed kan begrijpen, «dat er zoovele goddelooze menschen zijn en dat zij eeuwig zullen branden!» Eeuwig! Ach, wat is dat lang!--Ik ben maar een mensch, een zondares voor God, maar ik zou het niet over mijn hart kunnen krijgen, zelfs den snoodsten zondaar eeuwig te laten branden, en hoe zou God dit dan kunnen, die zoo oneindig goed is, en die immers weet, hoe het booze van buiten en van binnen komt? Neen ik kan het mij zoo niet voorstellen, ofschoon gij het zegt!»
Het was herfst, de boomen lieten hun bladeren vallen, de ernstige, strenge dominee zat aan de legerstede van een stervende; een vrome, geloovige vrouw sloot de oogen: het was de echtgenoote van den dominee.
«Als er iemand rust in het graf en genade voor zijn God vindt, dan zal zij het wel zijn!» zei de dominee; hij vouwde haar handen en las een psalm voor de overledene.
Men droeg haar ten grave; twee groote tranen biggelden er langs de wangen van den strengen man, en in de pastorie was het stil en ledig: de zon des huizes was uitgebluscht, zij was huiswaarts gegaan.
Het was nu nacht, een kille wind blies over het hoofd van den dominee; hij sloeg de oogen op, en het was hem, alsof de maan in zijn kamer scheen, maar deze scheen niet. Een gestalte was het, die voor zijn bed stond, hij zag den geest van zijn overleden vrouw; zij keek hem zoo innig bedroefd aan; het was, alsof zij iets tegen hem wilde zeggen.
De dominee richtte zich terstond in zijn bed op en strekte de armen naar haar uit. «Zoo is dan ook aan u de eeuwige rust niet vergund! Ge lijdt, gij, de beste, de vroomste!»
De doode knikte bevestigend met het hoofd en legde de hand op de borst.
«En ben ik bij machte om u de rust in het graf te schenken?»
«Ja!» luidde het antwoord.
«En op welke wijze?»
«Geef mij een haar, maar een enkel haar van het hoofd van den zondaar, wiens vuur nimmer zal uitgebluscht worden; van _dien_ zondaar, dien God tot eeuwige pijn in de hel zal werpen.»
«Ja, zoo gemakkelijk moet gij verlost kunnen worden, gij reine en vrome!» zeide hij.
«Volg mij dan!» zei de doode. «Het is ons vergund. Aan mijn zijde zweeft ge, waarheen uw gedachten maar willen: voor de menschen onzichtbaar, dringen wij hun geheimste vertrekken binnen,--maar met vaste hand moet ge hem opsporen, die tot eeuwige kwelling uitverkoren is, en voor het hanengekraai moet hij gevonden zijn!»
Snel, als door de gevleugelde gedachten gedragen, bevonden zij zich in de groote stad, en van de muren der huizen straalden hun in vlammend schrift de namen der doodzonden tegen: hoogmoed, gierigheid, dronkenschap, wellust, in één woord de geheele zevenkleurige boog der zonde.
«Ja, daarbinnen, zooals ik wel dacht, zooals ik wel wist,» zei de dominee, «daarbinnen wonen zij, die voor het eeuwige vuur bestemd zijn!»--En zij stonden voor het prachtig verlichte portaal, de breede trappen prijkten met tapijten en bloemen, en door de feestelijk versierde zalen ruischte de dansmuziek. De portier, in zijde en fluweel gekleed, stond met zijn grooten, met zilver beslagen stok aan den ingang.
«Ons bal kan zich met dat van den koning meten!» zei hij en wendde zich verachtelijk tot de gapende menigte, die op de straat stond; wat hij dacht, bleek genoegzaam uit zijn gedragingen en bewegingen. «Schooiers, die daar alles staat aan te gapen, bij mij vergeleken ben je allemaal kanalje!»
«Hoogmoed!» zei de doode, «ziet ge hem?»
«Dien daar?» antwoordde de dominee. «Het is immers maar een arme gek, een dwaas, en niet voor de kwellingen van het eeuwige vuur bestemd.»
«Maar een dwaas!» klonk het door het geheele huis van den hoogmoed; dat waren zij daar allen.
Zij zweefden tot binnen de vier kale muren van den gierigaard. Mager als een geraamte, van koude sidderend, hongerig klampt de grijsaard zich met al zijn gedachten aan zijn geld vast; zij zagen hem koortsachtig van zijn ellendige legerstede opspringen en een lossen steen uit den muur nemen, daar lagen gouden munten in een oude kous; zij zagen hem zijn gescheurden rok, waarin de goudstukken genaaid waren, angstig betasten, en zijn vochtige vingers sidderden!
«Die is ziek! Dat is waanzinnigheid, een droevige waanzinnigheid, door angst en booze droomen omgeven!»
Zij verwijderden zich snel en kwamen voor de kribben der misdadigers; in lange rijen sliepen de ongelukkigen naast elkander. Als een wild dier sprong er een uit zijn slaap op en stiet een afschuwelijken gil uit, hij gaf zijn kameraad met den elleboog een duchtigen stoot in de ribben, en deze keerde zich slaperig om, zeggende:
«Houd je mond, onmensch, en slaap!--Dat is hier iederen nacht!...»
«Iederen nacht!» herhaalde de ander. «Ja, iederen nacht komt hij en kwelt mij!--In mijn drift heb ik dit en dat gedaan, met een boos hart ben ik geboren, dit heeft mij ten tweeden male hier gebracht; maar als ik kwaad gedaan heb, dan onderga ik daarvoor immers mijn straf.--Er is echter één ding, dat ik niet bekend heb. Toen ik de laatste maal hier uitkwam en het huis van mijn vroegeren heer voorbijging, toen kookte het in mij, omdat mij een en ander in de gedachten kwam,--en ik streek een lucifer zoo wat tegen den muur af; alles verbrandde, de hitte kwam daarover, zooals zij menigmaal over mij komt. Ik hielp zelf redden, vee en meubelen. Niets levends verbrandde er dan een troep duiven, die in het vuur vlogen, en de kettinghond, waaraan ik niet gedacht had. Men hoorde hem te midden van den brand huilen, en... dit huilen hoor ik nog altijd, als ik wil slapen, en als ik in slaap gevallen ben, dan komt de hond groot en ruw, en legt zich op mij neer, en huilt, en drukt mij, en kwelt mij!--Hoor dan toch, wat ik je vertel! Snorken kan je; den heelen nacht snork je, maar ik nog geen kwartier!»--En het bloed kwam den verhitten gevangene in de oogen, hij wierp zich op zijn kameraad en sloeg hem met zijn gebalde vuist in het gezicht.
«De booze Matz is weer eens dol geworden!» heette het nu in de rondte, en de andere misdadigers grepen hem, worstelden met hem, drukten hem krom, zoodat zijn hoofd tusschen zijne knieën zat, en daar bonden zij dit vast, zoodat het bloed Matz bijna uit de oogen en uit alle poriën kwam.
«Gij doodt hem, den ongelukkige!» riep de dominee uit, en terwijl hij zijn hand beschermend over dengene uitstrekte, die reeds te zwaar boette, veranderde het tooneel. Zij vlogen door rijke zalen en arme kamertjes; wellust en nijd, alle doodzonden liepen hun voorbij; een engel van het strafgericht las hun schuld, hun verdediging; deze was wel is waar niet schitterend, maar zij werd voor God gebracht, voor dien God, die in het harte leest en alles weet en kent, het booze, dat van binnen en van buiten komt, dien God, die de genade en de liefde zelf is.
De hand van den dominee beefde, hij waagde het niet, haar uit te strekken, hij had den moed niet, een enkel haar uit het hoofd van den zondaar te trekken.--En de tranen vloeiden hem uit de oogen als een stroom der genade en der liefde, welks verkoelende wateren het eeuwige vuur der hel uitbluschten.
Daar kraaide de haan.
«Barmhartige God! Geef Gij haar den vrede, dien ik haar niet heb kunnen verschaffen!»
«Dien heb ik nu!» zei de doode. «Het was een hard woord, uw wanhoop aan de menschheid, uw somber geloof aan God en Zijn schepping, dat mij naar u toe dreef! Leer de menschen kennen! Zelfs in de boozen leeft een deel van God, dat de vlam der hel uitbluscht en overwint!»
De dominee voelde een kus op zijn lippen, er verspreidde zich een schemering om hem heen; de heldere zon van God scheen in de kamer, waar zijn vrouw, levend, vriendelijk en vol liefde, hem uit een droom wakker maakte, die hem door God gezonden was!
TWAALF MET DE DILIGENCE.